Naar de inhoud
Terug naar het boek

Tegenslag en opnieuw beginnen

Alles verkocht, niets over

Hoofdstuk 1

Alles verkocht, niets over — De sleutel

De man die mijn naaimachine kwam ophalen, bood honderd euro minder dan afgesproken.

‘Er zit roest op die voet,’ zei hij.

‘Dat is lijm.’

Hij wreef erover met zijn duim. De vlek bleef zitten. Ik had hem zelf gemaakt, zes jaar eerder, toen ik een leren bank uit elkaar haalde en dacht dat ik voortaan altijd genoeg werk zou hebben.

‘Achthonderd,’ zei ik. ‘Zoals afgesproken.’

Hij keek langs me heen naar de lege werkplaats. De witte vlakken op de muur waar mijn gereedschap had gehangen. Het stof onder de verdwenen snijtafel. Daarna keek hij op zijn telefoon.

‘Zevenhonderd. Anders rij ik terug.’

Ik heet Eva van Dijk. Ik was drieënveertig en stond in mijn eigen zaak in Nieuwegein. Nog zevenentwintig minuten. Daarna moest ik de sleutel inleveren.

‘Maak maar over,’ zei ik.

Hij wilde dat ik hielp tillen. Dat deed ik ook nog.

Toen zijn bus wegreed, bleef er een losse draad op de vloer liggen. Donkergroen garen. Ik bukte om die op te rapen. Halverwege stopte ik. Ik hoefde hier niet meer schoon te maken.

Mijn telefoon ging. Mijn zoon Sam.

‘Mam, waar ligt mijn zwarte oplader?’

‘In de blauwe krat bij tante Noor.’

‘Daar zit alleen keukenspul in.’

‘Dan in de andere blauwe krat.’

Hij zweeg even.

‘Pap zegt dat ik vanavond beter hier kan blijven.’

Ik keek naar de plek waar zijn oude bureautje had gestaan. Na school maakte hij daar soms huiswerk. Meestal tekende hij monsters op de achterkant van mijn offertes.

‘Dat lijkt me handig,’ zei ik.

‘Ben je boos?’

‘Nee.’

‘Je klinkt wel zo.’

‘Ik ben aan het sjouwen.’

Dat was de eerste leugen van die dag die ik zelf hoorde.

Mijn verhuurder arriveerde tien minuten te vroeg. Meneer De Bruin droeg geen jas, alleen een donker vest. Hij hield zijn autosleutel al klaar. Achter hem stond een jonge vrouw met een meetapparaat.

De volgende huurder.

‘We wachten buiten,’ zei ze.

De Bruin liep toch naar binnen.

Hij controleerde de meterkast. Daarna de kraan en het toilet. Ik stond met de sleutel in mijn vuist. Het metaal drukte in mijn huid.

‘Die beschadiging in de vloer was er al,’ zei ik toen hij bij de ingang bleef staan.

‘Staat die op het opnamerapport?’

‘Dat weet ik niet.’

Hij maakte een foto.

Over mijn huurachterstand zei hij niets. Die was niet verdwenen doordat de ruimte leeg was. Ik had het gevraagd, twee weken eerder. Of de verkoop van mijn spullen voldoende was om het netjes af te sluiten.

‘Een lege ruimte is geen betaling,’ had hij gezegd.

Daar had hij gelijk in. Dat maakte het moeilijker om hem te haten.

Buiten gaf ik hem de sleutel. De jonge vrouw keek naar mijn handen. Onder mijn nagels zat zwart vuil dat er met gewone zeep niet afging.

‘Succes,’ zei ze zacht.

Ik knikte en liep naar mijn auto.

Ook die was verkocht. Ik mocht hem tot maandag gebruiken. De koper woonde in Houten en had gezegd dat hij geen haast had. Ik had bijna gehuild omdat een onbekende man mij twee dagen extra gaf.

Op de passagiersstoel lag een map met het opschrift BELANGRIJK. Er zat van alles in. Verkoopakte van mijn huis. Brieven van schuldeisers. Een afspraakbevestiging van de gemeente. Een ongeopende envelop die ik al drie dagen meenam.

Ik trok hem open voordat ik kon besluiten het niet te doen.

Een aanmaning. Veertien dagen. Daarna extra kosten.

Ik legde de brief terug. Startte de auto. Zette hem weer uit.

Op mijn rekening stond nu 784,16 euro. Zevenhonderd daarvan was de machine. Mijn werkplaats was leeg. Mijn huis was overgedragen. Mijn gereedschap lag bij andere mensen.

Ik had alles verkocht en was nog steeds niet klaar met betalen.

Noor belde.

‘Waar blijf je?’

‘Ik kom zo.’

‘Eva. Heb je gegeten?’

Ik keek naar een hard geworden krentenbol in het deurvak.

‘Nog niet.’

‘Ik zet iets neer.’

Ik bleef zitten tot de nieuwe huurder de deur opende met mijn oude sleutel. Toen reed ik naar mijn zus.

Hoofdstuk 2

De grote order

Acht maanden eerder had ik tegen Noor gezegd dat ik eindelijk kon stoppen met kleine klussen.

We zaten in haar keuken in Utrecht. Ik had mijn laptop meegenomen. Op het scherm stond een opdracht voor het opnieuw bekleden van achtenveertig restaurantbanken. Drie locaties. Een fors bedrag.

‘Is dat winst?’ vroeg Noor.

‘Nee, omzet.’

‘Hoeveel hou je over?’

Ik gaf haar een bedrag dat klopte als alles volgens planning ging. Geen extra uren. Geen vertraging. Geen fout gesneden stof.

‘En betalen ze vooraf?’

‘Een deel.’

Ze keek opnieuw naar het scherm.

‘Je hebt er wel veel geld voor nodig.’

‘Daar is dat voorschot voor.’

Ik klapte de laptop dicht. Ik wilde geen vragen. Ik wilde dat mijn zus trots op me was.

Mijn zaak heette Van Dijk Stoffering. Ik was goed in mijn werk. Dat zeg ik nog steeds zonder schaamte. Ik kon horen waar een stoel loszat. Ik zag aan de vouw in een armleuning hoe de vorige stoffeerder had gewerkt. Klanten kwamen terug.

Maar goed werk afleveren en een bedrijf overeind houden bleken verschillende dingen.

De opdrachtgever was een restaurantgroep uit Amersfoort. Mijn contactpersoon heette Bas. Hij droeg nette sportschoenen en praatte snel. Tijdens ons eerste gesprek streek hij met zijn hand over een proefstuk.

‘Precies dit. Degelijk, maar niet oubollig.’

Hij vroeg of ik de planning aankon.

Ik zei ja voordat ik had uitgerekend hoeveel avonden het zou kosten.

Het voorschot kwam op tijd. Ik bestelde stof, schuim en onderdelen. Ik huurde Daan in, een zelfstandige meubelmaker die ik kende. We werkten naast elkaar met de radio laag. Hij bouwde de onderstellen. Ik sneed en stikte.

Sam at twee avonden per week zijn maaltijd in de werkplaats. Hij vond het eerst leuk. Hij mocht de pneumatische nietmachine niet aanraken en deed dat toch.

‘Niet op mensen richten,’ zei ik.

‘Hij is niet aangesloten.’

‘Ook dan niet.’

Hij rolde met zijn ogen. Ik zette een bak nasi voor hem neer en werkte door.

De eerste levering verliep goed. Bas stuurde foto’s van de banken in een restaurant in Hilversum. Daarna vroeg hij om een kleine wijziging voor de volgende locatie. Een andere rand. Het leek weinig. Het kostte twee dagen.

Mijn tweede factuur bleef openstaan.

‘Administratie loopt achter,’ zei Bas.

Een week later was de verantwoordelijke medewerker ziek. Daarna moest de directie akkoord geven. Ik bleef bellen, maar ik bleef ook werken. De halffabricaten stonden overal. Stoppen voelde duurder dan doorgaan.

Daan vroeg op een vrijdag of ik zijn factuur had gezien.

‘Maandag,’ zei ik.

Die maandag betaalde ik hem met geld dat ik apart had gezet voor de belasting.

Ik wist wat ik deed. Dat is het vervelende aan terugkijken. Ik kan niet zeggen dat alles me overkwam. Ik zag de gaten en schoof geld heen en weer zodat ik er tijdelijk niet in hoefde te kijken.

In november reed ik naar Amersfoort omdat Bas niet meer opnam.

Bij het kantoor stonden twee mannen voor een gesloten deur. Een van hen hield een doos vast met koffiebekers en een toetsenbord.

‘Zoekt u iemand?’ vroeg hij.

Ik noemde Bas.

‘Die is gisteren vertrokken.’

‘Waarheen?’

De man haalde zijn schouders op.

Die middag kreeg ik een bericht over het faillissement. Er stond een naam van een curator onder. Ik las het drie keer. Mijn openstaande facturen bedroegen ruim achtendertigduizend euro.

Ik belde de curator de volgende ochtend. Zijn medewerker legde uit hoe ik mijn vordering moest indienen. Over een uitbetaling kon hij niets zeggen.

‘Maar ik heb dat geld nodig,’ zei ik.

‘Dat begrijp ik.’

Ik werd kwaad op die zin. Later heb ik hem zelf vaak gebruikt omdat ik ook niet wist wat ik anders moest zeggen.

Thuis legde ik de cijfers op tafel. Mijn ex, Joris, was Sam komen brengen. We waren al vier jaar uit elkaar. Meestal konden we praktisch praten.

‘Hoe groot is het probleem?’ vroeg hij.

Ik noemde alleen de onbetaalde facturen.

Niet het krediet. Niet de belasting. Niet de achterstallige huur.

Hij bleef tegenover me zitten.

‘Eva, ik vraag niet wat zij jou moeten betalen.’

Ik staarde naar de rekenmachine.

Voor het eerst telde ik alles bij elkaar op.

Hoofdstuk 3

Kopers aan de deur

Mijn huis stond in IJsselstein, in een rij waar iedereen dezelfde voordeur had. Ik had de mijne blauw laten schilderen. Daar maakte de makelaar meteen een opmerking over.

‘Op de foto oogt een neutrale kleur rustiger.’

‘Hij blijft blauw.’

Dat was ongeveer het enige waarover ik nog besliste.

Ik had geprobeerd door te werken. Kleine reparaties. Nieuwe kussens. Eetkamerstoelen waarvan de zittingen doorzakten. Maar nieuwe klanten betaalden niet snel genoeg om oude gaten te vullen. Ik werkte soms tot elf uur en zag mijn schuld toch oplopen.

Mijn boekhouder stelde voor om te stoppen.

‘Je kunt niet blijven wachten op die curator.’

‘En waarvan moet ik dan leven?’

Hij schoof een vel naar me toe met telefoonnummers. De gemeente. Een ondernemersloket. Iemand die kon meekijken naar beëindiging van mijn bedrijf.

Ik nam het vel mee en belde pas twaalf dagen later.

Bij de eerste afspraak zei een adviseur dat we ook naar mijn woonlasten moesten kijken. Ik wist al wat hij bedoelde. Het huis was na de scheiding met moeite op mijn naam gekomen. Ik had Joris uitgekocht met een extra lening. De maandlasten waren alleen te dragen zolang de zaak goed liep.

De verkoop leverde minder vrije ruimte op dan mensen dachten.

‘Maar huizen zijn toch enorm duur geworden?’ zei een kennis.

Alsof de bank bij de overdracht vergat wat ik nog verschuldigd was.

Na aflossingen en kosten bleef er geld over. Dat ging, na overleg, naar schulden. Niet genoeg. Wel genoeg om mijn huis kwijt te zijn.

Tijdens de bezichtigingen liep ik met Sam door het centrum. We dronken één keer chocolademelk in een café. De keren daarna namen we broodjes mee.

‘Waar gaan we wonen?’ vroeg hij bij de brug.

‘Eerst even bij Noor.’

‘Hoe lang is even?’

‘Dat weet ik nog niet.’

Hij trapte tegen een kiezel. Die vloog tegen een geparkeerde fiets.

‘Mag ik dan nog wel bij jou slapen?’

‘Natuurlijk.’

Ik had Noors woning nog niet goed bekeken met een dertienjarige erbij. Twee slaapkamers. Haar eigen zoon Tijn van vijf. Een woonkamer waarin de eettafel nauwelijks paste. Toch zei ik natuurlijk.

Daarna begon de verkoop van mijn spullen.

Een vrouw bood vijftien euro voor de eiken kast van mijn moeder. Ik vroeg vijftig. Ze liet me een foto zien van een vergelijkbare kast die gratis af te halen was.

‘Dan zou ik die nemen,’ zei ik.

Ze ging weg. Twee dagen later verkocht ik mijn kast voor twintig euro aan iemand die op tijd kwam en zelf een steekwagen had.

Van alle kopers herinner ik me vooral hun handen. Handen die laden opentrokken. Over krassen gingen. Onder een tafel voelden. Mensen onderzochten spullen waarin ik gewoon had geleefd.

Een man vroeg waarom ik zoveel verkocht.

‘Verhuizen,’ zei ik.

‘Kleiner wonen?’

‘Ja.’

Hij knikte tevreden. Een antwoord waar hij iets mee kon.

Sam wilde zijn bed niet kwijt. Het was een hoogslaper die Joris en ik samen hadden gemonteerd, kort voor onze scheiding. Joris kwam kijken of hij bij hem paste.

Ze maten de kamer op. Het paste niet.

Sam sloeg de slaapkamerdeur dicht.

Ik bleef beneden staan met een stapel handdoeken in mijn armen. Joris keek naar het plafond.

‘Laat hem maar even.’

‘Dat bed kan niet mee,’ zei ik.

‘Dat weet hij.’

‘Waarom doet hij dan zo?’

Joris keek me aan.

‘Omdat hij dertien is en zijn kamer verdwijnt.’

Ik ging naar boven. Sam zat op de vloer onder zijn bed.

‘Ik wil niet dat vreemde mensen erin slapen,’ zei hij.

Ik zakte naast hem neer.

‘Dat snap ik.’

‘Nee, je zet alles gewoon op internet.’

Ik wilde uitleggen hoeveel geld er nodig was. Hoe hard ik mijn best deed. Ik slikte het in.

We schroefden die avond samen zijn leeslamp los. Die mocht in zijn eigen tas.

Op de dag van de overdracht liep ik nog één keer door de lege kamers. In Sams kamer zat achter de deur een streepje op het behang. Zijn lengte van vorige zomer.

Ik maakte een foto. Daarna deed ik de voordeur dicht zonder hem nog aan te raken.

Hoofdstuk 4

Het adres van Noor

Noor had een slaapbank die in het midden naar beneden zakte. De eerste nacht dacht ik dat ik er wel aan zou wennen. De derde nacht legde ik een opgevouwen deken onder mijn heup.

Iedere ochtend moest het bed weg voordat Tijn naar school ging. Kussen in een tas. Deken in de kast. Mijn kleding lag in twee kratten achter de bank.

‘Je hoeft niet steeds alles op te ruimen,’ zei Noor.

Maar als ik mijn spullen liet liggen, stonden ze in haar weg.

Ik kende haar geluiden al snel. De kraan om kwart over zes. De lade met lepels. Het tikken van haar nagels op haar telefoon wanneer ze haar werkrooster controleerde. Zij werkte in de thuiszorg. Ik deed alsof ik sliep als ze vertrok.

Dan hoefde ik niet te zeggen wat ik die dag ging doen.

Mijn afspraak bij de schuldhulpverlening was op een dinsdag. Ik nam de verkeerde bus en kwam bezweet aan. De medewerker heette Farida. Ze wees naar een stoel en vroeg of ik water wilde.

Ik haalde mijn map uit mijn tas. Er vielen drie losse enveloppen op de grond.

‘Ik ben normaal niet zo,’ zei ik.

Farida raapte er één op.

‘Hoe bent u normaal?’

Daar had ik geen kort antwoord op.

We begonnen met mijn adres. Omdat ik daadwerkelijk bij Noor woonde, moesten we uitzoeken hoe mijn inschrijving geregeld moest worden en wat de gevolgen voor haar huishouden waren. Noor had daar al vragen over gesteld. Ik had gezegd dat het tijdelijk was, alsof dat alle regels ophief.

Daarna kwamen de schulden.

Farida maakte een lijst. Ik moest namen noemen. Bedragen. Of er al een vonnis was. Of ik de zaak formeel had beëindigd. Welke rekeningen nog konden volgen.

Bij de belasting bleef ik hangen.

‘Ongeveer elfduizend,’ zei ik.

‘Heeft u de meest recente aanslagen?’

‘Niet allemaal.’

‘Dan zetten we het voorlopig neer.’

Ze keek niet boos. Dat hielp. Het maakte me ook zenuwachtig. Ik was voorbereid op verwijten, niet op iemand die rustig verder vroeg.

Het voorlopige totaal was ruim eenenzestigduizend euro. Na de verkoop van het huis en de spullen. Ik keek naar het getal en dacht dat ze iets dubbel had geteld.

We controleerden het samen.

Ze had niets dubbel geteld.

‘Wat gebeurt er nu?’ vroeg ik.

Farida legde uit dat eerst duidelijk moest worden wat er binnenkwam, wat noodzakelijk was en welke schulden er precies waren. Daarna konden ze kijken naar een regeling. Er waren geen garanties. Schuldeisers moesten worden benaderd. Mijn administratie moest op orde.

‘En tot die tijd?’

‘Laat alle post zien. Ook de brieven die u liever niet opent.’

Ik voelde de dikke envelop in mijn tas.

Die gaf ik haar als laatste.

Thuis lag Tijn op zijn buik voor de televisie. Mijn krat met papieren stond midden in de kamer. Er zat een glas limonade naast.

‘Hij zocht papier om te tekenen,’ zei Noor.

Ik trok de krat weg. Te hard. Het glas viel om.

‘Blijf van mijn spullen af,’ zei ik.

Tijn begon te huilen.

Noor zette de televisie uit.

‘Naar je kamer, lieverd.’

Toen hij weg was, keek ze me recht aan.

‘Dit kan niet, Eva.’

‘Daar zit mijn hele administratie in.’

‘Dan zetten we hem ergens anders. Maar je schreeuwt niet tegen hem.’

Ik pakte een doek en begon de vloer droog te maken.

‘Ik weet het.’

‘Kijk me even aan.’

Ik bleef vegen.

‘Je hoeft hier niet dankbaar rond te lopen. Wel normaal doen.’

Die avond zei ik sorry tegen Tijn. Ik vertelde dat de papieren belangrijk waren en dat hij niet kon weten hoe bang ik was dat ze kwijt zouden raken. Hij vroeg of ik nu boos bleef.

‘Nee,’ zei ik. ‘Het was niet jouw fout.’

Later maakten Noor en ik afspraken. Over boodschappen. Over ruimte. Over Sam, die op zaterdag kon komen maar voorlopig bij Joris sliep.

Toen Noor naar bed ging, opende ik mijn bankapp. Ik had drie automatische afschrijvingen gemist.

Ik schreef ze op voor Farida.

Daarna legde ik de telefoon weg. Ik opende de app die nacht nog vier keer.

Hoofdstuk 5

De vroege dienst

Mijn eerste baan na de werkplaats was in een wasserij in Utrecht. Ik kwam er via een uitzendbureau. De vrouw aan de telefoon vroeg of ik lang kon staan.

‘Ja.’

‘Ook zes uur achter elkaar?’

‘Ja.’

Ik wilde geen vraag stellen waardoor ze iemand anders zou bellen.

Om vijf over half zes stond ik voor de personeelsingang. Het regende. De bus had me veel te vroeg afgezet. Door een raam zag ik machines draaien en mensen in blauwe werkkleding.

Mijn leidinggevende heette Rachid. Hij wees me een kluisje en gaf me schoenen met stalen neuzen.

‘Eerst bij de handdoeken,’ zei hij. ‘Niet proberen snel te zijn. Eerst goed.’

Naast me werkte Els, een vrouw van achter in de vijftig. Ze pakte een handdoek, vouwde hem en legde hem recht op de stapel. Haar handen leken nooit te stoppen.

De mijne wel.

Na twee uur deed mijn onderrug pijn. Na vier uur voelde ik mijn voetzolen bij iedere stap. Ik was zwaar werk gewend, maar niet dit tempo. In mijn werkplaats kon ik van taak wisselen. Hier kwam de volgende kar al voordat de vorige leeg was.

Tijdens de pauze vroeg Els wat ik hiervoor deed.

‘Meubelstoffering.’

‘Leuk werk.’

‘Ja.’

‘Waarom gestopt?’

Ik prikte met mijn vork in een bak koude pasta.

‘De zaak ging niet meer.’

Ze nam een slok koffie.

‘Van mijn broer ook. Installateur.’

Daarna vroeg ze of ik wist waar de magnetron stond.

Ik was haar dankbaar dat ze niet vroeg hoeveel schuld ik had.

De eerste loonbetaling controleerde ik op het toilet bij Noor. Er stond minder dan ik had verwacht. Ik had de uren verkeerd geteld en niet goed gekeken naar de inhoudingen.

Toch bleef ik een tijd naar het bedrag kijken. Geld voor werk dat ik al had gedaan. Geen klant die nog moest tekenen. Geen factuur die ik beleefd moest nabellen.

Ik maakte mijn afgesproken bijdrage aan Noor over. Daarna stuurde ik Farida mijn loonstrook.

Het ordenen van de schulden ging langzaam. Een oude leverancier bleek een dossier aan een incassobureau te hebben overgedragen. Twee bedragen klopten niet. De verhuurder bracht extra kosten in rekening voor herstel van de vloer.

Ik wilde meteen bellen en schreeuwen.

Farida vroeg of ik foto’s van de oplevering had.

Die had ik niet. Wel een oude foto waarop Sam op de grond zat met een stripboek. Achter hem was de beschadiging zichtbaar.

We stuurden die op. Het bedrag werd later ingetrokken.

Ik vierde dat met een appelkoek van de supermarkt. Eén stuk. Ik at hem bij de bushalte en liet de kruimels in het papieren zakje vallen.

Niet iedere week ging zo.

Op een donderdag miste ik de bus omdat ik mijn telefoon niet had opgeladen. Ik kwam zevenendertig minuten te laat. Rachid wachtte bij de kluisjes.

‘Je had moeten bellen.’

‘Mijn telefoon was leeg.’

‘Dan leen je er één.’

Ik begon over mijn slaapbank en de reistijd. Hij onderbrak me niet. Dat maakte mijn verhaal steeds langer.

Toen ik stilviel, zei hij: ‘Ik wil je houden. Maar ik moet op je kunnen rekenen.’

Ik knikte. In de kantine bestelde ik die middag geen koffie. Ik kocht onderweg naar huis een goedkope wekker.

Sam kwam zaterdag. We gingen naar de bibliotheek omdat Noor thuis administratie wilde doen. Hij had een boek voor school nodig en ik zocht vacatures op een computer.

‘Ga je weer een winkel beginnen?’ vroeg hij.

‘Een werkplaats bedoel je.’

‘Ja.’

‘Voorlopig niet.’

Hij schoof zijn stoel dichterbij.

‘Pap zegt dat de wasserij goed is.’

‘Vind jij dat ook?’

‘Ik vind het fijn dat je opneemt.’

Ik keek naar hem.

Hij trok aan de rits van zijn jas.

‘Vroeger zei je altijd dat je zo terugbelde.’

Ik wilde zeggen dat ik voor ons werkte. Maar hij zat daar niet om mijn redenen te beoordelen.

‘Dat deed ik vaak niet,’ zei ik.

Hij schudde zijn hoofd.

We haalden zijn boek. Daarna aten we broodjes op een bankje bij het water. Mijn telefoon bleef in mijn tas. Toen hij over een ruzie op school begon, liet ik hem uitpraten.

Hoofdstuk 6

Een deur op slot

De kamer in Zuilen rook naar verf en gebakken uien. Er stond een smal aanrecht achter een schuifdeur. De douche en het toilet deelde ik met twee andere huurders.

‘Inschrijven kan gewoon,’ zei de verhuurder.

Dat was inmiddels mijn eerste vraag bij elke bezichtiging.

Ik had kamers gezien waar ik alleen contant mocht betalen. Een zolder zonder verwarming. Een ruimte achter een kapsalon waar de eigenaar mijn loonstrook wilde zien maar zelf geen huurcontract had.

Deze kamer was klein en officieel. Achttien vierkante meter. Een hoog raam. Een deur die op slot kon.

Ik wilde meteen ja zeggen.

In plaats daarvan nam ik het contract mee en liet ik de kosten controleren. Dat voelde overdreven voorzichtig. Het was nodig. De huur paste maar net binnen mijn budget. Voor de borg moest ik een regeling treffen.

Noor hielp met verhuizen. Twee ritten in haar kleine auto. Mijn bezittingen pasten niet meer in drie kratten, maar veel scheelde het niet.

Ze zette een pan op het aanrecht.

‘Deze mag je houden.’

‘Je gebruikt die zelf.’

‘Ik heb er drie.’

We gingen op de vloer zitten en aten broodjes kaas. Buiten reed een scooter steeds dezelfde straat op en neer.

‘Ben je opgelucht?’ vroeg ik.

Noor kauwde eerst uit.

‘Ja.’

Het antwoord kwam harder aan dan ik had verwacht.

Ze legde haar broodje neer.

‘Ik ben ook blij dat je dichtbij zit. Die twee dingen kunnen tegelijk.’

Ik knikte. Ik had haar huis maandenlang nodig gehad. Zij had haar huis maandenlang gedeeld. Dat was niet hetzelfde.

Die avond draaide ik de sleutel om. Ik zette de krat met papieren onder het raam. Niemand kon er limonade naast zetten. Niemand hoefde langs mijn bed naar de keuken.

Ik dacht dat ik goed zou slapen.

Om twee uur zat ik rechtop omdat er iemand tegen de voordeur bonkte. Een huisgenoot had zijn sleutel vergeten. Daarna hoorde ik hem douchen. Om vier uur begon ergens een rookmelder te piepen omdat de batterij bijna leeg was.

Zelfstandig wonen bleek niet hetzelfde als rustig wonen.

Toch vouwde ik de volgende ochtend mijn dekbed niet op.

Sam kwam het weekend erop kijken. Hij bleef bij de deur staan.

‘Is dit alles?’

‘Ja.’

Hij liep naar het raam en keek naar de binnenplaats. Daar stonden vier afvalcontainers en een fiets zonder voorwiel.

‘Waar moet ik slapen?’

Ik wees naar een opgerold matras tegen de muur.

‘Daar. Als je wilt blijven.’

Hij knikte, maar niet enthousiast.

Ik zette thee. We zaten naast elkaar op mijn tweedehands bedbank. Zijn knie raakte de tafel.

‘Sorry,’ zei ik.

‘Waarvoor?’

‘Dat het zo klein is.’

Hij haalde zijn schouders op.

Later vroeg hij of we zijn leeslamp konden ophangen. De verhuurder had toestemming gegeven voor een paar gaten. We maten samen waar hij moest komen. Sam hield de waterpas vast.

Die nacht bleef hij. Ik hoorde hem lang draaien op het matras, maar hij klaagde niet. De volgende ochtend zei hij wel dat het te dun was.

‘Dan zoeken we een beter exemplaar,’ zei ik.

Geen belofte over wanneer.

Ondertussen kwam er beweging in mijn schuldregeling. Er waren voorstellen verstuurd. Sommige schuldeisers reageerden snel. Andere pas na herhaalde brieven. Eén wilde aanvullende informatie over de verkoop van mijn gereedschap.

Ik voelde me opnieuw verdacht, hoewel Farida zei dat zulke vragen bij het traject hoorden.

Ik zocht betalingsbewijzen op. Ook van de naaimachine. Zevenhonderd euro. Toen ik het bedrag zag, werd ik weer kwaad op die koper.

Diezelfde week belde Daan.

Een kennis zocht iemand die zes stoelen kon stofferen. Contant. Geen ingewikkeld gedoe, zei hij.

Mijn eerste gedachte was de oude vertrouwde berekening. Zoveel stof. Zoveel uren. Misschien hield ik er vierhonderd euro aan over.

‘Ik moet eerst kijken hoe dat binnen mijn regeling werkt,’ zei ik.

‘Het is maar een klein klusje.’

‘Voor mij niet.’

We spraken af dat hij de gegevens zou sturen. Ik besprak het met Farida en wees de opdracht uiteindelijk af. Ik had geen ruimte, geen machines en geen geld voor materiaal.

Ik voelde me die avond niet sterk. Ik voelde me een stoffeerder die geen stoel kon aannemen.

De volgende ochtend ging mijn wekker om kwart voor vijf. Ik stond op.

Hoofdstuk 7

Wat er nu staat

Toen de schuldregeling eindelijk rond was, zat ik in de pauzeruimte van de wasserij. Farida belde terwijl ik het deksel van mijn broodtrommel zocht.

Ze vertelde wat was afgesproken. Welk bedrag ik moest afdragen. Welke veranderingen ik moest doorgeven. Dat ik nieuwe schulden moest voorkomen en de afspraken moest blijven nakomen.

‘Dus het is nu geregeld?’ vroeg ik.

‘Er ligt een regeling. Nu moet u die volhouden.’

Ik schreef haar woorden op de achterkant van mijn rooster.

Na het gesprek legde ik mijn telefoon neer. Els keek over haar beker naar me.

‘Goed nieuws?’

‘Ja. Denk ik.’

‘Dat mag ook langzaam aankomen.’

De bel voor het einde van de pauze ging. We brachten onze bekers weg en liepen terug naar de machines. Ik had verwacht dat zo’n moment groot zou voelen. Ik vouwde die middag voornamelijk lakens.

Dat was acht maanden geleden.

Ik woon nog steeds in de kamer in Zuilen. Op de vensterbank staan twee kruidenplantjes waarvan er één waarschijnlijk doodgaat. Onder mijn bed liggen geen ongeopende brieven meer. Wel een doos met papieren die ik moet bewaren.

Iedere zondag werk ik mijn overzicht bij. Huur. Zorgverzekering. Reiskosten. Wat er overblijft voor boodschappen. Soms maak ik een fout en moet ik drie dagen goedkoper eten. Het verschil is dat ik nu weet waarom mijn rekening leeg is.

Ik heb nog geen eindbedrag dat ik vrij kan besteden. Geen spaargeld voor een vakantie. Een kapotte telefoon is nog steeds een probleem, geen ongemak.

Dat gebeurde vorige maand. Het scherm werd zwart en bleef zwart. Ik stond ermee bij een reparatiewinkel en voelde dezelfde hitte in mijn nek als vroeger bij een aanmaning.

De reparatie kostte negenentachtig euro.

Ik liep eerst naar buiten. Ging op een muurtje zitten. Belde later vanaf mijn werk met mijn budgetbeheerder. We keken wat mogelijk was. Het werd een eenvoudiger tweedehands toestel.

Ik schaamde me. Daarna kocht ik het toch.

Op mijn werk heb ik inmiddels een contract voor vaste uren. Rachid vroeg of ik nieuwe mensen wilde begeleiden bij de vouwafdeling. Geen leidinggevende functie. Wel iets meer verantwoordelijkheid en een kleine verhoging.

‘Je legt rustig uit,’ zei hij.

Ik dacht aan Tijn en het glas limonade.

‘Meestal,’ zei ik.

Sinds kort help ik ook een paar uur per week bij het herstellen van beschadigd linnengoed. De eerste keer achter die machine zette ik mijn voet te hard op het pedaal. De naald schoot vooruit.

Els lachte vanaf de deuropening.

‘Hij doet het nog, hoor.’

Ik moest ook lachen. Daarna haalde ik de scheve naad uit en begon opnieuw. Het was werk van mijn werkgever, op diens machine, binnen mijn uren. Dat beviel me beter dan ik vooraf had durven toegeven.

Sam is nu vijftien. Hij slaapt om het weekend bij mij op een degelijk opklapbed dat we tweedehands vonden. Overdag staat het tegen de muur. Hij noemt mijn kamer nog altijd klein. Dat is hij ook.

We zoeken samen naar woningen, zonder iedere advertentie als een kans te behandelen. Veel valt af op prijs. Soms op voorwaarden. Mijn inschrijftijd loopt. Meer kan ik daar niet van maken.

Vorige zaterdag fietsten we naar een kringloopwinkel in Overvecht. Sam had een bureaulamp nodig voor bij zijn vader. Ik zag een stoel met een gescheurde zitting. Massief beuken. De verbindingen waren nog goed.

Vroeger had ik hem zonder nadenken meegenomen.

Nu draaide ik het prijskaartje om. Ik rekende materiaal mee. Ruimte. Tijd.

‘Mooi ding,’ zei Sam.

‘Ja.’

‘Ga je hem kopen?’

‘Nee. Ik heb nergens een stoel nodig.’

We liepen door naar de lampen.

Thuis maakte hij tosti’s terwijl ik de tafel vrijmaakte. Mijn telefoon trilde. Een bericht van Noor: of we zondag kwamen eten. Ik stuurde dat we kwamen en vroegen wat we konden meenemen.

Sam zette twee borden neer. Eén had een scherfje uit de rand. De andere had ik bij de supermarkt gekregen met spaarzegels.

‘Kun je even helpen met Duits?’ vroeg hij.

‘Laat zien.’

Hij schoof zijn schrift tussen onze borden. Buiten begon het te regenen. Mijn werkkleren hingen nog aan het rek bij het raam. Maandag moest ik vroeg op. De schulden waren niet weg en deze kamer was niet de plek waar ik oud wilde worden.

Maar Sam zat tegenover me. De huur was betaald. Ik wist welke brief er maandag beantwoord moest worden.

Ik pakte zijn schrift en las de eerste vraag.