Werk en maatschappij
Altijd de nieuwe collega
Hoofdstuk 1
Altijd de nieuwe collega
De man bij het hek hield mijn pasje tegen het kastje. Rood licht. Hij probeerde het nog een keer.
‘Je staat er niet in.’
Achter mij sloeg een vrachtwagenchauffeur zijn portier dicht. Het was kwart voor zes. Mijn fietsbroek plakte aan mijn benen. Vanaf station Utrecht Vaartsche Rijn had ik bijna veertig minuten door de regen gefietst.
‘Het uitzendbureau heeft me gisteren aangemeld. Noor Jansen.’
De man schoof zijn raam verder open.
‘Dan bel je het uitzendbureau.’
Ik belde. Een bandje vertelde dat Flexpunt om halfnegen bereikbaar was. Op mijn telefoon stond de bevestiging: maandag, zes uur, distributiecentrum Nieuwegein, ingang personeel.
Ik liet het scherm zien.
‘Dat is niet mijn systeem,’ zei hij.
Om zes uur zeven kwam een vrouw in een oranje hesje naar buiten. Ze heette Sylvia. Dat stond op haar borst, onder een plastic laagje dat bij de hoeken losliet.
‘Ben jij die nieuwe?’
Ik knikte.
Ze zei tegen de bewaker dat hij me moest laten gaan. Daarna liep ze snel voor me uit. Ik moest half rennen.
‘Te laat komen doen we hier niet.’
Ik wilde uitleggen hoe het zat. Ze wees al naar een deur.
‘Tas daar. Telefoon ook. Veiligheidsschoenen heb je?’
Die had ik. Zelf gekocht, negenenvijftig euro. Het doosje stond thuis onder de keukentafel. Mijn dochter Bo had gevraagd of ze het mocht gebruiken voor een kijkdoos. Ik had gezegd dat ze moest wachten. Misschien moesten de schoenen nog terug.
In de hal reden elektrische palletwagens tussen gele lijnen. Er piepte steeds iets. Boven de werktafels hing een scherm met aantallen. Groen was goed. Rood hoefde niemand uit te leggen.
Sylvia zette me naast een jongen met een smal gezicht.
‘Youssef laat het zien. Na de pauze zelfstandig.’
Youssef pakte een scanner.
‘Je scant de bak. Dan het artikel. Het scherm zegt hoeveel. Niet zelf nadenken over wat logisch lijkt.’
‘Dat kan ik wel.’
Hij keek me aan.
‘Niet nadenken?’
‘Scannen.’
Hij grijnsde even. Het was het eerste vriendelijke gezicht van die ochtend.
Ik was eenenveertig. Dit was mijn zesde eerste werkdag in twee jaar. Daarvoor had ik dertien jaar bij een drukkerij in Amersfoort gewerkt. Ik kende de klanten aan hun stem en wist welke machine vastliep bij dik papier. Toen de eigenaar stopte, werden de machines verkocht. Wij kregen een bijeenkomst met koffie uit kartonnen bekers.
Daarna had ik gewerkt achter een ziekenhuisbalie, in een broodfabriek, bij een klantenservice en twee verschillende magazijnen. Overal moest ik opnieuw bewijzen dat ik op tijd kon komen en een instructie kon onthouden. Overal was ik de nieuwe, ook als ik al maanden de fouten van anderen herstelde.
Om negen uur mocht ik pauze. Ik ging aan een tafel zitten waar nog drie stoelen vrij waren. Een vrouw legde haar jas op de stoel naast zich.
‘Daar zit Anja.’
Ik schoof een plek op.
‘En daar Peter.’
Ik pakte mijn brood weer op. Bij de automaat stond Youssef.
‘Buiten is een bankje,’ zei hij. ‘Onder het afdak.’
We aten naast een volle peukenbak. Hij werkte er acht maanden. Elke vrijdag hoorde hij hoeveel diensten hij de week erna kreeg.
‘En jij?’ vroeg hij.
‘Eerst vier weken. Daarna kijken ze verder.’
‘Dat zeggen ze tegen iedereen.’
Mijn telefoon trilde. Bo had haar gymshirt niet kunnen vinden. Ik typte dat het op het droogrek hing en verwijderde daarna de vraag of ze al op school was. Ze was dertien. Ze had niet nog een controleur nodig.
Om halfdrie gaf Sylvia me een nieuwe stapel bakken. Mijn dienst eindigde om drie uur.
‘Deze nog even.’
‘Ik moet de trein halen.’
Ze keek naar mijn stapel.
‘We hebben mensen nodig die flexibel zijn.’
Ik dacht aan de huur. Aan de automatische incasso die donderdag kwam. Ik zette mijn tas terug.
Toen ik om vier uur naar buiten liep, werkte mijn pasje nog steeds niet. De bewaker drukte de poort voor me open.
‘Tot morgen, nieuwe.’
Op de fiets belde ik Bo. Ze vroeg of het leuk was geweest.
‘Het ging,’ zei ik.
‘Je klinkt boos.’
‘Ik ben moe.’
Dat was waar. Het was alleen niet het hele antwoord.
Hoofdstuk 2
De gele lijn
Op woensdag ontdekte ik dat het halfuur overwerk van maandag niet op mijn urenlijst stond. Ook het wachten bij het hek ontbrak. Mijn dienst begon volgens het systeem om kwart over zes.
Sylvia stond bij een printer etiketten los te trekken.
‘Je moet uitklokken als je klaar bent,’ zei ze.
‘Dat heb ik gedaan.’
‘Dan bespreek je het met Flexpunt.’
Bij Flexpunt nam Daan op. Hij sprak mijn naam uit alsof we elkaar goed kenden.
‘Noor! Hoe bevalt het?’
Ik vertelde over de uren.
‘Dat moet de opdrachtgever aanpassen.’
‘Die zegt dat ik bij jullie moet zijn.’
Even hoorde ik alleen zijn toetsenbord.
‘Ik zet het door.’
Die avond begon ik een schrift. Datum, begintijd, eindtijd, pauze. Ik schreef ook op wie me had gevraagd langer te blijven. Bo keek over mijn schouder.
‘Krijg je huiswerk?’
‘Nee. Ik wil weten wat ik gewerkt heb.’
‘Dat weten zij toch?’
Ik trok een streep onder woensdag.
‘Dat zou je denken.’
In mijn tweede week mocht ik bij de retouren werken. Kapotte broodroosters, geopende dozen luiers, lampen zonder snoer. Alles moest worden beoordeeld en ingevoerd. Daar was ik goed in. Ik zag snel wanneer een artikelnummer niet klopte.
Een vaste medewerker, Henk, vroeg of ik eerder magazijnwerk had gedaan.
‘Een paar keer.’
‘Je bent tenminste geen slome.’
Het was bedoeld als compliment. Ik besloot het ook zo te nemen.
Naast onze werkplek liep een route voor palletwagens. De gele lijn was op sommige plekken afgesleten. Aan het einde stond een hoge metalen rolcontainer met beschadigde spullen. Wie daarvandaan de werkvloer op liep, kon het verkeer van rechts niet zien.
Op donderdag schoot een palletwagen vlak voor mijn voeten langs. De bestuurder stak zijn hand op. Mijn scanner viel op de grond.
Henk pakte hem voor me op.
‘Niet dromen hier.’
‘Ik kon hem niet zien.’
‘Daarom moet je kijken.’
Tijdens de pauze wees ik Sylvia op de container. Ze liep mee en duwde hem een stukje achteruit.
‘Zo beter?’
‘Als hij daar blijft.’
Een uur later stond hij weer op dezelfde plek. Achter de container waren dozen neergezet. Er was nergens ruimte.
Youssef kwam naast me staan.
‘Vorige maand is er iemand tegenaan gereden.’
‘Heeft iemand dat gemeld?’
Hij keek naar het kantoor boven de hal.
‘Er hangen formulieren bij de klok.’
‘Dat vroeg ik niet.’
‘Een meisje uit Polen heeft het gemeld. Ze werkte via een ander bureau. Daarna zag ik haar niet meer.’
‘Misschien was haar opdracht klaar.’
‘Misschien.’
Ik haatte dat woord ineens. Je kon er alles mee wegzetten. Ook iets wat je wel degelijk had gezien.
Vrijdag kwam Daan langs. Hij droeg witte sportschoenen die nergens vuil werden. Sylvia stelde hem aan twee nieuwe uitzendkrachten voor. Daarna vroeg hij mij even mee naar de gang.
‘We horen goede dingen. Je pakt het snel op.’
Mijn schouders zakten iets.
‘Fijn.’
‘Wel belangrijk dat je een beetje meegaat in het tempo. Niet elk detail hoeft een discussie te worden.’
‘Gaat dit over mijn uren?’
‘Nee, joh. Gewoon een aandachtspunt.’
Hij vroeg of ik de volgende week zaterdag kon werken. Ik had Bo beloofd mee te gaan naar haar basketbalwedstrijd. Haar vader zou rijden, maar ze wilde dat ik kwam kijken. De vorige twee keer had ik ook gewerkt.
‘Zaterdag kan ik niet.’
Daan kneep zijn ogen even samen.
‘Helemaal niet?’
‘Nee.’
‘Oké. Dan noteer ik beperkte beschikbaarheid.’
Het klonk alsof hij een beschadiging aan een huurauto vastlegde.
Die middag bleef ik bij het prikbord staan. Tussen een poster over gezond tillen en een uitnodiging voor een personeelsbarbecue hingen de meldformulieren. Ik pakte er één.
Ik beschreef de container, het slechte zicht en de bijna-aanrijding. Mijn naam zette ik eronder. Daarna maakte ik een foto voor mijn schrift en schoof het formulier in de daarvoor bestemde bus.
Buiten appte ik Bo dat ik zaterdag op de tribune zat.
Ze stuurde drie uitroeptekens.
Voor het eerst die week had ik ergens een duidelijk antwoord op gegeven.
Hoofdstuk 3
Onder de pallet
Maandag stond de rolcontainer er nog. Er zat nu een vel papier op: NIET VERPLAATSEN. De letters waren dik aangezet met een zwarte stift.
Ik wist niet of dat door mijn melding kwam. Het papier zei niet waar de container moest blijven staan. Op de grond was niets gemarkeerd.
Youssef tikte tegen het vel.
‘Opgelost.’
Ik lachte niet.
Die ochtend draaide alles harder. Een actie bij een webwinkel had veel extra bestellingen opgeleverd. Twee mensen waren ziek. Sylvia liep rond met een portofoon die voortdurend kraakte.
Om tien uur begon ik aan een partij teruggestuurde waterkokers. Youssef haalde lege bakken op. Hij trok een handpalletwagen met een stapel kunststof bakken achter zich aan.
Ik zag hem langs de rolcontainer lopen. Tegelijk hoorde ik het zoemen van een elektrische palletwagen. Dat geluid hoorde de hele dag bij de hal. Daarom begreep ik pas laat dat het te dichtbij kwam.
‘Youssef!’
Hij draaide zijn hoofd.
De bestuurder remde. De lading schoof. Er klonk een harde klap, daarna een schurend geluid. Youssef lag op zijn zij. Zijn rechterbeen zat onder de rand van de pallet.
Ik rende naar hem toe.
‘Blijf liggen.’
Hij probeerde zich toch op te drukken. Zijn mond stond open. Er kwam eerst geen geluid uit.
De bestuurder, een jongen die ik niet kende, hield beide handen tegen zijn hoofd.
‘Ik zag hem niet. Ik zag hem echt niet.’
‘Zet dat ding uit,’ zei ik.
Henk kwam aanrennen en riep om de bedrijfshulpverlener. Ik knielde bij Youssef. Zijn hand greep mijn pols zo hard vast dat mijn horloge in mijn huid drukte.
‘Mijn voet,’ zei hij. ‘Noor, mijn voet.’
Ik keek niet onder de pallet. Ik bleef naar zijn gezicht kijken.
Een vrouw met een groene EHBO-tas stuurde me achteruit. Iemand belde 112. Sylvia trok de omstanders weg en liet een deel van de hal stilzetten.
Pas toen merkte ik dat ik beefde.
De ambulance kwam door de grote laaddeur binnen. Niet de wagen zelf, maar twee hulpverleners met een brancard en koffers. Ze knipten Youssefs broekspijp open. Hij vloekte hard toen ze zijn been onderzochten.
Ik stond naast de werktafel met een waterkoker in mijn hand. Ik wist niet wanneer ik die weer had opgepakt.
‘Leg maar neer,’ zei Henk.
Na de ambulance moesten drie mensen naar kantoor. De bestuurder, Henk en ik. We werden apart gehoord door Marcel, de locatiemanager. Hij droeg een overhemd met opgerolde mouwen.
‘Wat heb je precies gezien?’
Ik vertelde het. Ook over de container. Ook over mijn melding.
Hij maakte aantekeningen op een laptop.
‘Youssef bevond zich dus buiten het voetgangersgebied.’
‘Hij liep om die container heen. Anders kon hij er niet langs.’
‘Maar buiten het voetgangersgebied.’
‘Ik weet niet waar die lijn precies liep. Hij is bijna weg.’
Marcel draaide het scherm iets van me af.
‘We moeten wel bij de feiten blijven.’
‘Dat probeer ik.’
Een halfuur later kreeg ik een uitgeprint verslag. Er stond dat ik had gezien hoe Youssef onverwacht de rijbaan overstak. De container stond nergens genoemd.
‘Dit heb ik niet gezegd.’
‘Het is een samenvatting.’
Onderaan was ruimte voor mijn handtekening.
Ik dacht aan Daan. Aan mijn beschikbaarheid. Aan de huur die inmiddels betaald was, waardoor er nog drieëntachtig euro op mijn rekening stond.
‘Ik teken dit niet.’
Marcel legde zijn pen neer.
‘Je tekent alleen voor wat je hebt waargenomen.’
‘Dan moet er staan wat ik heb waargenomen.’
Hij schoof het papier terug in een map.
‘Ga voorlopig maar naar huis. Je bent duidelijk geschrokken.’
Bij mijn kluisje belde ik Youssef. Geen antwoord. Ik stuurde een bericht: Laat weten waar je bent. Ik heb verteld hoe het ging.
Om kwart over vier belde Daan.
‘De opdrachtgever beëindigt je inzet per direct.’
Ik stond in de keuken. Bo sneed een appel in stukken.
‘Waarom?’
‘Ze vinden de samenwerking niet passend.’
‘Vandaag?’
‘Ik beslis dat niet, Noor.’
Bo hield het mes stil. Ik draaide me van haar weg.
‘Zet het op de mail,’ zei ik.
Daarna verbrak ik de verbinding, voordat hij kon zeggen dat ik flexibel moest blijven.
Hoofdstuk 4
Alles op papier
Ik vertelde Bo dat de opdracht was gestopt. Niet dat ik ontslagen was. Ik wist niet eens of dat juridisch hetzelfde was. In mijn contract stonden woorden die ik drie keer kon lezen zonder er zekerder van te worden.
‘Omdat je niet wilde liegen?’ vroeg ze.
Ik had gedacht dat ze weinig van het telefoongesprek had gehoord.
‘Zo simpel ligt het misschien niet.’
‘Maar je moest toch iets tekenen wat niet klopte?’
Ik schoof haar bord naar haar toe.
‘Eerst eten.’
Ze duwde het terug.
‘Je doet altijd alsof ik niks mag weten.’
Daar had ze gelijk in. Ik vertelde wat er was gebeurd. Niet hoeveel geld er nog stond. Wel dat ik bang was.
Bo at een stukje appel en vroeg of Youssef dood kon gaan aan zijn voet.
‘Dat denk ik niet. Maar hij heeft veel pijn.’
Later die avond belde hij. Zijn enkel was gebroken. Er moest worden geopereerd. Zijn zus was bij hem in het ziekenhuis.
‘Ze vroegen of ik veiligheidsschoenen droeg,’ zei hij.
‘Die droeg je.’
‘Ik weet het. Waarom vragen ze dat drie keer?’
Ik hoorde iemand op de achtergrond praten. Youssef klonk uitgeput.
‘Ik heb niet getekend,’ zei ik.
Hij bleef even stil.
‘Dank je.’
De volgende ochtend zat ik om acht uur aangekleed aan tafel. Mijn lichaam was klaar voor een trein die ik niet hoefde te halen. Ik opende mijn mail. Daan had geschreven dat mijn plaatsing was beëindigd. Over mijn contract of loon stond niets.
Ik stuurde vragen terug. Liep mijn arbeidsovereenkomst door? Moest ik beschikbaar blijven? Wanneer kreeg ik mijn ontbrekende uren betaald?
Daarna belde ik het Juridisch Loket. Na het gesprek had ik een lijst documenten nodig en een afspraak bij een arbeidsrechtspreekuur in Utrecht. De medewerker beloofde niets. Dat vond ik vervelend en tegelijk prettig.
Ik pakte mijn schrift. Ik maakte schermafbeeldingen van mijn rooster en downloadde mijn loonstroken. Mijn toegang tot de personeelsapp werkte nog. Een uur later niet meer.
Bij het spreekuur zat een jurist tegenover me met een gele markeerstift. Ze heette Ellen. Ze las mijn contract, daarna de berichten van Daan.
‘Je opdracht bij het magazijn en je arbeidsovereenkomst zijn niet vanzelf hetzelfde,’ zei ze. ‘We moeten precies bekijken wat hier is afgesproken.’
‘Dus ze mogen dit niet?’
‘Dat zeg ik nog niet.’
Ze vroeg naar de opeenvolgende contracten, mijn gewerkte weken en de toepasselijke cao. Ik voelde me dom omdat ik sommige antwoorden niet wist.
Ellen zag me naar mijn handen kijken.
‘Je hoeft dit niet uit je hoofd te kennen. Daarvoor zitten we hier.’
We maakten een brief. Zakelijk. Geen beschuldigingen die we niet konden bewijzen. Wel een verzoek om schriftelijke uitleg en betaling van het loon waarop ik aanspraak maakte. Ik moest beschikbaar blijven voor werk en niets ondertekenen zonder advies.
Buiten belde ik Daan. Hij nam niet op.
Op weg naar huis kocht ik bij de supermarkt afgeprijsde groenten. Bij de zelfscan weigerde mijn bankpas eerst. De tweede poging lukte. Toch bleef ik rood tot ik buiten stond.
Die middag zocht ik de Nederlandse Arbeidsinspectie op. Ik deed een melding over de onveilige situatie en het ongeval. Ik voegde de foto van mijn eerdere formulier toe. Of de werkgever het ongeval zelf had gemeld, wist ik niet.
Voor ik op verzenden drukte, belde ik Youssef.
‘Vind je het goed als ik beschrijf wat ik heb gezien?’
‘Ja,’ zei hij. ‘Maar zet er niet in dat ik stoer deed. Ik was gewoon aan het werk.’
‘Dat weet ik.’
Die avond vroeg Bo of ik spijt had.
Ik wilde meteen nee zeggen. Dat zou een goed antwoord zijn voor een moeder.
‘Soms,’ zei ik. ‘Van het gedoe. Niet van wat ik heb verteld.’
Ze knikte en pakte mijn laptop van tafel.
‘Dan doen we nu mijn wiskunde. Daar snap jij tenminste iets van.’
Hoofdstuk 5
De vroege bus
Twee weken later maakte ik toiletten schoon in een kantoorgebouw in Amersfoort. Niet via Flexpunt. Via een ander bureau, dat me zestien uur per week kon bieden. Ik had Ellen eerst gevraagd of ik het werk mocht aannemen. Zij had me uitgelegd wat ik moest doorgeven en vastleggen.
Mijn dienst begon om zes uur. Het gebouw was dan leeg, behalve de beveiliging en de schoonmakers. Achter de glazen gevel brandde op elke verdieping licht.
Mijn leidinggevende heette Rachida. Ze gaf me een kar, sleutels en handschoenen.
‘Rood voor sanitair. Blauw voor bureaus. Geen middelen mengen. Als je iets niet weet, vraag je het.’
‘Hoeveel tijd heb ik per verdieping?’
Ze keek op haar lijst.
‘Te weinig. Ik laat eerst zien hoe we het doen.’
Ik mocht haar meteen.
Het werk was zwaar voor mijn schouders. Na drie uur bukken deed mijn onderrug pijn. Ik merkte dat ik me haastte zodra iemand in nette kleren langs kwam. Alsof ik moest bewijzen dat ik niet zomaar met een doek rondliep.
Op mijn vierde ochtend stapte een man over het snoer van mijn stofzuiger.
‘Kun je dit niet doen voordat we beginnen?’
Het was kwart voor acht. Mijn rooster liep tot tien uur.
‘Dit is mijn werktijd.’
Hij keek naar zijn schoenen en liep door.
In de pantry vond ik een briefje: Graag beter schoonmaken. Er stond geen naam bij. Naast het briefje lagen koffievlekken die die ochtend waren gemaakt.
Ik wilde het weggooien. In plaats daarvan nam ik het mee naar Rachida.
‘Kom,’ zei ze.
We gingen naar de receptie. Rachida vroeg wie de klacht had neergelegd en wanneer de pantry gecontroleerd was. Haar stem bleef rustig. Niemand wist het.
‘Dan graag volgende keer rechtstreeks bij mij,’ zei ze. ‘Met een tijdstip. Mijn mensen kunnen niet schoonmaken wat nog niet vies is.’
Bij de lift beet ik op mijn wang.
‘Wat?’ vroeg ze.
‘Niks.’
‘Je kijkt alsof je moet huilen.’
‘Dat wil ik niet.’
‘Dat vroeg ik ook niet.’
Ze drukte op de knop. We bleven naast elkaar staan tot de lift kwam.
Thuis lag een brief over mijn huurachterstand. Eén maand, inmiddels. Ik had een deel kunnen betalen, maar niet alles. Ik belde de woningcorporatie voordat ik het papier ergens onder kon schuiven. We spraken een regeling af. Het bedrag per maand was haalbaar als mijn uren bleven bestaan.
Dat laatste zei ik hardop.
De medewerker vroeg of ik contact wilde met het wijkteam. Eerst zei ik nee. Daarna vroeg ik wat ze konden doen. Twee dagen later zat ik met een inkomensconsulent aan dezelfde tafel waar ik mijn uren had genoteerd.
Ze keek naar toeslagen, wisselende inkomsten en mogelijke aanvulling. Er waren formulieren en wachttijden. Niet alles kon. Maar ze wees ook op een regeling voor de sportkosten van Bo.
Toen ze weg was, moest ik huilen. Niet lang. Ik was kwaad dat een paar uur minder werk zoveel verschillende loketten opende.
Intussen bleef het magazijn in mijn hoofd zitten. In de supermarkt sprong ik opzij voor een vakkenvuller met een pompwagen. Hij zei sorry, hoewel hij ruim afstand hield. Ik sliep slecht en hoorde soms de klap opnieuw vlak voordat ik wegzakte.
De huisarts zei dat ik na zo'n gebeurtenis klachten kon houden. Ze stelde een afspraak bij de praktijkondersteuner voor. Ik wilde zeggen dat ik geen tijd had.
‘Hoeveel tijd kost het je nu?’ vroeg ze.
Ik maakte de afspraak.
Youssef stuurde een foto van zijn been in een brace. De operatie was goed gegaan. Lopen nog niet. Ik bezocht hem in Kanaleneiland en nam mandarijnen mee omdat ik niet wist wat je verder meenam.
Hij schonk thee terwijl zijn zus de waterkoker voor hem vasthield.
‘Ik dacht altijd dat jij nergens bang voor was,’ zei hij.
Ik keek hem aan.
‘Ik controleer mijn bankrekening voor ik brood koop.’
Hij knikte langzaam.
Daarna praatten we over andere dingen. Over Bo. Over zijn zus die rijexamen deed. Een uur lang waren we niet alleen twee mensen uit dat magazijn.
Hoofdstuk 6
Een stoel erbij
In maart werd ik gebeld door iemand van de Arbeidsinspectie. Ze wilde mijn waarnemingen bespreken. Ik mocht mijn aantekeningen erbij houden.
Ik ging aan de keukentafel zitten en sloeg mijn schrift open. Mijn handen werden koud toen ze vroeg waar ik precies had gestaan.
‘Naast de retourtafel. Aan de kant van de waterkokers.’
Ik beschreef de container, de rijroute en de klap. Als ik iets niet zeker wist, zei ik dat. De snelheid van de palletwagen wist ik niet. Of de bestuurder naar links had gekeken ook niet.
Ze vroeg naar mijn eerdere melding en naar het verslag dat ik niet had ondertekend. Van dat verslag had ik geen kopie.
‘Heeft iemand anders het gelezen?’
‘Niet waar ik bij was.’
Na het gesprek bleef ik nog een tijd zitten. Ik had niets gewonnen. Er was geen uitspraak gedaan. Toch voelde het anders dan het gesprek met Marcel. Niemand had mijn antwoord alvast voor me afgemaakt.
De kwestie met Flexpunt liep ondertussen door. Ellen had me geholpen de juiste juridische ondersteuning te vinden. Het bureau betwistte een deel van mijn loonvordering. Het ontkende dat het einde van mijn plaatsing iets te maken had met mijn verklaring.
Daan mailde dat er eerder zorgen over mijn houding waren geweest.
Ik las die zin zo vaak dat ik hem uit mijn hoofd kende.
Mijn jurist vroeg om concrete voorbeelden en stukken. Er kwamen weinig bijzonderheden terug. Dat maakte me niet automatisch zeker van een goede afloop. Procedures kostten tijd. Geld dat ik nog niet had ontvangen, kon ik niet uitgeven.
We onderhandelden uiteindelijk over een regeling. Ik kreeg een bedrag voor achterstallig loon en de afwikkeling van het contract. Mijn ontbrekende uren zaten erin. Niet elke euro die we hadden gevraagd. Ook geen erkenning dat ik slecht behandeld was.
‘Je hoeft vandaag niet te beslissen,’ zei de jurist.
Ik nam een nacht. Daarna nog één.
Ik wilde dat iemand opschreef dat ik geen lastige werknemer was. Maar zo'n zin lag niet op tafel. Er lag een bedrag waarmee ik mijn huurachterstand kon wegwerken en een kleine buffer kon maken.
Ik tekende na het laatste adviesgesprek. Daarna schaamde ik me even. Alsof ik mijn boosheid had verkocht.
Toen ik het aan Youssef vertelde, werd hij scherp.
‘Je hoeft niet arm te blijven om mij te steunen.’
Ik had daar geen antwoord op. Hij had gelijk.
Bij het schoonmaakbedrijf bleef ik werken. Mijn tijdelijke contract liep tot eind april. Rachida vroeg of ik extra uren wilde bij een klein opleidingscentrum, ook in Amersfoort. Geen vroege ochtend, maar drie middagen.
‘Tijdelijk?’ vroeg ik.
‘Voorlopig wel.’
‘Hoe voorlopig?’
Ze pakte haar planning.
‘Kom vrijdag mee naar kantoor. Dan vragen we het precies.’
Vrijdag zat ik tegenover haar rayonmanager. Ik had mijn vragen op papier. Hoeveel vaste uren? Op welke locaties? Hoe lang liep het contract? Wat gebeurde er tijdens schoolvakanties?
De manager keek naar het vel.
‘Je bent goed voorbereid.’
Vroeger had ik dan gelachen en het papier half onder mijn tas geschoven.
Nu zei ik: ‘Ja.’
Ze boden me vierentwintig vaste uren voor een jaar. Meer dan mijn huidige zestien, minder dan ik het liefst wilde. Er zat één late dienst bij. Die kon ik regelen met Bo en haar vader, als het rooster niet voortdurend veranderde.
Ik vroeg om de afspraken op papier voordat ik ja zei.
Een week later vierde Rachida haar verjaardag in de kleine personeelsruimte. Er stonden zes stoelen en we waren met zeven. Ik bleef automatisch bij de deur staan met mijn koffie.
‘Noor, haal jij even die stoel uit de gang?’ vroeg ze.
Niet om ergens anders te gaan zitten. Om aan te schuiven.
We aten cake van een kartonnen bord. Een collega vertelde over een lekkage thuis. Iemand klaagde over de nieuwe handschoenen. Niemand vroeg hoelang ik nog zou blijven.
Toen mijn pauze voorbij was, wilde ik eigenlijk nog vijf minuten zitten.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen pas
Op mijn eerste middag in het opleidingscentrum kreeg ik een pas met mijn naam erop. De receptionist liet zien welke deuren ermee opengingen.
‘Probeer maar.’
Ik hield de pas tegen het kastje. Groen licht.
Het was een klein gebouw bij station Amersfoort Schothorst. Leslokalen, kantoren, een kantine. In de hal hing werk van cursisten. Er stond geen scherm dat mijn tempo bijhield. Wel een werklijst die soms te lang was voor de beschikbare uren.
Ik leerde snel dat ook hier niet alles goed geregeld was. Een docent bleef na sluitingstijd zitten. Stoelen werden niet op tafel gezet. Een voorraadkast zat vol dozen waardoor ik niet bij de schoonmaakmiddelen kon.
De eerste keer ruimde ik die dozen zelf op. De tweede keer belde ik Rachida.
‘Als ik dit doe, kom ik niet aan de bovenverdieping toe.’
‘Laat ze staan. Ik regel het met de locatie.’
Ik moest mezelf dwingen de kastdeur dicht te doen. Nog steeds verwachtte ik dat iemand later zou zeggen dat ik niet genoeg initiatief had genomen.
Die angst verdween niet toen ik mijn contract tekende. Ik keek op zondagavond nog vaak naar mijn telefoon, hoewel mijn rooster al weken vaststond. Bij een onbekend nummer voelde ik mijn buik aanspannen.
Met de praktijkondersteuner oefende ik om niet elke spanning meteen op te lossen door harder te werken. Dat klonk eenvoudig. Voor mij was het werk op zich. Ik had jarenlang geleerd dat beschikbaar zijn veiliger was dan grenzen stellen.
Soms lukte het niet. Dan zei ik weer te snel ja. Later belde ik terug om het te corrigeren. Daar schaamde ik me minder voor dan in het begin.
Bo merkte vooral dat ik vaker thuis was op afgesproken tijden. Op woensdag aten we vroeg, voor haar training. Ik zat weer op de tribune. Ze keek niet de hele wedstrijd of ik er nog was. Alleen bij het begin stak ze haar hand op.
De huurachterstand was afbetaald. Op mijn spaarrekening stond ruim vierhonderd euro. Dat was geen zekerheid voor jaren. Het was wel een kapotte wasmachine die niet meteen alles zou omgooien, zolang ik er een tweedehands kon vinden.
Youssef liep inmiddels zonder krukken, maar niet zonder pijn. Lang staan lukte nog slecht. Hij kreeg begeleiding bij zijn herstel en onderzocht ander werk. Zijn letselschadezaak liep nog. Over bedragen spraken we niet veel. Hij wilde vooral weten hoeveel zijn enkel weer aankon.
Het magazijn had volgens een oud-collega de routes veranderd. De retouren stonden ergens anders. Er waren nieuwe lijnen geschilderd en extra afscheidingen geplaatst. Ik wist niet welke maatregel precies door welk onderzoek was gekomen. Ook wist ik niet wat de uiteindelijke gevolgen voor het bedrijf zouden zijn.
Ik bewaarde mijn schrift toch. Niet meer op tafel. In een la, bij mijn contracten.
In juni kwam er een nieuwe schoonmaker bij. Ze heette Esra en was zesentwintig. Ze stond bij de personeelsingang met een tas en schoenen die nog stijf waren.
Haar naam stond niet op de lijst van de receptie.
‘Dan moet je je werkgever bellen,’ hoorde ik de receptionist zeggen.
Ik zette mijn kar stil.
‘Ze hoort bij ons. Ik bel Rachida wel.’
Binnen vijf minuten was het geregeld. Ik liet Esra de kleedruimte zien en wees op de klok.
‘Schrijf op hoe laat je hier was. Dat wachten hoort niet voor jouw rekening te komen.’
Ze keek meteen bezorgd.
‘Ik wil geen problemen maken.’
Ik kende die blik. Ik ging niet vertellen dat ze nergens bang voor hoefde te zijn. Dat kon ik haar niet beloven.
‘Daarom schrijven we het gewoon op,’ zei ik. ‘Dan hoeven we er later niet over te raden.’
In de pauze trok ik een stoel voor haar bij de tafel. Ze vroeg hoelang ik er werkte.
‘Een paar maanden.’
‘O, ik dacht veel langer.’
Na het eten liep ik met haar naar de voorraadkast. Ik liet de middelen zien, de handschoenen en het formulier voor ontbrekende spullen. Daarna vroeg ik of ze de eerste ruimte samen wilde doen.
‘Graag,’ zei ze.
Ik hing mijn jas aan de haak met mijn naam. Niet omdat iemand dat speciaal voor mij had bedacht. Ik had het label zelf gemaakt en gevraagd of het mocht blijven hangen.
Nu wees ik naar de lege haak ernaast.
‘Die kun jij gebruiken.’