Identiteit en zelfacceptatie
Autistisch en niemand wist het
Hoofdstuk 1
Autistisch en niemand wist het — Het alarm
Toen het brandalarm begon, zat ik onder mijn bureau.
Niet omdat ik bang was voor vuur. Ik zat er al.
Boven mij praatten twaalf collega’s door elkaar. Iemand trok plakband van een rol. Naast de printer piepte een apparaat dat niemand anders leek te horen. Die ochtend waren onze vaste werkplekken afgeschaft. Op mijn bureau stond ineens een plant van iemand anders.
Ik had mijn laptop onder mijn arm genomen en was op de grond gaan zitten. Mijn rug tegen het ladeblok. Daar kon niemand achter me langs lopen.
Toen kwam het alarm.
‘Mila?’
Bas, mijn teamleider, bukte. Zijn mond bewoog. Ik zag de koffie op zijn voortand. Zijn woorden bereikten me niet.
Hij pakte mijn pols.
Ik sloeg zijn hand weg.
Daarna was het even stil tussen ons. Niet in het kantoor. Daar bleef alles loeien.
‘Niet aanraken,’ zei ik.
Het klonk hard. Veel harder dan ik wilde.
Buiten, op de stoep aan de Utrechtse Europalaan, stonden mijn collega’s in groepjes. Het was een oefening. Bas vertelde het twee keer. Alsof dat iets veranderde aan wat er binnen was gebeurd.
Ik keek naar mijn schoenen. De veter van mijn linkerschoen was los. Ik wist hoe je een veter strikte. Toch lukte het niet om te bukken.
‘Je reactie was niet helemaal professioneel,’ zei Bas.
Ik knikte meteen.
Dat deed ik vaker als ik niets meer kon.
Ik was vierendertig. Ik werkte als administratief medewerker bij een onderhoudsbedrijf. Ik betaalde mijn huur op tijd. Ik onthield klantnummers zonder ze op te schrijven. Ik wist welke monteur niet op woensdag werkte en welke leverancier altijd de verkeerde btw rekende.
En ik kon blijkbaar niet normaal een gebouw verlaten.
In de bus naar Kanaleneiland stuurde ik Bas een bericht.
Sorry. Slecht geslapen. Gebeurt niet weer.
Ik had die tekst vaker gebruikt. Bij andere werkgevers. Na verjaardagen waar ik plotseling vertrok. Nadat ik in een restaurant kwaad was geworden omdat mijn zus mijn bord had verplaatst.
Thuis hield ik mijn jas aan. Ik ging op de keukenvloer zitten, naast de koelkast. De motor sloeg aan. Ik trok de stekker eruit.
Mijn telefoon bleef trillen.
Bas wilde weten of ik de planning nog kon doorsturen. Mijn moeder vroeg of ik zondag kwam eten. Mijn vriendin Noor stuurde een foto van twee bioscoopkaartjes.
Ik zette het toestel uit.
Pas om halfacht stond ik op. De melk was lauw geworden. Ik at drie beschuiten zonder boter. Daarna trok ik mijn werkkleren uit. In mijn oksels zaten rode plekken van het schuren. Het waren nette kleren. Op kantoor droeg niemand een zachte joggingbroek.
De volgende ochtend kreeg ik mijn rechterarm niet in mijn blouse. Niet lichamelijk. Mijn arm werkte. Ik kon alleen de beweging niet afmaken.
Ik belde me ziek.
‘Wat heb je precies?’ vroeg Bas.
‘Ik weet het niet.’
‘Griep?’
‘Nee.’
Aan de andere kant hoorde ik zijn toetsenbord.
‘Dan spreken we elkaar morgen even.’
Ik zei ja. Daarna belde ik de huisarts. Toen de assistente vroeg waarvoor, begon ik te huilen. Dat vond ik vernederender dan het bureau.
Huisarts Van Dijk gaf me een glas water. Ze liet me praten zonder mijn zinnen af te maken.
Ik vertelde over het alarm. Over de blouse. Over de supermarkt waar ik soms zonder boodschappen weer uit liep. Ik vertelde niet dat ik gesprekken oefende voordat ik ze voerde. Dat leek me niet relevant. Iedereen bereidde zich toch voor?
‘Hoe lang kost gewoon dagelijks leven je al zoveel moeite?’ vroeg ze.
Ik wilde zeggen: sinds deze week.
Maar toen dacht ik aan de wc op mijn middelbare school. Aan alle pauzes waarin ik daar mijn boterhammen at.
‘Lang,’ zei ik.
Ze schreef iets op. We maakten een vervolgafspraak. Eerst rust. Dan verder kijken.
Die avond kwam Noor langs. Ze zette soep in mijn koelkast en ging aan de andere kant van de bank zitten.
‘Je hoeft niets gezelligs te zeggen,’ zei ze.
Ik keek haar aan.
‘Vond je me gisteren raar?’
‘Ik was er niet bij.’
‘Als je erbij was geweest.’
Ze dacht even na.
‘Ik denk dat ik me zorgen had gemaakt.’
Ik trok aan een losse draad van het kussen.
‘Ik doe echt mijn best.’
‘Dat weet ik.’
Daar begon ik opnieuw van te huilen. Niet netjes. Mijn neus liep. Noor schoof de doos tissues naar me toe. Ze raakte me niet aan.
Hoofdstuk 2
De goede versie
Mijn moeder bewaarde mijn schoolrapporten in een blauwe ordner. Op de rug stond MILA, in haar zorgvuldige blokletters.
Twee weken na het brandalarm zat ik bij haar in Nieuwegein. De huisarts had gevraagd naar vroeger. Naar school, vrienden en dingen die altijd moeilijk waren geweest.
‘Je was een makkelijk kind,’ zei mijn moeder.
Ze zette koffie voor me neer. Ik draaide het kopje tot het oor naar rechts wees.
‘Ik zat elke ochtend met buikpijn op de trap.’
‘Je hield niet van school.’
‘Ik hield wel van leren.’
Ze sloeg de ordner open.
Bij groep vier stond: Mila werkt nauwkeurig. Ze mag wat meer aansluiting zoeken bij de andere kinderen.
Bij groep vijf: Raakt overstuur bij veranderingen in het programma.
Bij groep zeven: Heeft moeite met plagerijtjes. Neemt opmerkingen erg letterlijk.
Mijn moeder streek over het plastic hoesje.
‘Ze schreven ook dat je slim was.’
‘Dat lees ik.’
‘We dachten niet dat er iets aan de hand was.’
Ik wist nog hoe ik op het schoolplein stond te wachten tot iemand zei wat we gingen spelen. Als de regels veranderden, protesteerde ik. Dan liep de rest weg.
Thuis vertelde ik dat ik liever alleen speelde. Dat was minder pijnlijk dan zeggen dat ik niet wist hoe ik mee moest doen.
Op mijn twaalfde begon ik anderen na te doen. Vooral een meisje dat Eva heette. Zij wist wanneer je moest lachen. Ze zei ‘serieus?’ op precies de juiste toon. Ik oefende het voor de spiegel in onze badkamer.
Mijn moeder dacht dat ik zong.
Ik leerde hoeveel seconden ik iemand ongeveer moest aankijken. Ik leerde vragen terug te stellen. Als iemand vroeg naar mijn weekend, moest ik niet alleen antwoord geven. Ik moest daarna hetzelfde vragen, ook als ik al wist dat diegene naar voetbal was geweest.
Het hielp. Mensen vonden me rustiger. Vriendelijker.
Na school sliep ik vaak twee uur.
‘Je was gewoon snel moe,’ zei mijn moeder.
‘Misschien was daar een reden voor.’
Ze klapte de ordner dicht.
‘Waar denk jij dan aan?’
Ik wist het nog niet. Of ik durfde het woord nog niet te gebruiken.
Een paar dagen eerder had Noor me een artikel gestuurd. Niet met een conclusie. Alleen: Sommige dingen hierin deden me aan je denken. Kijk zelf maar.
Het ging over autistische volwassenen die hun moeilijkheden lang verborgen hielden. Over gedrag kopiëren. Over geluid dat niet naar de achtergrond verdween. Over thuis instorten nadat je de hele dag had meegedaan.
Ik had het artikel weggeklikt.
Daarna had ik het opnieuw geopend.
Autisme paste niet bij het beeld dat ik kende. Ik dacht aan mijn neefje Daan, dat als kind weinig sprak en begeleiding nodig had. Ik werkte. Ik had vrienden. Ik kon zien wanneer iemand verdrietig was. Soms zag ik het zo snel dat ik er zelf onrustig van werd.
Maar steeds meer voorbeelden kwamen me bekend voor.
Mijn vaste route door de Albert Heijn. Mijn woede wanneer een afspraak ‘ergens in de middag’ was. De gesprekken die ik ’s avonds terugspoelde omdat ik niet wist of een opmerking vriendelijk of gemeen bedoeld was.
Ik vertelde het aan de huisarts.
‘Herkenning kan een aanleiding zijn om onderzoek te doen,’ zei ze. ‘Het is nog geen diagnose. We moeten ook kijken naar andere verklaringen en naar wat er tegelijk speelt.’
Ze vroeg naar somberheid. Naar angst. Naar mijn slaap en mijn werk.
Aan het eind stelde ze een verwijzing voor.
De wachttijd was zeven maanden.
Ik lachte toen ze dat zei. Het was geen vrolijk geluid.
‘Wat moet ik tot die tijd?’
‘We hoeven niet zeven maanden te wachten met hulp voor je klachten.’
Er kwamen afspraken met de praktijkondersteuner. De bedrijfsarts werd ingeschakeld. Mijn dagen kregen minder verplichtingen, maar mijn hoofd werd niet meteen rustiger.
Ik maakte een document op mijn laptop. VROEGER EN NU.
Binnen drie dagen had ik elf pagina’s.
Daarna schaamde ik me voor die elf pagina’s. Alsof ik bewijs verzamelde voor een uitkomst die ik te graag wilde.
Bij Noor vertelde ik dat.
‘Wat wil je dan precies?’ vroeg ze.
‘Dat het niet mijn schuld is.’
Ze zette haar mok neer.
Ik keek naar de vlek op haar tafel.
‘Dat klinkt alsof ik een excuus zoek.’
‘Je probeert te begrijpen waarom je vastloopt.’
Ik wilde haar geloven. Toch veranderde ik die avond de titel van het document. Niet meer VROEGER EN NU.
Ik noemde het: Dingen om te bespreken.
Hoofdstuk 3
Zeven maanden
Na zes weken thuis dacht ik dat ik weer kon werken.
Ik kon douchen zonder daarna te gaan liggen. Ik had de was gedaan. Op dinsdag was ik naar de markt geweest, vroeg, voordat het druk werd.
Dus reed ik op donderdag naar kantoor.
Twee uur, had de bedrijfsarts gezegd. Een duidelijke taak. Geen telefoon. Geen vergaderingen.
Bas had een stapel facturen klaargelegd.
‘Fijn dat je er weer bent,’ zei hij. ‘We houden het rustig.’
Mijn oude bureau was bezet. Ik kreeg een plek naast de keuken.
Om kwart over negen begon het koffieapparaat met reinigen. Om half tien kwam een collega vragen hoe het ging. Om vijf over half tien vroeg een andere collega of ik heel even naar een ingewikkelde klantmail wilde kijken.
Ik zei drie keer dat het goed ging.
Om tien uur zat ik op het toilet. Mijn handen trilden zo hard dat ik de sluiting van mijn broek niet open kreeg.
Thuis sliep ik tot de volgende ochtend.
Daarna werd ik kwaad. Niet op Bas. Eerst op mezelf.
Ik had twee uur gewerkt. Andere mensen hadden kinderen, mantelzorg, nachtdiensten. Ik had facturen gesorteerd en moest daarvan herstellen alsof ik ziek was.
De praktijkondersteuner, Farida, liet me mijn donderdag opschrijven.
‘Niet alleen je taak,’ zei ze. ‘Alles.’
Dus schreef ik de bus op. De omleiding. Het zoeken naar een werkplek. Het koffieapparaat. Het gesprek waarbij ik moest kiezen hoeveel ik over mezelf vertelde. De klantmail die eigenlijk niet mocht.
Het papier raakte vol.
‘Je zegt dat je alleen facturen hebt gesorteerd,’ zei Farida.
Ik staarde naar de lijst.
We spraken af dat ik zou oefenen met stoppen vóór het misging. Dat klonk eenvoudig. Het bleek moeilijker dan doorwerken.
Als mijn schouders strak werden, zei ik tegen mezelf dat iedereen weleens gespannen was. Als woorden trager kwamen, dronk ik koffie. Als mijn huid pijn ging doen van mijn mouwen, trok ik eraan en ging verder.
Mijn waarschuwingssignalen waren jarenlang redenen geweest om harder mijn best te doen.
De maanden gingen langzaam. Soms voelde ik me beter. Dan vulde ik meteen mijn agenda en lag ik twee dagen later weer onder een deken.
Mijn zus Lotte werd er ongeduldig van.
‘Je moet jezelf ook niet overal buiten zetten,’ zei ze aan de telefoon.
Het ging over haar verjaardag in een café in Amersfoort. Dertig mensen. Een bandje. Geen eindtijd.
‘Ik wil wel komen. Maar dan vóór het feest.’
‘Dan mis je juist het leuke.’
‘Voor jou.’
Ze zweeg.
Ik schrok van mijn eigen antwoord en begon meteen te praten. Over mijn vermoeidheid. Over het onderzoek. Over het café.
‘Laat maar,’ zei ze. ‘Ik snap het wel.’
Haar toon zei iets anders. Of ik dacht dat haar toon iets anders zei. Ik sliep er slecht van.
Bij mijn eerste afspraak voor het onderzoek nam ik de blauwe ordner mee. Ook mijn elf pagina’s, inmiddels zestien.
De psycholoog heette Jasmijn. Ze vroeg of ik het licht prettiger vond met één lamp uit.
Ik zei automatisch dat het niet hoefde.
Ze wachtte.
‘Eigenlijk wel,’ zei ik.
Ze deed de lamp uit zonder er een gesprek van te maken.
Er volgden meerdere afspraken. Vragenlijsten. Lange gesprekken. Mijn moeder kwam mee voor mijn ontwikkeling als kind. We bespraken ook mijn angst om fouten te maken, mijn sombere periodes en de uitputting van het afgelopen jaar.
Niet iedere vraag herkende ik. Dat maakte me bang.
‘Wat als ik niet autistisch ben?’ vroeg ik aan Jasmijn.
‘Dan blijven je moeilijkheden echt. En dan zoeken we verder naar een passende verklaring.’
‘En als ik het wel ben?’
‘Dan gaan we bespreken wat dat voor jou betekent.’
Ik had op iets groters gehoopt. Een zin die meteen alles zou ordenen.
Na de laatste onderzoeksafspraak liep ik naar het station Utrecht Overvecht. Op het perron vroeg een man of deze trein naar Hilversum ging.
Ik zocht het voor hem op. Hij bedankte me en liep weg.
Een gewoon gesprek. Geen voorbereiding. Geen probleem.
Meteen dacht ik: zie je wel, je stelt je aan.
Toen kwam er een goederentrein voorbij. Ik drukte mijn handen tegen mijn oren en bleef zo staan, ook toen iemand keek.
Dat was nieuw.
Hoofdstuk 4
Het woord op papier
Jasmijn legde het verslag tussen ons in.
‘Het onderzoek past bij een autismespectrumstoornis,’ zei ze. ‘We stellen die diagnose vast.’
Ik had maanden naar die afspraak toe geleefd. Nu vroeg ik of ze mijn geboortedatum wilde controleren.
Ze keek naar de eerste pagina.
‘Die klopt.’
‘O. Goed.’
Mijn moeder zat naast me. Haar tas stond rechtop tussen haar schoenen. Ze hield de hengsels vast.
Jasmijn legde uit waarop de conclusie gebaseerd was. Patronen vanaf mijn kindertijd. Moeite met onuitgesproken sociale regels. Een grote behoefte aan voorspelbaarheid. Sterke reacties op prikkels. De inspanning waarmee ik mijn gedrag aanpaste.
Ze sprak ook over de ernstige overbelasting. Die was niet verdwenen doordat er nu een verklaring lag.
Ik hoorde alles. Toch bleef één gedachte terugkomen.
Dus ik had niet gelogen.
Niet tegen de huisarts. Niet tegen Bas. Niet tegen mezelf op al die ochtenden waarop ik niet begreep waarom ik niet gewoon opstond.
Daarna kwam een andere gedachte.
Dus dit gaat niet over.
In de lift begon mijn moeder te huilen.
‘Ik had het moeten zien.’
Ik keek naar het cijfer boven de deur.
‘Ik weet niet of je het had kunnen zien.’
Dat was het eerlijkste antwoord dat ik had. Ik kon haar nog niet geruststellen.
We gingen broodjes eten op de Amsterdamsestraatweg. Ik had geen honger, maar niets eten zou later erger worden. Dat had ik inmiddels geleerd.
Mijn moeder schoof haar bord opzij.
‘Toen je klein was, zei de juf dat je harder moest worden. Wij dachten dat we je hielpen door niet overal in mee te gaan.’
Ik herinnerde me een wollen trui. Mijn zesde verjaardag. Ik had gehuild omdat hij prikte. Mijn vader had gezegd dat ik nu moest ophouden. Op de foto glimlachte ik met opgetrokken schouders.
‘Soms hielp het niet,’ zei ik.
‘Nee.’
Ze verdedigde zich niet. Dat maakte het gesprek draaglijker.
Thuis legde ik het verslag op tafel. Ik liep er drie keer omheen. Daarna belde ik Noor.
‘Ik ben autistisch.’
Het was de eerste keer dat ik het zo zei.
‘Hoe is het om dat te horen?’ vroeg ze.
‘Goed. Kut. Ik weet het niet.’
‘Zal ik komen?’
‘Morgen. Vandaag niet.’
Ze zei goed. Ik hoefde niets te verzinnen.
De dagen erna las ik het verslag steeds opnieuw. Sommige zinnen waren akelig precies. Andere klonken klinisch en kaal. Mijn hele jeugd stond in alinea’s met kopjes.
Ik werd boos om dingen die twintig jaar geleden waren gebeurd. Een docent die mijn spreekbeurt stopzette omdat ik ‘geen contact met de klas’ maakte. Een ex die expres afspraken veranderde om me minder star te maken.
Ik had hem daarvoor bedankt. Ik dacht toen dat hij me hielp.
Die herinnering bleef dagen in mijn hoofd zitten.
Tegelijk begon ik aan alles te twijfelen. Hield ik werkelijk van verjaardagen, of vond ik het fijn wanneer ik ze goed had doorstaan? Was mijn nette kleding mijn smaak? Was mijn humor afgekeken? Bestond er een Mila die niet voortdurend bezig was met hoe ze overkwam?
Ik vroeg het aan Jasmijn tijdens een vervolggesprek.
‘Ik weet niet meer wat van mij is.’
‘Aangeleerd gedrag kan ook bij je horen,’ zei ze. ‘Je hoeft niet alles weg te gooien. Je kunt onderzoeken wat je wilt houden en wat te veel kost.’
Dat was minder overzichtelijk dan ik hoopte.
Ik wilde een lijst. Echt Mila links. Aangepast Mila rechts.
In plaats daarvan probeerde ik kleine dingen. Geen muziek tijdens het koken. Zachte kleding tijdens bezoek. Niet lachen als ik een grap niet begreep.
Dat laatste gaf ongemakkelijke stiltes.
‘Het was maar een grap,’ zei Lotte toen ze beweerde dat mijn nieuwe koptelefoon vast door de geheime dienst was goedgekeurd.
‘Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen.’
Ze keek me aan en begon toen te lachen.
‘Niets. Hij was ook niet zo goed.’
Ik lachte mee. Deze keer hoefde ik het niet eerst te bedenken.
Die avond borg ik het verslag op. Niet omdat het niet belangrijk was. Ik wilde alleen mijn tafel weer gebruiken.
Ik schoof mijn bord naar het midden en at terwijl het eten nog warm was.
Hoofdstuk 5
Niet meer vanzelf
Het gesprek met Bas was op een maandag om negen uur. Ik had om een agenda gevraagd. Hij had teruggestuurd: Gewoon even bijpraten.
Ik stuurde drie onderwerpen terug. Werkuren. Werkplek. Taken.
Daarna zat ik tien minuten naar mijn verzonden mail te kijken.
Op kantoor wachtte ook Marieke van personeelszaken. Dat wist ik niet vooraf.
Mijn maag trok samen.
‘Waarom is Marieke erbij?’ vroeg ik.
Bas wees naar een stoel.
‘Om mee te denken.’
‘Ik had dat graag vooraf geweten.’
De zin stond op mijn briefje. Toch voelde het alsof ik iets onbeleefds zei.
Marieke pakte haar pen.
‘Dat is duidelijk. Dat doen we de volgende keer.’
Ik vertelde dat er autisme was vastgesteld. Ik had met de bedrijfsarts besproken wat ik wilde delen. Mijn hele verslag bleef thuis.
Bas leunde achterover.
‘Daar had ik bij jou nooit aan gedacht.’
‘Ik ook niet.’
‘Je communiceert juist heel goed.’
Ik voelde de neiging om hem gerust te stellen. Te zeggen dat het ook wel meeviel. In plaats daarvan keek ik op mijn papier.
‘Dat kost me vaak veel voorbereiding. En in het open kantoor raak ik overbelast.’
Ik vroeg om een vaste rustige werkplek. Instructies per mail. Eén aanspreekpunt voor prioriteiten. Geen telefoon tijdens mijn opbouwuren.
Bas trok zijn wenkbrauwen op.
‘We kunnen natuurlijk niet voor iedereen een aparte kamer regelen.’
‘Is er een plek die op mijn werkdagen rustig is?’
Marieke keek op de plattegrond. De kleine ruimte naast het archief stond meestal leeg. Er was geen raam naar buiten. Wel een deur die dicht kon.
We spraken een proefperiode af.
Het was geen overwinning zoals in een film. Bas moest zoeken naar een sleutel. De stoel in de kamer was kapot. Een collega vroeg of ik nu mijn eigen kantoor had gekregen.
‘Een rustige werkplek,’ zei ik.
‘Lekker hoor.’
Ik wist niet of het venijnig bedoeld was. Ik vroeg het niet. Mijn energie was al bijna op.
De eerste weken werkte de afspraak redelijk. Ik begon met korte blokken. Mijn uren gingen pas omhoog na overleg. Soms bleef ik langer op hetzelfde niveau dan ik wilde.
Het moeilijkste waren de losse verzoeken.
‘Kun je dit nog even doen?’
Mijn mond zei bijna vanzelf ja.
Daarom plakte ik een kaartje naast mijn scherm: Eerst kijken. Dan antwoorden.
Op een woensdag gaf Bas me een spoedlijst terwijl ik al aan een andere spoedlijst werkte.
‘Welke heeft voorrang?’ vroeg ik.
‘Ze moeten eigenlijk allebei vandaag.’
Mijn nek werd warm.
‘Dat lukt niet in mijn uren. Welke eerst?’
Hij zuchtte. Toen wees hij de bovenste aan.
Dat was alles. Hij was niet blij. Ik was niet ontslagen. De wereld bleef vrij gewoon nadat iemand even ontevreden over mij was geweest.
Buiten kantoor ging het stroever.
Lotte wilde dat ik op haar dochter paste. Mijn nichtje Fien was vier. Ik hield van haar. Ik raakte ook uitgeput van haar hoge stem en het constante wisselen van spel.
‘Twee uur kan,’ zei ik. ‘Geen hele zaterdag.’
‘Vroeger deed je dat wel.’
‘Daarna lag ik de hele zondag in bed.’
‘Dat wist ik niet.’
‘Ik vertelde het niet.’
Lotte wreef over haar voorhoofd.
‘Ik moet ook wennen, Mila. Soms voelt het alsof er ineens overal nieuwe regels zijn.’
Ik wilde fel antwoorden. Dat zij tenminste niet vierendertig jaar had hoeven wachten om die regels te begrijpen.
Maar ze stond alleen met een kind en een rooster dat niet klopte. Haar probleem was ook echt.
‘Ik kan zaterdag van tien tot twaalf,’ herhaalde ik. ‘Meer niet.’
Ze belde onze moeder voor de middag.
Zaterdag bouwden Fien en ik een dierenartspraktijk van Duplo. Om elf uur aten we appel. Ik had een timer gezet voor het opruimen.
‘Waarom piept die?’ vroeg Fien.
‘Omdat we straks gaan stoppen.’
‘Ik wil niet stoppen.’
‘Dat snap ik.’
Ze werd toch boos. Ik bleef bij de afspraak. Toen Lotte kwam, was ik moe maar niet leeg.
Die avond belde ze.
‘Fien wil de volgende keer weer dierenarts spelen.’
Ik keek naar mijn agenda.
‘Over twee weken kan.’
Deze keer klonk mijn ja niet als een schuld die ik later moest afbetalen.
Hoofdstuk 6
Terug in de drukte
In oktober ging ik mee naar de bruiloft van mijn vriend Sam in Rotterdam. Ik kende hem sinds mijn studie. Hij had ooit drie avonden naast me gezeten toen ik mijn scriptie niet meer open durfde te klikken.
Ik wilde erbij zijn.
Noor ging mee. We hadden een hotel geboekt, zodat ik niet midden in de nacht terug naar Utrecht hoefde. Sam stuurde het programma. De ceremonie was om twee uur. Daarna foto’s, eten en een feest.
Ik nam oordoppen mee. Ik koos een jurk zonder kriebelende naden. Ik ontbijtte, ook al was ik zenuwachtig.
Het voelde alsof ik alles goed had geregeld.
De ceremonie lukte. Ik zat aan het gangpad. Sam huilde toen zijn partner binnenkwam. Ik huilde ook.
Na afloop veranderde het programma. Het regende. De foto’s werden binnen gemaakt. Honderd gasten stonden in een zaal die voor veertig geschikt leek. Iemand zette muziek aan.
Ik voelde mijn kaken aanspannen.
‘Even naar buiten?’ vroeg Noor.
‘Zo. Eerst Sam feliciteren.’
Maar Sam werd meegenomen voor foto’s. Een oude studiegenoot kwam naast me staan. Ze vroeg naar mijn werk. Ik gaf de korte versie. Ze vertelde lang over haar verbouwing.
Ik knikte op de goede momenten.
Daar was ik nog steeds goed in.
Tijdens het diner zat ik naast een luidspreker. De tafelschikking lag vast. Ik wilde geen gedoe veroorzaken. Ik had al om ander eten gevraagd omdat de saus voor mij niet ging.
Toen het derde onverwachte speechmoment begon, kon ik de woorden niet meer uit elkaar halen. Ik zag mensen lachen. Ik lachte te laat.
Noor boog naar me toe.
‘Je handen.’
Ik had mijn nagels in mijn handpalmen gedrukt.
‘Het gaat.’
Ze zei niets. Dat maakte me kwaad. Ik hoorde in haar stilte dat ze me niet geloofde.
Ik stond op. Mijn stoel botste tegen die van de vrouw achter me. Zij liet haar glas vallen.
Het geluid ging door mijn hele lijf.
In de gang vroeg een medewerker of alles goed was. Ik kon niet antwoorden. Hij kwam dichterbij. Noor zei iets tegen hem. Ik trok aan de deur naar buiten, maar die moest geduwd worden.
Toen schreeuwde ik.
Eén harde klank. Iedereen in de gang keek.
Buiten ging ik achter een plantenbak zitten. Mijn jurk werd nat. Ik wiegde heen en weer en wilde dat niemand me kon zien.
Noor bleef een paar meter verderop staan.
‘Ik ben hier,’ zei ze. ‘We hoeven nu niets te bespreken.’
We haalden het hotel zonder gesprek. Ik waste mijn gezicht en ging met mijn kleren aan in bed liggen.
De volgende ochtend voelde ik vooral schaamte.
‘Ik heb het verpest,’ zei ik.
‘Het was een heel groot feest. Het draaide niet allemaal om jou.’
Dat kwam hard aan. Daarna hielp het.
Ik stuurde Sam een bericht. Ik vertelde kort waarom ik weg was gegaan. Geen lange verdediging. Wel excuses dat ik geen afscheid had genomen.
Hij antwoordde pas ’s avonds.
Blij dat je bij de ceremonie was. We spreken later af. Rust uit.
Ik las het zeker tien keer.
Toch bleef ik de week erna somber. Alle aanpassingen, alle gesprekken, en nog zat ik op straat naast een plantenbak. Bij Farida zei ik dat ik kennelijk niets had geleerd.
Ze vroeg wanneer ik voor het eerst had gemerkt dat het te veel werd.
‘Bij de foto’s.’
‘En wat gebeurde er daarna?’
We liepen de middag door. Niet om mij te betrappen. Om te zien waar ik mezelf had genegeerd.
Ik had mijn oordoppen in mijn tas gelaten. Ik was blijven wachten. Ik had gedacht dat vertrekken ondankbaar was. De voorbereiding was goed geweest. Tijdens het feest had ik mijn oude regels weer gevolgd.
Een week later ging ik voor het eerst naar een kleine lotgenotengroep in een buurthuis in Zuilen.
Ik vertelde over de bruiloft. Tegenover me zat Anouk, een buschauffeur met kort grijs haar.
‘Ik ben laatst na twintig minuten van een familiedag vertrokken,’ zei ze.
‘Voelde je je niet schuldig?’
‘Jawel. Maar ik ben toch gegaan.’
Dat antwoord bleef hangen.
Zelfacceptatie voelde blijkbaar niet altijd goed terwijl je ermee bezig was.
Na de bijeenkomst liep ik naar de bushalte. Ik was moe. Ik had ook zin om volgende maand terug te komen. Die twee dingen konden tegelijk waar zijn.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen zaterdag
Een jaar na het brandalarm zat ik weer in dezelfde vergaderruimte. Deze keer boven de tafel, niet eronder.
Er was een aangekondigde ontruimingsoefening. Bas had het tijdvak vooraf gedeeld. Mijn jas en koptelefoon lagen naast me. Ik wist welke uitgang ik zou nemen.
Toen het alarm begon, schrok ik alsnog. Mijn hart sloeg hard. Ik zette mijn koptelefoon op en liep naar buiten.
Op de verzamelplek vroeg Bas of het ging.
‘Ik heb straks tien minuten nodig,’ zei ik.
Hij knikte en ging verder met tellen.
Er gebeurde niets bijzonders. Juist daarom onthield ik het.
Ik werkte inmiddels vier ochtenden van vijf uur. Minder dan vroeger. Mijn inkomen was lager. Ik had mijn auto verkocht, die ik toch weinig gebruikte, en hield mijn uitgaven scherper bij. Soms baalde ik als vrienden zonder nadenken een weekend weg boekten.
Ik was niet ineens goed geworden in leven met beperkingen. Sommige dagen onderhandelde ik nog steeds met mezelf alsof ik mijn energie kon overtuigen.
Maar ik lag niet meer elke vrijdagavond volledig uitgeput in bed.
De kamer naast het archief bleef mijn werkplek. Op drukke dagen werkte ik thuis aan facturen. Niet alle taken pasten nog bij mij. De telefoonplanning ging naar een collega die daar juist plezier in had. Ik nam een deel van haar controlewerk over.
Bas vergat soms afspraken. Ik zei het dan. Meestal herstelden we het zonder groot gesprek.
Met mijn moeder liep ik op zondag vaak langs het Merwedekanaal. Tijdens een van die wandelingen zei ze dat ze een boek over autistische volwassenen had gelezen.
‘Niet alles herken ik bij jou,’ zei ze.
‘Dat hoeft ook niet.’
Ze stopte even om een fietser voorbij te laten.
‘Ik denk steeds aan die trui op je verjaardag.’
Ik keek naar het water.
‘Ik ook.’
Ze slikte.
‘Het spijt me dat ik je niet geloofde.’
Ik zei niet dat het niets uitmaakte. Dat deed het wel.
‘Dank je,’ zei ik.
Daarna liepen we verder. Het gesprek repareerde mijn jeugd niet. Ik hoefde haar alleen niet meer uit te leggen dat die trui echt pijn had gedaan.
Mijn vrienden wisten inmiddels dat ik liever één duidelijke afspraak maakte dan vijf mogelijke plannen. Sommigen vonden dat onhandig. Eén vriendschap verwaterde. Ik wist niet precies of dat door mijn grenzen kwam of doordat we weinig meer gemeen hadden.
Ik miste haar toch.
Er kwam ook ruimte voor andere mensen. Met Anouk uit de lotgenotengroep ging ik soms wandelen bij Fort Blauwkapel. We konden lang praten. We konden ook een halfuur niets zeggen zonder dat ik een vraag moest verzinnen.
Op een zaterdag nodigde ik Noor, Lotte en Fien uit om te lunchen. Van twaalf tot twee, schreef ik in het bericht.
Ik las de eindtijd terug. Vroeger zou ik die hebben weggehaald. Nu drukte ik op verzenden.
Fien kwam met een plastic paard onder haar arm. Noor bracht brood mee. Lotte vroeg waar ze de tomaten kon snijden.
‘Op de houten plank,’ zei ik. ‘Niet die witte. Die ruikt naar afwasmiddel.’
‘Prima.’
Niemand besprak het verder.
Halverwege stootte Fien haar beker om. Water liep over tafel en op mijn broek. Ik verstijfde. Mijn eerste reactie was te groot voor een omgevallen beker. Dat wist ik. Het gevoel was er toch.
Ik zette mijn bord neer.
‘Ik ga even een droge broek aantrekken.’
In de slaapkamer deed ik de deur dicht. Ik ademde, trok iets droogs aan en bleef twee minuten zitten. Uit de keuken hoorde ik Lotte vragen om een doek.
Toen ik terugkwam, was de tafel droog.
‘Mijn paard had geduwd,’ zei Fien.
‘Dan moet je paard helpen opruimen.’
Ze schoof het plastic dier over een servet. Ik lachte.
Om twee uur vertrokken ze. Noor vroeg bij de deur of ik nog mee wilde naar de stad.
Ik voelde hoe moe mijn benen waren. Ik wilde haar ook niet teleurstellen.
‘Nee. Vandaag niet.’
‘Dinsdag wandelen?’
‘Graag.’
Ik deed de deur dicht en ruimde alleen het eten op. De rest kon wachten.
Op mijn telefoon stond nog steeds een notitie met zinnen voor moeilijke gesprekken. Ik gebruikte hem soms. Dat maakte mijn woorden niet minder van mij.
Ik heette Mila. Ik was vijfendertig. Autistisch. Nauwkeurig, soms ongeduldig, graag alleen en niet graag eenzaam. Ik hield van droge grappen, oude stationsgebouwen en mijn nichtje. Ik had hulp nodig bij sommige dingen. Bij andere niet.
Ik ging op de bank zitten. Mijn voeten op het kussen.
De lunch was fijn geweest. Ik was moe.
Voor vandaag hoefde ik daar niets aan te veranderen.