Tegenslag en opnieuw beginnen
Dakloos in mijn eigen stad
Hoofdstuk 1
Dakloos in mijn eigen stad — De sleutel
Om kwart over negen vroeg de deurwaarder of ik mijn schoenen wilde aantrekken. Ik stond op sokken in mijn keuken. Naast het koffiezetapparaat lag een halve boterham met kaas.
‘Hoe lang heb ik nog?’ vroeg ik.
‘De slotenmaker komt zo.’
Hij zei het zonder boosheid. Dat maakte het erger. Voor hem was dit een dinsdagochtend. Voor mij was het de laatste keer dat ik in mijn eigen keuken stond.
Ik heet Jeroen van Dijk. Ik was negenendertig en woonde al mijn hele leven in Rotterdam. Die ochtend raakte ik mijn woning in de Bas Jungeriusstraat kwijt. Vier kamers, een lekkend balkon en een slaapkamer voor mijn dochter Noor. Ze was elf. Haar paarse tandenborstel stond nog in de badkamer.
Er lag een vonnis. Er waren brieven geweest, telefoontjes en twee afspraken die ik had gemist. Ik wist dat de ontruiming eraan kwam. Toch had ik de avond ervoor de vuilniszak buitengezet. Alsof ik donderdag gewoon een nieuwe in de bak zou doen.
In mijn sporttas gingen drie onderbroeken, twee shirts, mijn medicijnen en een map met papieren. Mijn telefoonoplader stopte ik in mijn jas. Daarna liep ik naar Noors kamer.
Boven haar bed hing een tekening van een huis met zes verdiepingen. Op iedere verdieping had ze een kat getekend. Ik haalde hem voorzichtig los. Eén hoek scheurde.
‘Heeft u een plek voor vannacht?’ vroeg de deurwaarder vanuit de gang.
‘Ja.’
Dat was mijn eerste leugen die dag.
Een jaar eerder werkte ik nog in een distributiecentrum in de Spaanse Polder. Ik reed op een reachtruck en werkte vaak vroeg. Tijdens een dienst gleed ik uit bij een laadperron. Mijn rechterknie klapte onder me dubbel. Daarna volgden fysiotherapie, pijnstillers en weken thuis.
Mijn tijdelijke contract liep af tijdens mijn herstel. Er kwam een Ziektewetuitkering, maar lager dan mijn loon. Ik betaalde eerst de huur nog. Daarna de helft. Vervolgens betaalde ik een energierekening omdat ik bang was dat het licht uit zou gaan.
Ik maakte verkeerde keuzes. Ik leende geld bij een dure aanbieder. Ik bestelde boodschappen op rekening. Ik opende steeds minder post. Sommige dagen sliep ik tot de middag, met mijn telefoon op stil onder mijn kussen.
Toen de woningcorporatie een regeling voorstelde, beloofde ik meer dan ik kon betalen. Na twee termijnen hield het op. Ik had hulp nodig. In plaats daarvan begon ik mensen te ontwijken.
Mijn broer Tom dacht dat mijn huurachterstand nog één maand was. Mijn ex, Mariska, dacht dat mijn knie mijn grootste probleem was.
Buiten regende het zacht. Twee mannen in werkkleding liepen langs me naar binnen. Een van hen droeg een boormachine. Ik gaf mijn sleutel af en vroeg wat er met mijn meubels gebeurde.
De deurwaarder legde iets uit over de afvoer en spullen die mogelijk nog bewaard konden worden. Ik hoorde de woorden wel, maar onthield bijna niets. Hij wees naar een telefoonnummer op een papier.
‘Bewaar dit.’
Ik stopte het in mijn map zonder te kijken.
Bij metrostation Maashaven belde ik Tom.
‘Kan ik even bij je slapen?’
‘Wat is er?’
‘Gedoe met mijn huis.’
Hij bleef stil.
‘Ben je eruit gezet?’
Ik keek naar een man die zijn fiets tegen de roltrap probeerde op te tillen.
‘Ja.’
Tom vloekte zacht. Niet tegen mij, zei hij meteen. Maar ik wist het niet zeker.
Hij woonde in Schiedam met zijn vrouw Sanne en hun baby. Ik kon op de bank. Een paar nachten. Ze hadden weinig ruimte en sliepen al nauwelijks.
‘Kom maar eerst,’ zei hij.
In de metro hield ik mijn sporttas tussen mijn voeten. Op de ruit zag ik mijn gezicht. Het zag er hetzelfde uit als gisteren. Ik had verwacht dat je zoiets aan iemand kon zien.
Bij Tom kreeg ik soep. Sanne schoof een stapel babykleren van de bank. Niemand vroeg naar de precieze schuld. Daar was ik dankbaar voor. Tegelijk wachtte ik de hele avond op die vraag.
Om acht uur belde Noor.
‘Pap, vrijdag kom ik toch?’
Ik liep naar het balkon. Beneden reed een tram voorbij.
‘Dit weekend lukt niet, meisje.’
‘Waarom?’
‘Er is iets met mijn huis.’
‘Wat dan?’
Achter het glas zag ik Tom staan. Hij keek me aan en schudde langzaam zijn hoofd.
Ik kneep mijn ogen dicht.
‘Ik kan er niet meer wonen,’ zei ik.
Noor zei een tijd niets.
Toen vroeg ze: ‘Waar is mijn tandenborstel?’
Hoofdstuk 2
De laatste metro
Op de vijfde avond bij Tom begon de baby te huilen terwijl ik eindelijk sliep. Ik schrok wakker en stootte mijn knie tegen de salontafel. Er viel een glas om.
‘Godverdomme,’ zei ik.
Vanuit de deuropening keek Sanne me aan. Ze had de baby tegen haar borst.
‘Hij doet het niet expres, Jeroen.’
‘Dat bedoel ik niet.’
Maar mijn stem klonk hard. Alles aan mij klonk hard die week.
De volgende ochtend ging Tom naast me zitten. Hij droeg zijn werkschoenen al.
‘Dit gaat zo niet lang,’ zei hij.
Ik staarde naar mijn sokken.
‘We hebben afgesproken tot zondag. Je moet vandaag echt gaan bellen.’
Hij bood aan mee te zoeken. Ik hoorde alleen dat ik weg moest. Ik zei dat ik iets had geregeld bij een oude collega. Tom vroeg wie. Ik noemde Dennis, met wie ik al maanden niet had gesproken.
Die middag vertrok ik voordat Sanne thuiskwam. Ik liet de deken opgevouwen achter. Op tafel lag twintig euro voor de boodschappen. Daardoor had ik zelf nog zevenendertig euro over.
Dennis nam niet op. Een andere collega woonde in een kamer waar geen logees mochten komen. Een goedkope hotelkamer kostte meer dan ik had.
Ik had in de bibliotheek bij Blaak opgezocht waar ik me kon melden. De gemeentewebsite bevatte woorden die ik steeds opnieuw las. Aanmelden. Beoordeling. Opvang. Briefadres. Ik schreef een telefoonnummer op de achterkant van een kassabon.
Toen ik belde, werd gevraagd waar ik die nacht verbleef.
‘Bij mijn broer,’ zei ik.
Het was gemakkelijker dan uitleggen dat ik net was weggelopen.
De medewerker vroeg of ik daar nog even kon blijven, tot mijn afspraak. Ik zei dat ik het zou proberen. Daarna verbrak ik de verbinding en werd boos op haar. Pas veel later zag ik hoe weinig ik haar had verteld.
Die avond at ik een broodje van het station. Ik bleef lang zitten op Rotterdam Centraal. Mensen met koffers liepen langs. Een meisje trok een hondje over de gladde vloer. Twee mannen discussieerden over een gemiste trein.
Ik keek op mijn telefoon alsof iemand onderweg was om me op te halen.
Rond middernacht sprak een beveiliger me aan.
‘Gaat u nog reizen?’
‘Straks.’
‘Welke trein?’
Ik noemde Utrecht. Hij keek naar mijn sporttas en daarna naar mijn gezicht.
‘U kunt hier niet overnachten.’
Buiten was het kouder dan ik had verwacht. Het was oktober. Mijn jas was geschikt voor de afstand tussen een voordeur en een bushalte. Niet voor een hele nacht.
Ik liep richting het Oude Westen. Bij een afgesloten winkel zat een man op een stuk karton. Hij droeg een muts met een rood logo.
‘Eerste keer?’ vroeg hij.
Ik liep door.
‘Je tas hangt open.’
Ik stopte. De rits stond inderdaad halfopen. Mijn map was zichtbaar.
De man heette Bilal. Hij was tweeënvijftig en had kapotte nagels. Naast hem stonden een rugzak en een plastic tas met brood.
‘Niet in een park gaan liggen,’ zei hij. ‘En je schoenen aanhouden.’
‘Ik ga niet liggen.’
Hij knikte alsof hij dat antwoord kende.
Een uur later zat ik onder hetzelfde afdak, drie meter bij hem vandaan. Hij gaf me een stuk karton. Ik legde het eerst naast me neer. Toen mijn broek vochtig werd van de stenen, schoof ik het eronder.
Slapen lukte nauwelijks. Iedere voetstap maakte me wakker. Een scooter bleef vlak voor ons staan. Twee jongens lachten. Een van hen vroeg of we vakantie hadden.
Bilal keek naar zijn handen. Ik deed hetzelfde.
Toen ze wegreden, merkte ik dat ik mijn kiezen op elkaar klemde.
Om vijf uur moest ik plassen. De cafés waren dicht. Ik liep een steeg in en voelde me opgejaagd door elk raam boven me. Daarna waste ik mijn handen met water uit mijn drinkfles.
Bij een vroege bakker kocht ik koffie. Mijn vingers trilden zo dat het deksel loskwam. Hete koffie liep over mijn hand.
‘Gaat het?’ vroeg de vrouw achter de toonbank.
‘Slecht geslapen.’
Ik ging bij het raam zitten en belde het nummer opnieuw zodra het kon.
Deze keer zei ik: ‘Ik heb buiten geslapen. Ik heb voor vannacht geen plek. Ik moet weten waar ik vandaag terechtkan.’
De medewerker stelde veel vragen. Ik beantwoordde ze. Ook toen ik me schaamde.
Voordat ik naar de afspraak liep, stuurde ik Tom een bericht.
Ik slaap niet bij Dennis. Ik heb gelogen.
Zijn antwoord kwam bijna meteen.
Waar ben je?
Hoofdstuk 3
Bed negentien
In de wachtruimte zat een vrouw met twee volle boodschappentassen. Ze droeg nette zwarte laarzen. Naast haar sliep een jongen met zijn kin op zijn borst. Ik ging bij het raam zitten en hield mijn map op schoot.
Toen mijn naam werd genoemd, stond ik te snel op. Mijn knie gaf een scheut.
‘Rustig maar,’ zei de medewerker.
Ze heette Fatima. Ze wees me een stoel en vroeg wat er was gebeurd. Ik begon bij mijn ongeluk. Daarna vertelde ik over mijn contract, de huur en de bank van Tom.
‘En afgelopen nacht?’
‘Buiten.’
Ze vroeg of ik veilig was. Of ik gebruikte. Of ik schulden had. Of ik gedachten had om mezelf iets aan te doen.
Bij die laatste vraag keek ik op.
‘Nee. Ik wil gewoon ergens slapen.’
‘Goed dat je het zegt. Ik vraag het aan iedereen.’
Ze legde uit dat er naar mijn situatie en de passende opvang moest worden gekeken. Niet alles kon die ochtend worden geregeld. Ze belde wel door over een slaapplek. Ik zat erbij terwijl ze wachtte, werd doorverbonden en mijn naam opnieuw spelde.
Aan het eind van de middag kreeg ik een tijdelijke plek in de nachtopvang. Er zouden meer gesprekken volgen. Fatima schreef het adres, de tijden en de eerstvolgende afspraak op één blad.
‘Niet ergens tussen stoppen,’ zei ze. ‘Maak er ook een foto van.’
Dat deed ik.
Bij de opvang moest ik mijn tas laten bekijken. Een medewerker met een grijze baard gaf me beddengoed. Hij heette Koen.
‘Bed negentien. Morgenochtend op tijd eruit. De regels hangen bij de deur.’
De slaapzaal rook naar natte jassen, wasmiddel en voeten. Iemand hoestte diep. Verderop praatte een man tegen niemand die ik kon zien.
Bed negentien stond tegen een muur. Op bed twintig zat een brede man een sinaasappel te schillen.
‘Richard,’ zei hij.
‘Jeroen.’
‘Snurk je?’
‘Geen idee.’
‘Dan wel dus.’
Ik moest lachen. Het was een kort, vreemd geluid.
Die eerste nacht sliep ik met mijn portemonnee in mijn onderbroek. Mijn schoenen schoof ik onder mijn bed. Mijn map legde ik onder het kussen. Om twee uur ging het licht aan omdat twee mannen ruzie maakten over een oplader.
Een van hen trapte tegen een bed. Koen kwam met een collega binnen. Ze spraken laag en duidelijk. Toch duurde het lang voordat mijn hart weer rustig werd.
De volgende ochtend was mijn eigen oplader verdwenen.
Ik trok mijn tas leeg. Daarna keek ik naar Richard.
‘Heb jij iets gezien?’
‘Nee.’
‘Hij lag hier.’
Richard stopte met het aantrekken van zijn sok.
‘Vraag je iets of beschuldig je me?’
Ik zei niets. Hij stond op en liep weg.
Ik kocht die middag een goedkope kabel. Later vond ik mijn oplader onder het matras. Ik had hem er zelf tussen geschoven.
Toen Richard terugkwam, liet ik hem zien.
‘Sorry.’
Hij knikte.
‘Je bent hier niet de enige die bang is voor zijn spullen.’
Overdag moest ik steeds bedenken waar ik kon zijn. De opvang had vaste tijden. Ik ging naar een dagvoorziening, naar afspraken en naar de bibliotheek. Ik ontdekte welke toiletten gratis waren. Waar ik mijn telefoon kon opladen. Hoe snel een dag voorbijging zonder dat er iets werd opgelost.
Mariska wilde me spreken zonder Noor erbij. We ontmoetten elkaar in een koffiezaak bij Zuidplein. Ze liet haar jas aan.
‘Waarom heb je niets gezegd?’
‘Ik dacht dat ik het nog kon repareren.’
‘Tot wanneer? Tot ze je bed buitenzetten?’
Ik keek naar de suikerzakjes.
Ze was boos. Ze had reden om boos te zijn. Noor had gevraagd of papa nu in een auto sliep. Ze had zelf een deken klaargelegd.
‘Ze hoeft niet voor jou te zorgen,’ zei Mariska.
‘Dat weet ik.’
‘Dan moet jij duidelijk zijn. Geen verhalen over verbouwingen of een kapotte leiding.’
We spraken af dat ik Noor zaterdag twee uur zou zien. Overdag. Mariska zou haar brengen en ophalen. Logeren kon niet.
Die avond belde ik mijn dochter vanuit een stille hoek in de opvang.
‘Ik slaap nu op een plek met andere mensen die geen woning hebben,’ zei ik.
‘Heb je een bed?’
‘Ja. Nummer negentien.’
‘Waarom heeft het een nummer?’
‘Zodat ik niet per ongeluk in het verkeerde ga liggen.’
Ze lachte even. Daarna vroeg ze of ik nog naar shampoo rook.
Ik keek naar het kleine flesje dat ik bij binnenkomst had gekregen.
‘Ja,’ zei ik. ‘Een andere dan thuis.’
Hoofdstuk 4
Alles op tafel
Fatima schoof een lege bak naar me toe.
‘Alle brieven hierin.’
‘Ook dubbele?’
‘Alles.’
Ik keerde mijn map om. Er kwamen enveloppen uit, loonstroken, een ziekenhuisbrief en het gescheurde hoekje van Noors tekening. Dat laatste legde ik apart.
Tom zat naast me. Hij was met mijn toestemming meegekomen. Zijn knie bewoog voortdurend onder de tafel.
Een schuldhulpverlener, Esther, sorteerde de post. Wonen. Zorg. Energie. Leningen. Kosten. Op haar kladblok verschenen bedragen.
Ik had tegen Tom gezegd dat het misschien zesduizend euro was.
Het bleek ruim twaalfduizend. Niet alles was meteen duidelijk. Er konden nog rekeningen volgen.
Tom liet zijn knie stilvallen.
‘Jezus, Jeroen.’
Ik wilde zeggen dat een deel uit kosten bestond. Dat de oorspronkelijke schuld lager was. Maar het bedrag bleef hetzelfde.
Esther keek naar mij, niet naar hem.
‘We moeten eerst zorgen dat je post aankomt en je inkomen klopt. Daarna kunnen we het vervolg beoordelen. Dit is niet over twee weken opgelost.’
We werkten aan een aanvraag voor een briefadres. Mijn uitkeringsgegevens moesten worden gecontroleerd. Er was een formulier voor hulp bij mijn geldzaken. Ik had een nieuw wachtwoord nodig voor DigiD, omdat ik mijn oude in een schrift in de woning had bewaard.
Bij iedere stap kwam een andere stap tevoorschijn.
‘Hoe moet iemand dit doen als hij niet heeft geslapen?’ vroeg ik.
Fatima tikte met haar pen op mijn afsprakenblad.
‘Daarom doen we vandaag alleen dit.’
Na afloop liep Tom met me naar de tram.
‘Je had me kunnen bellen.’
‘Je had mijn huur toch niet kunnen blijven betalen.’
‘Nee. Maar ik had naast je kunnen zitten terwijl je belde.’
Ik had geen goed antwoord.
Zaterdag zag ik Noor in het Zuiderpark. Mariska bleef aanvankelijk op een bank in de buurt. Noor droeg een gele regenjas en had een papieren zak bij zich.
‘Voor jou.’
Er zaten twee boterhammen in, een appel en mijn tandenborstel uit haar badkamer bij haar moeder.
‘Dan hoef je die niet meer te kopen.’
Ik slikte.
‘Dank je. Maar je hoeft geen eten voor mij te regelen. Dat is mijn taak.’
‘Mama heeft het gesmeerd.’
‘Dan bedanken we mama ook.’
We liepen naar de kinderboerderij. Noor vertelde over een jongen in haar klas die tijdens gym zijn bril was verloren. Ik luisterde te hard. Ik wilde ieder woord onthouden omdat ik niet wist wanneer ik haar weer normaal zou zien.
Bij de geiten vroeg ze of ik mijn huis terugkreeg.
‘Nee.’
‘Ook mijn kamer niet?’
‘Nee, lieverd.’
Ze schopte tegen een steentje.
‘Had je de huur niet betaald?’
Ik voelde warmte in mijn nek. Mariska had haar blijkbaar meer verteld dan ik wilde. Daarna besefte ik dat Noor gewoon een antwoord nodig had.
‘Niet genoeg. Ik kreeg minder geld en heb te lang gewacht met hulp vragen.’
‘Had ik minder moeten komen?’
Ik ging op mijn hurken zitten. Mijn knie protesteerde.
‘Nee. Jij hebt hier niets aan gedaan. Ook niet met eten, douchen of slapen. Dit is niet door jou.’
Ze keek me aan om te zien of ik het meende.
‘Oké,’ zei ze uiteindelijk.
Die middag kochten we niets. We bekeken de dieren en zaten onder een afdak toen het regende. Noor hield haar appel zelf. Dat vond ik prettig.
Twee dagen later kreeg ik via een oud werkcontact een aanbod. Een paar diensten lossen in een magazijn. Contant betaald.
Ik zag meteen eten, een kamer, misschien een cadeau voor Noor.
Toen zag ik mijn knie. En de formulieren over mijn inkomen.
‘Kan het op papier?’ vroeg ik.
‘Daar heb ik geen zin in,’ zei de man. ‘Graag of niet.’
Ik zei nee en had daar de hele middag spijt van.
Bij de opvang zat Bilal buiten op een muurtje. Ik had hem sinds die eerste nacht niet gezien. Hij vroeg of ik inmiddels een bed had.
‘Ja. En twaalfduizend euro schuld.’
‘Dat past niet onder je kussen.’
Ik ging naast hem zitten. Hij vertelde dat zijn afspraak was verzet en dat hij daar woedend over was. Ik luisterde. Dit keer keek ik niet weg van zijn kapotte nagels.
Voor het eerst sinds de ontruiming hoefde ik nergens beter voor te doen dan ik was.
Hoofdstuk 5
Onder de brug
Na zes weken kende ik de geluiden van de slaapzaal. Richards ademhaling. De krakende kastdeur bij de ingang. Het piepje van Koens portofoon. Ik wist ook dat vertrouwd niet hetzelfde was als rustig.
Ik wachtte op een plek waar ik langer kon blijven en meer begeleiding kreeg. Er was nog geen datum. Fatima zei dat ze het bleef volgen. Ik vroeg bij elk gesprek hetzelfde. Zij gaf telkens hetzelfde eerlijke antwoord.
Op een woensdag ontving ik een afwijzing voor een kamer in een gedeeld huis. De verhuurder wilde iemand met loon uit werk. Mijn uitkering telde voor hem niet mee, hoewel ik had uitgelegd dat die officieel was.
Daarna kreeg ik bericht over mijn meubels. De mogelijkheden om nog iets terug te halen waren beperkt, en de termijn liep. Tom had eerder enkele dozen kunnen ophalen, waaronder Noors spullen. Mijn bed en bank zou ik niet terugzien.
Ik liep naar buiten en belde het nummer op de brief. Ik kreeg een keuzemenu. Toen een medewerker. Toen hoorde ik mezelf schreeuwen.
Ze waarschuwde dat ze het gesprek zou beëindigen.
‘Doe maar,’ zei ik.
Dat deed ze.
Die avond kocht ik vier blikken sterk bier. Ik dronk er twee bij het water. Ik had maanden nauwelijks gedronken. Op een lege maag voelde ik het meteen.
Mijn telefoon trilde. Fatima. Daarna Tom. Ik nam niet op.
Bij de opvang botste ik tegen een man die in de rij stond. Hij zei dat ik moest opletten. Ik duwde terug met mijn schouder. Koen kwam tussen ons in.
‘Jeroen, even mee.’
‘Ik wil gewoon slapen.’
‘Dat begrijp ik. Eerst rustig.’
Hij nam me apart bij de ingang. Hij zei dat ik naar binnen kon als ik stopte met dreigen en me aan de afspraken hield. Ik vond dat hij mij behandelde als een kind. Ik liep weg terwijl hij nog tegen me praatte.
Onder een viaduct ging ik tegen een betonnen pijler zitten. Het verkeer dreunde boven mijn hoofd. Ik opende het derde blik en morste over mijn broek.
Ik bleef denken aan de bank van Tom. De brieven. De kamer die ik niet kreeg. Alles wat ik had moeten doen en niet had gedaan.
Er kwam een bericht van Noor.
Kijk, een zeven voor rekenen.
Er stond een foto bij van haar schrift.
Ik typte: Goed gedaan, meisje.
Daarna zag ik dat mijn batterij nog vier procent had.
Ik belde Tom.
‘Ik zit onder een brug.’
‘Welke?’
‘Bij de Maashaven. Ik weet niet precies.’
‘Stuur je locatie.’
Hij klonk niet boos. Dat kwam later.
Toen hij aankwam, keek hij eerst naar de blikken. Hij pakte het ongeopende vierde blik op en zette het naast zijn eigen voet.
‘Ben je gewond?’
‘Nee.’
‘Wil je dood?’
‘Nee, Tom. Ik ben het zat.’
Hij ging niet zitten.
‘Dan gaan we nu terug.’
‘Ze willen me niet.’
‘Dat gaan we vragen.’
We liepen langzaam naar de opvang. Mijn knie deed pijn en ik schaamde me voor mijn natte broek. Koen stond nog bij de ingang.
‘Ik heb gedronken,’ zei ik.
‘Dat had ik gemerkt.’
‘En ik deed moeilijk.’
Koen keek naar Tom en toen naar mij.
‘Kun je je nu aan de afspraken houden?’
Ik knikte. Hij liet me binnen. De volgende ochtend moest ik met mijn begeleider praten over wat er was gebeurd.
Tom bleef buiten staan toen ik naar mijn bed liep. Ik draaide me nog om.
‘Dank je.’
‘Bel vóór je derde blik,’ zei hij.
De volgende dag vertelde ik Fatima alles. Niet alleen over het bier. Ook dat ik soms uren op een stoel zat zonder te bewegen. Dat eenvoudige vragen me kwaad maakten. Dat ik bang was Noor kwijt te raken.
Ze hielp me een afspraak bij de huisarts te maken. Later volgden gesprekken met de praktijkondersteuner. Geen snelle oplossing. Wel een vaste plek waar ik niet hoefde te doen alsof het slapen en wachten me niets deden.
Ik maakte met Tom een eenvoudige afspraak. Als ik wilde verdwijnen, zou ik eerst één bericht sturen: Het gaat niet.
Een week later gebruikte ik die zin. Er was opnieuw geen nieuws over een kamer.
Tom belde tijdens zijn lunchpauze. We spraken twaalf minuten over bijna niets. Daarna at ik twee boterhammen en ging naar mijn afspraak.
Hoofdstuk 6
Een deur op slot
Mijn eerste eigen deur na de ontruiming was groen. De verf rond het slot was afgesleten. Op de gang rook het naar gebakken ui.
‘Dit is hem,’ zei mijn nieuwe begeleider, Anouk.
De kamer lag in een woonvoorziening in Rotterdam-West. Er stonden een bed, een kast en een bureau met een brandplek. De keuken en badkamer deelde ik met drie anderen. Het was tijdelijk. Er waren huisregels en afspraken over begeleiding.
Ik draaide de sleutel om, van binnenuit.
Daarna deed ik hem weer open.
Anouk wachtte in de gang.
‘Werkt hij?’
‘Ja.’
Ik draaide hem nog eens om.
Die eerste nacht sliep ik tien uur. Toen ik wakker werd, wist ik een paar seconden niet waar ik was. Ik hoorde een lepel tegen een pan tikken. Geen portofoon. Geen twintig paar schoenen.
Ik moest zelf ontbijt kopen. Dat was prettig en lastig tegelijk. In de opvang waren tijden bepaald. Nu kon ik blijven liggen. Op mijn derde ochtend deed ik dat tot half twaalf.
Anouk klopte.
‘Onze afspraak was om tien uur.’
‘Ik heb slecht geslapen.’
Ze keek naar mijn gezicht.
‘Wil je opnieuw beginnen, of wil je dat ik straks terugkom?’
Ik wilde dat ze wegging. Ik zei: ‘Vijf minuten.’
We maakten een weekschema. Niet vol. Opstaan, eten, post openen. Fysiotherapie. Gesprekken. Eén vaste middag om kamers te zoeken. Een ander moment om mijn geldzaken te bekijken, zodat ik niet iedere dag dezelfde bedragen bleef narekenen.
Mijn inkomen stond inmiddels goed geregistreerd. Met hulp werd mijn post bijgehouden. Esther onderzocht welke schuldregeling haalbaar was. Ik kreeg geen belofte over een einddatum. Wel wist ik welk bedrag ik kon besteden en welke rekeningen via de afgesproken begeleiding werden betaald.
Het leefgeld was krap. Eén verkeerde aankoop bleef de rest van de week merkbaar.
Ik kocht toch een duur paar schoenen voor Noor. Ze had terloops gezegd dat haar oude knelden. Mariska belde toen ik de doos bij haar had afgegeven.
‘Je had het moeten overleggen.’
‘Ik mag mijn dochter toch schoenen geven?’
‘Natuurlijk. Maar ze heeft vorige week al nieuwe gekregen.’
Ik werd kwaad. Daarna bracht ik de schoenen terug. Bij de kassa voelde ik dezelfde schaamte als bij de ontruiming, alleen kleiner en sneller voorbij.
Noor vroeg zaterdag niet naar schoenen. Ze wilde mijn kamer zien.
We hadden het bezoek met Anouk besproken. Overdag kon het. Mariska kwam mee naar binnen en keek naar het bed, het raam en de kast. Ze vroeg waar de badkamer was.
Noor pakte meteen de bureaustoel.
‘Die draait!’
Ze maakte twee rondjes en botste met haar knie tegen de tafel.
‘Net als jij vroeger,’ zei Mariska.
Het was voor het eerst in maanden dat ze iets zei waar geen probleem achteraan kwam.
Ik zette thee. In de keuken maakte huisgenoot Henk een tosti. Hij had een groot litteken op zijn onderarm en sprak weinig.
‘Bezoek?’ vroeg hij.
‘Mijn dochter.’
Hij veegde kruimels van het aanrecht en verdween naar zijn kamer. Ik was hem dankbaar voor die kleine ruimte.
Met mijn behandelaar en de betrokken contactpersoon besprak ik wat ik lichamelijk aankon. Volle magazijndiensten waren voorlopig geen goed idee. Via een traject begon ik twee ochtenden in een kringloopwerkplaats. Eerst om ritme en belastbaarheid op te bouwen. Mijn uitkeringssituatie werd daarbij vooraf gecontroleerd.
Ik testte lampen, draaide kastgrepen vast en sorteerde schroeven. De werkbegeleider, Els, vroeg op de eerste dag niet hoe ik dakloos was geworden.
‘Kun je deze lade recht krijgen?’ vroeg ze.
Dat kon ik.
Na drie weken kwam ik te laat. De tram had vertraging, maar ik was ook te laat vertrokken. Ik begon aan een lange uitleg.
Els wees naar de klok.
‘Bel de volgende keer. Pak nu die gereedschapskist.’
Ik kreeg geen applaus omdat ik kwam opdagen. Er werd wel gemerkt wanneer ik ontbrak. Dat hielp.
Op een donderdag liep ik na de werkplaats naar de supermarkt. Ik kocht aardappelen, sperziebonen en twee kippenpoten. In de gezamenlijke keuken at Henk de tweede portie.
‘Goed zout,’ zei hij.
Die avond waste ik een pan af en hing mijn werkkleren over een stoel. Pas in bed besefte ik dat ik die dag niet één keer had bedacht waar ik de nacht moest doorbrengen.
Hoofdstuk 7
Mijn naam op de bel
De woning lag op de tweede verdieping van een klein blok in IJsselmonde. Geen lift. Een woonkamer met open keuken, een slaapkamer en een badkamer waar ik mijn elleboog tegen de muur stootte als ik me afdroogde.
Ik had gereageerd op kamers en woningen, afwijzingen gekregen en stapels documenten aangeleverd. Uiteindelijk kwam deze woning in beeld via een route voor uitstroom uit de opvang. Er waren voorwaarden en afspraken over verdere begeleiding.
Tussen de ontruiming en de bezichtiging zat bijna vijftien maanden.
Anouk ging mee. De medewerker van de verhuurder draaide de kraan open en vertelde waar de meter zat. Ik luisterde deze keer. Ik maakte foto's en schreef bedragen op.
‘Wil je hem?’ vroeg Anouk toen we alleen waren.
‘Kan ik hem betalen?’
We hadden dat al uitgerekend. Toch deden we het die middag opnieuw. Huur. Zorgverzekering. Energie. Boodschappen. De afspraken rond mijn schulden. Er bleef weinig ruimte, maar het kon.
Ik zei ja.
Op de dag dat ik de sleutel kreeg, was Tom vrij. Hij had een busje geleend. Uit zijn berging kwamen vier dozen, Noors boeken en een lamp die ooit in mijn oude gang had gehangen.
‘Meer heb ik niet kunnen redden,’ zei hij.
‘Dit is veel.’
We droegen een tweedehands tafel naar boven. Op de eerste overloop moesten we stoppen omdat mijn knie zeurde. Tom zei niets. Hij zette de tafel neer en keek op zijn telefoon tot ik verder kon.
Sanne bracht broodjes en een gebruikte waterkoker. Hun zoontje kon inmiddels lopen. Hij trok meteen een keukenkastje open.
Ik zag hoeveel tijd er voorbij was gegaan.
Toen iedereen weg was, zette ik de dozen tegen de muur. Ik bleef wachten op een geluid uit de gang. Een medewerker die mijn naam riep. Iemand die zei dat het licht uit moest.
Er kwam niemand.
De eerste weken sliep ik slecht. Ik controleerde het slot drie keer. Als er post viel, werd mijn mond droog. Eén avond liet ik een envelop op de mat liggen en liep er steeds omheen.
Om kwart voor negen belde ik Tom.
‘Het gaat niet.’
‘Wat is er?’
‘Er ligt een brief.’
‘Maak hem open. Ik blijf wel even.’
Het was een overzicht van de energieleverancier. Geen achterstand. Geen dreiging. We lachten allebei, maar ik moest daarna toch even zitten.
Mijn schulden waren niet verdwenen. Er liep inmiddels een formele regeling, met verplichtingen waar ik me aan moest houden. Mijn geld bleef onder begeleiding. Iedere week opende ik de post op een vaste avond. Anouk kwam eerst vaak, later minder.
Bij de kringloopwerkplaats bouwde ik mijn uren langzaam op. Uiteindelijk kreeg ik een klein betaald contract. De overgang en gevolgen voor mijn inkomen werden vooraf uitgezocht. Het loon maakte me niet rijk. Ik kon wel weer zeggen waar ik op maandag moest zijn.
Noor kwam voor het eerst logeren in de meivakantie. Ze was inmiddels twaalf. Ik had haar de slaapkamer gegeven en zelf een slaapbank in de woonkamer gezet.
‘Is dit nu mijn kamer?’ vroeg ze.
‘Als je hier bent.’
Ze zette haar tas op bed. Daarna liep ze naar de badkamer en haalde een tandenborstel uit haar jaszak.
‘Deze blijft hier.’
‘Goed.’
We maakten macaroni. Ik liet de ui aanbranden terwijl zij vertelde over een ruzie op school. We schraapten de bruine stukjes uit de pan en begonnen opnieuw met een andere ui.
Later zaten we aan de tafel. Noor maakte huiswerk. Ik las een brief van de woningcorporatie over onderhoud aan de kozijnen.
‘Ga je weer weg moeten?’ vroeg ze.
Ik legde de brief neer.
‘Er is nu geen reden voor. De huur wordt betaald. En als er iets misgaat, vraag ik eerder hulp.’
‘Beloofd?’
‘Dat laatste beloof ik.’
Ze knikte en boog zich weer over haar schrift.
Een paar weken later zag ik Bilal bij Blaak. Hij had een andere jas aan. Hij vertelde dat hij nu in een pension zat, maar nog geen vaste woning had. We dronken koffie uit kartonnen bekers. Ik gaf hem mijn nummer. Geen grote belofte. Wel zei ik dat hij mocht bellen.
Thuis zat mijn naam nog op een tijdelijk papiertje achter het venster van de deurbel. De hoek was omgekruld. Ik schreef een nieuw kaartje, sneed het recht en schoof het erin.
Boven wachtte een was die ik moest ophangen. De volgende ochtend moest ik vroeg werken. Vrijdag kwam Noor.
Ik controleerde mijn brievenbus, nam de trap en deed mijn deur open.