Naar de inhoud
Terug naar het boek

Mantelzorg en ouder worden

De dag dat mama viel

Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.

Hoofdstuk 1

De dag dat mama viel

‘Niet ophangen, Noor.’

Ik hoorde mama ademen. Kort en hoog. Daarna schoof er iets over de vloer.

‘Waar ben je?’

‘Naast het aanrecht. Ik kom niet overeind.’

Ik stond in de personeelsruimte van onze bouwmarkt in Amersfoort. Mijn boterham lag nog in het open trommeltje. Op de klok boven de magnetron was het kwart over elf.

‘Heb je pijn?’

‘Mijn been doet raar.’

Ik pakte mijn jas. Mijn collega Bilal kwam binnen met twee bekers koffie.

‘Mijn moeder is gevallen.’

Hij zette de bekers neer en stak zijn hand uit naar mijn autosleutel.

‘Ik rijd.’

Onderweg belde ik 112 met zijn telefoon. Mama bleef aan mijn oor. Ze woonde in Soest, in hetzelfde rijtjeshuis waar mijn broer Joris en ik waren opgegroeid. Ze was negenenzeventig. Sinds papa vier jaar eerder was overleden, deed ze naar eigen zeggen alles zelf.

Daaronder verstond ze ook dingen niet vertellen.

‘De achterdeur zit op slot,’ zei ze.

‘Ik heb een sleutel.’

‘Er staat was voor.’

Dat klopte. Een volle mand blokkeerde de bijkeuken. Bilal trok hem weg terwijl ik naar binnen stapte.

Mama lag op haar rechterzij. Haar bril lag onder de tafel. Naast haar hand stond een omgevallen kopje. De koffie was opgedroogd tot een bruine rand.

‘Hoelang lig je hier?’ vroeg ik.

‘Niet zo lang.’

‘Mam.’

Ze keek naar de koelkast.

‘Sinds het journaal van negen uur.’

Ik knielde naast haar. De tegels waren koud. Haar nachtjapon zat gedraaid onder haar heup. Eén voet wees vreemd naar buiten. Ik wilde haar optillen. De centralist had gezegd dat ik haar moest laten liggen, tenzij er direct gevaar was.

Dus pakte ik de deken van de bank.

‘Mijn onderbroek is nat,’ fluisterde ze.

‘Dat geeft niet.’

‘Voor jou misschien niet.’

Ik stopte met praten en legde de deken over haar heen.

De ambulancebroeders kwamen binnen met een tas en een smalle brancard. Een van hen heette Dennis. Hij ging op zijn hurken zitten en vroeg mama wat er was gebeurd.

‘Duizelig. Ik wilde koffie pakken.’

‘Bent u op uw hoofd gevallen?’

‘Nee. Volgens mij niet.’

Ze kreeg vragen over medicijnen. Bloedverdunners. Allergieën. Ik wist bijna niets. In het keukenkastje vond ik doosjes met verschillende namen. Sommige waren over datum. Op tafel lag een strip pillen naast een schaaltje pepermunt.

Dennis nam alles mee.

Toen ze mama verplaatsten, greep ze mijn pols. Haar nagels drukten in mijn huid. Ze schreeuwde één keer. Hard. Ik had haar nog nooit zo gehoord.

‘Noor, je gaat mee.’

‘Ja.’

In het Meander Medisch Centrum werd haar heup gefotografeerd. Ik zat naast het bed en belde Joris. Hij nam pas de derde keer op.

‘Ik zit in een overleg.’

‘Mama heeft waarschijnlijk haar heup gebroken.’

Het bleef stil.

‘Ik kom zodra ik kan.’

Hij woonde in Zwolle. Dat klonk ineens veel verder dan het was.

De arts bevestigde de breuk. Mama moest worden geopereerd. Ze vroeg niet naar de operatie. Ze vroeg of iemand haar achterdeur had afgesloten.

‘Bilal heeft alles dichtgedaan,’ zei ik.

‘Ook boven?’

‘Ja, mam.’

Dat wist ik niet. Ik zei het toch.

Om vijf uur kwam mijn dochter Evi uit school. Ze was zestien. Ik belde haar vanaf de gang.

‘Er staat pasta in de koelkast.’

‘Dat stond er gisteren ook al.’

‘Dan bestel je iets.’

‘Kom je thuis?’

Ik keek door het glas naar mama. Ze lag klein onder het ziekenhuislaken. Haar kunstgebit lag in een bakje op het nachtkastje.

‘Dat weet ik nog niet.’

Die avond haalde ik schone kleding uit haar huis. In de slaapkamer rook het naar wasmiddel en oude lucht. Op de overloop stond een stoel. Daar had nooit een stoel gestaan.

In de badkamer lag een handdoek op de vloer. De douche was droog. Op het rek hing hetzelfde washandje dat ik zondag had zien hangen.

Ik opende de koelkast. Twee bakjes onaangeroerde stamppot. Een half pak melk dat zuur rook. Mijn bakjes. Mijn briefjes met opwarmtijden.

Pas toen zag ik de blauwe plek op de deurpost. Nee, geen blauwe plek. Een veeg van haar donkerblauwe vest, naast een losse schroef waaraan ze zich kennelijk had vastgegrepen.

Ik ging op de stoel op de overloop zitten.

Dit was niet begonnen met die val. Alleen had ik het vandaag pas gezien.

Hoofdstuk 2

De nachtdienst

Na de operatie herkende mama mij niet.

‘U moet mijn dochter bellen,’ zei ze.

Ik zat al twintig minuten naast haar bed.

‘Ik ben Noor.’

Ze keek naar mijn jas, mijn schoenen, mijn gezicht. Daarna drukte ze op de bel.

‘Deze mevrouw wil niet weg.’

De verpleegkundige kwam binnen. Anouk stond op haar naambordje. Ze deed het grote licht uit en schoof een stoel dichterbij.

‘Mevrouw Van Dijk, u bent in het ziekenhuis. Uw heup is geopereerd. Noor blijft nog even bij u.’

Mama trok aan het infuus.

‘Ik moet naar huis. Henk wacht.’

Papa heette Henk.

Ik wilde zeggen dat hij dood was. Anouk schudde bijna onzichtbaar haar hoofd.

‘U hoeft nu nergens heen,’ zei ze. ‘U bent veilig.’

Later legde ze op de gang uit dat mama waarschijnlijk een delier had. Acute verwardheid, uitgelokt door ziekte, de operatie en de onbekende omgeving. Ze zouden zoeken naar oorzaken en haar goed blijven volgen.

‘Is dit dementie?’ vroeg ik.

‘Dat kunnen we hier niet uit concluderen.’

Dat antwoord stelde me niet gerust. Maar ze deed tenminste niet alsof ze iets wist wat ze niet wist.

Ik bracht mama’s bril en gehoorapparaten. Een foto van Evi. Haar eigen ochtendjas. Overdag kon ze meestal vertellen waar ze was. Tegen de avond veranderde dat.

Ze zag een jongen achter het gordijn. Ze dacht dat haar bed in een vrachtwagen stond. Eén nacht belde ze mij elf keer.

De twaalfde keer nam Evi mijn telefoon van het nachtkastje.

‘Mam. Je moet slapen.’

Ik trok de telefoon uit haar hand.

‘Niet doen.’

Ze liep mijn slaapkamer uit zonder iets te zeggen.

Joris kwam op zaterdag. Hij bracht druiven mee die mama niet wilde en een oplader die niet paste. Toen ze hem zag, glimlachte ze.

‘Daar is mijn jongen.’

Ik was ineens jaloers. Op zijn schone overhemd. Op zijn aankomst, waarvoor niemand iets van hem had gevraagd. Op de manier waarop mama voor hem even haar best deed.

‘Ze ziet er eigenlijk goed uit,’ zei hij op de gang.

‘Je had vannacht moeten komen.’

‘Ik kan ook niet alles laten vallen.’

‘Nee. Dat doe ik al.’

Hij keek naar de vloer.

We zwegen tot een medewerker met een kar vuile was tussen ons door moest.

Op de vierde dag oefende mama met een fysiotherapeut. Ze moest rechtop zitten, haar voeten neerzetten en opstaan met hulp. Ze vloekte toen haar geopereerde been belast werd.

‘Dat mag,’ zei de fysiotherapeut.

‘Dat bepaal ik zelf wel.’

Ik lachte voor het eerst sinds de val.

Daarna kwam een transferverpleegkundige praten over revalidatie. Terug naar huis kon nog niet. Mama had hulp nodig bij wassen, aankleden, lopen en naar het toilet gaan.

‘Mijn dochter woont dichtbij,’ zei mama.

De verpleegkundige keek naar mij.

Ik voelde het antwoord al in mijn mond liggen. Ja, ik kan komen. Ja, ik regel het. Ja, natuurlijk.

‘Ik werk achtentwintig uur,’ zei ik. ‘En ik heb een dochter.’

Mama keek weg.

Er werd een tijdelijke plek voor geriatrische revalidatie gevonden in Amersfoort. Dichtbij genoeg om vaak te bezoeken. Ver genoeg om elke keer mijn avond kwijt te zijn.

Ik vulde formulieren in. Ik maakte een lijst van haar medicijnen. Ik belde haar pedicure af en daarna de kapper. Ik zocht haar aanvullende verzekering op. Niemand gaf me één groot pakket werk. Het kwam in losse vragen.

Had ik haar identiteitsbewijs?

Kon ik stevige schoenen brengen?

Wist ik wanneer ze voor het laatst ontlasting had gehad?

Thuis lag een brief van school op de keukentafel. Evi moest een ouder meenemen naar een gesprek over haar profielkeuze. Het gesprek was die middag geweest.

‘Waarom heb je niet gebeld?’ vroeg ik.

‘Dat heb ik gedaan.’

Ik keek in mijn telefoon. Twee gemiste oproepen, tussen nummers van het ziekenhuis.

‘Sorry.’

Ze haalde haar schouders op. Dat was erger dan boosheid.

Die nacht zette ik mijn telefoon op het luidste volume. Daarna bleef ik wakker liggen omdat ik bang was dat hij zou gaan.

Om halfvier ging hij werkelijk.

Mama was uit bed gestapt zonder hulp. Ze was niet gevallen, zei de verpleegkundige meteen. Maar ze was geschrokken en wilde mij spreken.

‘Kom je?’ vroeg mama.

Ik keek naar de kier onder Evi’s slaapkamerdeur. Daar brandde nog licht.

‘Ik blijf even aan de telefoon,’ zei ik. ‘Ik kom morgenochtend.’

Mama antwoordde niet.

Ik bleef luisteren naar haar ademhaling. Tot die rustiger werd.

Hoofdstuk 3

De trap

Vijf weken later stond mama weer in haar eigen gang. Haar rollator paste precies tussen de kapstok en het kastje met telefoongidsen uit 2008.

‘Dat kastje moet weg,’ zei ik.

‘Eerst mijn jas uit.’

De ergotherapeut was een week eerder thuis komen kijken. De losse kleedjes waren weggehaald. Er stonden toiletverhogers. Bij de achterdeur zat een stevige greep. Een bed beneden was besproken, maar mama had geweigerd.

In de revalidatie had ze traplopen geoefend. Met begeleiding lukte het. Voor thuis was afgesproken dat ze voorlopig niet alleen naar boven zou gaan.

Mama had geknikt. Ik had dat aangezien voor instemming.

De wijkverpleging kwam voor hulp bij wassen, aankleden en haar medicijnen. De apotheek leverde die nu in zakjes per innamemoment. Huishoudelijke ondersteuning via de gemeente was aangevraagd. Tot die begon, maakte ik schoon.

Joris had een douchestoel besteld.

‘Mooi ding,’ zei hij via de telefoon.

‘Hij staat nog in de doos.’

‘Je hoeft hem alleen in elkaar te zetten.’

Ik hield de telefoon tussen mijn oor en schouder en zocht de juiste schroef.

De eerste avond thuis bakte ik een ei voor mama. Ze zat aan de keukentafel, met haar voet op een krukje.

‘Niet zo hard. Dan wordt de rand bruin.’

Ik draaide het vuur lager.

‘Wil je brood erbij?’

‘Dat ligt in de vriezer.’

Ik wist waar haar brood lag. Ik wist inmiddels ook waar de reservevuilniszakken lagen, welke handdoeken niet in de droger mochten en wanneer haar buren naar de camping gingen.

Om halfnegen wilde ik weg.

‘Ik moet nog naar boven,’ zei ze.

Ik begeleidde haar op de trap zoals ik in de revalidatie had geleerd. Trede voor trede. Boven was mijn shirt nat onder mijn armen.

‘Je moet niet zo zenuwachtig doen,’ zei mama.

De volgende ochtend belde ze om zeven uur. De thuiszorg zou tussen acht en negen komen. Ze wilde niet wachten met opstaan.

‘Blijf boven, mam.’

‘Ik wil koffie.’

Ik trok een spijkerbroek over mijn pyjamabroek en reed naar Soest.

Zo begon het.

Eerst ging ik voor iets noodzakelijks. Daarna voor iets dat misschien noodzakelijk werd. Ik kwam voor boodschappen en bleef voor de was. Ik bracht soep en controleerde meteen haar wond. Ik ging na mijn werk even langs en kwam om tien uur thuis.

Mijn leidinggevende, Saskia, vroeg me mee naar het kantoor achter de kassa’s.

‘Je bent deze week drie keer te laat.’

‘Ik weet het.’

‘We moeten iets regelen. Niet elke ochtend improviseren.’

We bespraken mijn rooster en mogelijkheden voor zorgverlof met personeelszaken. Saskia was redelijk. Toch voelde ik me betrapt.

Die vrijdag kwam ik vroeger bij mama. Ik wilde haar verrassen met vis van de markt.

De rollator stond beneden.

Mama niet.

‘Mam?’

Geen antwoord.

Ik liep de gang in. Boven hoorde ik water. Ze stond in de badkamer met een emmer naast zich.

‘Wat doe je?’

‘De wastafel.’

‘Je zou niet alleen de trap op gaan.’

‘Hij was vies.’

Ik pakte de emmer. Er zat zoveel water in dat ik hem met twee handen moest dragen.

‘Hoe wilde je hiermee naar beneden?’

‘Rustig aan.’

Ik zette hem hard neer. Water sloeg over de rand.

‘Heb je dan niets geleerd?’

Mama verstijfde.

‘Praat niet tegen me alsof ik achterlijk ben.’

‘Doe dan niet zo onverantwoordelijk.’

Het woord bleef tussen ons hangen. Ik zag haar hand om de wastafel klemmen. Haar vingers waren wit.

Ik hielp haar naar beneden. We zeiden niets. De vis werd koud in het papier.

Later vond ik onder haar stoel een kassabon van de buurtsuper. Ze was er de dag ervoor zelf geweest. Met de rollator, langs een druk kruispunt.

Ik wilde weer boos worden. Toen zag ik wat ze had gekocht. Shampoo. Koffiefilters. Mijn favoriete koekjes.

Dat maakte het niet veiliger. Wel ingewikkelder.

Thuis zat Evi met haar boeken op de bank. Er stond een pan aangebrande rijst in de gootsteen.

‘Ik dacht dat je om zes uur kwam.’

Het was kwart voor negen.

Ik begon over de trap, de emmer, oma’s koppigheid.

Evi klapte haar boek dicht.

‘Je hoeft niet uit te leggen waarom oma belangrijk is. Dat snap ik.’

‘Wat bedoel je?’

‘Ik wil alleen weten wanneer ik weer op je kan rekenen.’

Hoofdstuk 4

Geen ruimte

De pan op mama’s fornuis was zwart. Het huis rook naar verbrand vet.

‘Ik had hem al uitgezet,’ zei ze.

Ik voelde aan de knop. Die stond inderdaad uit. Het raam stond open. Op het aanrecht lag een theedoek met een bruine schroeiplek.

‘Wat zat erin?’

‘Een gehaktbal.’

‘Waar is die?’

‘In de vuilnisbak. Ga je die ook controleren?’

Ik deed de deksel niet open. Dat was ongeveer het enige wat ik die ochtend niet controleerde.

Ik keek naar haar pillenzakjes. Naar de datum op de melk. Naar het matje dat ze weer voor de achterdeur had gelegd.

‘Dat moet weg.’

‘Mijn schoenen zijn nat.’

Ik trok het matje onder haar rollator vandaan.

‘Noor, hou op.’

Maar ik kon niet ophouden. Als ik ergens niet op lette, zou daar iets gebeuren. Zo voelde het inmiddels.

Een week eerder had ik mijn hand bezeerd in de bouwmarkt. Ik schoof een plaat hout scheef in een stelling omdat ik tegelijk een bericht van mama las. Niets ernstigs. Een snee en een dikke vinger. Bilal had de telefoon uit mijn hand gepakt.

‘Nu even niet.’

Ik was woedend geworden. Niet omdat hij ongelijk had.

Na die verbrande pan belde ik Joris vanaf mama’s achtertuin.

‘Je moet dit weekend komen.’

‘Zondag kan ik een paar uur.’

‘Het hele weekend.’

‘Noor, Daan heeft een wedstrijd en we hebben zaterdag visite.’

Ik keek naar de kale bloempot naast de schuur. Daar had papa vroeger bonen in gezet.

‘Ik wil twee nachten slapen zonder dat ik ergens heen moet.’

‘Je kunt toch je telefoon uitzetten?’

‘En dan bel jij haar terug?’

Hij zuchtte. Dat geluid maakte iets in mij los.

‘Ik ben niet vanzelf de beschikbare dochter omdat ik dichterbij woon.’

‘Dat zeg ik niet.’

‘Maar je doet het wel.’

Mama stond achter het keukenraam. Ik wist niet hoeveel ze hoorde.

Joris kwam zaterdag om tien uur. Ik gaf hem een schrift. Daarin stonden telefoonnummers, afspraken, boodschappen en tijden. Hij bladerde erdoor.

‘Is dit allemaal nodig?’

‘Bel me maandag maar met je verbeteringen.’

Dat was gemeen. Ik liet het staan.

Ik had bedacht dat Evi en ik naar Utrecht zouden gaan. Winkels kijken. Ergens lunchen. Gewoon een middag zonder planning rond medicijnen of verzorging.

‘Ik heb al met Sara afgesproken,’ zei ze.

‘Kun je dat niet verzetten?’

Ze keek me aan.

‘Nee.’

Ik knikte. Ik had haar weken laten wachten. Nu verwachtte ik dat ze klaarstond omdat er toevallig ruimte was.

Zaterdagmiddag sliep ik drie uur. Daarna werd ik wakker met bonzend hart, overtuigd dat ik een oproep had gemist. Er stond niets op mijn telefoon.

Ik ging naar de supermarkt en huilde bij het brood. Zonder waarschuwing. Een medewerker vroeg of het ging.

‘Ja,’ zei ik.

Daarna: ‘Nee. Maar u hoeft niets te doen.’

Maandag belde ik mijn huisarts. Ik vertelde over slecht slapen, hartkloppingen en boos worden om kleine dingen. Hij vroeg niet alleen naar mama. Hij vroeg wat ik zelf nog deed, behalve werken en zorgen.

Ik kon geen antwoord bedenken.

Via de praktijkondersteuner kwam ik bij mantelzorgondersteuning terecht. Een consulent, Marjan, sprak met me in het wijkcentrum in Soest. Ze legde een leeg vel neer.

‘Wat doe je allemaal voor je moeder?’

Ik begon met boodschappen.

Na tien minuten was het vel vol. Vervoer. Administratie. Was. Afspraken. Medicijnen ophalen. Aanwezig zijn tijdens bezoek van zorgverleners. Het tuinafval. De televisie opnieuw instellen. Steeds bereikbaar blijven.

‘Wat wil je blijven doen?’ vroeg Marjan.

Ik staarde naar de lijst.

Dat was een andere vraag dan wat mama nodig had.

‘Samen eten,’ zei ik uiteindelijk. ‘En soms ergens heen. Niet alleen naar een arts.’

‘En wat kun je niet meer dragen?’

‘Dat ik alles moet voorkomen.’

Marjan knikte. Ze beloofde niet dat er meteen hulp beschikbaar was. Wel wilde ze met ons kijken naar een betere verdeling en ondersteuning.

Toen ik buiten kwam, had mama gebeld.

Ik belde terug.

‘De afstandsbediening doet niets,’ zei ze.

Mijn fiets stond nog op slot. Het begon te regenen.

‘Ik kom donderdag. Dan kijk ik.’

‘Maar het is maandag.’

‘Dat weet ik.’

Ik wachtte op de ruzie.

‘Dan vraag ik buurman Kees wel,’ zei ze.

Hoofdstuk 5

Aan tafel

Mama had de goede kopjes klaargezet. Joris schoof de suikerpot opzij om zijn laptop neer te zetten.

‘Dat ding hoeft toch niet open?’ zei ze.

‘Voor de afspraken,’ antwoordde hij.

Marjan zat naast mij. Aan de andere kant van de tafel zat Farida, de wijkverpleegkundige. Mama keek van de een naar de ander.

‘Gaan jullie besluiten waar ik moet wonen?’

‘Nee,’ zei Farida. ‘We bespreken hoe het hier gaat. Met u.’

‘Het gaat prima.’

Ik voelde mijn kaken aanspannen.

Farida vroeg mama eerst wat goed ging. Ze kon zichzelf weer grotendeels aankleden. Ze liep elke dag een stukje. De pijn was minder. Ze wilde haar eigen ontbijt maken en in haar tuin kunnen zitten.

Daarna vroeg ze wat lastig was.

‘Iedereen zit boven op me,’ zei mama.

Ik wilde protesteren. Marjan legde haar pen neer en wachtte.

‘Ik moet steeds zeggen waar ik heen ga. Noor opent mijn koelkast zodra ze binnenkomt. Ik krijg commentaar op mijn schoenen. Op mijn mat. Op mijn pan.’

‘Die pan was verbrand.’

‘Dat is jou ook weleens gebeurd.’

Dat klopte. Het hielp niet dat het klopte.

Farida vroeg naar de duizeligheid. Die was er nog af en toe bij het opstaan. De huisarts had haar medicatie al bekeken en haar bloeddruk zou opnieuw worden gecontroleerd. Ook slecht eten en drinken bleven aandachtspunten.

‘Ik vergeet soms te lunchen,’ gaf mama toe.

Het was de eerste keer dat ze dat zelf zei.

Joris schoof naar voren.

‘Ik vond zaterdag drie onaangeroerde maaltijden.’

‘Die vond ik niet lekker.’

‘Dan moeten we iets anders zoeken,’ zei hij. ‘Maar niet doen alsof je ze opeet.’

Ik keek naar hem. Zijn stem was rustig. Niet afwezig. Niet sussend.

Toen was ik aan de beurt.

Ik had mijn zinnen opgeschreven. Toch trilden mijn handen toen ik het papiertje openvouwde.

‘Ik kan niet meer elke dag komen. En ik kan niet de hele nacht bereikbaar blijven voor dingen die geen spoed zijn.’

Mama keek naar mijn papier.

‘Heb je dat moeten voorbereiden?’

‘Ja. Anders zeg ik straks weer dat het wel gaat.’

Joris staarde naar zijn laptop. Ik dacht dat hij zich terugtrok. Toen draaide hij het scherm naar ons toe.

‘Ik neem de administratie over. De verzekeringen, de rekeningen en afspraken die online kunnen. Met jouw toestemming, mam. En ik kom om de zaterdag. Niet alleen koffie drinken. Ook boodschappen en klusjes.’

‘En als je niet kunt?’ vroeg ik.

‘Dan regel ik een andere dag. Ik bel niet automatisch jou.’

We maakten afspraken die kleiner klonken dan ze waren. Ik zou dinsdag boodschappen brengen en donderdag samen eten. Niet daarnaast nog vijf losse bezoeken, behalve als er echt iets veranderde.

De huishoudelijke ondersteuning zou de week erna beginnen. Farida zou de zorg opnieuw beoordelen op wat mama daadwerkelijk nodig had. Marjan hielp uitzoeken welke mogelijkheden er waren voor tijdelijke ontlasting en vervoer.

We bespraken personenalarmering. Mama vond de knop lelijk.

‘Op de keukenvloer stond hij je waarschijnlijk prachtig,’ zei Joris.

Ik schrok. Toen begon mama te lachen. Kort, maar echt.

Ze wilde de knop proberen. We zouden ook goed regelen wie een melding kreeg en hoe hulp binnen kon komen. Niet alleen mijn naam bovenaan zetten en hopen dat het werkte.

Het moeilijkste bleef de trap.

Mama wilde boven slapen. Farida stelde voor opnieuw te laten beoordelen wat veilig en haalbaar was, nu haar herstel verder was. Tot die tijd bleef de afspraak staan dat ze begeleiding vroeg.

‘En als ik dat niet doe?’ vroeg mama.

Niemand antwoordde meteen.

‘Dan kan ik je niet vastbinden,’ zei ik. ‘Maar ik ga ook niet doen alsof het mij niets kost als ik je daar aantref.’

Mama draaide haar kopje rond.

‘Ik wil niet dat mijn huis een afdeling wordt.’

‘Ik ook niet,’ zei ik. ‘Ik wil hier weer binnenkomen zonder eerst te kijken wat er mis kan gaan.’

Na afloop ruimden Joris en ik de kopjes op. Mama bleef aan tafel met Marjan. Door de open keukendeur hoorde ik haar praten.

‘Sinds Henk dood is, is het zo stil. Dan bel ik Noor. Soms weet ik niet eens waarvoor.’

Ik hield een nat schoteltje vast.

Joris nam het uit mijn hand en droogde het af.

Voor het eerst sinds de val stonden we naast elkaar aan werk dat van ons allebei was.

Hoofdstuk 6

Opnieuw stil

Drie weken hield het schema stand. Niet keurig. Wel genoeg om verschil te merken.

Ik at met Evi aan onze eigen tafel. Ik ging twee keer zwemmen. Joris ontdekte dat mama een abonnement betaalde op een tijdschrift dat al maanden niet werd bezorgd. Daar kon hij een hele avond boos over zijn. Ik liet hem.

Mama ging op proef naar een gezamenlijke lunch in het buurthuis. Kees bracht haar de eerste keer. Ze kwam terug met een bakje erwtensoep en kritiek op de koffie.

‘Ga je nog eens?’ vroeg ik.

‘Die vrouw naast me heet ook Riet. Dat praat onhandig.’

De week erna ging ze weer.

Toen belde op een woensdagavond de alarmcentrale.

Ik stond in de aula van Evi’s school. Haar klas had een presentatie over hun onderzoeksprojecten. Ze had een donkerblauwe blouse van mij aan. Aan de mouwen zaten veiligheidsspelden omdat ze te lang waren.

‘Uw moeder heeft alarm geslagen. Ze is duizelig en zit op de vloer. Ze is aanspreekbaar. We hebben de afgesproken hulp ingeschakeld.’

Ik liep naar de uitgang voordat het gesprek klaar was.

Evi zag me gaan.

‘Oma?’

Ik knikte.

Ze trok de speld uit één mouw en stak die weer terug.

‘Ga maar.’

Dat maakte het erger.

Buiten belde ik Joris. Hij nam direct op.

‘Ik ga rijden,’ zei hij.

‘Je bent minstens een uur onderweg.’

‘Jij hoeft daar niet in vijf minuten te zijn. Er komt hulp.’

Ik stond naast mijn auto. Mijn hand trilde zo erg dat ik de sleutel liet vallen.

‘Noor,’ zei hij. ‘Wat is er nu nodig?’

Ik raapte de sleutel op.

‘Dat iemand bij haar is.’

‘Dat wordt geregeld. Bel wanneer je meer weet.’

Ik ging toch. Ik kon die avond niet anders. Maar ik reed niet te hard. Bij het stoplicht bleef ik staan, ook toen het oranje werd.

De zorgmedewerker was er al. Mama zat op een stoel met een deken over haar benen. Ze was niet hard gevallen. Ze was bij het opstaan zo duizelig geworden dat ze langs de kast naar beneden was gezakt. Daarna had ze op haar alarmknop gedrukt.

‘Ik heb gedaan wat jullie zeiden,’ zei ze.

‘Ja, mam.’

Ik hurkte voor haar neer.

‘Dat heb je goed gedaan.’

Omdat ze ziek oogde en bijna was flauwgevallen, werd medisch advies gevraagd. Uiteindelijk ging ze naar de spoedeisende hulp voor onderzoek. Ik reed achter de ambulance aan. Joris kwam daar ook.

Ze bleek uitgedroogd en had een luchtweginfectie. Ze had een paar dagen nauwelijks gegeten en gedronken. Haar bloeddruk zakte bij het opstaan. Ze bleef die nacht in het ziekenhuis.

‘Waarom zei je niet dat je ziek was?’ vroeg ik.

‘Jij wilde minder komen.’

Het was alsof ze me met vlakke hand sloeg.

Joris ging rechtop zitten.

‘Dat is niet hetzelfde als niets mogen vertellen.’

Mama sloot haar ogen.

‘Ik weet het niet meer. Wanneer ik lastig ben. Wanneer het wel mag.’

Mijn boosheid zakte niet meteen. Maar ik hoorde de angst eronder.

‘Als je ziek bent, bel je,’ zei ik. ‘De huisarts, de zorg, ons. We moeten beter afspreken wie wanneer. Minder langskomen betekent niet dat ik je niet wil horen.’

Op de gang begon ik te huilen. Joris bleef naast me staan.

‘Misschien kan ze niet meer thuis,’ zei ik.

‘Misschien. Maar niet vannacht besluiten omdat we bang zijn.’

Na haar herstel kwam er opnieuw overleg. Er werd bekeken of meer toezicht nodig was en welke woonmogelijkheden op termijn pasten. Niet alles bleek direct beschikbaar. Voor sommige ondersteuning was een aanvraag of beoordeling nodig. Een woning vinden kostte tijd.

Mama wilde nog thuisblijven. Tegelijk gaf ze nu toe dat de trap haar bang maakte. Er kwam een bed in de achterkamer. Het oude bureau van papa moest daarvoor weg.

Ik dacht dat ze daartegen zou vechten.

‘De bovenste la wil ik zelf leeghalen,’ zei ze alleen.

Toen ik thuiskwam, sliep Evi nog niet. Ze liet op haar telefoon een filmpje zien van haar presentatie. Haar stem klonk helder door de kleine luidspreker.

‘Je was goed,’ zei ik.

‘Dat weet ik.’

Daarna schoof ze een stukje op de bank op.

Ik ging naast haar zitten en vroeg of ze het hele filmpje nog eens wilde laten zien.

Hoofdstuk 7

Eigen sleutels

Negen maanden na de val stond mama in een leeg appartement in Soest. Ze tikte met haar wandelstok tegen de muur naast het raam.

‘Daar moet de klok.’

Joris keek naar mij.

‘Dan hoor je hem vanuit de slaapkamer.’

‘Dat is de bedoeling,’ zei mama.

Het appartement lag op de begane grond van een gebouw voor oudere bewoners. Geen verzorgingshuis. Wel brede deuren, een lift naar de ontmoetingsruimte en winkels op een afstand die mama met haar rollator aankon. De thuiszorg zou ook hier komen.

We hadden maanden gezocht, gevraagd en formulieren ingevuld. Mama had twee mogelijkheden afgewezen. Bij de eerste keek ze uit op een blinde muur. De tweede lag te ver van bekenden.

Ik had haar kieskeurig gevonden. Daarna had ik mezelf voorgesteld in een woning die anderen voor mij kozen omdat die praktisch was.

Deze had ze zelf aangewezen.

‘Hier kan mijn tafel staan.’

Dat gaf de doorslag. Niet de aangepaste badkamer. Niet de brede gang. Haar ronde eettafel paste bij het raam.

Het leeghalen van haar huis was moeilijker dan de verhuizing. Mama wilde elk voorwerp vasthouden. Joris wilde stapels maken. Ik wilde dat niemand ruzie kreeg en zorgde daar juist voor door steeds tussenbeide te komen.

Bij papa’s gereedschapskist ging het mis.

‘Die gebruik jij toch niet,’ zei Joris.

‘Jouw vader wel.’

‘Maar papa is er niet meer.’

Mama stond op en liep naar de keuken. Zonder rollator.

Ik sprong overeind.

‘Mam, je—’

Toen stopte ik. Haar stok stond naast de deur. Ze pakte hem zelf.

We deden die middag niets meer weg. Joris haalde broodjes. De gereedschapskist verhuisde uiteindelijk mee. Hij staat nu onder haar bed, naast de tas met reservebeddengoed.

Niet elke keuze hoeft nuttig te zijn.

Op de verhuisdag kwam Bilal helpen met zijn busje. Evi en haar vriendinnen droegen dozen. Mama zat bij de voordeur en vertelde iedereen dat de doos met de rode tape niet op zijn kant mocht.

Er zaten fotolijsten in. En een koekblik met haarspeldjes, oude guldenmunten en mijn eerste melktand.

‘Die had weg gemogen,’ zei ik.

‘Je hebt er zelf jaren op zitten bijten.’

Ze lachte. Ik ook.

Het gaat niet ineens goed sinds ze hier woont. Ze heeft nog pijn als ze te lang loopt. Soms zegt ze een afspraak af omdat ze moe is. Een week later beweert ze dat niemand haar ergens voor vraagt.

Ik verlies nog weleens mijn geduld. Vorige maand belde ze tijdens mijn werk omdat ze een brief niet begreep. Ik zei te scherp dat Joris de administratie deed.

Later belde ik terug.

‘Ik had niet zo tegen je moeten praten.’

‘Je klonk als je vader wanneer de belasting kwam.’

We lazen de brief samen. Het duurde zes minuten.

Ik maak dat onderscheid nu beter. Iets doen omdat ik het wil, is anders dan altijd beschikbaar moeten zijn. Dat verschil voel ik niet elke dag. Ik oefen ermee.

Donderdag blijft onze vaste avond. Soms kook ik. Soms warmen we iets op. Eén keer per maand eten we bij een café in het centrum. Mama bestelt dan kroketten en vertelt de bediening dat ik vroeger alleen de korst lustte.

Joris komt nog steeds om de zaterdag. Hij vergeet soms iets. Ik ook. We hebben niet meer de regel dat mijn vergissing gevaarlijk is en die van hem begrijpelijk.

Evi en ik zijn alsnog naar Utrecht gegaan. We hebben nauwelijks gewinkeld. We zaten twee uur in een lunchzaak. Ze vertelde over school, over Sara, over een jongen die ik nog niet kende.

Mijn telefoon lag in mijn tas. Het geluid stond aan. Ik keek er niet steeds naar.

Gisteren bracht ik mama nieuwe batterijen voor haar klok. Toen ik wilde vertrekken, stond ze op om mee te lopen naar de deur.

‘Blijf maar zitten,’ zei ik automatisch.

Ze keek me aan.

‘Ik kan naar mijn eigen deur lopen, Noor.’

‘Ja. Natuurlijk.’

Bij de kapstok controleerde ze of haar alarmknop omhing. Daarna haalde ze mijn jas van het haakje.

‘Ga je nog iets leuks doen?’

‘Zwemmen.’

‘Dan moet je gaan. Anders ben je weer te laat.’

Buiten bleef ik even staan om mijn fietslamp aan te doen. Door het raam zag ik haar teruglopen naar de tafel. Langzaam. Eén hand op de rollator.

Ik wachtte niet tot ze zat.

Ik stapte op en reed naar het zwembad.