Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

De hond die mijn maatje was

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

De hond die mijn maatje was — De klap

Bram zakte door zijn achterpoten terwijl ik mijn brood smeerde.

Eerst dacht ik dat hij uitgleed. De keukenvloer was glad. Hij had daar vaker moeite mee. Maar dit keer stond hij niet op. Zijn nagels krasten één keer over het zeil. Daarna bleef hij liggen.

‘Hé. Wat doe jij nou?’

Ik legde het mes neer. Er zat pindakaas aan mijn duim. Dat weet ik nog precies. Alsof mijn hoofd besloot dat juist dat detail bewaard moest blijven.

Bram keek naar me. Zijn staart bewoog niet.

Ik heet Daan. Ik was vierenveertig en woonde alleen in een benedenwoning in Nijmegen, vlak bij het Goffertpark. Bram was elf. Een kruising met een brede kop, een witte borst en oren die nooit dezelfde kant op stonden. We waren bijna tien jaar samen.

Ik hurkte naast hem en schoof mijn hand onder zijn buik. Hij voelde slap. Zijn adem ging snel. Toen ik zijn bovenlip optilde, zag ik bleek tandvlees.

De dierenarts nam pas na vier keer overgaan op.

‘Hij is ineens gaan liggen,’ zei ik. ‘Hij komt niet overeind.’

De assistente stelde vragen. Kon hij lopen? Hoe lang was dit bezig? Had hij iets gegeten dat niet mocht?

‘Ik weet het niet. Nee. Gewoon zijn brokken.’

‘Kunt u meteen komen?’

Mijn autosleutel lag nergens. Niet in het bakje bij de deur. Niet in mijn jas. Ik trok een keukenla open waar hij onmogelijk kon liggen.

Bram probeerde zijn kop op te tillen.

‘Blijf maar. Ik regel het.’

Ik hoorde hoe hard ik praatte.

Mijn buurvrouw Els stond buiten met een vuilniszak toen ik de voordeur opengooide.

‘Kun je helpen?’

Meer hoefde ik niet te zeggen. Ze kwam achter me aan. Samen legden we Bram op een oude deken. Hij woog achtentwintig kilo. Normaal maakte hij zich zwaar als hij ergens niet heen wilde. Nu hing zijn lijf tussen ons in.

Mijn sleutel zat nog in de achterdeur.

Els reed. Ik zat achterin, met Brams kop op mijn been. Bij het stoplicht aan de Groenestraat begon hij te hijgen. Ik zei steeds zijn naam. Niet om hem gerust te stellen. Ik wilde zien of hij nog reageerde.

Bij de praktijk stond een kar klaar. Een dierenarts die ik niet kende, nam hem van ons over. Ze heette Noor. Dat las ik pas later op haar borstzak.

‘Ik ga eerst kijken wat er speelt. Blijft u hier.’

De deur ging dicht.

Ik stond met de deken in mijn handen. Er zat een natte plek op. Els wees naar een stoel, maar ik bleef staan.

Na een kwartier kwam Noor terug.

‘Er zit vrij vocht in zijn buik. Waarschijnlijk bloed. Op de echo zie ik een afwijking bij de milt.’

Ik knikte alsof ik begreep wat dat betekende.

‘We kunnen hem stabiliseren en opereren. Dan verwijderen we de milt. Maar ik moet eerlijk zijn. Zo’n afwijking kan kwaadaardig zijn. Dat weten we pas na weefselonderzoek.’

‘Gaat hij dood?’

Ze nam even de tijd.

‘Zonder behandeling is die kans heel groot. Ook met een operatie kan ik niets beloven.’

Er kwam een kostenraming. Een formulier. Een vraag over reanimeren. Ik hoorde woorden die niet pasten bij een dinsdagochtend waarop ik gewoon naar mijn werk had moeten gaan.

Ik repareerde fietsen bij een zaak in Dukenburg. Om half negen stond de eerste klant gepland. Een elektrische fiets met een kapotte motor.

‘Doe het,’ zei ik.

Noor legde uit wat ze zouden doen. Ik luisterde dit keer beter. Daarna tekende ik.

Els belde mijn baas. Zelf kreeg ik geen zin uit mijn mond zonder halverwege vast te lopen.

We mochten nog even bij Bram. Er was een stukje van zijn voorpoot geschoren. Een slangetje zat vast met blauw verband. Hij keek op toen ik naast hem ging zitten.

‘Ik ben hier,’ zei ik.

Hij drukte zijn neus heel licht tegen mijn hand.

Toen moesten we weg.

Thuis stond mijn boterham nog op het aanrecht. Ik gooide hem met bord en al in de gootsteen. Om elf uur begon ik de keukenvloer te dweilen. Bij de plek waar Bram had gelegen, ging ik op mijn knieën verder met een doek.

Om kwart over twaalf belde Noor.

‘Hij is door de operatie gekomen.’

Ik ging op de vloer zitten.

‘Mag ik hem ophalen?’

‘Nog niet. Eerst moet hij herstellen. Hij blijft vannacht hier.’

Voor het eerst in jaren zou ik alleen slapen zonder zijn nagels op de gang te horen.

Hoofdstuk 2

De uitslag

Bram kwam donderdag thuis met een geschoren buik en een rij hechtingen. Hij droeg een blauw herstelpak. Bij iedere stap keek hij beledigd achterom, alsof iemand aan zijn achterwerk trok.

Ik had zijn mand naast mijn matras gelegd. De slaapkamer lag beneden, maar voor de zekerheid sliep ik de eerste nachten op de vloer in de woonkamer. Zo hoefde hij niet door de smalle gang.

Hij wilde meteen op de bank.

‘Nee, vriend. Even niet.’

Hij zette toch een voorpoot op het kussen.

Ik tilde hem voorzichtig terug. Daarna schoof ik de salontafel voor de bank. Bram zuchtte. Dat geluid stelde me meer gerust dan alle instructies van de dierenarts.

Ik hield een schrift bij. Medicijnen om acht uur. Gegeten om kwart over acht. Buiten geplast om negen uur. Ik schreef ook op hoe zijn ontlasting eruitzag. Mijn zus Marieke keek er zaterdag in en trok een gezicht.

‘Je bent grondig.’

‘Ik wil niets missen.’

Ze sloeg het schrift dicht.

‘Dat begrijp ik.’

Bram lag met zijn kop op haar schoen. Vroeger vond ze dat vies. Nu bleef ze een uur zitten zonder haar voet te verplaatsen.

Ik had hem uit een opvang bij Wijchen gehaald toen mijn huwelijk al slecht liep. Mijn ex, Sanne, wilde een kleine hond. Ik wilde eigenlijk geen hond. We kwamen thuis met Bram, die toen Boris heette en tijdens de kennismaking een tennisbal had doormidden gebeten.

Twee jaar later vertrok Sanne naar Breda. Ze vroeg niet of Bram meeging.

Dat heb ik haar lang kwalijk genomen. Tegelijk was ik opgelucht. Hij bleef. Iedere ochtend moest ik naar buiten. Ook op dagen dat ik mijn telefoon uit liet en niemand wilde zien.

We liepen geen bijzondere routes. Het Goffertpark. De straten rond de Hatertseweg. Op zondag soms naar de Hatertse Vennen. Bram kende de plekken waar broodkorsten lagen beter dan ik mijn eigen wachtwoorden kende.

Een week na de operatie belde Noor over het weefselonderzoek.

Ik stond in de tuin. Bram onderzocht een lege bloempot.

‘Het is helaas een kwaadaardige tumor,’ zei ze. ‘Een hemangiosarcoom.’

Ik vroeg haar het woord te herhalen.

Ze legde uit dat het een agressieve vorm van kanker was. Bij dit soort tumoren konden er al uitzaaiingen zijn die je nog niet zag. De operatie had de bloeding gestopt, maar betekende waarschijnlijk niet dat hij beter was.

Bram trok een verdroogde wortel uit de pot.

‘Hoe lang?’ vroeg ik.

‘Dat verschilt. We moeten eerder aan weken tot enkele maanden denken dan aan jaren. Een specialist kan met u bespreken of chemotherapie zinvol is.’

Ik vroeg of ik iets gemist had.

‘Dit kan lang verborgen blijven, Daan.’

Ik hoorde haar. Ik geloofde haar nog niet.

Die avond las ik tot drie uur op mijn telefoon. Er waren verhalen over honden die nog een jaar leefden. Over supplementen. Over verkeerde diagnoses. Ik maakte schermafbeeldingen van alles wat gunstig klonk. De andere berichten las ik vluchtig.

Bram sliep naast me. Soms trok zijn poot. Dan keek ik naar zijn buik om te zien of hij nog ademde.

Een paar dagen later spraken we met een specialist in Arnhem. Marieke ging mee. Ze schreef vragen op terwijl ik Brams lijn om mijn hand wikkelde.

De specialist sprak rustig over behandeling, controles en mogelijke bijwerkingen. Ook over wat we zonder verdere behandeling konden doen. Hij beloofde niets.

In de auto terug zei Marieke: ‘Je hoeft vandaag niet te beslissen.’

‘Als ik niets doe, voelt het alsof ik hem opgeef.’

‘Je doet al heel veel.’

Dat vond ik een zin voor mensen die niet wisten wat ze moesten zeggen. Toch bleef hij hangen.

Ik belde later opnieuw met Noor. We bespraken Brams leeftijd, zijn herstel en de beperkte winst die een behandeling mogelijk zou geven. Uiteindelijk koos ik niet voor chemotherapie. Wel voor controles, medicijnen waar nodig en een plan voor als hij achteruitging.

Ik vertelde niemand dat ik daarna in de badkamer huilde.

De volgende ochtend at Bram zijn hele bak leeg. Hij bracht me een versleten touw en legde het op mijn voet.

Ik trok voorzichtig aan het andere eind.

Tien seconden lang vergat ik de uitslag.

Daarna voelde ik me schuldig omdat ik blij was geweest. Ik wist toen nog niet hoe vaak blijdschap en angst in dezelfde minuut konden passen.

Hoofdstuk 3

Tot donderdag

We kregen zes goede weken. Niet zes zorgeloze weken. Dat is iets anders.

Bram liep langzamer, maar hij wilde mee. Hij sliep meer. Hij blafte nog steeds tegen de bezorger en stal op een middag een halve krentenbol uit mijn werktas. Ik belde meteen de dierenarts. Na dat extra bezoek voelde ik me zowel opgelucht als een volslagen idioot.

‘Alsof kanker nog niet genoeg is,’ zei ik tegen hem.

Hij stond bij de koekjespot.

Ik werkte halve dagen. Mijn baas Henk liet me de administratie thuis doen, hoewel ik daar traag in was. Tussen twee facturen door controleerde ik Brams ademhaling.

In de zevende week liet hij zijn ontbijt staan.

Eerst at hij nog kip. Daarna alleen uit mijn hand. Op zondag liepen we naar het grasveld achter de kerk. Halverwege bleef hij staan. Ik dacht dat hij iets rook, maar zijn kop hing laag.

We gingen terug.

Maandag maakte Noor opnieuw een echo. Er waren nieuwe afwijkingen zichtbaar. Ze keek ook naar zijn bloedwaarden en onderzocht hem uitgebreid. Ik hoefde niet meer te vragen of dit goed nieuws was.

‘We kunnen zijn klachten nog proberen te verlichten,’ zei ze. ‘Maar we moeten ook bespreken waar voor jou de grens ligt.’

‘Voor mij?’

‘Voor Bram. Jij ziet hem thuis. Jij kent hem.’

Ik werd boos op die verantwoordelijkheid. Ik wilde een getal. Een meter waarop een wijzer naar rood ging. Niet een vraag waarop ik zelf antwoord moest geven.

Noor pakte een vel papier. We schreven op wat Bram graag deed. Eten. Snuffelen. Bij me liggen. Zelf naar buiten kunnen. Rustig slapen.

Daaronder kwamen signalen waarbij ik meteen moest bellen. Instorten. Benauwdheid. Duidelijke pijn. Bleek tandvlees.

‘Wacht niet op een nieuwe crisis omdat je bang bent te vroeg te zijn,’ zei ze.

Ik stopte het vel in mijn jaszak.

Dinsdagavond liep Bram steeds van zijn mand naar de achterdeur. Buiten wist hij niet wat hij wilde. Binnen ging hij staan en bleef staan. Ik zat naast hem op de vloer, met mijn rug tegen het aanrecht.

Om twee uur belde ik de spoedlijn. Na overleg kreeg hij aanvullende medicatie. Daarna sliep hij een paar uur. Ik niet.

Woensdag kwam Marieke. Ze had soep meegenomen. Bram stond niet op om haar te begroeten.

Ze zette de tas neer en keek naar mij.

‘Zeg het niet,’ zei ik.

‘Ik zeg niets.’

Ze ging bij hem zitten.

Die middag belde ik Noor. Ik vertelde precies wat ik zag. Niet de betere versie die ik de dagen ervoor had gegeven. Niet: hij eet wat minder. Wel: hij draait zijn kop weg en ik krijg hem bijna niet meer mee naar buiten.

We spraken af voor donderdagmiddag. Noor kon thuis komen.

Na dat gesprek voelde ik rust. Die rust maakte me misselijk.

Ik had een tijd gekozen waarop mijn hond zou sterven.

Donderdagochtend at Bram drie stukjes gebakken ei. Hij kwispelde toen ik zijn lijn pakte. Meteen wilde ik afbellen.

We kwamen tot de hoek. Daar ging hij zitten.

Ik droeg hem naar huis. Mijn rug deed pijn. Zijn kop lag tegen mijn schouder. Een vrouw met boodschappentassen stapte voor ons opzij. Ze zei niets.

Noor kwam om half drie met een assistente. Marieke deed open. Ik zat bij Bram op zijn deken, naast de bank waar hij niet meer op kwam.

Noor onderzocht hem nog een keer. Ze vertelde wat ze ging doen en wat we konden zien gebeuren.

‘Je mag steeds vragen stellen,’ zei ze.

Ik had geen vragen meer. Alleen de wens dat iemand een andere uitkomst zou noemen.

Na het eerste middel werd Bram slaperig. Ik hield mijn hand onder zijn wang. Zijn snorharen prikten in mijn huid.

‘Goed zo,’ zei ik.

Dat zei ik altijd als hij iets moeilijks deed. Bij nagels knippen. Bij een druk kruispunt. Bij de dierenarts.

Noor wachtte tot hij diep sliep. Toen gaf ze het laatste middel.

Ik keek naar zijn borst. Die bewoog nog een paar keer. Daarna niet meer.

Ze luisterde met haar stethoscoop.

‘Hij is overleden.’

Ik knikte.

Buiten sloeg iemand een autoportier dicht. In de keuken sprong de koelkast aan. Marieke huilde naast me.

Ik bleef over Brams oor wrijven, omdat stoppen op dat moment onmogelijk voelde.

Hoofdstuk 4

De lege gang

De eerste avond zette ik twee keer de achterdeur open.

De eerste keer uit gewoonte. De tweede keer wist ik al dat het niet nodig was. Toch bleef ik staan. De tuin was donker. Achter het schuurtje klapperde een los stuk gaas.

Bram was die middag opgehaald door een dierenuitvaartdienst. Ik had gekozen voor een individuele crematie. De medewerker vertelde rustig wat er zou gebeuren. Ik vroeg of de deken mee mocht. Daarna vroeg ik het nog een keer.

Toen hij weg was, bleef er een rechthoek van haren op de vloer liggen.

Marieke wilde stofzuigen.

‘Niet doen.’

Ze zette de stofzuiger terug.

Ik sliep die nacht nauwelijks. Rond zes uur werd ik klaarwakker. Dat was Brams tijd. Eerst het tikken van zijn nagels. Dan zijn neus tegen de rand van mijn matras.

Ik wachtte op dat geluid.

Om half zeven stond ik op. Ik pakte zijn voerbak en zette hem weer neer. Daarna ging ik zonder jas in de tuin zitten. Het was november. Mijn sokken werden nat van de tegels.

Mensen stuurden berichten. Sommigen waren precies goed.

Henk schreef: Je hoeft maandag niet te komen. Laat zondag weten hoe het gaat.

Els zette een schaal lasagne voor de deur. Op een briefje stond alleen hoe lang die in de oven moest.

Andere berichten maakten me kwaad.

Gelukkig heeft hij een mooi leven gehad.

Je wist dat dit eraan zat te komen.

Misschien helpt een nieuwe hond.

Ik antwoordde overal met: Dank je.

Sanne belde op zaterdag. We spraken elkaar hooguit twee keer per jaar.

‘Marieke vertelde het,’ zei ze.

Ik ging op de trap naar het kleine zoldertje zitten.

‘Ja.’

‘Wat rot, Daan.’

Er viel een stilte.

Toen vroeg ze: ‘Weet je nog dat hij op die camping in Drenthe die afwasborstel had gestolen?’

Ik zag het direct voor me. Bram op het veld, met een felgroene borstel tussen zijn tanden. Een boze Duitser op slippers achter hem aan.

Ik lachte. Midden in die lach begon ik te huilen.

Sanne bleef aan de lijn. Ze probeerde niets op te lossen. Toen we ophingen, was ik uitgeput, maar niet meer zo gespannen.

Maandag ging ik toch werken.

Ik wilde ergens zijn waar Brams spullen niet stonden. In de werkplaats rook het naar rubber en kettingolie. Henk gaf me een gewone stadsfiets met een versleten achterband.

‘Begin maar hiermee.’

Om tien uur vroeg een collega hoe het ging.

‘Waardeloos.’

Hij knikte. ‘Koffie?’

Even later zei een klant dat ik er moe uitzag. Ik vertelde waarom.

‘Dan haal je toch weer een hond uit het asiel,’ zei hij. ‘Zitten er genoeg.’

Ik zette de fietspomp harder neer dan nodig was.

Henk nam het gesprek over. Achter in de werkplaats stond ik met mijn handen onder de koude kraan. Ik schaamde me voor mijn woede. Die man had waarschijnlijk niets kwaads bedoeld. Dat maakte zijn opmerking niet minder pijnlijk.

Thuis lag Brams lijn nog op het kastje. Zijn waterbak stond naast de koelkast. Ik verschoonde het water op dinsdag. Pas toen ik de kraan dichtdraaide, besefte ik wat ik deed.

Ik ging op de keukenvloer zitten en hield die volle bak vast.

Er was niemand die hem nodig had.

Na tien dagen haalde ik zijn as op. De urn zat in een stevige papieren tas. Op de terugweg stopte ik bij de supermarkt, maar ik durfde de tas niet in de auto achter te laten. Dus nam ik hem mee naar binnen.

Ik liep met Bram langs het brood en de zuivel.

Bij de kassa vroeg een jongen of ik een bon wilde.

‘Nee.’

Ik wilde hem vertellen wat er in die tas zat. Ik wilde dat iemand even begreep waarom ik zo voorzichtig liep. Maar achter me wachtte een rij mensen. Ik rekende af.

Thuis zette ik de urn op de boekenkast. Te hoog, dacht ik. Daarna op de vensterbank. Te koud.

Uiteindelijk kwam hij op het lage kastje naast de bank.

Die avond at ik Els’ lasagne rechtstreeks uit de schaal. Voor het eerst sinds donderdag at ik genoeg. Daarna voelde ik me schuldig, alsof trek hebben betekende dat het al minder erg was.

Hoofdstuk 5

Had ik maar

Drie weken na Brams dood vond ik een filmpje op mijn telefoon.

Het was gemaakt in september. Bram liep bij de Hatertse Vennen. Hij bleef achter, keek om en kwam toen langzaam naar me toe.

Ik had het filmpje destijds naar Marieke gestuurd met de tekst: Meneer heeft geen haast.

Nu keek ik alleen naar zijn achterpoten.

Was hij daar al ziek? Had ik moeten zien dat hij moe was? Waarom had ik hem niet eerder laten onderzoeken?

Ik speelde die zeventien seconden minstens dertig keer af.

Daarna bekeek ik foto’s. Ik zocht naar een ingevallen flank. Een andere blik. Iets wat bewees dat ik tekortgeschoten was.

Om kwart over één ’s nachts schreef ik een mail aan Noor. Ik vroeg of de operatie zin had gehad. Of ik met chemotherapie meer tijd had kunnen krijgen. Of donderdag misschien te vroeg was geweest.

Ik verstuurde hem niet.

De volgende ochtend deed ik het toch.

Haar assistente belde die middag. Noor wilde een afspraak maken om alles nog eens door te nemen. Zonder hond, zei de assistente voorzichtig.

Alsof ik anders misschien met de lege lijn zou komen.

In de wachtkamer zat een labrador met een kap over zijn kop. Hij botste tegen mijn knie. Ik trok mijn hand terug toen ik hem wilde aaien.

Noor had Brams dossier voor zich. Ze liep de gebeurtenissen met me door. De bloeding. De operatie. De uitslag. Zijn herstel. De laatste dagen.

‘Ik kan je niet vertellen hoe iedere andere keuze had uitgepakt,’ zei ze. ‘Maar de keuzes die je maakte waren medisch goed te verdedigen. En die laatste donderdag zag ik een hond die ernstig ziek was.’

‘Maar hij at nog ei.’

‘Dat weet ik. Eén beter moment betekent niet dat zijn ziekte was omgekeerd.’

Ik keek naar de lege plek onder haar bureau.

‘Ik was opgelucht toen de afspraak stond.’

Dat had ik nog tegen niemand gezegd.

Noor schoof het dossier opzij.

‘Je had dagenlang nauwelijks geslapen. Je was bang voor een nieuwe bloeding. Opluchting betekent niet dat je hem kwijt wilde.’

Ik huilde zonder geluid. Ze gaf me tissues en liet me zitten.

Buiten voelde ik me niet genezen. Wel minder alsof ik terechtstond.

Die week vertelde Els dat haar buurjongen een nest pups had gezien.

‘Misschien is het nog te vroeg, maar—’

‘Hou daarmee op.’

Mijn stem klonk scherp in het portiek.

Ze deed een stap achteruit.

‘Ik bedoelde het goed.’

‘Iedereen bedoelt het goed.’

Ik sloot mijn deur. Daarna hoorde ik haar langzaam naar boven lopen.

Een uur later ging ik naar haar toe. Ze deed open met een theedoek in haar handen.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Ik had niet zo tegen je moeten doen.’

‘Nee.’

Ze liet de stilte even staan.

‘Maar ik had ook niet over pups moeten beginnen.’

We dronken thee. Ik vertelde dat ik bang was om thuis te komen en tegelijk nergens anders wilde zijn. Dat ik soms dacht dat ik Bram in de gang hoorde. Dat ik zijn mand niet durfde op te bergen.

Els zei niet dat ik sterk moest zijn.

Ze vertelde over haar man, die acht jaar eerder was gestorven. Maandenlang had ze in de supermarkt zijn yoghurt gepakt.

‘Ik vergelijk Bram niet met jouw man,’ zei ik snel.

‘Dat vraag ik ook niet. Ik vertel je wat ik deed.’

Voor het eerst hoefde ik mijn verdriet niet kleiner te maken voordat ik erover sprak.

Op haar aanraden zocht ik een online groep voor mensen die een huisdier hadden verloren. Ik las eerst alleen mee. Niet ieder bericht hielp. Sommige maakten me angstiger. Toch herkende ik veel.

Uiteindelijk schreef ik: Mijn hond is dood en ik weet niet meer wat ik na mijn werk moet doen.

Een man uit Zwolle antwoordde: Ik liep de eerste maand nog steeds onze avondronde. Zonder hond. Voelde stom. Hielp soms.

Die avond trok ik mijn jas aan.

Ik liep tot het Goffertpark. Bij Brams vaste boom bleef ik staan. Een hardloper passeerde me. Verder gebeurde er niets.

Ik huilde en liep naar huis.

Het was geen doorbraak. Ik sliep die nacht wel vijf uur achter elkaar. Dat was twee uur meer dan de nacht ervoor.

Hoofdstuk 6

Zijn ronde

In januari brak Els haar pols.

Ze gleed uit op de stoep voor de bakker. Ik hoorde het pas toen ze met een gipsarm voor mijn deur stond. Naast haar trok Puk aan de lijn, een kleine terriër met een harde blaf.

‘Zou jij vanavond een rondje kunnen doen?’ vroeg ze. ‘Mijn dochter komt morgen.’

Ik keek naar Puk. Hij keek naar mijn gang. Daar stond Brams mand nog.

‘Ik weet niet of ik dat kan.’

Els knikte meteen.

‘Dan vraag ik iemand anders.’

Juist doordat ze niet aandrong, pakte ik de lijn.

Puk liep heel anders dan Bram. Snel. Scheef. Alsof hij op drie afspraken tegelijk werd verwacht. Bij de eerste lantaarnpaal trok hij zo hard dat ik struikelde.

‘Rustig, Bram.’

Ik bleef staan.

Puk keek achterom. Natuurlijk reageerde hij niet op die naam.

Op de hoek wilde ik terug. Mijn keel zat dicht. Maar Puk moest nog poepen en Els kon hem nauwelijks vasthouden. Dus liep ik door.

Bij het park kwamen we meneer Van Beek tegen met zijn oude herder. We hadden jarenlang geknikt zonder veel te praten.

Hij keek naar Puk.

‘Nieuwe hond?’

‘Van de buurvrouw.’

‘Waar is die grote?’

Ik vertelde het. Kort. Ziek. Kanker. November.

Van Beek nam zijn pet af en zette hem weer op.

‘Verdomme,’ zei hij.

Meer niet. Ik was hem er dankbaar voor.

Bij Els thuis vulde ik Puks waterbak. Die beweging deed pijn, maar ik kon hem afmaken.

‘Morgen kan ik voor mijn werk ook wel,’ zei ik.

Het werd drie weken. Haar dochter deed de middag. Ik liep ’s ochtends en ’s avonds. Soms vond ik het prettig. Soms was ik boos omdat ik in de regen liep met een hond die niet de mijne was.

Eén avond beet Puk in mijn broekspijp omdat ik zijn tuig wilde losmaken. Ik vloekte. Daarna moest ik lachen om zijn verontwaardigde kop.

Thuis merkte ik dat die lach geen schuldgevoel had opgeroepen. Pas toen ik eraan dacht, kwam het alsnog. Minder hevig dan eerst.

Op een zaterdag hielp Marieke me met Brams spullen.

We maakten drie plekken op de vloer. Bewaren. Weggeven. Nog niet weten.

De laatste stapel werd het grootst.

Zijn medicijnen bracht ik terug naar de praktijk. Ongeopende zakken voer gingen naar een opvang. De kapotte rubberen bal hield ik. Ook zijn halsband, met het afgesleten plaatje waarop mijn telefoonnummer stond.

Bij de mand stopte ik.

‘Die blijft nog,’ zei ik.

Marieke zette hem terug zonder te discussiëren.

We maakten daarna zijn kleed schoon. Niet helemaal. Ik trok het terug toen ze het in de wasmachine wilde stoppen.

‘Laat die maar.’

Ik wist dat de geur zou verdwijnen. Ik hoefde daar die middag niet bij te helpen.

Een week later reed ik alleen naar de Hatertse Vennen. Het was onze eerste langere rit geweest nadat ik hem uit de opvang had gehaald. Toen had hij op de heenweg overgegeven en op de terugweg geslapen.

Nu stond op de achterbank alleen mijn boodschappentas.

Ik had overwogen de urn mee te nemen. Uiteindelijk liet ik hem thuis. Ik was nog niet klaar om de as ergens achter te laten. Dat mocht van mezelf, voor het eerst zonder een einddatum te bedenken.

Op een bankje haalde ik mijn telefoon tevoorschijn. Ik had een opname gevonden waarop Bram snurkte. Een laag, onregelmatig geluid, met af en toe een fluitje.

Ik luisterde één keer.

Daarna borg ik de telefoon op en keek over het water.

Ik herinnerde me niet alleen zijn laatste dag. Ik zag hem weer met modder tot aan zijn buik. Met een gestolen ovenwant. Met zijn kop onder mijn hand terwijl ik probeerde een rekening te betalen.

Er kwamen ook herinneringen waarop hij me flink had geïrriteerd. De vuilniszak die hij had opengetrokken. De zondag waarop hij door iets smerigs rolde en ik twee keer moest douchen na het wassen.

Dat voelde onverwacht goed. Hij was niet alleen een zieke hond geweest. En ook geen volmaakt dier uit een net verhaal.

Op de terugweg kocht ik koffie bij een tankstation. Ik dronk hem in de auto, met de deur open.

Voor het eerst in weken had ik geen haast om thuis te komen. Ik zag er ook niet tegenop.

Hoofdstuk 7

Een andere dinsdag

Een halfjaar na Brams dood sliep ik op een dinsdag door de wekker heen.

Het was kwart over zeven toen ik wakker schrok. Ik had om acht uur een afspraak bij de tandarts. Ik rende naar de badkamer, trok een schoon shirt aan en at staand een banaan.

Pas toen ik mijn jas pakte, besefte ik dat ik niet meteen aan Bram had gedacht.

Ik bleef met één arm in mijn mouw staan.

Daar was de schuld weer. Niet groot genoeg om me omver te trekken, wel scherp.

Op de fiets naar de tandarts werd ik boos. Op mezelf vooral. Er leek geen goede manier te zijn om dit te doen. Als ik de hele dag huilde, vond ik dat ik vastliep. Als ik een ochtend haast had, vond ik dat ik hem vergat.

Ik vertelde het die avond aan Marieke.

‘Je was te laat,’ zei ze. ‘Dat is alles.’

Ik wilde tegenwerpen dat het ingewikkelder was. Maar die simpele uitleg hielp.

Mijn leven was intussen veranderd op manieren die niemand van buitenaf zag. Ik bleef weer na het werk om met Henk een oude racefiets op te knappen. Ik kookte meestal. Niet altijd. Soms at ik brood boven de gootsteen, maar niet meer omdat een bord me te veel werk leek.

Puks polsdienst, zoals Els onze afspraak noemde, was afgelopen. Toch bleef ik hem op donderdag meenemen. Els ging dan kaarten in een buurthuis. Ik vond het fijn om een vaste wandeling te hebben.

Ik wilde nog geen eigen hond.

Dat antwoord gaf ik zonder uitleg als iemand ernaar vroeg. Misschien kwam er later een. Misschien niet. Ik hoefde mijn liefde voor Bram niet te bewijzen door alleen te blijven. Maar ik hoefde ook niet te laten zien dat het beter ging door meteen een nieuw dier in huis te halen.

Zijn mand stond inmiddels op zolder. Ik had hem zelf naar boven gedragen. Daarna was ik een uur op bed gaan liggen.

Zijn halsband lag in de bovenste la van mijn bureau. De urn stond nog naast de bank. Ernaast had ik een foto gezet waarop Bram niet naar de camera keek, maar naar een boterham buiten beeld.

Dat was hem meer dan de keurige foto die ik eerst had uitgezocht.

Begin mei hielp ik een zaterdag bij een opvang in de buurt van Wijchen. Niet met honden uitlaten. Daar was ik nog te zenuwachtig voor. Een hek klemde en iemand had gehoord dat ik handig was.

Ik nam mijn gereedschap mee.

Een medewerker vroeg of ik later koffie wilde. Ze heette Fatima en droeg werklaarzen met een scheur in de rand.

Tijdens de koffie vertelde ik over Bram. Ik kon zijn naam zeggen zonder eerst diep adem te halen. Tot ik vertelde hoe hij bij de dierenarts zijn neus tegen mijn hand had gedrukt.

Toen lukte het even niet.

Fatima wachtte.

‘Wil je verder werken of stoppen?’ vroeg ze.

‘Verder werken.’

Dus deden we dat. Ze hield het hek omhoog terwijl ik het onderste scharnier vastzette.

Er kwam geen hond naar me toe die mij uitkoos. Ik werd niet op slag gelukkig. Aan het eind van de middag zat er verf aan mijn broek en sloot het hek weer goed.

Ik beloofde de volgende maand terug te komen.

Die avond liep ik alleen door het Goffertpark. Op het grote grasveld gooide een jongen een bal. Zijn hond rende erlangs en kwam zonder bal terug. De jongen stak zijn armen in de lucht.

Ik glimlachte voordat het pijn deed.

Bij Brams boom bleef ik niet lang staan. Ik keek even naar de stam en liep verder. Er was geen reden om mezelf daar iedere keer te laten huilen. Als het kwam, kwam het.

Thuis maakte ik de achterdeur open. De tuin rook naar natte aarde. Ik zette een stoel buiten en nam mijn bord mee.

Onder het eten hoorde ik boven me Els tegen Puk praten. Er reed een scooter door de straat. Mijn telefoon trilde met een bericht van Henk over de racefiets.

Ik miste Bram. Ik had die middag ook iets nuttigs gedaan. Morgen zou ik werken. Donderdag kwam Puk.

Toen het koud werd, bracht ik mijn bord naar binnen. Bij het kastje bleef ik even staan en legde mijn vingers op de foto.

‘Welterusten, Bram.’

Daarna deed ik het licht uit en ging naar bed.