Verlies en rouw
De kerst na de begrafenis
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De kerst na de begrafenis — De jas
Bij de uitgang van begraafplaats Tolsteeg pakte ik Sanders jas van de kapstok. Pas toen ik mijn hand in de mouw stak, begreep ik wat ik deed.
Het was de jas van zijn broer.
‘Geeft niks, Marit,’ zei Frank.
Hij trok hem voorzichtig uit mijn handen. Ik wilde zeggen dat het door de kleur kwam. Donkerblauw. Dezelfde gladde stof. Maar ik had die ochtend zelf gezien hoe Sanders kist zakte. Er viel niets uit te leggen.
Buiten stond mijn dochter Noor met haar schoenen in de modder. Ze was negen en droeg een rode jurk onder haar winterjas. Die jurk had ze zelf gekozen.
‘Waar is Daan?’ vroeg ik.
Frank wees naar het hek.
Mijn zoon stond naast zijn fiets. Vijftien jaar. Zijn stropdas zat in zijn jaszak. Hij keek naar zijn telefoon terwijl mensen langs hem liepen en zijn schouder aanraakten. Bij iedere hand trok hij iets naar achteren.
‘We gaan,’ zei ik.
‘Ik fiets.’
‘Het regent.’
‘Daar kan mijn fiets tegen.’
Ik had geen kracht om ruzie te maken. Dat voelde meteen als mijn eerste fout als enige ouder.
Sander was acht dagen eerder gestorven. Op een donderdag, naast de koffiemachine van een bouwmarkt in Nieuwegein. Een medewerker was direct begonnen met reanimeren. Dat had de arts twee keer gezegd. Er was snel gehandeld. Alsof ik later misschien iemand zou willen aanwijzen en hij die mogelijkheid alvast wilde afsluiten.
Sander was vierenveertig.
Thuis stonden drie schalen lasagne in de koelkast. Op het aanrecht lagen bloemen, kaarten en een brief van de uitvaartondernemer. Mijn moeder zette koffie. Frank schoof stoelen bij. Iedereen vroeg waar iets stond.
‘Kopjes boven de waterkoker,’ zei ik.
Even later zei ik het opnieuw tegen mijn tante.
Het was prettig dat ik ergens antwoord op wist.
Noor ging onder de eettafel zitten. Haar jurk lag als een rode vlek om haar knieën. Ik kroop naast haar.
‘Moeten die mensen nog lang blijven?’ vroeg ze.
‘Ik weet het niet.’
‘Ik wil een tosti.’
Ik drukte mijn voorhoofd tegen de onderkant van het tafelblad. Sander had dat blad ooit geschuurd. Aan de rand zat nog een donker plekje van een omgevallen kaars.
‘Dan maken we een tosti.’
Om halfzes stuurde ik iedereen weg. Mijn moeder bleef bij de voordeur staan met haar autosleutels tussen haar vingers.
‘Ik kan op de bank slapen.’
‘Nee.’
‘Alleen deze nacht.’
‘Mam. Ga alsjeblieft.’
Ze knikte. Dat maakte het erger dan wanneer ze had geprotesteerd.
Daan kwam pas uit zijn kamer toen de deur dicht was. Hij pakte een bord lasagne en zette het in de magnetron.
‘We gaan toch geen kerst vieren?’ vroeg hij.
Het was negentien december. Aan de overkant knipperde een rendier voor het raam. Onze kerstboom stond halfversierd in de hoek. Onder de takken lag een open doos met ballen. Sander zou de lampjes doen.
‘Ik weet het nog niet.’
‘Ik ga niet bij oma zitten doen alsof.’
‘Dat vraagt niemand.’
‘Dat gaan ze wel vragen.’
De magnetron piepte. Hij nam zijn bord mee naar boven.
Noor at haar tosti voor de televisie. Ik liet haar kruimelen op de bank. Later poetste ik haar tanden, omdat ze haar hand niet meer wilde optillen. Ze vroeg of papa onder de grond zijn pak nog aanhad.
‘Ja.’
‘Ook zijn schoenen?’
‘Ook zijn schoenen.’
Daar was ze even stil van.
‘Die zaten niet lekker.’
Ik ging op de rand van haar bed zitten. Ik had zijn nette schoenen gekozen. Niet zijn versleten gympen. Dat kleine besluit kreeg ineens de omvang van iets onherstelbaars.
Beneden hing Sanders echte jas aan de trapleuning. Ik had hem sinds donderdag niet aangeraakt. Nu zocht ik in de zakken. Een parkeerbon. Lippenbalsem. Twee schroeven. Een opgevouwen vel papier.
Bovenaan stond een adres aan de Nijverheidsweg. Daaronder, met een pen omcirkeld: betalingsachterstand. Twee maanden huur.
Ik las het bedrag drie keer. Vierhonderdtachtig euro.
Sander had een kleine werkruimte. Dat wist ik. Hij knapte meubels op, meestal op zaterdag. Maar de huur betaalde hij van zijn eigen rekening. Dat had hij altijd gezegd.
Ik legde de brief naast de uitvaartrekening.
Toen pakte ik mijn telefoon en opende ons gesprek.
Zijn laatste bericht was van donderdagochtend: Ben straks wat later.
Ik typte: Wat is dit?
Mijn duim bleef boven verzenden hangen.
Boven trok iemand de wc door. In de kamer zoemde de koelkast.
Ik verwijderde de vraag, letter voor letter.
Hoofdstuk 2
De brief
De volgende ochtend belde de verhuurder terwijl ik een boterham voor Noor smeerde. Ik nam op omdat ik dacht dat het de uitvaartondernemer was.
‘Met Henk van Leeuwen. Spreek ik mevrouw De Wit?’
‘Ja.’
‘Ik probeer uw man te bereiken over unit veertien.’
Ik zette het mes neer.
‘Mijn man is overleden.’
Aan de andere kant klonk papier. Daarna niets.
‘O,’ zei hij. ‘Dat wist ik niet.’
‘Vorige week.’
‘Gecondoleerd.’
Noor wees naar de pindakaas. Ik schoof de pot naar haar toe.
Henk legde uit dat Sander niet had gereageerd op brieven en berichten. De huur van november en december stond open. In januari kwam er weer een maand bij. Als ik de ruimte niet wilde aanhouden, moesten we iets afspreken.
‘Gooit u zijn spullen weg?’ vroeg ik.
‘Nee. Rustig aan. Dat zeg ik niet.’
‘Zo klinkt het wel.’
Hij ademde hoorbaar uit.
‘Ik bel volgende week opnieuw. U hoeft vandaag niets te beslissen.’
Toen het gesprek afgelopen was, zat er pindakaas op mijn telefoonhoesje.
Noor keek naar me.
‘Wie gooit papa’s spullen weg?’
‘Niemand.’
‘Je zei het zelf.’
‘Ik had hem verkeerd begrepen.’
Dat was waar. Het klonk toch als liegen.
Ik bracht haar naar mijn moeder in Houten. Daan wilde thuisblijven. Hij stond in de keuken met zijn capuchon op en zei dat hij geen kleuter was. Ik liet een briefje met mijn nummer achter, terwijl hij dat nummer al jaren kende.
Daarna reed ik naar de Nijverheidsweg in Utrecht. Achter een hek lagen lage loodsen. Bij de ingang stond een bestelbus met een kapotte achterruit, dichtgeplakt met vuilniszakken. Sanders werkruimte had een grijze roldeur en een gewone deur ernaast.
Mijn sleutel paste niet.
Ik probeerde alle sleutels van zijn bos. Bij de vierde ging het slot open.
Binnen rook het naar zaagsel en koude koffie. Zijn gehoorbescherming lag op een kruk. Aan een spijker hing zijn oude groene trui. Ik stak mijn gezicht erin en rook bijna niets. Stof. Een beetje wasmiddel.
Ik werd kwaad op die trui.
Op de werkbank lag een lade zonder handvat. Er stonden twee stoelen tegen de muur. Onder een blauw zeil lag iets groots. Verderop zag ik drie enveloppen, een supermarktbon en een plastic bakje met beschimmelde druiven.
Op één envelop stond het logo van Sanders werkgever.
Ik ging zitten voordat ik hem openmaakte.
Het was een bevestiging van het einde van zijn dienstverband. Wegens reorganisatie. Zijn laatste werkdag was 30 september geweest. Er stonden bedragen in en woorden waar ik op dat moment niet doorheen kwam.
September.
Iedere ochtend had hij zijn broodtrommel gevuld. Soms had ik er een appel bij gelegd. Hij had verteld over files, over een kapotte printer, over iemand die zijn mok gebruikte.
Ik belde zijn collega Bas.
‘Wist jij dit?’ vroeg ik zonder groet.
‘Wat bedoel je?’
Ik las de eerste zin voor.
Bas zei mijn naam. Toen wist ik genoeg.
‘Je stond gisteren naast zijn kist.’
‘Ja.’
‘Je hebt me omhelsd.’
‘Marit, ik dacht dat jij het wist.’
Ik wilde hem niet geloven. Dat was makkelijker dan de andere mogelijkheid.
Bas vertelde dat er zes mensen waren ontslagen. Sander had gezegd dat hij even wilde kijken of hij van zijn meubelwerk kon leven. Later had hij gesolliciteerd. Bas had een keer zijn brief nagekeken.
‘Hij schaamde zich,’ zei Bas.
‘Dat weet jij niet.’
‘Nee,’ zei hij. ‘Niet zeker.’
Die correctie hield me aan de telefoon.
Ik vroeg wanneer hij Sander voor het laatst had gesproken. Begin december. Over een vacature bij een woningcorporatie. Geen grote onthulling. Geen afscheid. Gewoon werk.
Na het gesprek trok ik een la open. Schuurpapier. Facturen. Een pak stroopwafels met een knijper erop. Ik zocht naar een verklaring alsof die tussen zijn kassabonnen kon liggen.
Er kwam iemand langs de open deur.
‘Jij bent Marit zeker?’
Een vrouw met kort grijs haar hield twee mokken vast.
‘Ik ben Ria. Van hiernaast. Sander vertelde over jullie.’
Ik keek naar de thee.
‘Vertelde hij ook dat hij geen werk meer had?’
Ze bleef staan.
‘Ja.’
Ik begon te huilen. Niet zacht. Niet mooi. Ik kreeg geen adem tussen de happen lucht.
Ria zette de mokken neer en schoof een lege emmer uit de weg.
‘Kom maar hier zitten,’ zei ze.
Ze vroeg niet of het ging.
Hoofdstuk 3
Wat hij verzweeg
Ria liet de deur open. Dat vond ik prettig. Ik wilde niet opgesloten zitten met iemand die meer over mijn man wist dan ik.
Ze repareerde meubels voor een kringloopwinkel. Sander leende soms een lijmklem. Hij bracht haar koffie als hij zelf naar de automaat ging.
‘Meer was het niet,’ zei ze.
Ik had niets gevraagd, maar mijn gezicht kennelijk wel.
‘Sorry.’
‘Je hoeft niet aardig te zijn vandaag.’
Ik haalde mijn neus op met een stuk keukenpapier. Het schuurde langs mijn bovenlip.
‘Hij heeft drie maanden tegen me gelogen.’
Ria keek naar haar handen.
‘Ik weet niet wat hij thuis vertelde.’
Ik wilde dat ze hem verdedigde, zodat ik ergens tegenin kon gaan. Dat deed ze niet.
Op de terugweg kocht ik afwasmiddel en vier krentenbollen bij een tankstation. De kassier vroeg of ik punten spaarde. Ik zei ja en kon mijn pas niet vinden. Achter mij zuchtte een man.
‘Laat maar,’ zei ik.
In de auto at ik twee krentenbollen achter elkaar. Sinds de begrafenis had ik nauwelijks gegeten. Nu werd ik misselijk van hoe snel ik kauwde.
Thuis zette ik mijn laptop op tafel. Ik kon onze gezamenlijke rekening bekijken, niet Sanders eigen rekening. Daar moest ik nog van alles voor regelen. Op ons overzicht stonden zijn vaste bijdragen. In oktober hetzelfde bedrag als anders. In november minder. In december niets.
Ik had het niet gezien.
Ik werkte vier dagen per week als planner bij een thuiszorgorganisatie. December was een puinhoop geweest. Zieke medewerkers. Roosters die elke ochtend opnieuw moesten. Sander deed meestal de administratie. Ik betaalde boodschappen en dacht dat de rest liep.
Om vier uur belde ik onze hypotheekverstrekker. Na achttien minuten wachtmuziek kreeg ik iemand die rustig uitlegde welke stukken nodig waren. Een overlijdensakte. Informatie over de overlijdensrisicoverzekering. Later een overzicht van mijn inkomen.
‘Moeten we het huis uit?’ vroeg ik.
‘Dat kan ik nu niet beoordelen. Maar dat is niet iets wat deze week gebeurt.’
Ik schreef die laatste zin op.
Daan stond ineens in de deuropening.
‘Wat is er met het huis?’
‘Ik ben dingen aan het uitzoeken.’
‘Welke dingen?’
Ik schoof de brieven bij elkaar. Een beweging van niets. Hij zag het.
‘Doe niet zo.’
‘Hoe?’
‘Alsof ik blind ben.’
Ik vertelde over Sanders baan. Niet over alle bedragen. Wel over september en de werkruimte. Daan bleef staan, met één hand aan het deurkozijn.
‘Dat kan niet.’
‘Ik heb de brief.’
‘Misschien hadden ze het teruggedraaid.’
‘Bas heeft het bevestigd.’
‘Waarom bel jij zijn collega’s achter zijn rug?’
Ik schrok van mijn eigen lach. Eén kort geluid.
‘Achter zijn rug?’
‘Je weet wat ik bedoel.’
‘Hij had het moeten vertellen.’
‘Misschien deed hij dat niet omdat jij altijd meteen zo doet.’
Ik stond op. Mijn stoel schuurde over de vloer.
‘Pas op, Daan.’
Zijn mond trok scheef. Heel even zag ik hoe jong hij was. Toen draaide hij zich om en liep naar boven.
Ik ging niet achter hem aan.
Die avond bracht mijn moeder Noor terug. Ze had een tas boodschappen bij zich en vroeg niet of ik iets nodig had. Ze pakte gewoon melk uit. Eieren. Wasmiddel. Een zak mandarijnen.
‘Ik kan dat terugbetalen,’ zei ik.
‘Dat hoeft niet.’
‘Ik wil niet dat jullie nu alles gaan overnemen.’
Ze zette de melk wat harder neer dan nodig was.
‘Ik neem geen huis over. Ik zet melk in je koelkast.’
Daarna zaten we aan tafel. Ik vertelde haar over de brief. Ze zei niet dat Sander het vast goed had bedoeld. Daar was ik haar dankbaar voor.
‘Je kunt boos op hem zijn,’ zei ze.
‘Hij kan niets terugzeggen.’
‘Dat maakt het niet minder waar.’
Later bracht ik een bord eten naar Daan. Ik klopte en wachtte.
‘Zet maar neer.’
‘Ik had niet zo moeten uitvallen.’
Er kwam geen antwoord.
‘En jij mag tegen me zeggen dat je boos bent. Maar niet dat dit mijn schuld is.’
Vanachter de deur hoorde ik zijn bureaustoel bewegen.
‘Ik zei niet dat hij door jou dood is.’
‘Dat weet ik.’
Ik bleef nog even staan.
‘We hoeven dit vanavond niet op te lossen.’
Pas toen ik de trap afliep, ging zijn deur open.
Hoofdstuk 4
De lege kamer
Op kerstavond werd ik wakker van een vuilniswagen. Voor een paar seconden dacht ik dat het een gewone dinsdag was. Ik stak mijn voet uit naar Sanders kant van het bed.
Het laken was koud.
Daarna begon de dag.
Noor wilde de boom afmaken. Daan zat aan tafel met een kom yoghurt die hij niet aanraakte. Ik haalde de lampjes uit de doos en vond meteen een knoop.
‘Papa wist hoe dat moest,’ zei Noor.
‘Ik krijg dit ook wel los.’
Het kwam scherper uit mijn mond dan ik bedoelde. Noor ging op haar handen zitten.
Ik legde de draad neer.
‘Dat was niet tegen jou.’
‘Jawel.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Eigenlijk wel. Sorry.’
Daan stond op en pakte de lampjes. Hij peuterde twee stekkers uit elkaar en legde het snoer over de rug van de bank. Binnen vijf minuten brandde de helft. De andere helft bleef donker.
‘Dan doen we die aan de achterkant,’ zei hij.
Noor knikte ernstig. Voor het eerst sinds dagen deden ze samen iets zonder ruzie.
Om elf uur belde Henk. Hij wilde de juiste naam en het adres voor de administratie. Ik liep de keuken in. Hij zei dat we na de jaarwisseling konden kijken naar beëindiging van de huur en het leeghalen van de ruimte.
‘Ik wil alleen niet dat het nog maanden doorloopt,’ zei ik. ‘Daar heb ik het geld niet voor.’
Toen ik terugkwam, stond Daan bij de boom.
‘Ga je alles wegdoen?’
‘Nee. We moeten kijken wat we bewaren.’
‘Je bedoelt zijn spullen.’
‘Ja.’
‘Hij is net begraven.’
‘Ik heb het over januari.’
‘Dat is volgende week.’
Ik had geen antwoord dat niet zakelijk klonk. Dus zei ik dat we er later over zouden praten. Hij pakte zijn jas.
‘Waar ga je heen?’
‘Milan.’
‘Om vijf uur thuis.’
Hij knikte zonder naar me te kijken.
Mijn moeder zou die avond komen eten. Geen uitgebreid diner. Soep, brood, kaas. We hadden afgesproken dat er niets hoefde. Toch vond ik mezelf om drie uur terug met een schone blouse in mijn handen. Alsof een andere blouse het huis geschikt kon maken voor bezoek.
Om kwart over vijf belde ik Daan. Geen gehoor.
Ik stuurde: Eten om zes. Waar ben je?
Om halfzes belde ik opnieuw. Meteen voicemail.
Mijn moeder stond inmiddels soep te roeren. Noor knipte sterren uit een oude envelop.
‘Bel Milan even,’ zei mijn moeder.
Milan nam direct op.
‘Daan? Die is hier niet geweest.’
Ik vroeg het nog een keer, met andere woorden. Alsof ik hem bij de eerste vraag ruimte had gegeven voor een vergissing.
Nee. Niet gezien. Ook niet afgesproken.
In Daans kamer lag zijn oplader naast het bed. De vensterbank stond vol glazen. Zijn sporttas lag open. Ik keek in de kast zonder te weten wat ik zocht.
Toen zag ik de lege plek op het haakje naast de voordeur.
Sanders sleutelbos was weg.
Ik belde Henk. Hij nam niet op. Daarna Frank.
‘Ik denk dat hij in de werkplaats is.’
‘Ik rijd erheen,’ zei hij.
‘Ik ben sneller.’
‘Dan kom ik ook.’
Mijn moeder pakte mijn arm toen ik mijn jas aantrok.
‘Niet als een gek rijden.’
Ik knikte. Bij het eerste verkeerslicht merkte ik dat ik het stuur zo hard vasthield dat mijn vingers pijn deden.
Ik zag steeds opnieuw het moment voor me waarop de arts naar mij toe kwam. Niet zijn gezicht. Zijn schoenen. Bruin, met een natte rand bij de zolen. Ik had ernaar gekeken omdat ik niet wilde zien wat hij ging zeggen.
Nu zocht ik in elke straat naar een fiets op de grond.
Bij het hek van de loodsen stond Daans fiets. Het voorwiel zat scheef tegen het gaas. Geen licht aan de voorkant. Ik rende het terrein op.
Onder de deur van unit veertien zag ik een smalle streep licht.
Ik sloeg met mijn hand op het metaal.
‘Daan!’
Binnen schoof iets over de vloer.
‘Doe open.’
Het duurde lang genoeg om opnieuw bang te worden. Toen draaide de sleutel.
Hij stond in de opening met een rode hand en zaagsel op zijn trui.
‘Wat is er?’ vroeg hij.
Ik greep zijn schouders. Ik wilde hem omhelzen en door elkaar schudden.
‘Wat er is?’
Mijn stem sloeg over.
Achter hem lag het blauwe zeil op de grond.
Hoofdstuk 5
De werkbank
Onder het zeil stond een tafel. Het blad lag ondersteboven op twee schragen. Eén poot zat vast. De andere drie lagen ernaast, met potloodstrepen bij de verbindingen.
Daan probeerde zich los te maken.
‘Je doet pijn.’
Ik liet hem meteen gaan.
‘Je telefoon stond uit.’
‘Leeg.’
‘Je zei dat je naar Milan ging.’
Hij keek naar de tafel.
‘Ik wist dat je anders moeilijk zou doen.’
Ik wilde schreeuwen dat hij geen idee had wat moeilijk was. Dat ik geen tweede telefoontje van een ziekenhuis zou overleven. Maar hij stond daar met zijn lip tussen zijn tanden en een schaafwond op zijn hand.
‘Je hebt gelogen,’ zei ik. ‘En ik was heel bang.’
‘Sorry.’
Het klonk klein. Ik hoorde het bijna niet.
Ik pakte zijn hand. Er zat opgedroogd bloed langs zijn duim. Een lijmklem was losgeschoten, zei hij. Geen diepe wond. Toch vroeg ik of hij zijn vingers kon bewegen.
Ria kwam uit de naastgelegen ruimte. Ze had haar jas al aan.
‘Ik hoorde je roepen.’
‘Wist je dat hij hier was?’
‘Sinds een uur. Hij zei dat jullie hadden afgesproken dat hij iets kwam halen.’
Daan keek weg.
Ze vouwde haar armen over elkaar.
‘Dat had je dus niet.’
‘Nee.’
Ria keek naar mij.
‘Ik heb de stekkers van de machines eruit gehaald. Hij was alleen aan het passen en schuren.’
Ik knikte. Mijn adem ging nog steeds te snel.
Frank kwam binnen met zijn telefoon in zijn hand. Hij zag Daan en bleef even bij de deur staan.
‘Goed,’ zei hij. ‘Je bent er.’
Meer niet. Hij belde mijn moeder om te zeggen dat we hem gevonden hadden.
Ik ging op de kruk zitten. Mijn benen trilden nu pas.
‘Waarom die tafel?’ vroeg ik.
Daan trok met zijn schoen een streep door het zaagsel.
‘Hij zou voor thuis worden. Voor kerst.’
Onze oude tafel wiebelde. Sander had een paar maanden eerder gezegd dat hij daar gek van werd. Ik had geantwoord dat een gevouwen bierviltje goedkoper was dan een nieuwe tafel.
‘Ik hielp hem op zaterdag,’ zei Daan. ‘Niet elke keer.’
Hij pakte een losse poot en legde hem weer neer.
‘Hij zei dat hij het niet ging halen. Ik dacht dat ik hem misschien kon afmaken.’
‘Vanavond?’
Daan haalde zijn schouders op.
‘Dan stond hij er tenminste.’
Ik keek naar het blad. Eén hoek was nog ruw. Er zaten oude spijkergaten in het hout. Aan de onderkant stond met potlood: Daan, deze kant eerst.
Geen afscheidsboodschap. Gewoon een aanwijzing die ineens niet meer gewoon kon zijn.
‘Ik wist niet dat jullie hiermee bezig waren.’
‘Je wist wel meer niet.’
Frank deed een stap naar voren. Ik hield mijn hand op.
‘Nee,’ zei ik. ‘Dat klopt.’
We waren even stil. Ria zei dat ze in haar unit zou zijn als we iets nodig hadden. Frank ging met haar mee.
Daan bleef bij de werkbank staan.
‘Hij heeft me donderdag gebeld.’
Ik keek op.
‘Wanneer?’
‘In de pauze. Ik nam niet op.’
‘Oké.’
‘We hadden ruzie gehad. Woensdag. Over mijn rapport. Hij zei dat ik overal een grap van maakte.’
Zijn adem stokte.
‘Ik zag zijn naam. Ik heb hem gewoon laten gaan.’
Ik schoof de kruk dichterbij, maar hij ging niet zitten.
‘Hoe laat?’ vroeg ik.
Hij noemde tien over tien. De ambulance was kort na elven gebeld. Dat wist ik uit het gesprek met de arts.
‘Daan. Hij belde niet toen hij instortte.’
‘Dat weet jij niet.’
‘Ik weet hoe laat de ambulance kwam. Er waren mensen bij hem. Ze hebben meteen geholpen.’
‘Misschien voelde hij al iets.’
Ik had geen antwoord dat alles kon uitsluiten.
‘Dat weet ik niet,’ zei ik. ‘Maar jij hoefde hem niet te redden door je telefoon op te nemen. Dat was niet jouw taak.’
Hij drukte zijn vuisten tegen zijn ogen.
‘Ik was nog boos.’
‘Dat mag. Ook als iemand daarna doodgaat.’
Ik stond op en hield hem vast. Eerst bleef hij stijf. Daarna zakte zijn voorhoofd tegen mijn schouder.
De tafel bleef die avond staan. Frank zette de losse poten veilig op een plank. We sloten de deur en namen Sanders sleutelbos mee.
In de auto vroeg Daan of er nog soep was.
‘Een hele pan,’ zei ik.
Bij het volgende verkeerslicht pakte hij mijn telefoon.
‘Ik app oma wel.’
Hoofdstuk 6
Een bord te veel
Op eerste kerstdag dekte Noor de tafel voor vijf mensen. Mijn moeder sliep boven in het kleine kamertje. Daan stond onder de douche. Ik bakte eieren.
Pas toen Noor het bestek neerlegde, zag ze het zelf.
‘O.’
Ze hield een vork boven het vijfde bord.
Ik draaide het vuur uit.
‘Zal ik het weghalen?’ vroeg ze.
Ik wist het niet. Een extra bord deed pijn. Een lege plek ook. Ik had gelezen dat sommige mensen een stoel vrijlieten. Ik wilde geen regel waar we ons de rest van ons leven aan moesten houden omdat ik die op deze ochtend bedacht.
‘Wat wil jij?’ vroeg ik.
‘Dat hij hier zit.’
Ik ging naast haar staan.
‘Ja. Ik ook.’
Ze zette de vork neer en liep naar de bank. Ik haalde het bord weg. Niet zijn bord. Gewoon het vijfde bord. Toch moest ik even tegen het aanrecht leunen.
Mijn moeder kwam beneden met haar haar plat aan één kant. Ze keek naar de eieren in de pan.
‘Die zijn klaar, denk ik.’
De randen waren bruin en hard. Ik begon te lachen. Het klonk verkeerd in de stille keuken. Toen lachte mijn moeder ook, met haar hand voor haar mond.
Noor keek op.
‘Wat?’
‘Ik heb de eieren verpest.’
‘Papa deed dat ook altijd.’
‘Papa noemde dat krokant,’ zei Daan vanuit de deur.
We lachten nog even. Daarna at niemand veel.
Onder de boom lagen cadeaus die Sander en ik begin december samen hadden gekocht. Voor Noor een doos met spullen om armbandjes te maken. Voor Daan een koptelefoon. Ik had overwogen ze weg te leggen. Maar Noor had er al drie keer naar gekeken.
‘Deze zijn ook van papa,’ zei ik.
Daan draaide zijn doos om. Noor begon voorzichtig het papier los te maken. Ze wilde de plakbandjes heel houden, omdat Sander ze misschien had vastgeplakt. Dat had hij niet gedaan. Ik zei het niet meteen.
Toen ze ook het gescheurde papier onder de bank vandaan wilde halen, ging ik naast haar zitten.
‘Ik heb ze ingepakt, Noor.’
‘Allemaal?’
‘Ja. Papa heeft ze wel mee uitgezocht.’
Ze liet het papier los.
‘Ik vergeet straks wat hij heeft aangeraakt.’
‘Dat ga ik ook vergeten.’
Haar gezicht vertrok.
‘Dat wil ik niet.’
Ik trok haar tegen me aan. Ik wilde haar iets beloven. Dat zijn stem altijd duidelijk zou blijven. Dat we alles konden bewaren wat belangrijk was. Maar ik was zijn geur nu al aan het zoeken in kleren die vooral naar onze wasmachine roken.
‘We kunnen opschrijven wat je nog weet,’ zei ik. ‘Niet vandaag als je niet wilt.’
Ze knikte tegen mijn borst.
Na de lunch gingen we naar buiten. Mijn moeder bleef thuis om te slapen. We liepen langs de Vaartsche Rijn. Het was koud en droog. Op het water dreef een tennisbal. Noor volgde hem langs de kade tot hij onder een steiger verdween.
Bij een brug bleef Daan naast me lopen.
‘Ben je nog boos op hem?’
‘Ja.’
‘Ook vandaag?’
‘Ook vandaag.’
Hij trapte tegen een steentje.
‘Ik wil dat niet horen.’
‘Dat snap ik. Jij hoeft het ook niet voor hem op te lossen.’
‘Maar je houdt nog wel van hem?’
Ik stopte met lopen.
‘Ja. Heel veel. Daarom doet het liegen ook pijn.’
Daan knikte, zonder me aan te kijken. Even later liep hij achter Noor aan, die wilde weten of eenden koude voeten kregen.
Thuis belde Frank. Hij had met Henk afgesproken dat we tot eind januari de tijd kregen om de werkruimte leeg te halen. De achterstand bleef staan, maar er kwam geen extra huur bij als we de sleutel dan inleverden. Henk zou het per mail bevestigen.
‘Ik heb niets namens jou toegezegd,’ zei Frank. ‘Het is een voorstel.’
Dat verschil merkte ik.
‘Dank je.’
Die avond aten we soep en brood van de vorige dag. Daan zat bij ons aan tafel. Noor droeg twee armbandjes, één om iedere pols.
Halverwege de maaltijd begon ik te huilen. Er was geen aanleiding die ik kon aanwijzen. Ik keek naar de broodmand en het ging niet meer.
Mijn moeder schoof de doos tissues dichterbij.
Niemand zei dat we er toch een mooie dag van moesten maken.
Na een tijdje vroeg Noor om de boter.
Ik gaf hem aan.
Hoofdstuk 7
Nog een dag
Op 4 januari ging ik naar de huisarts. Ik had drie keer afgezegd voordat ik werkelijk in de wachtkamer zat. Niet omdat ik dacht dat ik geen hulp nodig had. Omdat ik niet wist wat ik moest zeggen als iemand vroeg hoe het ging.
De huisarts vroeg het anders.
‘Hoe ziet een nacht eruit?’
Daar kon ik antwoord op geven.
Ik vertelde over het inslapen op de bank. Over wakker worden om twee uur. Over luisteren bij de kamers van de kinderen. Over de keer dat Daan zo stil sliep dat ik zijn schouder schudde.
‘Hij werd woedend,’ zei ik.
‘En jij?’
‘Ik was opgelucht.’
We maakten een afspraak voor een gesprek met de praktijkondersteuner. Ze vroeg ook naar eten, werk en mensen die konden helpen. Ze zei niet dat alles bij rouw hoorde en dus vanzelf overging. Dat vond ik prettig.
Thuis maakte ik drie lijstjes. Wat nu moest. Wat kon wachten. Wat iemand anders kon doen. Frank kreeg de werkplaats. Mijn moeder wilde met Noor naar zwemles. Mijn vriendin Esra bood aan om naast me te zitten bij de administratie.
‘Je hoeft niets te weten van verzekeringen,’ zei ik.
‘Mooi. Ik weet niets van verzekeringen.’
Ze kwam met haar laptop en een pak koekjes. We maakten mappen. Soms zocht ze een woord op. Soms zei ze dat ik even moest ophouden met alles tegelijk openen.
Er bleek een overlijdensrisicoverzekering aan de hypotheek gekoppeld. Het bedrag zou de maandlasten verlagen. Niet alles was meteen geregeld. De bank had tijd nodig. Mijn inkomen moest opnieuw worden doorgerekend. Er waren nog rekeningen waarvan ik niet wist hoe ik ze moest betalen.
Maar het huis hoefde niet direct verkocht te worden.
Ik las die bevestiging hardop aan Daan voor. Ik had hem genoeg halve gesprekken laten horen.
‘Dus we blijven?’ vroeg hij.
‘Voor nu wel. Ik ga je vertellen als dat verandert.’
‘Echt vertellen?’
‘Echt.’
Een week later gingen we samen naar de werkruimte. Niet om alles in één dag op te ruimen. Frank had dozen neergezet met grote vellen papier erop. Bewaren. Verkopen. Nog niet.
Die laatste doos raakte het snelst vol.
Ik stopte Sanders groene trui erin. Daarna haalde ik hem er weer uit en legde hem in mijn auto. Noor koos de gehoorbescherming. Ze zette hem op en zei dat we zachter klonken.
Daan bleef bij de tafel staan.
‘Ik wil hem nog steeds afmaken.’
Frank keek naar de losse poten.
‘Dat kunnen we proberen. Met Ria erbij voor de verbindingen. Ik kan veel, maar ik wil niet dat jullie straks met je eten op schoot zitten omdat hij instort.’
Daan glimlachte even.
Ze spraken een zaterdag af. Geen deadline. Niet voor mijn verjaardag. Niet voor een andere dag die daarmee iets moest bewijzen.
Ik maakte één la leeg en moest daarna naar buiten. In de auto zat ik tien minuten met de deur open. Niemand kwam me halen. Toen ik terugliep, bood Ria me koffie aan in dezelfde mok als de eerste keer.
‘Zonder suiker toch?’
Ik knikte. Ze had het onthouden.
De tafel kwam eind februari thuis. Er zat een kleine kier bij één poot. Het blad was aan één kant donkerder geworden door de olie. Daan wees meteen aan wat hij zelf had gedaan.
‘Dit stuk is van mij. Dat zie je wel.’
‘Ik vind het goed,’ zei ik.
‘Je hoeft niet alles goed te vinden omdat papa dood is.’
Ik streek over een ruwe plek aan de rand.
‘Deze moet nog even geschuurd.’
Hij ging gereedschap halen.
Die avond aten we pasta aan de nieuwe tafel. Noor morste saus. Daan greep direct een doekje en begon daarna te lachen om zichzelf. Ik hoorde even hoe Sander gelachen zou hebben. Niet alsof hij in de kamer was. Gewoon omdat ik dat nog wist.
Later, toen de kinderen boven waren, bleef ik zitten. Ik miste hem. Ik was nog boos. De verzekeraar had weer een brief gestuurd en de volgende ochtend moest ik voor het eerst twee uur naar kantoor.
Ik zag daartegen op.
Mijn telefoon lichtte op. Esra vroeg of ze na mijn werk langs zou komen.
Vroeger had ik geschreven dat het niet nodig was.
Nu typte ik: Ja. Rond twaalf graag.
Daarna zette ik vier kopjes in de vaatwasser. Ik controleerde de voordeur en deed het licht boven de tafel uit.
Op de trap hoorde ik Noor roepen. Ze wilde weten of ik nog even bij haar kwam liggen.
‘Ja,’ zei ik.
Ik ging naar boven.