Identiteit en zelfacceptatie
De naam die ik zelf koos
Hoofdstuk 1
De naam die ik zelf koos
Mijn zus belde toen ik mijn nieuwe naam op een envelop schreef.
Mika van Dijk.
De punt van mijn pen bleef achter de laatste letter staan. Er trok een zwarte vlek in het papier.
‘Pap is gevallen,’ zei Lieke. ‘Van de trap. Ze brengen hem naar het Meander.’
Ik schoof de envelop onder een stapel reclamefolders.
‘Is hij bij kennis?’
‘Ja. Zijn heup waarschijnlijk. Kun je komen?’
Een uur later stond ik in het ziekenhuis in Amersfoort. Mijn jas was nat van de regen. Onder mijn trui droeg ik een strakke borstband die na een hele werkdag pijn deed bij mijn ribben. Ik had hem thuis moeten uittrekken. Daar had ik niet aan gedacht.
Lieke wachtte bij de koffieautomaat. Ze keek naar mijn haar. Het was sinds zaterdag kort. Echt kort, niet het kapsel dat ik jarenlang aan de kapper had gevraagd met de toevoeging dat het wel vrouwelijk moest blijven.
‘Zo,’ zei ze.
‘Waar is hij?’
Ze wees naar de gang.
Mijn vader lag achter een gordijn. Zijn rechtervoet stond vreemd naar buiten. Op zijn voorhoofd zat een pleister. Hij keek eerst naar mij en daarna naar Lieke, alsof zij iets moest uitleggen.
‘Wat heb jij met je kop gedaan?’
‘Haar laten knippen.’
‘Dat zie ik.’
Ik zette mijn tas neer. Naast zijn bed stond een plastic zak met zijn kleren. Zijn broek was opengeknipt.
‘Hoe ben je gevallen?’ vroeg ik.
‘De lamp op de overloop. Dat rotding knipperde.’
Hij was op een krukje boven aan de trap gaan staan. Natuurlijk. Mijn vader liet liever zijn heup breken dan dat hij iemand vroeg een lamp te vervangen.
Een verpleegkundige schoof het gordijn opzij. Op haar borst stond: Sanne.
‘En dit zijn uw dochters?’
‘Ja,’ zei mijn vader.
‘Ik ben zijn zoon,’ zei ik.
Het was eruit voordat ik had besloten dat dit het moment was.
Lieke keek naar de vloer. Mijn vader trok zijn hoofd iets op van het kussen.
‘Pardon?’
Mijn mond werd droog.
‘Ik heet Mika.’
Sanne keek naar mij. Niet lang. Gewoon lang genoeg.
‘Mika. Goed. Wilt u even aan deze kant gaan staan? Dan kan ik bij het infuus.’
Ik stapte opzij. Zij controleerde een slangetje. Mijn vader bleef me aankijken.
‘We gaan dit nu niet doen,’ zei hij.
‘Ik zeg alleen hoe ik heet.’
‘Je heet Marieke.’
Naast mij hoorde ik Lieke ademhalen. Snel en hoog. Dat deed ze vroeger ook wanneer onze ouders ruzie maakten.
Sanne trok het dekentje recht.
‘De arts komt zo uitleg geven over de operatie.’
Ze vertrok. Mijn vader draaide zijn gezicht naar het gordijn.
Ik was tweeëndertig. Ik betaalde huur voor een bovenwoning in Utrecht. Ik werkte vier dagen per week bij een installatiebedrijf. Ik kon een bouwtekening lezen, een lekkage opsporen en ruzie maken over een verkeerde factuur. Toch voelde ik me bij dat bed ineens twaalf.
‘Waarom nu?’ fluisterde Lieke in de gang.
‘Omdat ze het vroeg.’
‘Pap heeft pijn.’
‘Ik heb hem niet om een gesprek gevraagd.’
Ze wreef over haar ogen.
‘Ik weet het. Ik schrik gewoon.’
Zij wist het al drie maanden. Mijn vader niet. Ik had hem een brief geschreven. Die zat in de envelop op mijn keukentafel. Ik had de brief vier keer veranderd. De zin “Ik ben nog steeds dezelfde” had ik uiteindelijk geschrapt. Ik begreep wat mensen ermee bedoelden, maar ik wilde juist niet beloven dat er niets zou veranderen.
We gingen terug toen de arts kwam. Gebroken heup. Operatie de volgende ochtend. Mijn vader stelde praktische vragen. Hoe lang opname? Wanneer lopen? Mocht hij autorijden?
Hij keek niet naar mij.
Bij het afscheid legde ik mijn hand op de bedrand.
‘Ik kom morgen terug.’
‘Je hoeft niet,’ zei hij.
Ik liet mijn hand nog even liggen. Daarna trok ik hem weg.
In de trein naar Utrecht stuurde Lieke een bericht.
Hij is geschrokken. Geef hem tijd.
Ik typte: Ik ook.
Dat verstuurde ik niet.
Thuis pakte ik de envelop. Mijn nieuwe naam stond scheef bovenaan. Ik had hem gekozen omdat ik hem mooi vond. Niet ter ere van iemand. Niet om mijn vader te straffen. Mika paste bij me.
Ik stopte de brief erin en plakte hem dicht.
De volgende ochtend zou ik hem meenemen.
Hoofdstuk 2
Op de werkbon
Op maandag zette mijn collega Dennis een stapel werkbonnen op mijn bureau.
‘Goed weekend, Marieke?’
Ik keek naar de bovenste bon. Een lekkende vloerverwarming in Nieuwegein. Daaronder stond mijn oude naam als werkvoorbereider.
‘Ik wil jullie straks iets vertellen,’ zei ik.
Dennis hield zijn mok halverwege zijn mond stil.
‘Je gaat toch niet weg?’
‘Nee.’
‘Mooi. Anders moet ik die planning doen.’
Hij liep naar de werkplaats.
Mijn vader was inmiddels geopereerd. De brief lag in zijn nachtkastje. Ik had gezien dat de envelop open was, maar hij had er niets over gezegd. Hij vroeg alleen of ik zijn oplader uit huis kon halen.
Het weekend had me uitgeput. Toch wilde ik niet nóg een maandag doorbrengen met een naam waarvan ik steeds verder weg raakte.
Om kwart over acht stonden we bij het planbord. Zes monteurs, twee werkvoorbereiders en mijn leidinggevende, Anja. Buiten reed een bus achteruit. Het piepsignaal klonk door de open deur.
‘Voor we beginnen,’ zei ik.
Iedereen keek op.
Ik had een tekst in mijn broekzak. Die liet ik zitten.
‘Ik ben een man. Mijn naam is Mika. Ik wil dat jullie die naam gebruiken. En hij, in plaats van zij.’
Dennis zette zijn mok neer.
‘Oké.’
Een monteur achter hem vroeg: ‘Moeten we dan nieuwe mailadressen krijgen?’
‘Alleen ik,’ zei ik.
Er werd kort gelachen. Ik ook. Mijn knieën trilden.
Anja knikte.
‘Dat regelen we vandaag. Zijn er dingen die je verder nodig hebt?’
‘Dat niemand er een groot personeelsbericht van maakt zonder het me te vragen.’
‘Afgesproken.’
Daarna ging het over een warmtepomp die niet geleverd was. Het gewone werk kwam terug met zo’n snelheid dat ik er bijna boos van werd. Ik had drie nachten nauwelijks geslapen. Dennis wilde weten wie er naar Houten ging.
In de lunchpauze zat ik alleen in mijn auto. Niet omdat iemand vervelend had gedaan. Ik kon gewoon even geen vragen verdragen.
Mijn telefoon trilde. Een bericht van Joris.
En? Nog in leven?
Ik stuurde een foto van mijn broodtrommel.
Blijkbaar. Kaas meegenomen.
Joris had ik ontmoet bij een praatavond voor trans mensen in Utrecht. De eerste keer had ik buiten twintig minuten naar de bel staan kijken. Binnen had hij gevraagd of ik koffie wilde. Niet welke operaties ik wilde. Niet hoe ik het zeker wist. Alleen koffie.
Nu belde hij.
‘Hoe ging het?’
‘Verdacht normaal.’
‘Dat kan ook.’
‘Ik zit wel te trillen.’
‘Ook normaal. Heb je gegeten?’
Ik nam demonstratief een hap, hoewel hij dat niet kon zien.
Die middag veranderde Anja mijn naam in het planningsprogramma. De systeembeheerder paste mijn e-mailadres aan. Op mijn loonstrook bleef voorlopig de naam uit mijn officiële gegevens staan. Anja vroeg wie die gegevens mocht zien. Dat had ik zelf nog niet bedacht.
Om drie uur stuurde Dennis een offerte naar een klant in Zeist. Hij zette mij in de cc.
Beste meneer Smit, onze werkvoorbereidster Marieke neemt contact met u op.
Ik staarde naar het scherm.
Het was een oude standaardtekst. Ik wist het. Toch voelde het alsof de hele ochtend was gewist.
‘Dennis.’
Hij draaide zich om.
Ik wees naar mijn scherm.
‘O, shit. Sorry.’
‘Wil je het herstellen?’
‘Zeker.’
Hij stuurde meteen een nieuw bericht. Onze werkvoorbereider Mika neemt contact op. Excuses voor de fout.
Geen uitleg. Geen persoonlijke informatie. Alleen een correctie.
Ik bedankte hem. Hij knikte en ging verder.
Later, bij de printer, kwam de vraag alsnog.
‘Mag ik iets vragen? En zeg het als het niet kan.’
Ik wachtte.
‘Wist je dit al toen je hier begon?’
‘Ik wist dat er iets niet klopte. Ik wist nog niet wat ik daarmee moest.’
‘Dat lijkt me vermoeiend.’
‘Was het ook.’
Hij pakte zijn afdrukken. Voor één keer probeerde niemand mijn verhaal af te maken.
Na het werk reed ik naar Amersfoort. Mijn vader zat in een stoel naast zijn ziekenhuisbed. Zijn gezicht was grijs.
‘Je brief gelezen,’ zei hij.
Ik ging zitten.
‘En?’
Hij wees naar de kast.
‘Mijn bril ligt daar.’
Ik gaf hem zijn bril.
‘Pap.’
Hij hield het montuur met twee handen vast.
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’
‘Je kunt beginnen met Mika.’
Hij keek naar de deur. Op de gang rammelde een kar.
‘Ik ben moe.’
Ik bleef nog tien minuten. Daarna ging ik naar huis.
Hoofdstuk 3
De reservesleutel
Mijn vader mocht naar huis als er beneden een bed stond. Hij moest met een rollator kunnen lopen en er kwam tijdelijk thuiszorg. Lieke maakte een schema. Haar naam vulde de meeste vakjes.
‘Ik kan dinsdag en donderdag,’ zei ik aan de telefoon.
‘En zaterdag?’
‘Dan niet.’
‘Wat heb je dan?’
‘Een afspraak.’
Ik had niets. Ik wilde één dag niet naar Amersfoort rijden. Zodra ik had opgehangen, schaamde ik me voor de leugen en voor de opluchting.
Op donderdag gebruikte ik mijn reservesleutel. Het huis rook naar koffie en de vette crème die mijn vader op zijn handen smeerde. Het bed stond tussen de boekenkast en de eettafel. De stoel van mijn moeder was naar de schuur verplaatst.
Zij was zes jaar dood. Toch keek ik bij binnenkomst nog vaak naar die stoel.
‘Ik heb boodschappen,’ riep ik.
‘Zet maar neer.’
Mijn vader zat bij het raam. Zijn rollator stond precies buiten bereik.
Ik schoof hem dichterbij.
‘Die stond daar goed.’
‘Je moet erbij kunnen.’
‘Ik ben niet achterlijk.’
Ik zette de melk in de koelkast. Er stond al een vol pak. Op het aanrecht lagen twee ongeopende maaltijdverpakkingen.
‘Heb je geluncht?’
‘Geen trek.’
Ik maakte twee boterhammen. Kaas, mosterd. Hij at ze zonder commentaar.
Daarna wilde hij naar het toilet. Ik liep achter hem aan, langzaam genoeg om hem niet op te jagen. Bij de drempel bleef een wiel steken. Hij vloekte. Ik hield de rollator vast terwijl hij zijn voet verplaatste.
‘Niet trekken,’ beet hij me toe.
‘Dat doe ik niet.’
Terug in zijn stoel zweette hij. Ik gaf hem water.
‘Je moeder had dit moeilijk gevonden,’ zei hij.
Ik bleef staan met de kan in mijn hand.
‘Wat?’
‘Wat jij nu doet.’
Ik zette de kan neer.
‘Dat weet je niet.’
‘Ik kende haar langer dan jij.’
‘Dan nog.’
Hij keek naar de foto op de kast. Mijn moeder op het strand bij Egmond. Haar jas open, een broodje in haar hand. Ik had die foto gemaakt. Vlak ervoor hadden we ruzie gehad omdat ik geen jurk wilde dragen naar de verjaardag van mijn oma.
Ze had me toen koppig genoemd. Later had ze een broek voor me klaargelegd. Meer wist ik niet. Wat zij nu zou vinden, kon niemand namens haar zeggen.
‘Gebruik haar hier niet voor,’ zei ik.
Mijn vader kneep zijn mond samen.
‘Ik mag toch wel zeggen dat ik mijn dochter mis?’
‘Ik zit hier. Ik heb net je boodschappen gedaan.’
‘Je begrijpt me best.’
Dat was het probleem. Ik begreep hem vaak. Ik kon zijn schrik verklaren. Zijn verdriet. Zijn behoefte om het verleden hetzelfde te houden. Ondertussen moest ik mijn eigen woorden steeds kleiner maken, anders was het te veel voor hem.
Mijn telefoon ging. Lieke.
‘Wil je de blauwe map zoeken?’ vroeg ze. ‘Voor de verzekering. Pap zegt dat hij boven ligt.’
Ik ging de trap op. Bij de overloop zat een donkere veeg op de muur. Van zijn val, vermoedelijk. Ik keek er niet lang naar.
De map lag in de kast van mijn oude kamer. Daarnaast stond een schoenendoos met foto's.
Ik trok hem naar me toe.
Op de bovenste foto was ik negen. Kort haar, een groen voetbalshirt, modder op mijn knieën. Naast me stond Lieke met een ijsje. Ik zag er niet verdrietig uit. Dat maakte me onverwacht onrustig. Alsof een gelukkige foto bewijs tegen me kon zijn.
Ik nam hem mee naar beneden.
‘Deze wil ik hebben.’
Mijn vader keek op.
‘Waarom?’
‘Omdat ik erop sta.’
Hij haalde zijn schouders op.
Toen ik mijn jas aantrok, vroeg hij of ik zondag kwam eten.
‘Noem je me dan Mika?’
Zijn gezicht verstrakte.
‘Moet overal een voorwaarde aan zitten?’
Ik hield de sleutel vast. Het blauwe plastic kapje was gebarsten.
‘Niet overal. Hier wel.’
Buiten belde ik Lieke. Ik vertelde over mama. Over zondag.
‘Hij bedoelt het niet slecht,’ zei ze.
‘Dat maakt het niet minder pijnlijk.’
Ze zweeg.
‘Ik wil je broer zijn,’ zei ik. ‘Niet het probleem dat jij tussen de boodschappen en de thuiszorg moet oplossen.’
Aan de andere kant hoorde ik een deur dichtgaan.
‘Dat ben je niet,’ zei ze.
‘Zo voelt het soms wel.’
Dit keer sprak ze me niet tegen.
Hoofdstuk 4
Niet op de foto
De uitnodiging voor Lieke en Bas lag drie weken later op mijn deurmat. Ze zouden trouwen in het stadhuis van Amersfoort. Daarna eten bij een klein restaurant aan de Eem.
Op de envelop stond Mika van Dijk.
Ik zette hem op mijn vensterbank.
Twee dagen later belde Lieke over de familiefoto's.
‘De fotograaf vroeg om een lijstje. Wie bij wie hoort.’
‘Goed.’
‘Pap heeft jouw naam gezien.’
Ik schoof een pan van het vuur.
‘En?’
‘Hij zegt dat hij niet op een foto wil als iedereen moet doen alsof.’
Het water in de pan borrelde nog na.
‘Alsof wat?’
‘Dat waren zijn woorden.’
‘Wat heb jij gezegd?’
Ze antwoordde niet meteen.
‘Dat ik geen ruzie wil op mijn bruiloft.’
Ik hield mijn telefoon steviger vast.
‘Dus wat vraag je me?’
‘Kunnen jullie het die dag gewoon laten rusten?’
‘Wil je dat ik niet reageer als hij me verkeerd noemt?’
‘Alleen die dag.’
Ik keek naar de uitnodiging op de vensterbank. Mijn naam stond in donkerblauwe letters. Blijkbaar mocht hij wel op papier bestaan.
‘Ik kom om jouw huwelijk te vieren. Ik ga geen toespraak houden over mezelf. Maar ik ga ook niet zeggen dat zijn naam voor mij klopt.’
‘Dat vraag ik niet.’
‘Je vraagt dat ik mijn mond houd.’
Ze begon te huilen. Ik wilde onmiddellijk toegeven. Dat gebeurde altijd zodra Lieke huilde. Dan werd mijn eigen boosheid iets wat ik moest opruimen.
‘Ik bel morgen terug,’ zei ik.
Ik hing op voordat ik alsnog sorry kon zeggen.
Die avond ging ik naar de praatgroep. In het buurthuis rook het naar schoonmaakmiddel en opgewarmde soep. We zaten met acht mensen rond twee tafels. Joris schoof een stoel voor me vrij.
Ik vertelde over de bruiloft. Daarna zei ik dat ik misschien gewoon niet moest gaan.
‘Wil jij niet gaan?’ vroeg een vrouw tegenover me. Ze heette Farah en droeg haar fietshelm nog op schoot.
‘Natuurlijk wel.’
‘Dan is dat in elk geval duidelijk.’
‘Het lost niets op.’
‘Nee.’
Ik vond haar antwoord vervelend. Ik wilde een plan dat niemand zou kwetsen. Ze gaf me geen plan.
Na afloop liep Joris mee naar mijn fiets.
‘Ik ben bang dat ik alles om mij laat draaien,’ zei ik.
‘Je vraagt of ze je naam gebruiken.’
‘En als dat voor hen groot is?’
‘Dan is het groot. Je hoeft daarom niet te verdwijnen.’
Hij zei het rustig. Niet als een les. Hij had zelf een halfjaar geen contact met zijn broer gehad. Ik wist dat hij soms nog een bericht typte en weer wiste.
De volgende middag kwam Lieke langs. Ze had twee broodjes meegenomen. We aten aan mijn kleine keukentafel.
‘Ik heb je iets gevraagd wat ik pap had moeten vragen,’ zei ze.
Ik legde mijn broodje neer.
‘Ja.’
‘Ik dacht: jij begrijpt tenminste waarom ik het vraag.’
‘Dat is niet echt een compliment.’
‘Nee. Dat snap ik nu.’
Ze vertelde dat ze onze vader had gebeld. De gastenlijst bleef zoals hij was. De fotograaf zou mijn naam gebruiken. Wie niet op de foto wilde, hoefde er niet op.
‘Wat zei hij?’
‘Dat ik ondankbaar ben.’
Ik trok een kruimel van het tafelblad.
‘Sorry.’
‘Niet doen,’ zei ze. ‘Ik vertel het alleen.’
Voor de bruiloft kocht ik met Joris een donkerblauw pak in Utrecht. De verkoper vroeg welke maat jas ik zocht. Verder niets. In het pashokje draaide ik me naar de spiegel en bleef staan.
Het pak maakte me niet ineens zeker. Mijn borst stoorde me. Mijn heupen ook. Maar ik zag iemand die ik niet meteen wilde verbergen.
Op de trouwdag zat mijn vader vooraan, met zijn stok tegen zijn knie. Toen ik naast hem ging staan, keek hij naar mijn pak.
‘Goedemorgen,’ zei ik.
‘Morgen.’
Na de ceremonie riep de fotograaf ons bij elkaar.
‘Lieke, Bas, vader en Mika graag.’
Mijn vader bleef zitten.
Lieke pakte Bas bij de hand. Ik voelde iedereen wachten.
Toen zette mijn vader zijn stok neer en stond op.
Hij ging naast Lieke staan. Niet naast mij.
Op de foto kijken we alle vier naar de camera. Er ontbreekt niemand. Toch zie ik nog precies hoeveel ruimte er tussen ons zat.
Hoofdstuk 5
De wachttijd
Na de bruiloft sliep ik slecht. Ik had gedacht dat ik rustiger zou worden zodra iedereen het wist. In plaats daarvan luisterde ik bij elke introductie of iemand aarzelde. Ik controleerde e-mails op mijn naam. In winkels oefende ik zinnen voordat ik ze uitsprak.
Op een woensdag stond ik in de supermarkt met een mandje in mijn hand en wist ik niet meer wat ik kwam halen.
Ik kocht tandpasta en een ui.
Thuis ging ik op de keukenvloer zitten. Mijn jas hield ik aan.
Er was niets groots gebeurd. Dat maakte het moeilijk om uit te leggen waarom ik niet kon opstaan.
De volgende ochtend belde ik de huisarts. De assistent vroeg of het spoed was.
‘Nee,’ zei ik.
Daarna: ‘Maar ik trek het niet goed.’
Ik kon die middag terecht.
Huisarts De Wit draaide haar scherm iets van me weg. Ze had mijn oude naam nog in het dossier staan. Bovenaan had iemand in een apart veld Mika gezet.
‘Waar heb je het meeste last van?’ vroeg ze.
Ik vertelde over het slapen. Mijn vader. Mijn lichaam. De spanning op het werk, ook al ging het daar meestal goed.
‘Twijfel je aan wie je bent?’
Ik dacht na.
‘Nee. Ik twijfel of ik dit volhoud.’
Ze knikte en vroeg door. Of ik nog at. Of ik naar mijn werk ging. Of ik mezelf iets wilde aandoen.
‘Nee. Ik wil vooral even niet opletten.’
Dat schreef ze op.
Ze kon de wachttijd voor specialistische genderzorg niet wegwerken. Dat zei ze meteen. Wel kon ik gesprekken krijgen met de praktijkondersteuner. We spraken ook over de pijn aan mijn ribben. Ik droeg mijn borstband te lang. Soms hield ik hem thuis aan omdat ik anders niet langs de spiegel wilde lopen.
‘Pijn is een reden om hem uit te doen,’ zei ze.
‘Dat weet ik.’
‘Weten en doen zijn soms twee verschillende dingen.’
Ze klonk niet streng. Daardoor kon ik toegeven dat ik hulp nodig had.
Op het werk vroeg ik Anja of ik een paar weken eerder kon beginnen en eerder kon stoppen. Dan hoefde ik niet in de volle trein als mijn auto bij de garage stond. Ze vroeg of ik minder werk nodig had.
‘Tijdelijk misschien.’
Het woord bleef in mijn keel hangen. Ik was bang dat ze voortaan alles wat misging aan mij zou koppelen.
Ze pakte de planning.
‘Welke projecten kunnen we overdragen?’
We kozen er twee. Meer gebeurde er niet.
De praktijkondersteuner heette Noor. In het eerste gesprek praatte ik bijna alleen over wat ik anderen aandeed.
Mijn vader had verdriet. Lieke stond ertussen. Mijn collega's moesten wennen. Mijn ex-vriend Thomas had ooit gezegd dat hij zich bedrogen voelde, hoewel ik tijdens onze relatie zelf nog geen woorden had voor wat er speelde.
Noor luisterde.
‘Wat kost het jou om iedereen tevreden te houden?’ vroeg ze.
Ik wilde een verstandig antwoord geven. Er kwam iets anders.
‘Mijn hele dag.’
Daarna huilde ik. Niet mooi of kort. Mijn neus liep en ik werd boos op de doos tissues die te ver weg stond.
Noor schoof hem naar me toe.
We maakten geen nieuw mens van me in zes gesprekken. We oefenden kleine dingen. Niet onmiddellijk reageren op berichten van mijn vader. Een bezoek vooraf begrenzen. Zeggen dat een vraag te persoonlijk was, zonder daarna alsnog antwoord te geven.
Ook begon ik uit te zoeken hoe ik mijn officiële gegevens kon laten aanpassen. Ik belde het gemeenteloket voor informatie en schreef op welke documenten en stappen nodig waren. Er bleken meer afspraken en kosten bij te horen dan ik had gehoopt. Ik legde elke maand geld apart.
Op een avond kwam Joris eten. Ik had de foto uit de schoenendoos op mijn boekenplank gezet.
‘Ben jij dat?’ vroeg hij.
‘Ja.’
Hij keek naar mijn voetbalshirt.
‘Goede knieën toen nog.’
Ik lachte.
Later zei ik dat ik soms bang was dat ik vroeger niet ongelukkig genoeg was geweest.
‘Voor wie moet dat genoeg zijn?’ vroeg hij.
Ik wist het niet.
Na zijn vertrek bekeek ik de foto opnieuw. Ik probeerde er dit keer niets mee te bewijzen. Ik zag een kind dat buiten had gespeeld. Dat was ook waar.
Ik liet de foto staan.
Hoofdstuk 6
Aan zijn tafel
In november belde mijn vader zelf.
Ik stond in de werkplaats bij een kapotte circulatiepomp. Mijn telefoon lag te trillen tussen twee schroevendraaiers. Ik zag zijn naam en wachtte bijna tot hij ophield.
Toen nam ik op.
‘Met Mika.’
Een korte stilte.
‘Ja. Met mij.’
‘Wat is er?’
‘Niets. Nou ja. De verzekeraar heeft een brief gestuurd. Over de trap. Ik snap niet wat ze willen.’
Ik veegde mijn hand af aan mijn broek.
‘Kun je hem fotograferen?’
‘Dat krijg ik niet goed op dat ding.’
Vroeger zou ik meteen hebben aangeboden langs te komen. Nu keek ik naar de klok.
‘Zaterdag kan ik een uur. Om elf uur.’
‘Je kunt toch blijven eten?’
‘Een uur, pap.’
Hij zuchtte, maar zei goed.
Zaterdag stond er een cake op tafel. In de verpakking. Mijn vader kon alweer zonder stok door de woonkamer lopen. Buiten gebruikte hij hem nog. Zijn heup zou nooit helemaal aanvoelen als vroeger, had de fysiotherapeut gezegd.
‘Koffie?’ vroeg hij.
‘Graag.’
Ik legde mijn telefoon naast me, met het scherm omlaag. Om twaalf uur moest ik weg. Dat had ik met mezelf afgesproken. Niet omdat ik daarna iets belangrijks had. Omdat een afspraak met mezelf ook moest tellen.
De brief bleek eenvoudig. De verzekeraar wilde een rekening van de trapleuning die Lieke had laten plaatsen. Ik zocht hem op in haar mail en stuurde hem door.
‘Dat is alles,’ zei ik.
Mijn vader schonk koffie bij.
‘Ik heb iemand gesproken.’
Ik keek op.
‘Wie?’
‘Een man bij de fysiotherapie. Zijn kind is ook zo.’
Ik zette mijn kop neer.
‘Trans?’
‘Ja.’
Hij trok aan het lipje van de cakeverpakking. Het scheurde af. Ik wachtte tot hij een mes had gehaald.
‘Hij zei dat ik moest ophouden met wachten.’
‘Waarop?’
‘Dat je je zou bedenken.’
Mijn vader sneed drie te dikke plakken af. Eén brak doormidden.
Ik voelde geen opluchting. Nog niet. Ik wilde weten of dit een nieuwe manier was om hetzelfde gesprek te beginnen.
‘En wat vind jij?’ vroeg ik.
Hij keek naar zijn handen.
‘Ik begrijp het niet.’
‘Dat heb je vaker gezegd.’
‘Laat me even uitpraten.’
Ik leunde achterover.
‘Ik dacht dat je zei dat alles vroeger verkeerd was. Wij ook. Je moeder en ik.’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Dat snap ik nu iets beter.’
Buiten sloeg een autoportier dicht. Mijn vader keek naar het raam en daarna weer naar mij.
‘En ik had je moeder er niet bij moeten halen.’
Ik drukte mijn duim tegen de rand van mijn kop. Dit was de eerste keer dat hij die middag iets zei waarvoor ik geen uitleg hoefde te geven.
‘Nee,’ zei ik. ‘Dat had je niet moeten doen.’
Hij knikte.
Ik vertelde hem dat ik niet elke herinnering wilde veranderen. Dat ik wist welke naam mijn ouders me hadden gegeven en waarom. Maar dat ik die naam niet hoefde te blijven dragen om dankbaar te zijn voor wat wel goed was geweest.
Hij luisterde. Eén keer opende hij zijn mond. Toen sloot hij hem weer.
‘Waarom Mika?’ vroeg hij.
Ik had een verdediging klaar. Dat hij de naam niet hoefde goed te keuren. Dat het mijn keuze was.
Maar hij had alleen waarom gevraagd.
‘Ik kwam hem tegen in een boek. Ik schreef hem op. Later gebruikte ik hem bij een koffiebar. Gewoon om te horen hoe het klonk als iemand me riep.’
‘En toen wist je het?’
‘Niet meteen. Ik heb ook andere namen geprobeerd.’
‘Welke?’
‘Daan.’
Mijn vader trok zijn wenkbrauwen op.
‘Je neef heet Daan.’
‘Dat vond ik uiteindelijk ook onhandig.’
Hij lachte kort. Ik ook.
Om vijf voor twaalf stond ik op.
‘Nu al?’
‘We hadden een uur afgesproken.’
Hij keek naar de cake, alsof die misschien nog iets kon regelen.
Bij de deur legde hij zijn hand op mijn schouder. Onwennig. Hij deed dat bijna nooit.
‘Tot gauw, Mi…’
Hij stopte.
Ik wachtte.
‘Mika.’
‘Tot gauw, pap.’
In mijn auto bleef ik zitten zonder de motor te starten. Ik belde Lieke niet meteen. Ik wilde dit eerst zelf hebben.
Het was een goed uur geweest. Het maakte de andere maanden niet ongedaan.
Maar toen ik naar huis reed, merkte ik dat mijn kaken niet op elkaar geklemd zaten.
Hoofdstuk 7
Mijn handtekening
Ruim een jaar nadat ik die envelop had dichtgeplakt, haalde ik mijn nieuwe identiteitsbewijs op bij het stadskantoor in Utrecht.
Er waren formulieren aan voorafgegaan. Afspraken, documenten en een procedure die langer duurde dan ik aanvankelijk had verwacht. Een keer was een brief verkeerd bezorgd. Een andere keer ontbrak er iets waarvan ik dacht dat ik het al had ingeleverd.
Ik had het mapje met alle papieren meegenomen, hoewel in de afspraakbevestiging stond dat het niet nodig was.
Mijn nummer verscheen op het scherm.
Aan de balie controleerde een medewerker mijn gegevens. Hij schoof de kaart naar me toe.
Mika van Dijk.
Ik keek eerst naar de naam. Toen naar de foto. Die was verschrikkelijk. Mijn haar stond plat en mijn mond trok scheef, omdat ik te hard had geprobeerd neutraal te kijken.
‘Klopt alles?’ vroeg de medewerker.
‘Ja.’
Ik zei het nog een keer.
‘Ja, alles klopt.’
Buiten bij het station kocht ik koffie. Ik zette een foto van de kaart in de familie-app, met de nummers en andere gegevens afgedekt.
Lieke stuurde zes uitroeptekens. Daarna een foto van haar zoontje, die op een rijstwafel kauwde. Hij was vier maanden oud en had een gezicht alsof hij de rijstwafel persoonlijk iets kwalijk nam.
Mijn vader schreef: Gefeliciteerd Mika.
Geen komma. Wel mijn naam.
Ik stopte mijn telefoon weg en ging op een bank zitten. Ik wachtte op een groot gevoel. Er kwam vooral vermoeidheid. En daarna trek.
Dus kocht ik een broodje.
Dat had ik inmiddels vaker meegemaakt. Een belangrijke stap kon eindigen met mosterd op mijn jas. Opluchting hoefde niet indrukwekkend te zijn om echt te zijn.
Er was nog genoeg lastig. Ik wachtte op een volgend gesprek over medische zorg. Over sommige keuzes dacht ik anders dan een jaar eerder. Ik wilde informatie, tijd en ruimte om zelf te beslissen. Niet bewijzen dat ik een man was door elk beschikbaar traject af te vinken.
Mijn lichaam kon me nog steeds dwarszitten. Op slechte ochtenden kleedde ik me drie keer om. Soms zei een onbekende mevrouw en was ik de rest van de dag boos op mezelf omdat het me zoveel deed.
Op het werk ging het meestal goed. Dennis gebruikte heel af en toe nog een oude naam in een verhaal van vroeger. Hij herstelde het dan zelf. Anja vroeg bij nieuwe klanten gewoon wie welk project overnam. Ik was niet langer het speciale onderwerp van de week.
Mijn vader maakte ook fouten. Het verschil was dat hij niet meer van elke correctie een discussie maakte.
Een maand na mijn bezoek aan het stadskantoor gingen we met Lieke en Bas lunchen in Amersfoort. Mijn neefje lag in zijn kinderwagen naast de tafel. Mijn vader probeerde met één vinger zijn vuist open te krijgen.
‘Sterk kereltje,’ zei hij.
De serveerster kwam vragen of we nog iets wilden drinken.
‘Mijn dochter wil volgens mij koffie,’ zei mijn vader, terwijl hij naar mij wees.
Ik verstijfde.
Hij keek op.
‘Mijn zoon. Sorry. Mika, koffie?’
‘Ja, graag.’
De serveerster schreef het op. Bas vroeg of iemand zijn broodje wilde delen. Lieke veegde melk van de kin van haar kind.
Het gesprek ging verder. De fout bleef niet tussen de borden liggen.
Later liep mijn vader met me naar de parkeerplaats. Hij liep langzaam, maar zonder stok.
‘Ik oefen soms,’ zei hij.
‘Wat?’
‘Als ik alleen ben. Zinnen. Dit is mijn zoon Mika. Dat soort dingen.’
Ik keek naar hem.
Hij haalde zijn schouders op.
‘Blijkbaar heb ik dat nodig.’
‘Fijn dat je het doet.’
Meer zei ik niet. Ik hoefde hem niet te belonen met de belofte dat alles nu goed was. Hij vroeg er ook niet om.
Thuis lag de oude envelop in mijn bureaula. Mijn vader had me de brief een paar maanden eerder teruggegeven. Hij had een kopie gehouden. Dat had hij pas verteld toen ik vroeg waarom hij hem niet zelf wilde bewaren.
Ik las de brief niet opnieuw. Ik legde mijn nieuwe identiteitsbewijs er even naast.
Daarna pakte ik een kaart voor een nieuwe collega die vader was geworden. Iedereen op kantoor zou er iets op schrijven. Ik had hem meegenomen omdat ik hem steeds vergat.
Ik schreef een korte felicitatie.
Daaronder zette ik mijn naam.
Niet langzaam. Niet om te testen hoe hij eruitzag. Gewoon als afzender.
Toen deed ik de pen dicht en ging ik eten koken.