Mantelzorg en ouder worden
De sleutels van papa's auto
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
De klap
Mijn vader reed achteruit toen ik achter zijn auto stond. Niet hard. Hard genoeg om mij tegen de containers te drukken als ik niet opzij was gesprongen.
‘Pap! Stop!’
De grijze Opel schoot nog een halve meter door. Er klonk een droge klap. De groene bak van de buren lag onder zijn achterbumper.
Papa stapte uit en keek eerst naar de auto.
‘Die bak stond daar gisteren niet.’
Ik voelde mijn hart tot in mijn keel. Mijn boodschappentas lag open op de stoep. Een pak yoghurt liep leeg tussen de klinkers.
‘Ik stond daar ook.’
Hij bukte bij de bumper. ‘Ik zag je toch weggaan?’
Mijn naam is Marieke van Dijk. Ik was achtenvijftig en gaf drie dagen per week les op een basisschool in Zwolle. Mijn vader, Henk, woonde alleen in Hattem. Hij was drieëntachtig. Tot die donderdag dacht ik dat ik hem hielp. Boodschappen meenemen. Zijn bed verschonen. Een rekening bekijken. Na die klap wist ik niet meer waar helpen ophield.
Ik zette de container recht. De as zat scheef. Binnen waste ik de yoghurt van mijn handen. Op het aanrecht stonden drie koffiekopjes met velletjes op de melk. De koelkastdeur klemde tegen een zak aardappels.
‘Je moet je spiegels beter gebruiken,’ zei ik.
Papa trok zijn jas uit. ‘Daar hoef jij mij geen les in te geven.’
Hij had veertig jaar bestelwagens gereden. Eerst voor een installatiebedrijf, later als zelfstandig monteur. Hij kende de binnenwegen tussen Kampen en Apeldoorn zonder navigatie. Als kind had ik naast hem gezeten, op een jas om boven het dashboard uit te kijken.
Nu zat hij aan tafel met zijn autosleutel in zijn hand. Hij draaide het metalen blad tussen duim en wijsvinger.
‘Heb je gegeten?’ vroeg ik.
‘Natuurlijk.’
‘Wat dan?’
Hij keek naar de klok. ‘Waarom moet jij dat weten?’
Ik pakte twee boterhammen. De kaas had harde randen. Onder de broodtrommel lag een envelop van de energieleverancier. Tweede herinnering. Ik schoof hem naar me toe.
Papa sloeg zijn hand erop.
‘Dat regel ik.’
‘Wanneer?’
‘Als jij weg bent.’
Ik liet de envelop liggen. Dat voelde redelijk. Achteraf heb ik vaak aan die kleine terugtocht gedacht. Niet omdat ik toen alles had moeten overnemen. Wel omdat ik bang was geworden voor zijn boosheid. Daardoor keek ik liever naar zijn brood dan naar wat er misging.
Mijn moeder was elf maanden eerder overleden. Ze had lang geweten dat haar hart het niet zou volhouden. Papa had haar medicijnen klaargezet en haar steunkousen aangetrokken. Na de uitvaart zei iedereen dat hij zo sterk was.
Ik had dat ook gezegd.
Die middag vond ik haar pantoffels nog onder de bank. Daarnaast lag een ongeopende maaltijd die ik zondag had gebracht. De verpakking stond bol.
‘Die kan weg,’ zei ik.
‘Je moeder houdt niet van stamppot uit een bakje.’
Ik bleef gehurkt zitten.
Papa wreef over zijn voorhoofd. ‘Hield. Ik zei hield.’
‘Dat weet ik.’
Hij keek me strak aan. Ik deed de maaltijd in de vuilniszak en zei niets meer.
Voordat ik vertrok, vroeg ik of hij voorlopig niet wilde rijden. Gewoon een week. Tot we samen naar de huisarts waren geweest. Zijn gezicht werd rood.
‘Jij komt hier met een tas boodschappen en denkt dat je de baas bent.’
‘Je reed bijna tegen me aan.’
‘Bijna is niet gebeurd.’
Ik vroeg om de sleutel. Hij stopte hem in zijn broekzak.
Onderweg naar huis belde mijn broer Sander. Hij woonde in Breda en kwam ongeveer eens per maand.
‘Misschien een slechte dag,’ zei hij.
‘Hij had me kunnen raken.’
‘Maar dat heeft hij niet gedaan.’
Ik zette mijn auto op een parkeerplaats bij een supermarkt. Mijn handen trilden opnieuw.
‘Je klinkt precies als hij.’
Sander zuchtte. ‘Wat wil je dat ik doe?’
Ik wist het niet. Dat maakte me nog bozer.
Thuis zei mijn man Joost dat ik mijn jas nog aanhad. Ik stond midden in de keuken. Op mijn mouw zat opgedroogde yoghurt.
Om kwart over tien belde buurvrouw Ans.
‘Je vader staat bij zijn auto,’ zei ze. ‘Hij vraagt of ik weet waar de garage is gebleven.’
‘Welke garage?’
‘Die waar hij vroeger werkte.’
Dat bedrijf bestond al zeventien jaar niet meer.
Ik pakte mijn jas weer.
Hoofdstuk 2
De reservesleutel
Papa stond nog buiten toen ik aankwam. Zijn jas hing open. Hij droeg pantoffels. Ans had hem een vest willen geven, maar hij had gezegd dat hij geen kind was.
‘Ik moet de wagen wegbrengen,’ zei hij.
‘Niet vanavond.’
‘Ze wachten.’
Ik ging naast hem staan. Het portier was dicht. De sleutel stak niet in het slot.
‘Wie wachten er?’
Hij noemde een naam die ik kende van vroeger. Cor, zijn voorman. Cor was dood. Ik wilde dat zeggen, maar Ans raakte even mijn elleboog aan.
‘Kom eerst binnen, Henk,’ zei ze. ‘Je koffie staat klaar.’
Hij liep met haar mee. Ik bleef een seconde bij de auto staan. Toen volgde ik hen.
Binnen belde ik de huisartsenpost. De medewerker stelde vragen. Was hij gevallen? Had hij koorts? Was deze verwarring plotseling ontstaan? Kon hij normaal praten en lopen?
Ik keek naar papa. Hij vertelde Ans dat de container van de buren op een onmogelijke plek had gestaan. Zijn zinnen waren helder. Het verhaal klopte alleen niet.
Na overleg met een arts kreeg ik het advies bij hem te blijven en de volgende ochtend zijn eigen huisarts te bellen. Als de verwardheid toenam of hij ziek werd, moest ik opnieuw bellen.
Ik sliep op de bank onder een dun plaid. Om drie uur hoorde ik hem in de keuken. Hij stond bij de kraan met een leeg glas.
‘Ik kon niet slapen,’ zei hij.
‘Ik ook niet.’
We dronken water. Zonder ruzie. Dat maakte het bijna moeilijker.
De volgende ochtend vond ik zijn autosleutel op het kastje naast de voordeur. Ik stopte hem in mijn tas.
Ik had mezelf voorgenomen het te bespreken. Toch deed ik het snel, terwijl hij op de wc zat. Het geluid van het doortrekken voelde als een waarschuwing.
Huisarts Van Leeuwen kon ons om elf uur zien. Papa wilde niet mee. Ik zei dat ik me zorgen maakte om zijn slapen. Dat was waar, maar niet de hele waarheid.
In de spreekkamer vertelde ik over de container en de garage. Papa keek naar zijn schoenen.
‘Mijn dochter overdrijft graag.’
De huisarts draaide zich naar hem toe.
‘Hoe vindt u zelf dat het gaat?’
‘Mijn vrouw is dood. Hoe denkt u?’
Er viel een stilte. Voor het eerst die ochtend keek ik hem echt aan. Zijn stoppelbaard was geel bij de mond. Er zat een losse knoop aan zijn overhemd. Ik zag niet alleen gevaar. Ik zag ook een man die elke ochtend wakker werd in een huis waarin niemand antwoord gaf.
De huisarts onderzocht hem en regelde bloedonderzoek. Ze wilde lichamelijke oorzaken uitsluiten en daarna zijn geheugen verder laten onderzoeken. Ze vroeg naar eten, alcohol, medicijnen en slaap.
Toen kwam de auto.
‘Ik raad u aan nu niet te rijden,’ zei ze. ‘We moeten eerst uitzoeken wat er speelt.’
Papa legde zijn handen plat op haar bureau.
‘U hebt me niet eens zien rijden.’
‘Nee. Maar wat ik hoor, is ernstig genoeg om voorzichtig te zijn.’
In mijn auto zei hij niets. Pas voor zijn huis vroeg hij om de sleutel.
‘Die houd ik voorlopig bij me.’
Hij draaide langzaam zijn hoofd.
‘Je hebt hem gepakt.’
‘Ja.’
‘Uit mijn huis.’
‘Ja.’
Hij stapte uit en gooide het portier dicht. Ik liep achter hem aan, maar hij sloot de voordeur voor mijn neus.
Op school vergat ik die middag een oudergesprek. Mijn collega Rachida vond me in het magazijn tussen de knutseldozen. Ik zat op een lage kruk met mijn telefoon in mijn hand.
‘Ga naar huis,’ zei ze.
‘Ik moet nog nakijken.’
‘Dat doe ik.’
Ik begon te huilen omdat iemand iets concreets aanbood.
Sander belde die avond. Papa had hem verteld dat ik zijn spullen stal.
‘Had je dat niet samen kunnen bespreken?’ vroeg hij.
‘Dat heb ik geprobeerd.’
‘Hij voelt zich vernederd.’
‘Ik voel me bang.’
Dit keer bleef Sander stil.
Twee dagen reed de Opel nergens heen. Ans keek af en toe door haar raam. Ik belde ’s ochtends en ’s avonds. Papa nam nauwelijks op.
Op zondag stond ik met verse soep voor een leeg huis. Zijn jas was weg. De plek naast de stoep was leeg.
Ik belde Ans.
‘Hij is een uur geleden vertrokken,’ zei ze. ‘Ik dacht dat het weer mocht.’
In de keuken stond het blik met oude schroeven open.
Onder het deksel lag een labeltje.
Reservesleutel.
Hoofdstuk 3
Langs de N50
Ik belde papa zes keer. Bij de zevende poging nam hij op.
‘Waar ben je?’
‘Onderweg.’
‘Waarheen?’
‘Naar huis. Maar ze hebben hier iets veranderd.’
Ik hoorde een richtingaanwijzer. Daarna een harde claxon.
‘Pap, zoek een veilige plek om te stoppen. Een parkeerplaats. Niet op de weg.’
‘Hou nou even op.’
De verbinding verbrak.
Ik belde de politie. Ik gaf zijn kenteken door, beschreef de auto en vertelde over de verwardheid. Mijn stem klonk zakelijk. Pas toen de medewerker vroeg wat hij aanhad, wist ik niets meer.
Ik zag vijf verschillende jassen voor me.
‘Waarschijnlijk een donkerblauwe,’ zei ik. ‘Hij is drieëntachtig. Hij hoort niet goed met zijn rechteroor.’
Daarna belde ik Sander.
‘Je komt nu.’
‘Marieke, ik ben—’
‘Nu.’
Ik bleef bij papa thuis, zoals afgesproken met de politie. Dat wachten was erger dan rijden. Ik ruimde niets op. Ik liep van het raam naar de tafel en terug. Op de vensterbank stond een foto van mijn ouders in Ootmarsum. Papa hield twee ijsjes vast. Mama lachte naar iemand buiten beeld.
Na ruim een uur belde een agent. Papa stond bij een tankstation langs de N50. Een medewerker had hem aangesproken omdat hij tegen de rijrichting in het terrein op was gereden. Er was geen botsing geweest. De agenten waren bij hem.
Joost bracht me erheen. Ik durfde zelf niet te rijden.
Papa zat binnen met een bekertje thee. Twee agenten stonden bij de ingang. Op tafel lag zijn sleutel.
‘Daar is ze,’ zei papa tegen de kassamedewerker. ‘Nu krijgen we het.’
Ik ging tegenover hem zitten.
‘Ben je gewond?’
‘Nee.’
‘Mooi.’
Meer kreeg ik niet uit mijn mond.
Een agent nam me apart. Hij vertelde rustig wat ze hadden gezien. Papa wist niet goed waar hij was en had verschillende bestemmingen genoemd. De agent legde uit dat ze hun zorgen over zijn rijgeschiktheid zouden doorgeven. Hoe het verdere traject liep, zouden we bericht krijgen.
‘Vandaag rijdt hij niet zelf naar huis,’ zei hij.
Joost nam de Opel mee. Papa stapte bij mij in, naast Joosts lege bestuurdersstoel, en schoof toen met tegenzin naar achteren. Ik ging voorin zitten en wachtte tot Joost terugkwam om ons op te halen. We hadden twee ritten nodig. Niemand had daar vooraf aan gedacht.
Thuis stond Sander voor de deur.
Hij omhelsde papa. Daarna liep hij naar mij toe.
‘Sorry,’ zei hij.
Ik knikte. Als hij meer had gezegd, was ik waarschijnlijk gaan schreeuwen.
We aten soep uit kommen die niet bij elkaar pasten. Papa hield zijn lepel stil boven de zijne.
‘Jullie praten alsof ik er niet ben.’
Dat klopte. We waren bezig geweest met sleutels, afspraken en wie die nacht bleef.
Sander draaide zijn stoel.
‘We zijn geschrokken, pap.’
‘Ik ook,’ zei hij.
Ik keek op.
‘Bij die afslag,’ vervolgde hij. ‘Ik wist ineens niet meer welke kant. Alles stond zo groot op die borden.’
Niemand antwoordde meteen.
‘Waarom belde je niet?’ vroeg ik uiteindelijk.
Hij keek naar zijn soep.
‘Omdat jij dan gelijk had.’
Die zin bleef tussen ons liggen. Niet als een verwijt. Meer als iets zwaars dat hij eindelijk had neergezet.
De weken daarna bestonden uit afspraken. Bloedprikken. Een geheugentest. Een gesprek op de geheugenpoli in Zwolle. Er bleek geen eenvoudige lichamelijke verklaring voor wat er gebeurde. Ik had gehoopt op een tekort dat met pillen kon worden opgelost. Ik had dat bijna verwacht.
De geriater sprak uiteindelijk over dementie, waarschijnlijk door de ziekte van Alzheimer. Er waren aanwijzingen dat de problemen al langer speelden.
Papa keek naar het raam.
‘Hoe lang heb ik nog?’
De arts vroeg wat hij bedoelde.
‘Tot ik niks meer kan.’
Ze gaf geen datum. Ze legde uit dat het verloop verschilde en dat ondersteuning nodig was. Ze bleef tegen hem praten, ook toen ik vragen begon te stellen. Daar was ik haar dankbaar voor.
Op de terugweg reden we langs een bouwplaats. Papa wees naar een kraan.
‘Die staat niet waterpas.’
Ik wist niet of hij gelijk had.
Bij zijn huis vroeg hij niet om de sleutels. Hij bleef even naast de Opel staan en streek met zijn hand over het dak.
‘Je moeder zat altijd te rommelen met die ventilatie,’ zei hij.
Toen liep hij naar binnen.
Ik stopte beide sleutels in een envelop. Op de voorkant schreef ik alleen: auto.
Hoofdstuk 4
De lijst
De diagnose maakte mijn vader niet meegaander. Hij vergat afspraken, maar niet dat ik zijn sleutels had afgepakt.
‘Heb je ze verkocht?’ vroeg hij soms.
‘Nee.’
‘Dan wil ik ze terug.’
Op andere dagen zei hij dat autorijden hem toch niets meer interesseerde. Dan vroeg hij tien minuten later of ik hem naar de kapper kon brengen. Niet donderdag. Vandaag. Zijn haar moest vandaag.
Ik maakte een lijst voor de koelkast. Ontbijt. Medicijnen. Lunch. Avondeten. Naast elke regel stond een vakje.
Toen ik terugkwam, had hij overal een kruis gezet.
‘Zo,’ zei hij. ‘Klaar.’
In de vuilnisbak vond ik zijn brood.
Via de huisarts kwam casemanager dementie Lotte bij ons. Ze droeg gymschoenen en had een map zonder indrukwekkend logo. Papa vroeg of ze kwam controleren.
‘Ik kom kijken wat u nodig hebt,’ zei ze.
‘Een auto.’
‘Dat kan ik niet voor u regelen.’
Hij moest kort lachen. Het was de eerste keer in weken dat iemand zijn grap niet probeerde te verzachten.
Lotte vroeg hoe zijn dagen eruitzagen. Hij vertelde dat hij zelf kookte, elke ochtend wandelde en zijn administratie bijhield. Ik voelde mijn nek warm worden.
‘Dat klopt niet,’ zei ik.
Papa schoof zijn stoel naar achteren.
‘Dan vertel jij het toch.’
Lotte liet ons allebei uitpraten. Later liep ze met mij naar buiten.
‘U hoeft hem niet bij elke onjuistheid te verbeteren,’ zei ze.
‘Maar anders denkt iedereen dat het goed gaat.’
‘Daarom spreken we u ook apart. We hebben het hele beeld nodig.’
Ik vond dat redelijk en ergerlijk tegelijk. Ik wilde dat papa toegaf hoeveel ik deed. Dat was geen zorgplan. Dat was mijn behoefte.
Er kwam een wijkverpleegkundige om te beoordelen welke hulp nodig was. Daarna kwam er thuiszorg voor de medicijnen. Voor ondersteuning thuis namen we contact op met de gemeente. Er waren gesprekken, formulieren en wachttijden. Niet alles kon meteen. Niet alles paste.
De eerste huishoudelijke hulp stuurde papa weg.
‘Er is al schoongemaakt.’
Dat had ik de avond ervoor gedaan.
De tweede keer bleef ik erbij. Daardoor miste ik een teamvergadering. Mijn directeur vroeg hoeveel ruimte ik nodig had. Ik zei: ‘Een paar weken.’ Alsof ik een verstuikte enkel had.
Na twee maanden sliep ik met mijn telefoon op mijn borst. Elk geluid trok me overeind. Papa belde omdat de televisie het niet deed. Omdat er iemand aan de deur was geweest. Omdat hij niet wist of het ochtend was.
Soms belde hij niet. Dat vond ik nog erger.
Joost zette op een avond mijn bord naast de laptop.
‘Je eten wordt koud.’
‘Ik moet dit formulier afmaken.’
‘Dat zei je gisteren ook.’
‘Het moet toch gebeuren?’
Hij pakte geen stoel. Hij bleef staan.
‘Ik zeg niet dat het niet moet. Ik vraag of alles door jou moet.’
Ik vond het een makkelijke vraag van iemand wiens ouders nog samen fietsvakanties maakten. Dat zei ik ook. Hard.
Joost liep de keuken uit. Ik liet hem gaan. Daarna vulde ik het verkeerde bedrag in en moest ik opnieuw beginnen.
Met Sander maakte ik een gedeelde agenda. Hij zou de administratie doen, meegaan naar belangrijke afspraken en om de week een zaterdag komen. De eerste zaterdag kwam hij twee uur te laat.
‘File,’ zei hij.
Ik stond met mijn jas aan in papa's gang.
‘Ik heb ook een leven ingepland.’
‘Dat snap ik.’
‘Nee. Jij hebt vertraging. Ik kan niet weg.’
Papa riep vanuit de kamer dat we niet zo moesten ruziën.
Ik schaamde me. Niet genoeg om mijn excuses aan te bieden.
Die middag liep ik alleen langs de IJssel. Ik had bedacht dat ik daarvan zou opknappen. Na tien minuten keek ik alweer op mijn telefoon. Geen gemiste oproepen. Ik belde zelf.
‘Alles goed,’ zei Sander. ‘We kijken wielrennen.’
Ik hoorde papa iets roepen over een renner die te vroeg aanviel.
‘Ga iets doen, Mariek,’ zei Sander.
Ik kocht koffie en ging op een bankje zitten. Voor het eerst in maanden wist ik niet wat ik moest doen met een uur dat van mij was.
Thuis pakte ik een schoon vel papier. Bovenaan schreef ik: wat ik niet meer doe.
Ik kwam niet verder dan één regel.
Elke avond controleren of de televisie werkt.
Hoofdstuk 5
De nachtdeur
De telefoon ging om twee uur zeventien. Ik weet dat zo precies omdat ik daarna wekenlang wakker werd rond die tijd.
‘Met Ans. Je vader staat bij mij in de gang.’
Ik zat meteen rechtop.
‘Is hij gevallen?’
‘Nee. Hij zegt dat er een man in zijn huis zit.’
Buiten regende het. Joost pakte de autosleutels voordat ik iets kon zeggen.
Papa zat bij Ans aan de keukentafel. Zijn pyjamabroek was nat tot aan zijn knieën. Aan één voet had hij een schoen. De andere was bloot.
‘Die vent wilde niet weg,’ zei hij.
Ik vroeg hoe die man eruitzag.
‘Oud. Bril. Hij deed alles na.’
Ik keek naar Ans. Zij keek weg.
In papa's hal hing een grote spiegel. Ik wist niet zeker of dat het was geweest. Ik wist wel dat hij echt bang was.
‘Nu ben je hier,’ zei ik. ‘We blijven bij je.’
Ik belde de huisartsenpost. Omdat hij duidelijk verwarder was dan anders, moest hij beoordeeld worden. Later die nacht onderzocht een arts hem. Er volgde verder onderzoek. Hij bleek een infectie te hebben en was uitgedroogd. De arts sprak over een delier boven op zijn dementie.
Het woord klonk klein voor wat het deed.
De dagen erna wisselde hij snel. Soms herkende hij me. Soms dacht hij dat ik zijn zus was. Hij trok aan zijn kleding en wilde naar zijn werk. We regelden met de huisarts, thuiszorg en Lotte extra hulp. Sander kwam. Joost haalde boodschappen. Ik zette glazen water neer en telde hoeveel er leeggingen.
Na behandeling werd hij rustiger. Maar hij kwam niet helemaal terug op het niveau van daarvoor.
Een week later vond ik een aangebrande pan op het fornuis. Hij had soep opgewarmd en was in de tuin gaan zitten. De rookmelder had gepiept. Hij had de batterij eruit gehaald.
Ik stond met die batterij in mijn hand.
‘Waarom?’
‘Vanwege dat geluid.’
‘Dat geluid is juist de bedoeling.’
Hij trok zijn schouders op. Niet uitdagend. Hij begreep mijn gezicht niet.
We maakten afspraken over koken en regelden maaltijden. Het fornuis gebruiken zonder toezicht bleek niet meer veilig. Papa vond elke aanpassing overdreven. Ik vond elke aanpassing te klein.
Tijdens een bezoek vroeg Lotte hoe het met mij ging.
‘Goed genoeg.’
Ze keek naar mijn handen. Ik had het vel naast mijn duim opengekrabd.
‘Hoeveel nachten slaapt u door?’
‘Dat houd ik niet bij.’
‘En hoeveel dagen werkt u nog zoals u wilt?’
Daar begon ik te huilen. Ik was kort daarvoor uitgevaren tegen een jongen uit groep zes omdat hij drie keer dezelfde vraag stelde. Zijn gezicht bleef me bij. Hij had niets met mijn vader te maken.
‘Soms hoop ik dat mijn telefoon kapotgaat,’ zei ik.
Lotte knikte niet meteen. Ze liet me verder praten.
‘En soms denk ik: als hij morgen dood is, kan ik slapen.’
Ik durfde haar niet aan te kijken.
‘Ik wil niet dat hij doodgaat.’
‘Ik hoor dat u wilt dat dit stopt,’ zei ze. ‘Dit tempo. Deze voortdurende onrust.’
Dat was niet alles. Er zat ook echte boosheid in mij. En ongeduld. Ik wilde niet dat ze mij mooier maakte dan ik was.
‘Ik ben niet altijd aardig tegen hem.’
‘Dan moeten we iets veranderen voordat u allebei verder vastloopt.’
We bespraken dagbesteding, tijdelijke opvang en zorg voor de langere termijn. Woorden die ik eerder had weggewuifd. Papa had altijd gezegd dat hij nooit naar een tehuis wilde. Mijn moeder had ik op haar laatste heldere dag beloofd op hem te letten.
Ik had daar zelf iets groters van gemaakt. Dat hij altijd thuis zou blijven. Dat ik het zou oplossen.
Sander en ik zaten die avond bij hem aan tafel. Papa was naar bed.
‘We moeten meer regelen,’ zei ik.
‘Ja.’
‘Ook als hij boos wordt.’
Sander keek naar de deur.
‘Ja.’
Voor het eerst hoefde ik hem niet te overtuigen.
De volgende ochtend zag papa me naar de keuken lopen.
‘Ben je er alweer?’ vroeg hij.
‘Ik heb hier geslapen.’
Hij keek naar de bank, naar het kussen en mijn opgevouwen trui.
‘Je moet wel naar je eigen man,’ zei hij.
Ik ging naast hem zitten.
‘Dat probeer ik, pap.’
Hoofdstuk 6
Kamer veertien
Papa ging eerst twee dagen per week naar dagbesteding in Zwolle. De eerste ochtend weigerde hij in het busje te stappen.
‘Ik ga niet knutselen.’
Chauffeur Kees hield de deur open.
‘Dat hoeft van mij ook niet.’
‘Wat moet ik daar dan?’
‘Eerst koffie drinken. Daarna zien we wel.’
Papa keek naar mij alsof hij wilde vastleggen dat dit mijn schuld was. Toen stapte hij in.
Die middag kwam hij terug met zaagsel op zijn mouw. Er was een werkbank. Hij had samen met een begeleider geschuurd aan een vogelhuisje. De week erna wilde hij weer niet. De goede middag bleef niet vanzelf beschikbaar in zijn hoofd.
De dagbesteding gaf lucht, maar de nachten bleven onrustig. Hij vergat waarvoor de alarmknop om zijn hals diende. Soms deed hij hem af. Extra bezoeken van de thuiszorg hielpen, maar tussen die bezoeken was hij nog steeds alleen.
Lotte hielp ons met de aanvraag voor langdurige zorg. Er volgde een beoordeling. Daarna zochten we een woonplek waar voldoende toezicht en begeleiding was. Ik bezocht drie locaties. Bij de eerste vroeg ik alleen naar de kamer. Bij de derde vroeg ik hoe ze omgingen met iemand die 's nachts naar buiten wilde en overdag iedere afspraak ontkende.
Ik begon eindelijk de juiste vragen te stellen.
Er was niet meteen plek. Tijdens het wachten kreeg papa tijdelijk extra ondersteuning. Sander bleef geregeld slapen. Ik nam zorgverlof op en daarna minder uren. Het was een noodverband. Dat wist iedereen, ook al spraken we telkens over volgende week.
Toen er een kamer beschikbaar kwam in een kleinschalige woonvoorziening aan de rand van Zwolle, voelde ik geen opluchting. Ik werd misselijk.
We hadden met papa meerdere keren over verhuizen gesproken. Soms zei hij dat het hem goed leek als er iemand kookte. Soms schold hij ons uit. Het team besprak zorgvuldig met ons en met hem hoe de verhuizing kon verlopen. Zijn instemming was geen vinkje dat we één keer konden zetten.
Op de verhuisdag droeg hij zijn nette bruine schoenen.
‘Hoe lang blijf ik?’ vroeg hij.
Ik zette zijn tas neer.
‘Dit wordt je nieuwe plek, pap. Omdat er ook 's nachts iemand moet zijn die je kan helpen.’
‘Jij woont toch dichtbij?’
‘Ik kan niet altijd komen.’
Hij keek me aan. Ik dwong mezelf mijn zin niet terug te nemen.
Kamer veertien had uitzicht op een parkeerplaats en twee berken. We hadden zijn stoel meegenomen, de foto uit Ootmarsum en een kleine kast. Medewerker Fatima liet hem zien waar de badkamer was.
‘Ik kan zelf naar de wc,’ zei hij.
‘Prima. Dan weet u nu waar hij is.’
Hij keek nog eens naar haar. Ik zag dat haar gewone toon hielp.
Toen ik wegging, liep hij achter me aan.
‘Ik pak mijn jas.’
Mijn mond werd droog.
‘Ik ga naar huis. Jij blijft hier.’
Hij greep mijn pols. Niet hard, maar vast.
‘Dat doe je niet.’
Fatima kwam naast ons staan. Ze vroeg hem mee te lopen naar de tuin. Hij wilde niet. Ik bleef nog een tijd. Uiteindelijk zat hij met een kop koffie aan tafel. Ik vertelde opnieuw dat ik vertrok en morgen terugkwam. Deze keer liet hij me gaan.
In de auto kreeg ik mijn gordel niet vast. Mijn handen werkten niet mee.
Joost wachtte thuis. Ik at niets. Om halfnegen belde ik de afdeling. Papa had wat gegeten en was nog boos. Fatima vertelde het zonder het mooier te maken.
‘We blijven bij hem kijken,’ zei ze. ‘U kunt morgenochtend weer bellen.’
De eerste weken waren niet eenvoudig. Hij zocht de uitgang. Hij beschuldigde Sander van het verkopen van zijn huis. Hij vroeg om mijn moeder. Soms ging ik na twintig minuten weg omdat mijn bezoek hem onrustiger maakte. Soms bleef ik twee uur omdat hij mijn hand niet losliet.
Toch veranderde er iets. Hij kende Fatima's gezicht. Hij hielp een medewerker handdoeken vouwen, al vond hij dat geen mannenwerk. Hij at beter. Ik sliep een nacht zonder wakker te worden.
Daar schaamde ik me eerst voor.
Op een zaterdag zat hij in de tuin met een andere bewoner. Ze bespraken een scheve schuttingpaal.
‘Mijn dochter,’ zei papa toen ik aankwam.
Ik wachtte op mijn naam.
Die kwam niet.
Maar hij schoof de lege stoel naast zich naar achteren.
Hoofdstuk 7
Een andere rit
De Opel stond nog vier maanden voor papa's huis. Eerst door alle regelzaken. Daarna omdat ik de verkoop uitstelde.
De procedure rond zijn rijgeschiktheid had intussen bevestigd dat terugkeer achter het stuur niet aan de orde was. Toch voelde de auto als een open mogelijkheid. Niet voor hem. Voor mij. Zolang hij er stond, hoefde ik niet helemaal toe te geven dat die donderdag het einde van iets was geweest.
Sander en ik regelden de verkoop volgens de afspraken en bevoegdheden die we eerder voor zijn financiën hadden vastgelegd. Het geld ging naar papa's rekening. Dat schreef ik nauwkeurig op. Ik wilde geen enkele schaduw over wat we deden.
Voor de koper kwam, haalde ik de auto leeg.
In het dashboardkastje lagen parkeerschijven, pepermunt en een wegenkaart uit 2006. Onder de passagiersstoel vond ik een oorbel van mijn moeder. Een klein zilveren rondje. Ik legde hem in mijn handpalm en ging op de stoep zitten.
Ans kwam naar buiten.
‘Koffie?’
Ik knikte.
Ze zette twee mokken op de lage tuinmuur. We keken naar de auto.
‘Ik had eerder iets moeten zeggen,’ zei ze.
‘Wat dan?’
Ze vertelde dat papa al voor het ongelukje een keer bij de verkeerde voordeur had gestaan. Hij had gelachen en gezegd dat hij niet had opgelet.
Ik voelde even boosheid opkomen. Toen dacht ik aan de bolstaande maaltijd en de rekening onder de broodtrommel.
‘We wisten het allebei niet goed,’ zei ik.
Dat was geen vrijspraak. Wel waar.
Bij de overdracht gaf ik twee sleutels aan de koper. De gewone sleutel en de reservesleutel. Mijn hand bleef nog even dicht om de ring.
‘Alles goed?’ vroeg de man.
‘Ja. Een moment.’
Toen liet ik los.
Papa vroeg de week erna naar zijn auto.
We zaten in zijn kamer. Ik had twee gevulde koeken meegenomen. Hij brak de zijne in kleine stukken.
‘Staat hij nog bij huis?’
‘Nee, pap. We hebben hem verkocht.’
Hij stopte met breken.
‘Zonder mij?’
Ik vertelde dat we het hadden besproken. Meteen zag ik hoe nutteloos dat was. Voor hem was dit nieuws. Mijn bewijs maakte het niet minder pijnlijk.
‘Je bent er verdrietig om,’ zei ik.
‘Ik heb die wagen zelf betaald.’
‘Dat weet ik.’
Hij schoof zijn bord weg. Ik bleef zitten. Ik verdedigde niets meer.
Na een tijd vroeg hij of we naar buiten gingen.
We reden die middag in mijn auto naar de IJssel, niet ver van Hattem. Ik had vooraf met de medewerkers overlegd wat haalbaar was. Een korte rit. Geen volle middag. Zijn jas, iets te drinken en schone kleding lagen achterin.
Papa zat naast me. Bij een kruising zei hij dat ik links moest.
‘Vandaag ga ik rechts.’
‘Links is korter.’
‘Dat kan.’
Ik hoefde niet meer te bewijzen dat ik de route kende.
Bij een bankje aten we de rest van de koeken. Een binnenvaartschip voer voorbij. Papa noemde een soort motor. Misschien klopte het. Ik vroeg hoe hij dat kon horen.
Hij legde het uit met zijn handen. Halverwege raakte hij zijn woorden kwijt. Ik wachtte. Toen haalde hij zijn schouders op.
‘Vroeger wist ik dat.’
‘Ja.’
‘Jij ook moe?’ vroeg hij.
Ik keek naar hem.
‘Soms nog wel.’
Hij knikte alsof dat een bruikbaar antwoord was.
Mijn leven werd niet ineens rustig. Er kwamen telefoontjes over een val, kapotte schoenen, een slechte nacht. Ik bleef zijn dochter en zijn contactpersoon. Alleen stond er nu een team om hem heen. Als ik naar huis ging, bleef er iemand.
Sander kwam op vaste zondagen. Soms nam hij zijn kinderen mee. We spraken weer over andere dingen dan formulieren en urinecontroles. Met Joost ging ik een weekend naar Ameland. De eerste avond belde ik eenmaal. Daarna legde ik mijn telefoon in een la, met het geluid aan.
Op school werkte ik weer met aandacht. Niet elke dag even goed. Wel goed genoeg.
Toen we terugreden van de rivier, sloot papa zijn ogen. Voor de woonvoorziening maakte ik zijn gordel los.
‘Heb jij de sleutels?’ vroeg hij.
Mijn hand bleef op de sluiting liggen.
‘Van mijn auto wel.’
‘Mooi,’ zei hij. ‘Dan raken we die niet kwijt.’
Binnen rook het naar gebakken uien. Fatima vroeg of hij mee kwam dekken. Hij nam twee lepels van haar aan.
Ik zei dat ik donderdag terugkwam.
‘Goed rijden,’ zei hij.
Dat beloofde ik.
Buiten bleef ik even bij mijn auto staan. Daarna stapte ik in en reed naar huis.