Naar de inhoud
Terug naar het boek

Mantelzorg en ouder worden

De tachtig voorbij en verliefd

Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.

Hoofdstuk 1

De tachtig voorbij en verliefd

Mijn zus stond om kwart over zes met een broodmes bij de voordeur. Ze droeg haar winterjas over haar nachtpon. Aan haar voeten zaten mijn rode tuinklompen.

‘Je laat me eruit, Riet.’

Ik bleef onder aan de trap staan. Mijn rechterknie wilde niet verder buigen. Boven lag mijn bril nog op het nachtkastje. Het mes zag ik scherp genoeg.

‘Waar moet je heen, Lenie?’

‘Naar moeder. Ze wacht.’

Onze moeder was al eenendertig jaar dood. Dat zei ik niet meer. De vorige keer had Lenie gehuild alsof de begrafenis die middag zou plaatsvinden.

‘Leg dat mes op het kastje. Dan zoek ik je schoenen.’

‘Je denkt dat ik gek ben.’

‘Nee. Ik wil alleen niet dat je met dat ding struikelt.’

Ze keek naar haar hand. Alsof iemand het mes daarin had gestopt. Toen legde ze het naast de post.

Ik schoof het achter mijn rug in de keukenla. Daarna zocht ik haar schoenen. Niet om haar weg te sturen. Om tijd te winnen. Buiten sloeg regen tegen de ramen van mijn rijtjeshuis in Zwolle. Het was november. Niemand wachtte op haar.

Toen ik terugkwam, zat ze op de onderste traptrede.

‘Waarom ben ik aangekleed?’ vroeg ze.

Ik ging naast haar zitten. Mijn knie protesteerde. We zaten daar tot de verwarming begon te tikken.

Mijn naam is Margriet van Dalen. Iedereen noemt me Riet. Ik was drieëntachtig. Lenie was tachtig en woonde elf maanden bij mij. Eerst zou het zes weken duren. Ze had een klein herseninfarct gehad en kon niet meteen terug naar haar flat in Kampen.

Daarna kwamen de afspraken. De scans. De woorden die artsen rustig uitspreken en die thuis steeds harder gaan klinken. Vasculaire dementie. Problemen met plannen. Niet meer veilig alleen.

Mijn man Henk was vijf jaar daarvoor overleden. Ik had een slaapkamer over. Lenies enige dochter, Saskia, woonde in Eindhoven en werkte in een laboratorium. Dus had ik gezegd wat ik vaker in mijn leven had gezegd:

‘Kom maar bij mij.’

Ik had niet gevraagd voor hoelang.

Om halfnegen kwam wijkverpleegkundige Amina. Ze vond Lenie aan de keukentafel, met een boterham en een boze blik. Lenie wilde niet douchen. Ze beweerde dat ze gisteren al was geweest. Dat zei ze iedere ochtend.

Ik vertelde Amina over het mes toen Lenie naar het toilet ging.

‘Was je bang?’ vroeg ze.

‘Ze zou mij nooit iets doen.’

‘Dat vroeg ik niet.’

Ik zette de waterkoker aan. Mijn handen trilden. Dat was een duidelijker antwoord dan ik wilde geven.

Amina belde die ochtend de huisarts. Niet omdat Lenie meteen weg moest, zei ze. Wel omdat we dit niet normaal mochten gaan vinden. De huisarts kwam later langs. Hij vond geen duidelijke lichamelijke oorzaak voor de onrust en maakte afspraken over wat ik moest doen als het opnieuw onveilig werd.

Om drie uur stond er ook nog een onbekende man voor de deur. Lang. Grijze wenkbrauwen. Een donkerblauwe jas met een kapotte rits.

‘Uw zus stond bij mijn schuur,’ zei hij. ‘Ze zocht een fiets.’

Lenie stond achter hem. Ze hield een fietspomp vast.

Ik had tien minuten boven schone lakens gepakt.

‘Ik ben geen kind,’ zei ze meteen.

‘Dat heeft niemand gezegd,’ antwoordde de man.

Hij gaf mij de pomp.

‘Die is van mij. Maar ik haal hem straks wel op.’

‘Neem hem nu maar mee.’

‘Dan heb ik geen reden om te vragen of het gaat.’

Ik keek hem aan. Hij glimlachte niet. Dat beviel me.

Hij heette Joop van Leeuwen. Vijfentachtig. Sinds kort woonde hij drie huizen verderop, in de benedenwoning op de hoek. Zijn vrouw was twee jaar dood. Hij kende onze straat nog nauwelijks, maar had wel gezien dat Lenie zonder jas liep.

Ik liet hem binnen. Lenie ging met haar rug naar ons zitten.

‘Koffie?’ vroeg ik.

‘Graag. Niet sterk. Mijn hart houdt niet van verrassingen.’

‘Het mijne ook niet.’

Dat was het eerste wat ik tegen hem zei zonder aan mijn zus te denken.

Later, toen hij weg was, vond ik zijn handschoenen naast de suikerpot. Ik pakte ze op. Zacht leer. Warm van de kamer.

Ik legde ze niet bij de voordeur.

Ik legde ze op de stoel naast de mijne.

Hoofdstuk 2

Een uur voor mezelf

Joop kwam de volgende ochtend zijn handschoenen halen. Hij had vier krentenbollen bij zich.

‘Ik eet er maar één,’ zei ik.

‘Ik ook. Dan blijven er twee over voor iemand die ons aardig vindt.’

Lenie keek op van haar puzzelboek.

‘Mij koop je niet om.’

‘Dat scheelt. Ik heb mijn portemonnee thuisgelaten.’

Ze lachte. Een kort, scherp lachje. Het geluid verraste me. Vroeger maakte ze dat wanneer iemand op kantoor een leidinggevende te slim af was. Ze had vijfendertig jaar de salarisadministratie van een transportbedrijf gedaan. Niemand kreeg bij Lenie een onjuiste toeslag uitbetaald.

Nu kon ze een munt van twintig cent niet altijd onderscheiden van een euro.

Joop ging tegenover haar zitten en vroeg naar het puzzelwoord. Ze zochten samen een rivier met vijf letters. Ik spoelde kopjes om die al schoon waren. Ik wilde blijven luisteren.

Toen hij vertrok, vroeg hij of ik vrijdag mee wilde naar de markt.

‘Dat kan niet.’

‘Vrijdag niet?’

‘Eigenlijk nooit.’

Hij keek naar Lenie. Daarna weer naar mij.

‘Ik vroeg het aan jou. Niet om je lastig te maken.’

Die middag kwam onze casemanager, Marloes. Ik had haar twee keer eerder gesproken. Beide keren had ik gezegd dat het redelijk ging. Nu schoof ze een stoel naar me toe en vroeg hoe vaak ik ’s nachts opstond.

‘Soms twee keer.’

Ze wachtte.

‘Meestal vier.’

‘En afgelopen nacht?’

‘Zes.’

Lenie sliep boven. Ze had na de lunch haar blouse uitgetrokken en was in bed gekropen. Ik had haar laten liggen. Ik had zelf twintig minuten naast de wasmand op de vloer gezeten. Te moe om op te staan. Te onrustig om te slapen.

Marloes schreef niets op.

‘Riet, wat gebeurt er als jij valt?’

‘Dan bel ik iemand.’

‘Wie helpt Lenie terwijl jij in het ziekenhuis ligt?’

Daar had ik geen antwoord op. Ik kende alle telefoonnummers. Huisarts. Apotheek. Thuiszorg. Saskia. Maar een telefoonnummer was geen mens die hier een nacht bleef.

We bekeken mogelijkheden. Dagbesteding. Meer hulp thuis. Tijdelijk logeren. Niet alles kon meteen. Er waren aanvragen nodig en gesprekken. Sommige plekken hadden een wachtlijst. Dat maakte me kwaad, al kon Marloes daar niets aan doen.

‘Ik ben nu moe,’ zei ik. ‘Niet over drie maanden.’

‘Dat begrijp ik. Daarom zoeken we ook iets voor deze week.’

Voor vrijdag regelde ze een bekende vrijwilliger van de welzijnsorganisatie. Een vrouw die ervaring had met mensen met dementie. Ze kwam eerst kennismaken. Ze heette Els en droeg stevige schoenen. Lenie vroeg of ze van de belastingdienst was.

‘Nee,’ zei Els. ‘Daarvoor verdien ik te weinig.’

Dat antwoord werd goedgekeurd.

Vrijdag trok ik mijn groene jas aan. Voor de spiegel deed ik lippenstift op. Daarna veegde ik de helft weg. Ik vond mezelf belachelijk. Toen deed ik er toch weer een beetje bij.

Joop wachtte buiten.

‘Mooie kleur,’ zei hij.

‘Die jas heb ik al acht jaar.’

‘Ik had het over je mond.’

Ik deed mijn huissleutel verkeerd om in het slot.

We liepen naar de bushalte. Hij gebruikte een stok. Ik liep langzaam vanwege mijn knie. We deden allebei alsof we naar de voortuinen keken wanneer we even moesten stilstaan.

Op de markt bij de Grote Kerk kocht ik kaas. Voor het eerst in maanden koos ik oude kaas, die Lenie niet lustte. Joop kocht tulpen voor zichzelf.

‘Niemand anders doet het,’ zei hij. ‘En ik vind ze mooi.’

In een lunchroom legde ik mijn telefoon naast mijn kopje. Iedere keer dat het scherm oplichtte, schoot mijn hand ernaartoe.

‘Je mag opnemen,’ zei Joop.

‘Het is reclame.’

‘Voor iets nuttigs?’

‘Een traplift.’

‘Die zoeken ons goed uit.’

Ik lachte zo hard dat ik koffie morste.

Daarna vertelde hij over zijn vrouw, Anja. De laatste jaren had zij een longziekte gehad. Hij kende zuurstofslangen, nachtelijke paniek en de schaamte om soms te wensen dat een dag al voorbij was voordat hij begonnen was.

‘Ik mis haar,’ zei hij. ‘Maar ik mis niet alles.’

Ik keek naar mijn kopje.

‘Mag je dat zeggen?’

‘Ik doe het maar.’

Toen we thuiskwamen, zat Lenie met Els aardappels te schillen. Het aanrecht was nat. De schillen lagen overal. Lenie keek naar mijn mond.

‘Zo,’ zei ze. ‘Heb jij een vrijer?’

‘Doe niet zo raar.’

Het antwoord kwam te snel.

Joop gaf me de kaas aan. Zijn vingers raakten de mijne. Ik trok mijn hand niet weg.

Hoofdstuk 3

De lege stoel

Drie weken later kuste ik Joop in zijn keuken. Niet hij mij. Dat wil ik precies vertellen.

Hij had soep gemaakt. Els was bij Lenie en ik had anderhalf uur. Op Joops aanrecht stonden twee borden, brood en een pot mosterd. Zijn keuken rook naar prei.

‘Je hebt iets op je wang,’ zei ik.

‘Dat zal ouderdom zijn.’

Ik veegde met mijn duim een groen snippertje weg. Toen bleef mijn hand liggen.

Hij keek me aan.

‘Riet?’

Ik boog naar hem toe. Het was onhandig. Mijn bril tikte tegen de zijne. We moesten allebei lachen. De tweede kus ging beter.

Daarna aten we lauwe soep.

Ik was niet ineens een jong meisje. Mijn knie deed pijn. Joop moest voor het eten een tablet innemen. Op zijn koelkast hing een afspraak voor controle bij de cardioloog. Toch voelde mijn lijf niet alleen als iets dat verzorgd en voorzichtig gebruikt moest worden.

Dat was nieuw. Of oud genoeg om nieuw te lijken.

Thuis zat Lenie met een dichtgeknoopt vest aan tafel. Els vertelde dat alles rustig was gegaan. Ze hadden foto’s bekeken.

Toen de deur achter Els dichtviel, vroeg Lenie waar ik geweest was.

‘Bij Joop. Soep gegeten.’

‘En ik dan?’

‘Jij hebt met Els gegeten.’

‘Je wilt van me af.’

Ik hing mijn jas op.

‘Nee.’

‘Je denkt dat ik niks merk.’

‘Lenie, ik ben anderhalf uur weggeweest.’

Ze duwde het fotoalbum van tafel. Een blad scheurde los. Op de vloer lag een foto van ons in Zandvoort, met badpakken en een opgeblazen strandbal. Ik was zestien. Zij dertien.

‘Je was altijd al de baas,’ zei ze.

Die avond belde ik Saskia. Ik vroeg of ze zaterdag kon komen en tot zondag wilde blijven.

‘Deze zaterdag?’

‘Ja. Deze.’

Ze zuchtte. Op de achtergrond hoorde ik een afzuigkap.

‘Ik heb eindelijk een vrij weekend.’

‘Ik niet.’

Het bleef stil.

Toen zei ze dat ze zou komen.

Zaterdag was ik vroeg op. Ik verschoonde Lenies bed. Ik zette haar medicijnen klaar volgens het afgesproken schema. Ik schreef op waar haar kleding lag, welke boterham ze meestal wilde en dat ze soms zei dat ze naar haar werk moest.

Om tien uur belde Saskia. Haar man had koorts. Ze durfde niet te komen. Misschien was het griep.

Ik zei dat ik het begreep.

Daarna gooide ik een mok in de gootsteen. Het oor brak af. Lenie begon te huilen.

‘Het is niet om jou,’ zei ik.

Ze geloofde me niet. Ik wist zelf ook niet of het helemaal waar was.

Joop zou die middag even langskomen. Ik verheugde me op zijn komst met een felheid die me beschaamde. Ik stofzuigde de kamer. Lenie zat bij het raam. Daarna ging ik naar de bijkeuken om was uit de machine te halen.

Toen ik terugkwam, was haar stoel leeg.

De achterdeur stond op een kier.

Ik riep haar naam. Eerst in de tuin. Toen op straat. Bij Joop was ze niet. Bij de schuren ook niet.

Haar jas hing aan de kapstok. Haar gewone schoenen stonden eronder.

Ik belde Joop. Hij kwam direct. We keken in de steeg en bij het kleine winkelcentrum. Bij de bakker had niemand haar gezien. De vrouw achter de kassa vroeg welke kleur jas ze droeg.

‘Geen jas,’ zei ik.

Toen begon ik pas echt bang te worden.

Ik belde 112 en vertelde dat mijn zus met dementie verdwenen was, zonder jas, in de kou. Mijn stem klonk vreemd netjes. Alsof ik een adreswijziging doorgaf.

De politie vroeg om een recente foto. Ik had vooral foto’s van vroeger. Uiteindelijk vond ik er één waarop Lenie een boterham vasthield. Ze keek boos omdat ik haar zomaar had gefotografeerd.

Een agent kwam bij ons thuis. Een collega zocht buiten verder. Ik vertelde over haar moeder, haar oude flat en het transportbedrijf waar ze vroeger werkte.

Joop bleef naast me staan.

‘Had je de deur niet op slot?’ vroeg de agent.

‘Ik zat niet in een gevangenis,’ zei ik scherp.

Hij knikte alleen en vroeg verder.

Het werd donker. Ik zag Lenie voor me bij het water. Bij een kruispunt. Gevallen achter een heg, waar niemand keek.

Om kwart over vijf ging de telefoon van de agent.

Hij luisterde. Keek naar mij.

‘Ze is gevonden.’

Ik greep Joops arm zo hard vast dat hij later blauwe plekken had.

Hoofdstuk 4

Niet nog een nacht

Ze hadden Lenie gevonden bij een bushalte aan de rand van Zwolle. Ze zat op de grond naast het bankje. Eén voet was bloot. De andere zat in een pantoffel.

Een buschauffeur had haar gezien. Hij was uitgestapt omdat ze niet reageerde toen hij vroeg of ze mee moest. Ze had gezegd dat haar vader haar kwam halen.

In het ziekenhuis rook haar haar naar regen.

‘Daar ben je,’ zei ze toen ik naast haar bed ging zitten. ‘Je bent laat.’

Ik pakte haar hand. Die voelde koud en opgezet.

Ze had een wond aan haar voet en was onderkoeld geraakt. De arts wilde haar houden voor observatie. Lenie begreep niet waarom. Ze probeerde het dekbed weg te trekken.

‘We gaan naar huis, Riet.’

‘Je blijft vannacht hier.’

‘Dan blijf jij ook.’

Ik keek naar de stoel naast het bed. Een smalle stoel met harde armleuningen. Ik wist al hoe ik erop zou zitten. Mijn jas als deken. Mijn nek scheef. Ieder geluid meteen horen.

‘Nee,’ zei ik.

Lenie hield op met trekken.

Ik had dat woord zacht gezegd. Toch leek iedereen in de kamer het te horen.

‘Ik ga slapen,’ zei ik. ‘Thuis.’

Ze draaide haar hoofd van me weg.

Op de gang vroeg een verpleegkundige of ik ergens kon uitrusten. Ik zei dat het thuis niet meer ging. Daarna kwam het eruit. Het mes. De nachten. De kapotte mok. Dat ik soms bleef staan voordat ik de woonkamer binnenging, omdat ik haar stem nog even niet wilde horen.

‘Ik zorg niet goed meer,’ zei ik.

‘U zorgt al heel lang,’ antwoordde ze. ‘We moeten nu kijken wat er nodig is.’

Saskia kwam om negen uur. Haar man had geen griep, dacht ze inmiddels. Ze droeg haar werkbroek nog en had een tas met schoon ondergoed voor haar moeder bij zich.

‘Waarom heb je niet eerder gebeld?’ vroeg ze.

Ik stond op.

‘Ik heb zaterdag gevraagd.’

‘Ik bedoel vandaag.’

‘Vandaag was ik haar aan het zoeken.’

Joop pakte zijn jas van de stoel. Hij zei dat hij koffie ging halen. Ik wist dat hij ons ruimte gaf.

Saskia ging zitten.

‘Sorry, tante Riet.’

Ik bleef staan. Als ik ging zitten, zou ik misschien niet meer overeind komen.

‘Ze kan niet zomaar terug,’ zei ik.

‘Maar met meer thuiszorg misschien wel?’

‘Wie doet de rest?’

‘Ik kan vaker komen.’

‘Welke nachten?’

Ze keek naar haar schoenen.

Ik wilde haar sparen. Dat had ik jarenlang gedaan. Ze had haar werk. Haar gezin. Een lange rit. Allemaal waar. Maar mijn leeftijd was ook waar. Mijn knie. Mijn vermoeidheid. De deur die ik niet dag en nacht kon bewaken.

‘Ik ben haar zus,’ zei ik. ‘Ik kan niet alles zijn.’

De volgende ochtend spraken we met de arts en iemand van de afdeling die meedacht over vervolgzorg. Marloes belde in. Er lag nog geen definitieve indicatie voor langdurige zorg. Er moest onderzocht en geregeld worden. Niemand kon een vaste plek beloven.

Wel werd gezocht naar een tijdelijke plek waar Lenie kon herstellen en waar dag en nacht zorg beschikbaar was.

‘Hoe lang duurt dat?’ vroeg Saskia.

‘Dat weten we nog niet.’

Dat antwoord was eerlijk. Ik haatte het toch.

De eerste nacht thuis sliep ik niet. Ik hoorde Lenie roepen terwijl ze er niet was. Om twee uur stond ik naast haar lege bed. Om vier uur controleerde ik de achterdeur.

Joop belde om acht uur.

‘Heb je ontbeten?’

‘Nee.’

‘Ik heb eieren.’

‘Ik heb geen zin in gezelligheid.’

‘Dan eten we ongezellig.’

Hij kwam naar mij. We aten zonder veel te zeggen. Toen hij zijn hand op mijn rug legde, begon ik te huilen. Niet een paar nette tranen. Mijn neus liep. Mijn borst deed pijn. Ik kreeg bijna geen woorden uit mijn mond.

‘Ik wil haar niet terug,’ zei ik uiteindelijk.

Hij schoof de doos zakdoekjes dichterbij.

‘Niet hier,’ zei ik. ‘Niet zo.’

‘Dat hoor ik.’

Na vier dagen kon Lenie naar een tijdelijke zorgplek. Ik bracht haar blauwe vest en haar eigen kussen. Ze vroeg wanneer we weer naar huis gingen.

‘Dat weten we nog niet.’

Ze keek me lang aan.

‘Jij weet het wel.’

Ik kon haar niet aankijken. Maar ik nam haar jas niet van de kapstok om haar mee te nemen.

Hoofdstuk 5

Zijn grens en de mijne

Op de tijdelijke afdeling stond een televisie de hele dag aan. Niemand keek. Lenie zat vaak bij het raam met haar handtas op schoot. Ze had er een kam, drie papieren zakdoekjes en een lepel in gestopt.

‘Voor onderweg,’ zei ze toen ik het vroeg.

Ik kwam iedere middag. Eerst twee uur. Daarna drie. Ik ging ook helpen met het avondeten omdat ze dan beter at. Voor ik het wist, zat ik weer iedere dag op dezelfde stoel te wachten tot iemand mij nodig had.

Een verzorgende, Petra, merkte het op.

‘U mag ook een dag overslaan.’

‘Dan zit ze hier alleen.’

‘Dan zijn wij er.’

Ik keek naar de gang. Er ging een bel. Verderop riep iemand om zijn vrouw. Petra had het ook druk. Dat zag ik heus wel.

‘Jullie kunnen niet naast haar blijven zitten.’

‘Nee,’ zei ze. ‘Maar u ook niet.’

Die avond vergat ik mijn afspraak met Joop. Hij had stamppot gemaakt. Om halfzeven stuurde hij een bericht. Om zeven uur belde hij.

Ik zat nog bij Lenie. Ze was boos omdat haar kast niet op de juiste plek stond. Ik had de kast twintig centimeter verschoven en daarna weer terug.

‘Ga maar eten,’ zei ik tegen Joop. ‘Ik kom later.’

‘Wanneer is later?’

‘Dat weet ik niet.’

Hij zweeg even.

‘Dan spreken we een andere keer af.’

De volgende ochtend liep ik naar zijn huis. Hij deed open, maar bleef in de deuropening staan.

‘Ben je boos?’ vroeg ik.

‘Ja. Een beetje.’

‘Mijn zus is ziek.’

‘Dat weet ik.’

‘Dan begrijp je het toch?’

‘Ik begrijp dat je bij haar wilt zijn. Ik begrijp niet waarom je niets laat horen.’

Ik voelde warmte in mijn gezicht.

‘Ik heb wel iets anders aan mijn hoofd dan stamppot.’

Hij knikte langzaam.

‘Dat hoor ik.’

Het waren dezelfde woorden als toen ik bij hem huilde. Nu klonken ze anders.

Hij liet me binnen. De tafel was leeg. In de koelkast stond een afgedekte schaal. Ik dacht aan hem, alleen aan die gedekte tafel, en werd nog bozer. Vooral op mezelf.

‘Ik kan niet weer mantelzorger worden,’ zei hij.

‘Dat heb ik niet gevraagd.’

‘Nog niet. Maar ik merk dat ik wacht. Tot je gegeten hebt. Tot je belt. Tot jij misschien omvalt en ik moet ingrijpen.’

‘Dus ik ben te veel werk.’

‘Riet, luister nou.’

Ik wilde mijn jas pakken. Hij hield me niet tegen. Dat maakte dat ik bleef.

Hij vertelde over Anja. Over de laatste twee jaren waarin hij nergens meer heen durfde. Over vrienden die niet meer belden omdat hij toch altijd nee zei. Hij had het met liefde gedaan. Hij was er ook uitgeput van geraakt.

‘Ik wil met jou zijn,’ zei hij. ‘Maar ik wil niet dat wij alleen nog praten over wat er misgaat.’

Ik ging zitten.

‘Ik weet niet meer waar ik anders over moet praten.’

Dat was de vervelendste ontdekking van die ochtend.

We aten de stamppot om elf uur. Opgewarmd in een pan, met een beetje melk. We losten niets groots op. Wel spraken we af dat ik zou bellen als ik later kwam. En dat hij niet standaard meeging naar Lenie. Alleen wanneer hij dat zelf wilde.

Twee dagen later had ik een gesprek bij mijn huisarts. Mijn bloeddruk was hoog. Mijn rug zat vast. Ik vertelde dat ik niet kon ontspannen terwijl Lenie ergens anders zat.

‘Uw lichaam heeft nog geen vrij,’ zei hij.

Hij verwees me naar de praktijkondersteuner. Ik vond dat eerst overdreven. Ik wist toch waarom ik moe was? Maar bij het eerste gesprek bleek weten niet hetzelfde als veranderen.

Samen maakte ik een weekindeling. Niet alleen bezoeken en afspraken. Ook boodschappen. Rust. Zwemmen durfde ik met mijn knie niet meer, maar een korte wandeling kon wel.

Saskia nam de woensdag over. Zij werd voortaan ook het eerste aanspreekpunt voor de administratie. Ze regelde papieren, belde instanties en ging naar gesprekken. Soms stuurde ze mij nog een formulier met de vraag wat ze moest invullen.

Dan belde ik niet meteen terug.

Op een donderdag bleef ik thuis. Lenie had de avond ervoor gevraagd of ik kwam. Ik had gezegd: vrijdag.

Om twee uur trok ik toch mijn jas aan.

Daarna trok ik hem weer uit.

Ik belde Joop.

‘Wil je naar het park?’

‘Ja,’ zei hij. ‘Gewoon naar het park?’

‘Gewoon naar het park.’

Hoofdstuk 6

De kamer aan de tuin

In februari kwam er een plek beschikbaar op een afdeling voor mensen met dementie in Zwolle-Zuid. Niet het huis dat Saskia eerst had gekozen. Daar zou het langer duren. Deze kamer had uitzicht op een binnentuin en was dicht genoeg bij voor mij.

We gingen kijken zonder Lenie. Dat voelde achterbaks, maar ze raakte van ieder bezoek aan een onbekend gebouw dagenlang van slag.

Er stonden zes stoelen rond een tafel in de huiskamer. Een man vouwde servetten. Een vrouw sliep voor de televisie. Vanuit de keuken rook het naar gebakken uien.

‘Hoe gaat het als ze weg wil?’ vroeg ik.

De teamleider legde uit hoe ze met onrust en veiligheid omgingen. Wat mogelijk was, wat niet zomaar mocht en wat met ons besproken zou worden. Ik vroeg naar de nachten, naar hulp bij het wassen en naar wie ik kon bellen.

Saskia vroeg naar de waskosten.

Dat leek even een klein onderwerp. Later was ik blij dat iemand eraan had gedacht.

Op de verhuisdag regende het. Joop reed de auto met twee dozen en Lenies schemerlamp. Saskia bracht haar moeder. Ik was vooruitgegaan om de kamer klaar te maken.

Ik hing de foto van Zandvoort aan de muur. Het gescheurde albumblad had ik weggehaald. Op het nachtkastje zette ik de wekker uit haar flat. Die liep niet meer, maar Lenie herkende het blauwe kastje.

Toen ze binnenkwam, keek ze eerst naar het bed.

‘Wie slaapt hier?’

‘Jij, mam,’ zei Saskia.

‘Nee.’

Ze draaide zich om. Saskia ging voor haar staan en wilde haar arm pakken. Lenie sloeg de hand weg.

‘Van me af.’

Een verzorgende kwam erbij. Ze heette Noor. Ze vroeg niet of Lenie haar nieuwe kamer mooi vond. Ze vroeg of ze thee wilde en of ze even wilde helpen kiezen waar de leunstoel moest staan.

Lenie bleef in de deuropening.

‘Ik ga met Riet mee.’

Ik voelde haar vingers om mijn pols sluiten.

‘Dat kan niet meer, Lenie.’

‘Waarom niet?’

Ik had allerlei zinnen voorbereid. Over zorg en veiligheid. Over rust voor ons allebei. Nu kreeg ik alleen de waarheid eruit.

‘Omdat ik het thuis niet meer kan.’

Ze keek naar mijn gezicht. Haar greep werd losser.

‘Ben jij ook ziek?’

‘Nee. Wel heel moe.’

Ze streek mijn mouw glad. Een klein gebaar. Daarna vroeg ze waar het toilet was.

We bleven tot na de lunch. Bij het afscheid begon ze weer te protesteren. Noor bleef bij haar. Ze had aangeboden samen de binnentuin te bekijken wanneer de regen ophield.

Ik hoorde Lenie mijn naam roepen toen ik de gang uitliep.

Bij de uitgang draaide ik me om.

Saskia stond naast me. Ze pakte mijn hand.

‘Ik wil ook terug,’ zei ze.

We gingen niet terug.

Buiten stond Joop bij de auto. Hij vroeg niets. Hij gaf mij een droge zakdoek, want die van mij was doorweekt.

De eerste weken waren niet netjes verdeeld in vooruitgang en rust. Lenie sliep slecht. Ze kreeg ruzie met een andere bewoner die haar stoel gebruikte. Een keer droeg ze een blouse die niet van haar was. Ik belde woedend over die blouse en hoorde mezelf doorgaan toen het probleem al was opgelost.

Later bood ik mijn excuses aan voor mijn toon. Niet voor de vraag.

We hadden een gesprek met het team. Ik vertelde wat Lenie kalmeerde. Geen drukke radio. Geen mensen die haar van achteren aanraakten. Wel aardappels schillen. Wel duidelijke uitleg, één ding tegelijk.

Zij vertelden wat ze zagen wanneer ik weg was. Dat Lenie soms meezong. Dat ze een andere bewoner hielp zoeken naar een tas. Dat ze niet iedere minuut op mij wachtte.

Dat was een opluchting die ook een beetje pijn deed.

Op een middag kwam Joop mee. Lenie zat aan tafel met een schaal boontjes. Ze bekeek hem van boven tot onder.

‘Ben jij nog steeds met mijn zus?’

‘Als zij mij nog wil.’

‘Ze is koppig.’

‘Dat heb ik gemerkt.’

Lenie schoof hem de schaal toe.

‘Dan moet jij werken.’

Hij ging zitten en begon de uiteinden af te breken. Ik keek naar hun handen. Lenies vingers bewogen snel en zeker. Joop deed overdreven zijn best.

Voor het eerst sinds de verhuizing bleef ik niet omdat ik bang was om weg te gaan.

Ik bleef omdat het prettig was.

Hoofdstuk 7

Vrijdag om tien uur

In april werd ik vierentachtig. Joop gaf me geen bloemen. Hij gaf me een treinkaartje naar Deventer en een briefje waarop stond: vrijdag, tien uur, goede schoenen.

‘Wat als het regent?’ vroeg ik.

‘Dan worden die goede schoenen nat.’

Ik had vroeger gedacht dat verliefd zijn op onze leeftijd vooral gezelschap betekende. Samen koffie. Iemand die de televisie wat zachter zette. Dat hoorde erbij. Maar ik verlangde ook naar zijn handen. Naar zijn stem in een stille kamer. Naar het moment waarop hij mijn vest losknoopte en eerst vroeg of ik het niet koud had.

De eerste nacht dat ik bij hem bleef, sliepen we weinig. Niet alleen door de opwinding. Zijn matras was harder dan het mijne. Hij moest twee keer plassen. Ik zocht in het donker mijn bril en stootte een glas om.

Om halfvier zaten we met droge sokken in bed te lachen.

‘Dit hadden we eerder moeten doen,’ zei hij.

‘Dat glas omgooien?’

‘Elkaar vinden.’

Ik dacht aan Henk. Aan Anja, die ik alleen van foto’s kende.

‘Nee,’ zei ik. ‘Eerder hadden we andere mensen.’

Joop knikte en trok het dekbed recht.

We gingen niet samenwonen. Dat besloten we aan mijn keukentafel. Ik wilde mijn eigen bed houden. Hij wilde sommige avonden alleen lezen zonder uit te leggen dat er niets aan de hand was.

We spraken ook over ziekte. Dat was minder romantisch dan een treinreis, maar niet minder belangrijk.

‘Als ik achteruitga, wil ik hulp regelen voordat jij niet meer slaapt,’ zei hij.

‘Dan moet je het wel laten merken.’

‘Jij ook.’

We beloofden niet dat we nooit bang of lastig zouden worden. We schreven wel de telefoonnummers van onze kinderen en huisartsen op. Hij had een dochter in Assen. Mijn zoon woonde in Haarlem. Ze kregen allebei te horen dat er iemand nieuws was.

Mijn zoon zei eerst: ‘Op jouw leeftijd?’

‘Juist op mijn leeftijd wil ik niet drie jaar afwachten,’ antwoordde ik.

Daarna vroeg hij of Joop van fietsen hield. Toen wist ik dat het goed zat.

Met Lenie ging het wisselend. Soms herkende ze me meteen. Soms noemde ze me bij de naam van een tante. Ze vroeg nog geregeld wanneer ze naar huis ging. Ik gaf geen lange uitleg meer die ze niet kon onthouden.

‘Vandaag blijf je hier,’ zei ik. ‘Ik kom zaterdag weer.’

Eén keer huilde ze zo hard dat ik bijna zei dat ze mee mocht. Ik ging naast haar zitten en bleef tot ze rustiger was. Thuis belde ik Saskia. Daarna at ik een boterham en ging vroeg naar bed.

Ik kon haar verdriet niet wegkrijgen. Ik hoefde er ook niet van weg te lopen.

Woensdag bleef Saskia komen. Soms samen met haar dochter. Ik bezocht Lenie op maandag en zaterdag. Bij ziekte of overleg veranderde dat. Het schema was geen wet, maar het gaf me iets wat ik lang kwijt was geweest: dagen waarvan ik wist dat ze ook van mij waren.

Die vrijdag naar Deventer werd bijna afgezegd. Om kwart over acht belde de afdeling. Lenie had onrustig geslapen en vroeg naar mij. Ze wilden weten wat haar meestal hielp.

Ik stond al met mijn tas in de hand.

‘Moet ik komen?’ vroeg ik.

‘Nee,’ zei Noor. ‘We vragen even advies.’

Ik vertelde over haar oude platen en dat ze soms liever eerst iets at dan meteen gewassen werd. Daarna vroeg ik of ze zouden bellen wanneer er echt iets veranderde.

Dat zouden ze doen.

Ik legde mijn telefoon neer. Pakte hem weer op. Legde hem in mijn tas.

Om tien uur stond Joop bij het station. Zijn sjaal zat scheef. Ik trok hem recht.

‘Alles goed?’ vroeg hij.

‘Niet alles.’

‘Gaan we toch?’

‘Ja.’

In Deventer liepen we langzaam naar de Brink. We rustten op een bank omdat mijn knie opspeelde. Joop kocht twee bekers koffie en morste op zijn broek. Ik had een papieren zakdoekje. Voor één keer was die van mij droog.

Mijn telefoon bleef stil.

Later zou ik Lenie bezoeken. Ik zou haar vertellen waar we geweest waren, ook als ze het meteen weer vergat. Misschien zou ze lachen. Misschien boos worden omdat ze niet mee was geweest.

Nu schoof ik dichter tegen Joop aan.

Hij legde zijn hand open op de bank tussen ons. Ik legde de mijne erin. Daarna bleven we nog even zitten.