Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

De telefoon die om drie uur ging

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

Het nummer

Om drie uur ging mijn telefoon. Niet één keer, zoals bij een bericht. Hij bleef gaan. Mijn hand schoot over het nachtkastje en sloeg een glas water om.

Onbekend nummer.

Naast me lag Daans helft van het bed nog strak. Hij werkte die avond bij een voorstelling in Utrecht. Licht afbouwen, spullen laden, naar huis fietsen. Rond half twee zou hij er zijn.

‘Spreek ik met mevrouw Noor van Leeuwen?’

‘Ja.’

‘U spreekt met het UMC Utrecht. Uw partner, Daan Vermeer, is bij ons binnengebracht na een verkeersongeval.’

Ik ging zitten. Mijn voet kwam in het water terecht.

‘Is hij wakker?’

‘Hij wordt op dit moment behandeld. Kunt u naar het ziekenhuis komen?’

‘Is hij wakker?’

Er viel een stilte. Kort, maar lang genoeg.

‘Nee. Laat u iemand rijden, als dat mogelijk is.’

Ik zei dat ik eraan kwam. Daarna keek ik naar mijn telefoon. Het gesprek had achtenvijftig seconden geduurd. Ik weet dat nog omdat ik later steeds opnieuw naar die gespreksduur keek. Alsof daar iets uit te halen viel.

Ik belde mijn zus Saskia. Ze nam pas bij de derde poging op.

‘Wat?’ zei ze, schor.

‘Daan heeft een ongeluk gehad.’

‘Waar ben je?’

‘Thuis.’

‘Ik kom.’

Ik trok een spijkerbroek over mijn pyjamabroek. Dat merkte ik pas toen de knoop niet dichtging. In de badkamer brandde fel licht. Ik keek naar mezelf zonder iets te herkennen behalve mijn naam. Noor. Eenenveertig. Verkoopmedewerker bij een keukenzaak. Moeder van Lotte. De vrouw die nu blijkbaar naar een ziekenhuis moest.

Lotte sliep met haar deur op een kier. Ze was twaalf en wilde niet meer dat ik haar instopte. Toch lag haar oude stoffen konijn naast haar gezicht.

Ik raakte haar schouder aan.

‘Lot. Wakker worden.’

Ze trok haar dekbed op.

‘Papa heeft een ongeluk gehad. Ik moet naar hem toe. Tante Sas komt hier.’

Haar ogen gingen open.

‘Met de fiets?’

‘Ja. Dat denk ik.’

‘Is zijn been gebroken?’

‘Dat weet ik nog niet.’

Ze keek naar mijn broek, die nog openstond.

‘Waarom huil je niet?’

Die vraag maakte me banger dan het telefoontje. Ik voelde niets wat op huilen leek. Alleen haast. Mijn handen moesten iets doen.

Beneden pakte ik Daans oplader. Zijn bril lag niet op de eettafel. Dus die had hij bij zich. Ik stopte een schoon shirt in mijn tas en daarna zijn deodorant. Alsof hij ergens logeerde.

Op het aanrecht stond de schaal lasagne die ik voor hem had bewaard. Daarover hadden we ruzie gehad. Niet over de lasagne zelf. Over zijn bericht dat het later werd. Over mijn antwoord dat het altijd later werd. Over de ouderavond die hij vergeten was.

Zijn laatste bericht stond nog bovenaan.

We praten morgen. Laat maar staan, ik warm het wel op.

Ik had niets teruggestuurd.

Saskia kwam binnen met haar jas over een slaapshirt. Haar man Erik stond achter haar, met autosleutels in zijn hand.

‘Ik blijf bij Lotte,’ zei ze. ‘Erik brengt je.’

‘Ik kan zelf rijden.’

‘Dat gaan we niet doen.’

Buiten was de straat nat. We woonden in Lunetten, in een rijtjeshuis met een schuurtje waar de deur altijd klemde. Ik keek naar dat schuurtje toen ik instapte. Daans fiets stond er niet. Pas toen geloofde ik dat er echt iets gebeurd was.

Erik reed zonder radio. Bij een rood licht tikte hij met zijn duim op het stuur.

‘Rij door,’ zei ik.

‘Dat kan niet, Noor.’

Aan de overkant stak niemand over. Toch bleef hij staan.

Bij het ziekenhuis stapte ik uit voordat Erik goed geparkeerd had. De schuifdeuren gingen traag open. Binnen rook het naar schoonmaakmiddel en koffie.

Een verpleegkundige kwam naar me toe.

‘U komt voor meneer Vermeer?’

Ik knikte.

Ze bracht me niet naar een bed, maar naar een klein kamertje met vier stoelen. Op tafel stond een doos tissues.

Ik bleef in de deuropening staan.

‘Nee,’ zei ik. ‘Ik wil eerst naar hem.’

‘De arts komt zo bij u.’

‘Waarom kan ik niet naar hem?’

Ze legde haar hand niet op mijn arm. Dat waardeerde ik later. Ze bleef gewoon bij me staan.

‘Hij wordt nog behandeld.’

Ik ging zitten met zijn schone shirt op mijn schoot.

Hoofdstuk 2

De blauwe stoel

De arts heette Van Dijk. Ze ging tegenover me zitten en schoof haar stoel dichterbij. Erik zat naast de deur. Niemand vroeg of ik koffie wilde.

Daan was aangereden op de Waterlinieweg, vlak bij een kruising. Een bestelbus. Er was ernstig letsel aan zijn hoofd en borstkas. Ze hadden hem geopereerd. Zijn bloeddruk bleef te laag.

Ik hoorde alle woorden. Ik begreep alleen niet hoe ze bij Daan konden horen.

‘Hij heeft me om kwart over twaalf nog geappt.’

‘Dat begrijp ik.’

‘Hij fietst altijd daar.’

De arts wachtte.

‘Gaat hij dood?’

‘We maken ons grote zorgen dat hij dit niet zal overleven.’

Ik boog voorover. Mijn tas viel om. Zijn deodorant rolde over de vloer en bleef tegen haar schoen liggen.

Erik raapte hem op.

‘Kan ik hem zien?’ vroeg ik.

Even later stond ik naast een bed op de intensive care. Daans hoofd was verbonden. Er liep een slang uit zijn mond. Zijn rechterhand lag boven het laken, met een schaafwond over de knokkels.

Die hand kende ik. De rest moest ik erbij denken.

Ik pakte zijn vingers. Ze waren warm.

‘Ik ben er,’ zei ik. ‘Sas is bij Lotte.’

Een apparaat blies lucht in hem. Zijn borst ging omhoog. Omlaag. Op een scherm liepen groene lijnen. Ik keek ernaar alsof ik wist wat ze betekenden.

‘Je hoeft niet meer op te ruimen,’ zei ik.

Dat was wat ik bedacht. Geen grote verklaring. Geen opsomming van onze zeventien jaar. Alleen dat hij na zijn werk niet ook nog thuis iets hoefde te doen.

De verpleegkundige zette een blauwe stoel achter me.

‘U mag gaan zitten.’

‘Ik sta liever.’

Na een paar minuten zakte ik toch neer.

Om vijf uur belde ik Saskia. Ik liep daarvoor de gang op, omdat ik niet wilde dat Daan het hoorde.

‘Je moet Lotte brengen.’

‘Hoe erg is het?’

Ik keek naar een kar met schone lakens.

‘Ze denken dat hij doodgaat.’

Aan de andere kant bleef het stil. Toen hoorde ik mijn zus haar adem inhouden.

‘Ik maak haar klaar.’

Een verpleegkundige besprak met me hoe we Lotte konden voorbereiden. Eerlijk vertellen over de slangen. Niet zeggen dat papa sliep. Haar laten kiezen of ze dichtbij wilde komen.

Toen Lotte aankwam, had ze haar groene winterjas aan. De rits zat scheef. Ze hield een telefoon vast met een kapot scherm, Daans oude toestel waarop ze spelletjes speelde.

‘Mag ik een filmpje laten zien?’ vroeg ze.

‘Dat mag,’ zei de verpleegkundige.

Lotte bleef eerst bij het voeteneind staan. Daarna liep ze naar me toe.

‘Kan hij mij horen?’

‘Dat weten we niet zeker,’ zei ik. ‘Je mag tegen hem praten.’

Ze zette een filmpje aan van onze kat, die in een kartonnen doos sprong en erdoorheen zakte. Daan had het gefilmd. Zijn lach kwam uit het kleine toestel.

Ik kneep zo hard in de bedrand dat mijn vingers pijn deden.

‘Niet grappig meer,’ zei Lotte. Ze stopte het filmpje.

Tegen zevenen stuurde de verpleegkundige ons even naar de familiekamer. Er was iets veranderd. Mensen liepen snel langs de deur. Ik stond op, maar Erik hield de deur voor me open zonder me tegen te houden.

De arts kwam ons tegemoet.

Ze hadden opnieuw geprobeerd Daans bloedsomloop te stabiliseren. Het lukte niet. Zijn hart was stilgevallen. De reanimatie had hem niet teruggebracht.

‘Daan is overleden,’ zei ze.

Lotte keek naar mij.

‘Nee toch?’

Ik had haar nooit eerder iets moeten vertellen wat ik zelf niet kon verdragen.

‘Ja, lieverd.’

Ze sloeg mijn handen weg toen ik haar wilde pakken.

‘Je zei dat ze hem beter gingen maken.’

Dat had ik niet gezegd. Ik begon bijna uit te leggen wat ik wel had gezegd. Gelukkig zweeg ik.

We mochten terug. De slang was weg. Zijn mond stond iets open. Ik legde mijn hand op zijn borst. Niets bewoog.

Lotte raakte zijn wang aan met één vinger.

‘Hij moet zijn bril op,’ zei ze.

Een verpleegkundige zocht hem op tussen zijn spullen. Het montuur was verbogen. Ze legde de bril op het kastje naast hem.

Toen we later weggingen, bleef mijn tas bij het bed staan. Erik haalde hem op.

Het schone shirt zat er nog in.

Hoofdstuk 3

Zes dagen

De uitvaartverzorger vroeg welke kleding Daan aan moest.

Ik zat aan onze eettafel. Op de plek waar Daan gewoonlijk zat, lag nu een map met tarieven. Saskia schonk koffie in. De schaal lasagne was verdwenen.

‘Zijn blauwe trui,’ zei ik.

‘Met een overhemd eronder?’

‘Nee. Dat vond hij vervelend zitten.’

De man schreef het op.

Daarna kwamen de vragen. Begraven of cremeren. Welke locatie. Hoeveel mensen. Muziek. Kaart. Advertentie. Alles moest besloten worden door iemand die die ochtend tandpasta op haar haarborstel had gedaan.

Daan en ik waren niet getrouwd. We hadden wel een geregistreerd partnerschap. Ik had dat altijd een onaantrekkelijk woord gevonden. Nu vroeg bijna iedereen ernaar.

Zijn moeder, Ria, wilde een kerkdienst.

‘Hij is gedoopt,’ zei ze.

‘Hij kwam nooit in de kerk.’

‘Als kind wel.’

We zaten tegenover elkaar met een fotoalbum tussen ons in. Haar man was drie jaar eerder overleden. Ik wist dat dit ondraaglijk voor haar moest zijn. Toch werd ik kwaad toen ze een foto van Daan als jongen uitkoos voor de kaart.

‘Hij was drieënveertig,’ zei ik. ‘Geen acht.’

Ria trok het album naar zich toe.

Saskia zette drie glazen water neer. Niemand dronk.

Later vond Lotte een foto op mijn laptop. Daan zat op een bankje bij de Vecht, met een broodje in zijn hand. Hij keek recht in de camera. Zijn haar stond overeind.

‘Deze,’ zei ze. ‘Hier doet hij gewoon.’

Die werd het.

De dagen zaten vol mensen. Buren brachten eten. Collega’s stuurden bloemen. Iemand zette een pan soep neer zonder deksel en vroeg waar de pollepel lag. Ik wees naar de verkeerde la.

Iedereen zei dat ik moest eten. Niemand kon zeggen hoe ik moest slikken met die harde spanning in mijn keel.

’s Nachts hoorde ik fietsen langs het huis. Elke keer keek ik naar het raam. Niet omdat ik werkelijk dacht dat Daan thuiskwam. Mijn lijf begon gewoon al voordat ik had nagedacht.

Op de derde dag kwam zijn collega Mo langs. Hij had Daans werkschoenen bij zich. Die waren na het afbouwen in de opslag blijven staan.

‘We hadden nog een biertje kunnen nemen,’ zei Mo. ‘Maar hij wilde naar huis.’

Ik keek naar de schoenen. Er zat witte verf op één neus.

‘Hoe laat ging hij weg?’

‘Half twee ongeveer.’

Ik rekende. Onmiddellijk. Als hij wel dat biertje had genomen. Als ik hem had opgehaald. Als ik niet boos was geweest.

Mo begon te huilen. Ik schoof de doos tissues naar hem toe en hoorde mezelf vragen of hij melk in zijn koffie wilde.

Zes dagen na het ongeluk stonden we in het crematorium bij Daelwijck. Buiten stapte een vrouw uit een auto met een opgevouwen wandelstok. Verderop leverde iemand bloemen af. Alles ging door op tijden die in agenda’s stonden.

Lotte wilde niet spreken. Ze had een brief geschreven die bij Daan mocht blijven. Ik vroeg niet wat erin stond.

Ik had wel iets op papier gezet. Twee bladzijden. Bovenaan stond: Daan kon slecht tegen mensen die midden in een deuropening bleven staan.

Dat was waar. Het was ook het enige zinnetje dat niet klonk alsof ik over een vreemde sprak.

Bij de lessenaar trilden mijn knieën. Ik vertelde over zijn slechte planning. Over de boeken die hij kocht en maar half las. Over hoe hij Lotte had leren fietsen op het parkeerterrein bij de sporthal.

Toen keek ik naar zijn kist.

‘Ik ben nog steeds boos dat je die ouderavond vergat,’ zei ik. ‘En ik weet niet waar ik nu met die boosheid heen moet.’

Er bewoog iets in de zaal. Geen afkeuring. Mensen die anders gingen zitten. Ria boog haar hoofd.

Ik las de rest niet voor.

Na afloop kwamen handen, jassen en gezichten op me af. Een oud-collega zei dat ik sterk was. Ik wilde zeggen dat ik alleen maar rechtop stond.

Thuis schopte Lotte haar schoenen uit.

‘Is het nu klaar?’

Ik hing mijn jas aan de kapstok. Daans jas hing ernaast.

‘De uitvaart wel.’

‘En morgen?’

Ik wist het niet.

We aten broodjes kaas op de bank. De televisie stond aan zonder geluid. Om negen uur bracht ik haar naar bed.

Daarna liep ik naar de keuken en haalde twee mokken uit de kast.

Ik zette er één terug.

Hoofdstuk 4

Het bericht

Drie weken later kreeg ik Daans telefoon terug. De politie had hem onderzocht. Zijn fiets bleef voorlopig ergens staan waar ik niet naartoe wilde.

De telefoon zat in een doorzichtige zak. Er zat een barst schuin over het scherm. De agent die hem bracht, vroeg of iemand bij me was.

‘Mijn zus komt straks,’ loog ik.

Ik wilde alleen zijn met dat ding.

Het duurde een uur voordat ik de oplader aansloot. Daarna zat ik aan tafel te wachten tot het scherm oplichtte. De toegangscode kende ik. Onze postcode, zonder letters. Ik had hem vaak gezegd dat dat onveilig was.

Er verschenen meldingen. Een aanbieding voor sportschoenen. Een update voor een app. Berichten van mensen die inmiddels wisten dat hij niet meer zou antwoorden.

Ik opende ons gesprek.

We praten morgen. Laat maar staan, ik warm het wel op.

Mijn laatste zin daarboven was erger dan ik me herinnerde.

Doe vooral wat je zelf wilt. Dat doe je toch al.

Ik las hem hardop. Daarna nog een keer.

Er was geen verborgen afscheidsbericht. Geen uitleg die alles rechtzette. Alleen boodschappenlijstjes, foto’s van Lotte en een ruzie die niet af was.

Toen zag ik op mijn eigen telefoon een voicemailmelding van die nacht. Die had tussen alle andere meldingen gestaan. Het ziekenhuis had gebeld. Familie had gebeld. Ik had dagenlang gesprekken aangenomen zonder ergens anders naar te kijken.

Daan. Eén uur zevenendertig.

Ik drukte op afspelen.

Wind. Een ratelend geluid.

‘Hé Noor. Ik ben onderweg. Mijn achterlicht doet raar, dus ik stap zo even af. Wil je de schaal niet wegzetten? Ik heb echt trek. En… nou ja. Tot zo.’

Het bericht stopte.

Ik speelde het opnieuw af.

Mijn achterlicht doet raar.

Opnieuw.

Ik stap zo even af.

Daar zat iets in. Dat moest. Misschien had de bestuurder hem niet gezien. Misschien was hij afgestapt. Misschien was er nog tijd geweest als ik had opgenomen.

Toen Saskia om vier uur toch langskwam, zat ik nog aan tafel.

‘Je hebt je jas aan,’ zei ze.

Dat klopte. Ik had hem aangetrokken om naar de politie te gaan en was niet opgestaan.

Ik liet haar het bericht horen.

‘Ik had kunnen zeggen dat ik hem kwam halen.’

Ze ging zitten.

‘Je lag te slapen.’

‘Ik had mijn geluid zachter gezet. Omdat ik boos was.’

‘Je zet je geluid elke avond zachter.’

‘Die avond wist ik dat hij nog onderweg moest.’

Ze antwoordde niet meteen. Dat maakte me razend.

‘Zeg dan dat het niet mijn schuld is.’

‘Het is niet jouw schuld.’

‘Je weet niet eens wat er gebeurd is.’

Saskia bleef zitten toen ik opstond. Ze liet me de keukendeur dichtgooien. Een minuut later hoorde ik haar de waterkoker aanzetten.

De volgende ochtend belde ik de contactpersoon bij de politie. Ik las het bericht bijna woordelijk voor. Hij vroeg of ik de voicemail wilde bewaren en een kopie kon sturen. Het onderzoek naar de aanrijding liep nog.

‘Kan het door zijn lamp gekomen zijn?’

‘Dat kan ik nu niet zeggen.’

‘Maar het kan.’

‘We kijken naar alle omstandigheden, mevrouw Van Leeuwen.’

Ik haatte die zin. Toch was hij beter dan een antwoord dat niet klopte.

Die middag kwam Lotte thuis uit school. Ze zette haar tas op de grond en liep naar de woonkamer. De voicemail stond weer aan.

‘Doe uit,’ zei ze.

Ik stopte hem.

‘Ik dacht dat papa beneden was.’

Ze zei het zonder te huilen. Dat maakte het erger.

‘Sorry.’

‘Je doet het steeds.’

Ik wilde uitleggen waarom. Over het licht. Over de tijd. Over alles wat ik nog kon uitzoeken. Maar zij stond daar met haar gymtas en had net opnieuw moeten ontdekken dat haar vader dood was.

Ik legde mijn telefoon weg.

Die avond maakten we een afspraak. Ik mocht naar zijn stem luisteren. Zij ook. Maar met oortjes, of nadat we het gevraagd hadden.

Later zette ik het bestand op mijn laptop en op een losse geheugenstick. Daarna belde ik de huisarts.

‘Ik slaap bijna niet,’ zei ik. ‘En ik blijf die nacht terughalen.’

De assistente vroeg of ik de volgende ochtend kon komen.

Voor het eerst zei ik niet dat het wel ging.

Hoofdstuk 5

De kruising

In maart reed Saskia me naar de plek van het ongeluk. Ik had er twee maanden omheen gereden. Zelfs als dat twintig minuten extra kostte.

We parkeerden in een zijstraat. Er groeide onkruid langs een hek. Een plastic beker rolde over het fietspad.

‘Wil je dat ik meeloop?’ vroeg ze.

‘Tot aan de hoek.’

Daar bleef ze staan.

Ik had verwacht iets te herkennen. Een beschadigde paal. Een plek waar het asfalt anders was. Er was niets. Auto’s reden voorbij. Een man in een geel regenpak fietste met één hand aan zijn stuur.

Ik ging op de stoep staan. Hier was Daan nog geweest terwijl ik sliep. Hier hadden onbekenden hem gezien, aangeraakt, misschien tegen hem gepraat.

Ik zocht naar een punt waar ik mijn ogen op kon richten. Uiteindelijk werd het een putdeksel.

Een week later mochten we op het politiebureau de stand van het onderzoek bespreken. Ik nam een schrift mee. Op de eerste bladzijde had ik elf vragen geschreven.

De bestuurder was een man van zesenvijftig. Hij had na zijn werk naar huis gereden. Hij was gestopt na de botsing en had zelf 112 gebeld. Er was geen alcohol aangetroffen. De beschikbare beelden en sporen wezen erop dat hij Daan bij het afslaan geen voorrang had gegeven.

Over de snelheid en de precieze zichtbaarheid konden ze nog niet alles zeggen. Het achterlicht was beschadigd. Door de botsing was niet betrouwbaar vast te stellen hoe het vlak daarvoor had gewerkt.

‘Dus dat weten we nooit?’ vroeg ik.

‘Misschien niet.’

Ik keek naar mijn vragen. Nummer vier: waarom nam Daan niet op? Een zin die ik kennelijk midden in de nacht had opgeschreven. Ik had hem helemaal niet gebeld.

Ik kraste hem door.

‘Heeft hij nog iets gezegd? Na het ongeluk?’

De agent bladerde niet in zijn stukken. Hij kende het antwoord.

‘De hulpverleners hebben hem niet aanspreekbaar aangetroffen.’

Ik knikte alsof ik een levering bevestigd kreeg.

Buiten begon ik over de parkeerkosten. Saskia moest de automaat zoeken. Ik bleef zeggen dat vier euro belachelijk was. Pas in de auto begon ik te schreeuwen.

Niet lang. Misschien tien seconden. Daarna deed mijn keel pijn.

Saskia startte de motor niet. Ze wachtte tot ik mijn gordel omdeed.

Een paar dagen later belde een medewerker van Slachtofferhulp. Ze had me eerder geholpen met formulieren. Nu vertelde ze dat de bestuurder via een aparte organisatie had laten weten open te staan voor contact, als ik dat ooit wilde.

‘Nee,’ zei ik.

‘Dat is goed.’

‘Misschien wil ik over een jaar wel.’

‘Dan kunt u daar later naar kijken. U hoeft nu niets te beslissen.’

Ik was opgelucht dat iemand een vraag stelde waarop geen snel antwoord nodig was.

Thuis bleek Lotte ruzie te hebben gehad op school. Een jongen had gezegd dat ze bij een opdracht over gezinnen gewoon haar moeder en zichzelf kon tekenen. Hij had het volgens haar niet eens gemeen bedoeld.

‘Maar papa hoort er ook bij.’

‘Ja.’

‘De juf zei dat ik mocht kiezen.’

Ze pakte een vel papier uit haar tas. Drie mensen. Een kat. Daan had grote handen en geen voeten, omdat de onderkant van het papier vol was.

‘Mooi,’ zei ik.

‘Je hoeft het niet mooi te vinden.’

‘Nee. Je hebt gelijk.’

Ik bekeek het opnieuw.

‘Ik vind fijn dat hij erop staat.’

Dat antwoord accepteerde ze.

Die avond ruimde ik voor het eerst zijn fietstas uit. Een bandenplakset. Een platgedrukte krentenbol. Een kassabon van een bouwmarkt. Ik gooide de krentenbol weg en stond vervolgens tien minuten bij de vuilnisbak.

De praktijkondersteuner van de huisarts had gezegd dat ik klein mocht beginnen. Niet zijn hele kast. Niet het hele leven dat hij had achtergelaten. Eén la, als dat lukte.

Ik had toen gedacht dat ze geen idee had hoe weinig een la was.

Nu was een fietstas al genoeg.

Ik legde de bandenplakset in de schuur. Op het plankje waar Daan hem zelf altijd neerlegde. Daarna liep ik weer naar buiten.

Er stond nog daglicht boven de huizen. Bij de buren ging een pan op tafel. Ik hoorde iemand lachen.

Voor het eerst voelde dat niet uitsluitend als een belediging.

Hoofdstuk 6

Twee uur werken

Mijn eerste werkdag duurde twee uur. Meer hadden mijn leidinggevende en de bedrijfsarts niet afgesproken. Geen klanten. Alleen wat bestellingen nakijken, achter in het kantoor.

Ik had toch nette schoenen aangetrokken.

Bij de keukenzaak in Nieuwegein stond mijn collega Fatima buiten te wachten. Ze hield twee bekers koffie vast.

‘Ik wist niet of je binnen begroet wilde worden,’ zei ze.

‘Liever niet met iedereen erbij.’

‘Dan gaan we achterom.’

Dat kleine stukje overleg hielp meer dan alle boeketten die ik had gekregen.

Binnen rook het naar karton en vers gemalen koffie. Mijn wachtwoord werkte niet meer. De computer vroeg om een nieuw wachtwoord met een hoofdletter, een cijfer en een teken.

Ik begon te huilen.

Fatima schoof de doos tissues dichterbij en keek naar haar eigen scherm. Ze vroeg niet wat er was. Na een paar minuten hielp ze me inloggen.

Om kwart over elf hoorde ik in de showroom een man zeggen dat zijn vrouw altijd zo moeilijk deed over kleuren. Ik zag Daan voor me, met twee staaltjes verf tegen de keukenmuur. Hij had zes soorten wit kunnen onderscheiden en geen enkele afspraak in zijn agenda kunnen onthouden.

Ik lachte kort.

Daarna voelde ik me schuldig omdat ik gelachen had.

Dat was vermoeiend aan rouw. Niet alleen het verdriet. Ook alles wat ik mezelf bij elk ander gevoel verweet.

Via de praktijkondersteuner vond ik een lotgenotengroep in Utrecht. Ik ging de eerste keer met het plan om na een halfuur weg te gaan.

We zaten met zeven mensen in een buurthuis. Geen kaarsen. Geen muziek. Een tafel met thee en koekjes waarvan de verpakking nog open moest.

Een man die Henk heette, vertelde dat hij nog steeds de yoghurt kocht die alleen zijn vrouw lekker had gevonden.

‘Ik eet hem nu zelf,’ zei hij. ‘Vieze zure troep.’

Ik schoot in de lach. Henk ook.

Toen ik aan de beurt was, vertelde ik over de ruzie. Over mijn laatste bericht. Ik hield mijn handen onder mijn benen, zodat niemand zag hoe ze trilden.

Een vrouw tegenover me, Amina, knikte.

‘Mijn laatste woorden waren dat hij de vuilniszak mee moest nemen.’

‘En deed hij dat?’ vroeg Henk.

‘Nee.’

We lachten weer. Daarna huilde Amina. Niemand deed alsof dat twee verschillende bijeenkomsten moesten zijn.

Ik bleef tot het einde.

Thuis vond ik Lotte en Saskia aan tafel met een zak patat. Lotte keek op.

‘Was het stom?’

‘Niet helemaal.’

‘Moet je weer?’

‘Ik denk dat ik weer wil.’

Er gingen ook dingen mis. In mei vergat ik een afspraak met Lottes mentor. Ik zat op de bank met Daans trui tegen mijn gezicht terwijl mijn telefoon boven lag. Lotte kwam alleen naar huis.

‘Jij vergeet nu ook alles,’ zei ze.

Ik wilde zeggen dat ze moest begrijpen waarom. Ik zag aan haar gezicht dat ze dat al te vaak had moeten doen.

‘Ik ben het vergeten. Dat had niet mogen gebeuren.’

‘Papa is dood. Ik ben er nog.’

Ze liep naar boven.

Die zin nam ik mee naar de huisarts. Niet als bewijs dat ik een slechte moeder was, al voelde het zo. Wel omdat er iets moest veranderen.

Ik kreeg hulp van een psycholoog voor de beelden die steeds terugkwamen en de angst zodra mijn telefoon ging. Lotte kreeg gesprekken met iemand die veel met kinderen na een verlies werkte. Saskia bleef op donderdag eten, maar ik vroeg haar voortaan ook om mijn agenda door te nemen.

Niet alles werd rustig. Wel raakte minder zoek.

In juni kochten Lotte en ik een nieuwe fietsbel voor haar fiets. Daan had beloofd de oude te vervangen.

Ik kreeg de roestige schroef niet los.

‘Papa kon dit wel,’ zei ze.

‘Ja.’

Ik probeerde een andere schroevendraaier. Die schoot uit mijn hand.

‘Verdomme.’

Lotte ging naast me op de stoep zitten.

‘Zal ik Erik bellen?’

Ik wilde het zelf kunnen. Ik wilde niet voor elke schroef iemand nodig hebben.

Toen gaf ik haar mijn telefoon.

‘Goed idee.’

Erik kwam na het eten. Binnen drie minuten zat de bel erop.

Lotte fietste de straat uit en belde bij elk huis. Ik bleef buiten staan tot ze weer om de hoek kwam.

Hoofdstuk 7

Dezelfde datum

De avond voor Daans sterfdag legde ik mijn telefoon in de keuken. Niet omdat ik hem niet meer nodig had. Ik wilde alleen niet de hele nacht naar de tijd kijken.

Saskia bleef slapen. Dat had ik zelf gevraagd.

‘Bank of logeermatras?’ vroeg ze.

‘Bank. Op het matras zit een lek.’

‘Dat zei Daan twee jaar geleden al.’

‘We waren niet snel met sommige dingen.’

Ze trok haar schoenen uit en zette ze netjes naast elkaar. Daan zou erover gestruikeld zijn en hebben gevraagd wie die daar had neergezet.

Om tien voor drie werd ik wakker.

Ik wist het pas nadat ik toch naar beneden was gelopen. De keukenklok wees het aan. Mijn lichaam had geen herinnering nodig van een apparaat.

Saskia ging overeind zitten.

‘Thee?’

Ik knikte.

We zaten aan de eettafel toen het drie uur werd. De koelkast sloeg aan. Buiten reed een scooter voorbij. Mijn telefoon bleef zwart.

Ik had gedacht dat ik precies zou weten wat ik voelde. Dat de datum alles terug zou brengen zoals het was. Maar ik was niet meer de vrouw die het schone shirt in haar tas had gestopt. Ik wist inmiddels wat er daarna kwam. Ook hoe lang een woensdag kon duren. Hoe je een fietsverzekering opzegde. Hoe je tegelijk naar iemand kon verlangen en boos op hem kon zijn.

‘Ik mis zijn gewicht in bed,’ zei ik.

Saskia hield haar mok met twee handen vast.

‘Dat geloof ik.’

‘Niet eens seks. Of niet alleen. Gewoon dat er iemand ligt die het dekbed scheef trekt.’

Ze knikte. Meer hoefde niet.

Tegen vieren ging ik terug naar boven. Ik sliep nog twee uur.

Lotte wilde die ochtend naar de plek van het ongeluk. Ze was er nog nooit geweest. We hadden de route vooraf besproken. Zij mocht bepalen hoelang we bleven.

Ze nam geen bloemen mee, maar een klein steentje uit een doos op haar kamer. Daan had het jaren geleden voor haar gevonden op Texel. Er liep een witte streep doorheen.

Bij de kruising stond ze dicht tegen me aan. Het verkeer maakte praten moeilijk.

‘Hier ergens?’

‘Ja.’

‘Waar precies?’

Ik wees zo nauwkeurig als ik kon. Ik verzon geen zekerheid die ik niet had.

Ze hurkte bij de rand van het plantsoen en legde het steentje tussen twee wortels.

‘Het kan weggaan,’ zei ik. ‘Door regen. Of iemand kan het meenemen.’

‘Ik weet het.’

Na vijf minuten wilde ze naar huis.

We kochten onderweg warme broodjes. Ik vond het eerst ongepast om honger te hebben op die plek, op die ochtend. Toen bestelde ik er zelf ook één.

Thuis kwam Ria langs. Onze verhouding was niet vanzelf goed geworden. We hadden nog een keer ruzie gehad over Daans spullen. Zij wilde zijn gereedschapskist. Lotte wilde hem houden. Uiteindelijk had Ria zijn horloge gekregen en hadden we allebei een paar dingen gezegd waarvoor we later excuses maakten.

Nu haalde ze een trommel koekjes uit haar tas.

‘Hij pikte altijd de grote eruit,’ zei ze.

Lotte pakte de grootste.

‘Dan doe ik dat nu.’

We bekeken een paar foto’s. Niet allemaal. Na een halfuur deed Lotte de laptop dicht en ging ze naar een vriendin. Ik liet haar gaan.

Die middag opende ik voor het eerst in maanden onze laatste berichten zonder daarna de hele nacht uit te pluizen. Mijn harde zin stond er nog. Zijn antwoord ook. Ik verwijderde niets.

Er waren daarnaast duizenden andere berichten. Kun jij melk halen. Succes vandaag. Kijk hoe klein ze hier was. Ik hou van je, ook al snurk je.

Onze laatste ruzie was echt gebeurd. Ze was niet het enige wat tussen ons gebeurd was.

In het voorjaar zouden Lotte en ik drie nachten naar Terschelling gaan. Ik had geboekt met de mogelijkheid om te annuleren. Die zekerheid had ik nodig. Maar ik had wel geboekt.

Die avond zette ik één mok op het aanrecht. Ik deed de achterdeur op slot en keek in de agenda. Morgen werken van negen tot één. Daarna Lotte ophalen bij de tandarts.

Boven schoof ik onder het dekbed. De andere helft van het bed bleef leeg.

Ik miste hem. Ik was moe.

Voor ik het licht uitdeed, zette ik de wekker op halfacht.