Liefde, relaties en gezin
De verjaardag waar niemand kwam
Hoofdstuk 1
De verjaardag waar niemand kwam
Om kwart over zes trok ik de eerste kaars uit de taart. Het kaarsvet brak af. Een blauw stukje bleef in de slagroom zitten. Ik peuterde het eruit met de punt van een mes.
Er stonden twaalf borden op tafel.
Ik heet Marieke van Dalen. Die zaterdag werd ik drieënveertig. Ik woonde met mijn man Bas en onze kinderen in Breda, in een rijtjeshuis vlak bij het Valkenberg. Finn was vijftien. Noor negen. Op de koelkast hing een briefje van haar: ‘Niet kijken in mijn la. Geheim.’
Ik had niet gekeken.
Bas zou de kinderen ophalen bij zijn moeder in Prinsenbeek. Ze waren daar sinds twee uur. Hij had gezegd dat hij onderweg nog drank zou halen.
‘Vijf uur ben ik terug. Dan hoef jij alleen maar gezellig te zijn.’
Dat laatste klonk vriendelijk. Ik had besloten het vriendelijk op te vatten.
Om tien over vijf zette ik de oven lager. Om half zes stuurde ik mijn zus Ellen een bericht.
‘Waar blijven jullie?’
Er verschenen twee grijze vinkjes.
Ik liep naar het raam. Aan de overkant tilde iemand een fiets van een autodrager. Twee meisjes renden met badmintonrackets over de stoep. Iedere auto die vertraagde, liet me opkijken.
Mijn vader kwam meestal te vroeg. Hij parkeerde dan half op de stoep, met een bos bloemen tussen zijn knieën. Deze keer had ik speciaal zijn favoriete kaas gekocht. Oude kaas, niet die voorgesneden plakjes waarover hij altijd iets moest zeggen.
Om zes uur belde ik hem.
Geen gehoor.
Daarna Ellen. Voicemail.
Bas nam wel op. Ik hoorde muziek en een kind dat iets riep.
‘Waar ben je?’ vroeg ik.
‘Bij mijn moeder.’
‘Je zou een uur geleden thuis zijn.’
Er viel een stilte. Niet lang. Wel lang genoeg om mijn rug recht te trekken.
‘We moeten straks even praten.’
‘Er komt niemand.’
‘Dat weet ik.’
Ik keek naar de tafel. De gele servetten had Noor uitgezocht. Ze had ze in glazen willen zetten, zoals in een restaurant. Ik had gezegd dat ze dat bij thuiskomst mocht doen.
‘Wat bedoel je, dat weet je?’
‘Ik heb het afgezegd, Marieke.’
Ik hoorde mezelf ademen.
‘Wat heb je afgezegd?’
‘Je verjaardag. Je trok het niet.’
Ik zette mijn vrije hand op het aanrecht. Er lag een natte plek. Mijn mouw zoog zich vol.
‘Ik heb de hele dag staan koken.’
‘Juist. Je gaat maar door. Iemand moest ingrijpen.’
De avond ervoor hadden we ruzie gehad. Over geld. Over zijn telefoon die altijd omgekeerd op tafel lag. Over het appartement aan de Tramsingel waarvoor ik informatie had aangevraagd. Ik had gezegd dat ik wilde weten of apart wonen mogelijk was.
Hij had gevraagd of ik ons gezin kapot wilde maken.
Ik had een mok in de gootsteen gesmeten. Het oor was afgebroken. Daarna had ik gehuild. Hard, met mijn handen voor mijn gezicht.
Maar ik had niet gevraagd mijn verjaardag af te zeggen.
‘Breng de kinderen thuis,’ zei ik.
‘Niet als je zo praat.’
‘Hoe praat ik?’
Hij zuchtte.
‘We eten hier. Morgen zien we verder.’
De verbinding werd verbroken.
Ik belde meteen terug. Hij nam niet op. Mijn volgende twee oproepen ook niet.
Om kwart over zes trok ik dus de eerste kaars uit de taart. Niet omdat dat nodig was. Omdat ik iets moest doen waarbij mijn handen begrepen wat de bedoeling was.
Toen ging mijn telefoon.
Ellen.
‘Wat is er?’ vroeg ze.
‘Waarom ben je er niet?’
‘Bas zei dat je rust wilde. Dat we je niet moesten bellen.’
Ik zakte op een stoel.
‘Wanneer?’
‘Gisteravond. In de groep.’
‘Welke groep?’
Ze antwoordde niet meteen.
‘De groep die hij voor je verjaardag had gemaakt.’
Ik vroeg haar een schermafbeelding te sturen. Terwijl ik wachtte, haalde ik de schaal kip uit de oven. De bovenste stukken waren zwart langs de randen.
Het bericht kwam binnen.
‘Lieve allemaal. Het gaat niet goed met Marieke. Ze wil morgen niemand zien, maar vindt het moeilijk dat zelf te zeggen. Geef haar alsjeblieft ruimte. Ik zorg voor de kinderen.’
Daaronder stonden hartjes. Mijn vader had geschreven: ‘Sterkte jongen.’
Ik las het drie keer.
‘Mariek?’ zei Ellen door de telefoon. ‘Ben je er nog?’
Ik keek naar de lege stoelen.
‘Kom je nu wel?’ vroeg ik.
Hoofdstuk 2
Een stoel erbij
Ellen stond twintig minuten later voor de deur. Ze droeg haar jas nog open. Onder haar arm zat een bos tulpen in supermarktfolie.
‘Ik wist niet of ik die nog mee moest nemen,’ zei ze.
Ik deed een stap opzij.
Ze keek de kamer in. Naar de glazen, de salade, de taart. Toen legde ze de bloemen neer en trok haar jas uit.
‘O, Mariek.’
‘Niet doen.’
‘Wat niet?’
‘Alsof er iemand dood is.’
We gingen aan tafel zitten. Ik schepte kip op haar bord. Ze begon te zeggen dat ze thuis al gegeten had, maar stopte. Ze sneed een stukje af.
‘Vertel,’ zei ze.
Ik vertelde over de ruzie. Ook over de mok. Dat wilde ik niet vertellen. Het voelde alsof ik hem daarmee gelijk gaf. Maar Ellen kende me. Ze zou merken wanneer ik een stuk oversloeg.
‘Heb je die naar hem gegooid?’
‘Nee. In de gootsteen. Hij stond bij de koelkast.’
‘Waren de kinderen erbij?’
‘Boven. Finn heeft het gehoord.’
Ze knikte langzaam.
‘Dat is niet goed.’
‘Dat weet ik.’
‘En hij had jou moeten vragen voordat hij iedereen afzegde.’
Voor het eerst die avond kon ik even normaal ademhalen.
Ellen pakte haar telefoon. Er stonden meer berichten in de groep. Bas had die ochtend geschreven dat ik eindelijk sliep. Rond het middaguur had hij iedereen bedankt voor het begrip.
Op dat moment had ik bij de bakker gestaan. Ik had nog extra brood gekocht omdat mijn zwager altijd veel at.
‘Waarom belde niemand mij?’ vroeg ik.
Ellen wreef met haar duim langs haar telefoonhoesje.
‘Omdat hij zei dat je dat niet wilde.’
‘Maar dat zeg ik toch zelf?’
‘Ja.’
Ze keek me aan.
‘Dat hadden we moeten controleren.’
Mijn vader belde om zeven uur. Ellen had hem een foto van de tafel gestuurd, met mijn toestemming.
‘Ik dacht dat ik hielp door weg te blijven,’ zei hij.
Ik hoorde zijn televisie op de achtergrond.
‘Je had me kunnen vragen hoe het ging.’
‘Ja.’
Hij zweeg. Mijn vader was goed in dingen repareren. Met verdriet deed hij meestal iets praktisch. Een kast ophangen. De banden van mijn fiets oppompen.
‘Zal ik komen?’ vroeg hij.
Ik wilde ja zeggen. Ik wilde ook dat hij zelf eerder op dat idee was gekomen.
‘Morgen,’ zei ik. ‘Niet vanavond.’
Om half acht kreeg ik een bericht van Finn.
‘Mam ben je ziek?’
Ik drukte op bellen. Hij nam fluisterend op.
‘Ik sta boven bij oma.’
‘Ik ben niet ziek. Ik ben verdrietig en boos. Dat is iets anders.’
‘Papa zegt dat je even niet met drukte kunt omgaan.’
Ik sloot mijn ogen.
‘Er is ruzie tussen papa en mij. Jij hoeft daar niets aan op te lossen.’
‘Noor denkt dat je haar niet wilt zien.’
Mijn keel trok dicht.
‘Mag ik haar spreken?’
Ik hoorde zijn voetstappen. Een deur. Toen haar stem.
‘Vond je mijn cadeautje niet leuk?’
‘Ik heb het nog niet gezien, lieverd. Het ligt toch in je la?’
‘Ik wou het geven.’
‘Dat mag nog steeds. Morgen. Of straks, als je thuiskomt.’
Ze vroeg waarom ze dan niet thuis was.
Ik keek naar Ellen. Zij boog haar hoofd.
‘Dat moet ik met papa bespreken,’ zei ik. ‘Maar ik wil jou altijd zien.’
Daarna kwam Bas aan de telefoon.
‘Nu maak je haar overstuur.’
‘Ze dacht dat ik haar niet wilde zien.’
‘Je had gewoon even rustig kunnen blijven.’
‘Breng ze morgen om tien uur. We gaan dit niet via hen bespreken.’
Hij zei dat hij zou kijken wat verstandig was.
Na het gesprek wilde ik naar Prinsenbeek rijden. Mijn sleutels lagen al in mijn hand. Ellen ging niet voor de deur staan. Ze vroeg alleen wat ik daar wilde doen.
‘Mijn kinderen ophalen.’
‘En als hij weigert waar ze bij staan?’
Ik bleef bij de kapstok staan.
Uiteindelijk stuurde ik Bas één bericht. Dat ik de kinderen verwachtte. Dat ik niet wilde dat hij namens mij sprak. Daarna legde ik mijn telefoon in de keuken.
Ellen sliep op de bank. We ruimden zes borden af en lieten de rest staan. Ik kon de lege tafel nog niet verdragen.
Vlak voor het licht uitging, zei ze: ‘Ik dacht altijd dat jullie het goed hadden.’
‘Dat dacht ik soms ook,’ zei ik.
Hoofdstuk 3
Het schrift
Om tien uur stond ik bij het raam. Om kwart over tien kwam een bericht van Bas: ‘We zijn onderweg.’ Om elf uur draaide zijn auto de straat in.
Noor rende naar binnen met een pakje onder haar jas. Finn volgde met zijn rugzak. Hij keek naar de gedekte tafel alsof hij op een plek kwam waar een ongeluk was gebeurd.
‘Is dat allemaal van gisteren?’ vroeg hij.
‘Ja. We ruimen het zo op.’
Bas kwam als laatste binnen. Hij zette een plastic tas met vuile kleren bij de trap.
‘Zo,’ zei hij. ‘Iedereen weer bij elkaar.’
Ellen zat aan de keukentafel. Hij zag haar en zijn gezicht veranderde.
‘Gezellig. Overleg gehad?’
‘Koffie?’ vroeg ze.
‘Nee.’
Noor duwde haar pakje in mijn handen. Het was een schrift met een groene kaft. Op de eerste bladzijde had ze geschreven: ‘Voor mama haar verhalen.’ Daaronder stonden drie poppetjes en een hond.
‘We hebben geen hond,’ zei ik.
‘Die kun je verzinnen.’
Ik lachte. Het geluid verraste me.
We aten taart. Finn nam twee stukken. Bas bleef staan en keek op zijn telefoon. Toen de kinderen naar boven gingen, schoof hij een stoel naar achteren.
‘Kunnen we nu normaal praten?’
Ellen vroeg of ik wilde dat ze bleef.
‘Ja,’ zei ik.
Bas lachte kort.
‘Natuurlijk.’
Ik legde mijn handen plat op tafel.
‘Je hebt iedereen afgezegd zonder mij iets te zeggen. Daarna hield je de kinderen weg.’
‘Bij hun oma. Doe niet alsof ik ze heb ontvoerd.’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Je suggereert het wel.’
Dit kenden we. Ik begon ergens over. Hij bestreed een woord dat ik niet had gebruikt. Tien minuten later verdedigde ik mijn toon en was het onderwerp verdwenen.
Ik keek naar het groene schrift.
‘Waarom heb je mij niet verteld dat je het feest had afgezegd?’
Hij leunde achterover.
‘Omdat je dan precies zo had gereageerd.’
‘Ik heb gisteren honderd euro uitgegeven aan eten.’
‘Dan had je niet moeten dreigen om weg te gaan.’
Ellen zette haar kopje neer.
Niemand zei iets.
Bas keek van haar naar mij.
‘Dat bedoel ik niet zo. Ik bedoel dat je niet eerst alles op losse schroeven kunt zetten en daarna vrolijk verjaardag vieren.’
Ik hoorde Finn op de overloop. Een vloerplank kraakte. Ik stond op en sloot de kamerdeur, al wist ik dat die weinig tegenhield.
‘Ik wil dat je vannacht bij je moeder slaapt,’ zei ik.
‘Dit is ook mijn huis.’
‘Dat weet ik. Ik vraag het.’
Hij weigerde. Ellen bood aan dat ik met de kinderen naar haar kon. Maar zij woonde in een klein appartement in Tilburg. Bovendien wilde ik niet opnieuw beslissen over de kinderen terwijl ze boven zaten te luisteren.
Die nacht sliep ik op Noors oude logeermatras in de werkkamer. Bas bleef in onze slaapkamer. We spraken af dat we maandag verder zouden praten.
Er kwam die nacht niets van slapen.
Ik pakte het groene schrift en schreef de gebeurtenissen op. Tijden. Zinnen. Wie waar was. Daarna begon ik aan dingen van eerder.
Het etentje met collega’s waarvoor ik op het laatste moment had afgezegd, omdat Bas opeens niet op de kinderen kon passen. De keer dat hij mijn vader vertelde dat ik slecht met geld was. De weken waarin hij nauwelijks antwoord gaf nadat ik iets had geweigerd.
Ik schreef ook wat ik zelf had gedaan. Schelden. De mok. Doen alsof alles normaal was zodra de kinderen binnenkwamen. Finn vragen of zijn vader al thuis was, terwijl ik hem zelf had moeten bellen.
Op maandag ging ik naar mijn werk, de balie van een fysiotherapiepraktijk aan de Haagdijk. Ik maakte drie fouten in afspraken. Mijn collega Saskia nam de telefoon over.
‘Ga even zitten,’ zei ze.
In de voorraadruimte, tussen papierrollen en dozen handschoenen, belde ik de huisarts.
Toen de assistente vroeg waarvoor ik kwam, begon ik met: ‘Het stelt misschien niet zoveel voor.’
Daarna keek ik naar mijn schrift.
‘Nee,’ zei ik. ‘Het gaat thuis niet goed. Ik slaap niet. En ik heb hulp nodig om helder te blijven denken.’
Ze gaf me een afspraak voor die middag.
Hoofdstuk 4
Wat er op papier stond
De huisarts vroeg of ik me veilig voelde thuis.
Ik zei meteen ja. Daarna zei ik: ‘Ik weet het niet.’
Bas had me nooit geslagen. Dat vertelde ik erbij, alsof daarmee de belangrijkste vraag was beantwoord. De huisarts vroeg wat er gebeurde als ik nee zei. Of ik vrij over geld kon beschikken. Of ik zonder uitleg ergens heen kon.
Ik begon lange antwoorden te geven.
Ze onderbrak me niet.
Aan het einde stelde ze voor dat ik met de praktijkondersteuner zou praten. Ze vroeg ook wat ik die avond nodig had.
‘Een gesprek dat niet weer over mijn toon eindigt,’ zei ik.
‘Misschien hoeft dat gesprek vanavond niet.’
Dat was een mogelijkheid waar ik zelf niet op was gekomen.
Thuis schreef ik Bas dat ik voorlopig alleen praktische dingen wilde bespreken. School. Eten. Wie wanneer thuis was. Over onze relatie wilde ik praten met iemand erbij.
Hij stuurde een duim omhoog.
Twee uur later kwam hij binnen met sushi en bloemen.
‘Wapenstilstand?’ vroeg hij.
Noor stond naast me. Ze keek hoopvol naar de papieren tas.
‘We kunnen samen eten,’ zei ik. ‘Dat is niet hetzelfde als dat alles opgelost is.’
Zijn glimlach verdween even. Daarna gaf hij Noor de eetstokjes.
Tijdens het eten vertelde hij over een klant die zijn auto verkeerd had geparkeerd. Finn lachte. Ik was hem dankbaar voor dat gewone moment en boos omdat ik hem dankbaar was.
De volgende ochtend wilde ik weten hoeveel geld we hadden.
Bas regelde al jaren de vaste lasten. Dat was begonnen toen Noor klein was en ik nauwelijks sliep. Later bleef het zo. Mijn loon kwam op onze gezamenlijke rekening. Ik kende de code, maar keek meestal alleen of een betaling lukte.
Nu downloadde ik afschriften.
Ik vond geen geheime rekening met een fortuin. Wel een krediet waarvan ik het bestaan niet kende. Een maandelijkse aflossing. En verschillende overboekingen naar Bas’ privérekening met als omschrijving ‘voorgeschoten’.
Ik belde hem op zijn werk.
‘Waarvoor is die lening?’
‘Welke lening?’
Ik noemde het bedrag.
‘De keuken. Dat weet je.’
‘Ik dacht dat we die van ons spaargeld hadden betaald.’
‘Dan heb je niet geluisterd.’
Ik pakte een pen.
‘Stuur je me de stukken?’
‘Wat is dit ineens? Een controle?’
‘Ik wil weten waarvoor ik verantwoordelijk ben.’
Hij verbrak het gesprek niet. Hij deed iets dat bijna erger voelde: hij begon geduldig uit te leggen dat ik mezelf gek maakte.
Die middag opende ik een rekening op mijn eigen naam. Ik veranderde nog niets aan de gezamenlijke betalingen. Eerst wilde ik advies. Via het Juridisch Loket vond ik uit waar ik terechtkon voor een gesprek over scheiden, geld en de kinderen.
Het woord scheiden stond in mijn agenda tussen een tandartsafspraak en Noors zwemles.
Toen ik het zag, moest ik huilen.
Mijn vader kwam op woensdag. Hij bracht geen gereedschap mee. Wel de bloemen die zaterdag in zijn keuken waren blijven staan.
‘Ze zijn nog goed,’ zei hij.
We dronken koffie. Ik vertelde hem over de lening en het schrift. Hij luisterde met zijn jas op schoot.
‘Bas zegt dat je al maanden afstandelijk bent,’ zei hij uiteindelijk.
Ik zette mijn kopje neer.
‘Heeft hij je gebeld?’
Mijn vader knikte.
‘Waarom vertel je dat nu pas?’
‘Ik wilde geen partij kiezen.’
Ik voelde dezelfde hitte als op mijn verjaardag.
‘Dan moet je ook ophouden zijn verhaal aan mij door te geven alsof ik erop moet antwoorden.’
Hij keek naar de grond.
‘Je hebt gelijk.’
Het was geen groot gesprek daarna. Hij vroeg wanneer ik advies kreeg. Of hij op de kinderen moest passen. Bij het weggaan pakte hij mijn schouder vast.
‘Ik had zaterdag moeten bellen,’ zei hij. ‘Ook als Bas zei van niet.’
Die avond legde ik kopieën van de financiële stukken in een map. Bas zag het.
‘Dus je vertrouwt me niet meer.’
Ik deed de map dicht.
‘Niet genoeg om niets te controleren.’
Hij wachtte op meer. Een uitleg. Een verzachting.
Ik gaf die niet.
Hoofdstuk 5
Twee adressen
Drie weken na mijn verjaardag zaten Bas en ik bij een mediator in Breda. Een ronde tafel. Een doos tissues die zo ver van ons af stond dat je ervoor moest opstaan.
De mediator had ons eerst afzonderlijk gesproken. Ze zei dat gezamenlijke gesprekken alleen zin hadden als we allebei vrij konden praten. Als dat niet lukte, moesten we een andere route kiezen.
Bas vertelde dat hij het gezin bij elkaar wilde houden.
Ik vertelde dat ik wilde scheiden.
Zelfs nadat ik het hardop had gezegd, keek ik naar hem om te zien of het mocht.
Hij keek naar de mediator.
‘Ze heeft het moeilijk. Dat ziet iedereen.’
‘Dat kan,’ zei zij. ‘Maar ik hoor haar wel een duidelijke keuze uitspreken.’
Hij schoof zijn stoel achteruit.
‘Dan heeft dit weinig zin.’
Toch bleef hij zitten. We bespraken alleen de komende weken. Niet wie gelijk had. Niet wie van wie had gehouden. Waar de kinderen sliepen. Hoe we hun schooldagen rustig konden houden.
Bas ging voorlopig bij zijn moeder wonen. Hij deed dat niet omdat hij ineens begreep wat er mis was. Hij vond de spanning in huis ook onhoudbaar. Bovendien zei de mediator dat samen onder één dak blijven niet hielp als ieder praktisch overleg in een ruzie eindigde.
We maakten tijdelijke afspraken op papier. Later moesten onze eigen adviseurs naar de financiële gevolgen kijken. Ik durfde pas te tekenen nadat ik alles had nagevraagd.
Die zondag vertelden we het aan Finn en Noor.
We zaten op de bank. Bas had voorgesteld te zeggen dat we ‘even afstand namen’. Ik wilde geen tijdelijke belofte doen die ik niet kon waarmaken.
‘Papa en ik gaan apart wonen,’ zei ik. ‘We gaan scheiden.’
Noor keek meteen naar Bas.
‘Maar niet van ons,’ zei hij.
Ze kroop tegen hem aan. Ik hield mijn handen tussen mijn knieën.
Finn vroeg waar hij zijn computer moest neerzetten.
‘Dat zoeken we uit,’ zei ik.
‘Dus jullie weten het nog niet eens.’
Hij stond op en ging naar boven.
Ik wilde achter hem aan. Bas zei dat ik hem moest laten. Deze keer had hij gelijk.
Later klopte ik op Finns deur. Hij zat op bed met zijn schoenen nog aan.
‘Hoe lang wist je dit al?’ vroeg hij.
‘Dat ik wilde scheiden? Sinds kort. Dat het niet goed ging, langer.’
‘Waarom deed je dan steeds normaal?’
Ik ging niet naast hem zitten zonder het te vragen.
‘Mag ik?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Ik dacht dat ik jullie beschermde,’ zei ik. ‘Maar jullie merkten natuurlijk van alles.’
‘Ja. Best veel eigenlijk.’
Hij keek naar zijn bureau.
‘En jij vraagt altijd aan mij wat papa bedoelt. Daar heb ik geen zin meer in.’
Die kwam hard aan. Terecht.
‘Dat ga ik niet meer doen.’
‘Dat zeg je nu.’
‘Dan moet ik het laten zien.’
De eerste vrijdag dat de kinderen bij Bas sliepen, stond ik na hun vertrek in de gang. Noor was haar knuffel vergeten. Ik rende ermee naar buiten, maar de auto was al weg.
Ik belde niet. Ik stuurde een bericht met de vraag of ze hem nodig had. Een kwartier later kwam Bas terug. Noor zwaaide door het raam. Ze huilde niet. Dat stelde me gerust en deed tegelijk pijn.
Binnen at ik brood boven het aanrecht.
Ik had gedacht dat rust prettig zou voelen. Het voelde eerst alsof ik uit mijn eigen leven was gezet.
De volgende ochtend ging ik naar Ellen. Ze wilde wandelen. Ik wilde op haar bank blijven zitten en vertellen wat Bas allemaal verkeerd had gedaan.
‘Dat mag een uur,’ zei ze. ‘Daarna gaan we naar buiten.’
Ik werd boos op haar.
Later gingen we toch.
We liepen langs het Wilhelminakanaal. Ik vertelde over Finn. Over mijn belofte hem niet meer als tussenpersoon te gebruiken.
‘Dat lijkt me een belangrijke,’ zei ze.
‘Je mag ook zeggen dat ik het goed doe.’
Ze stootte zacht tegen mijn arm.
‘Je doet sommige dingen goed. En sommige dingen moet je nog leren.’
Ik vond het geen fijne zin.
Maar ik bleef er die avond wel aan denken.
Hoofdstuk 6
Niet via de kinderen
In juni kreeg ik een huurwoning in de Haagse Beemden. Geen wonder boven wonder. Een kleine woning in de vrije sector, gevonden via een collega die iemand kende. Met mijn extra werkuren, de voorlopige afspraken over de kosten en een scherp budget kon ik de huur betalen.
Het was duurder dan ik wilde. Verder van school dan handig was. Maar er waren drie slaapkamers.
Bas bleef uiteindelijk in ons oude huis terwijl we de definitieve financiële afwikkeling regelden. Of hij het kon overnemen, moest nog blijken. Ik kreeg steeds de neiging alles snel af te handelen. Mijn adviseur remde me af.
‘Snel is niet hetzelfde als goed,’ zei ze.
Mijn vader hielp verhuizen. Hij vroeg voordat hij een plank ophing waar ik hem wilde hebben. Dat kleine wachten viel me op.
Noor koos de kleinste slaapkamer omdat het raam uitkeek op een boom. Finn wilde de kamer aan de achterkant. Hij vond het huis gehorig en de keuken lelijk.
‘Dat vind ik ook,’ zei ik.
Hij keek verbaasd. Toen lachte hij.
De eerste avond aten we friet op een uitgeklapte tuintafel. Er ontbraken gordijnen. Iedereen die langsfietste kon ons zien zitten.
‘Bij papa komt een grotere televisie,’ zei Noor.
Ik haalde adem voordat ik antwoord gaf.
‘Hier past deze prima.’
Over Bas praten zonder een steek uit te delen kostte me soms meer moeite dan alle verhuisdozen samen.
Een week later kwam de eerste echte test.
Noor kwam op maandag thuis met een briefje voor een schoolvoorstelling. Vrijdag om half twee. Haar groep zou zingen. Het viel in Bas’ middag met de kinderen.
‘Papa zegt dat jij niet hoeft te komen,’ zei ze. ‘Omdat samen dingen doen nog moeilijk voor je is.’
Ik voelde mijn gezicht warm worden.
‘Ik wil graag komen. Ik bespreek het met papa.’
‘Ben je boos?’
‘Niet op jou. Jij hebt gewoon iets verteld.’
Ik ging naar de keuken en schreef een bericht van twintig regels. Daarna verwijderde ik negentien regels.
‘Ik ben vrijdag bij Noors voorstelling. Bespreek afspraken over mijn aanwezigheid rechtstreeks met mij, niet via Noor.’
Bas belde meteen.
‘Je maakt overal een probleem van.’
‘Ik kom vrijdag.’
‘Ik dacht dat ik rekening met je hield.’
‘Vraag het dan voortaan aan mij.’
Hij begon over mijn verjaardag. Dat hij toen ook alleen maar had willen helpen.
Ik keek naar de klok. Over tien minuten moest ik rijst afgieten.
‘Daar gaan we nu niet over praten. Tot vrijdag.’
Ik hing op voordat ik ging schreeuwen.
Op vrijdag zat ik links in de aula. Bas zat rechts, naast zijn moeder. Noor zocht ons allebei op in het publiek. Toen ze ons zag, ging ze rechter staan.
Na afloop liep ze eerst naar hem. Ik bleef wachten. Ze kwam daarna met een papieren bloem naar mij.
‘Deze is voor allebei,’ zei ze.
‘Dan maken we er een foto van,’ zei ik. ‘En jij kiest waar hij staat.’
Dat vond ze een goede oplossing.
Niet alles lukte zo.
Een keer noemde ik Bas koppig waar Finn bij was. Finn keek me alleen maar aan. Ik bood mijn excuses aan, zonder eraan toe te voegen dat zijn vader ook van alles zei.
Een andere keer vergat ik Noors gymschoenen. Bas stuurde een foto van haar op sokken in de gymzaal. Ik voelde de oude drang om mezelf uitgebreid te verdedigen. In plaats daarvan bracht ik de schoenen en schreef: ‘Mijn fout. Geregeld.’
Via de praktijkondersteuner kwam ik bij een kleine gespreksgroep. Daar zaten vijf andere mensen met problemen na een scheiding. Niet iedereen had hetzelfde meegemaakt. Dat hoefde ook niet.
Ik vertelde over de verjaardag. Over de twaalf borden.
Een vrouw tegenover me vroeg niet waarom ik niet eerder was weggegaan.
Ze vroeg: ‘Wie heb je toen gebeld?’
‘Mijn zus.’
‘Fijn dat zij kwam.’
Ik knikte.
Voor het eerst vertelde ik het hele verhaal zonder daarna uit te leggen dat Bas ook goede kanten had.
Die had hij. Hij kon Noor aan het lachen maken. Hij vergat geen voetbalwedstrijd van Finn.
Maar ik hoefde dat niet meer toe te voegen om te mogen zeggen wat er met mij was gebeurd.
Hoofdstuk 7
Wie er wel kwam
Een jaar later kocht ik zes gebaksbordjes bij de kringloop aan de Speelhuislaan. Ze pasten niet bij elkaar. Ik koos ze omdat ze vijftig cent per stuk kostten en ik nog steeds vaak rekende voordat ik iets kocht.
Mijn vierenveertigste verjaardag viel op een zondag.
Drie weken van tevoren vroeg Ellen wat ik wilde doen.
‘Niets,’ zei ik.
Ze keek me aan over haar koffiekop.
‘Omdat je niets wilt? Of omdat je bang bent dat niemand komt?’
Ik vond het irritant dat ze dat verschil hoorde.
‘Het tweede,’ zei ik.
We spraken af dat ik klein zou vieren. Ellen met haar man. Mijn vader. Saskia van mijn werk. Finn en Noor waren dat weekend bij mij.
Geen verrassing. Geen aparte groep zonder mij. Ik stuurde de uitnodiging zelf.
‘Zondag om drie uur koffie en taart. Laat even weten of je komt.’
Daarna legde ik mijn telefoon weg. Na twee minuten pakte ik hem weer.
Ellen reageerde als eerste. Mijn vader belde.
‘Ik ben er om kwart voor drie,’ zei hij.
‘Drie uur is goed, pap.’
‘Dan drie uur.’
Met Bas ging het inmiddels zakelijker. Soms verliep het overleg goed. Soms schreef hij nog dat ik moeilijk deed wanneer ik een afspraak bevestigd wilde hebben. We gebruikten één app voor de planning. De kinderen hoefden geen berichten over te brengen.
De scheiding was rond. De afwikkeling van het huis had langer geduurd dan ik had verwacht. Ik had minder overgehouden dan ik aanvankelijk hoopte, maar genoeg om een kleine buffer op te bouwen. Daar kwam ik niet aan voor een bank of een vakantie.
Ik praatte nog met de praktijkondersteuner. Minder vaak. Slapen ging beter. Op onverwachte momenten schrok ik nog steeds van een zucht of een telefoon die hard op tafel werd gelegd.
Er was geen nieuwe liefde. Eén keer had ik met iemand koffie gedronken die ik via Saskia kende. Een aardige man uit Oosterhout. Ik had de hele tijd gelet op hoe hij reageerde toen de bestelling verkeerd kwam.
Dat vertelde ik hem niet.
We spraken niet opnieuw af. Ik miste soms een arm om me heen. Toch wilde ik niet terug naar Bas. Die twee gevoelens konden blijkbaar tegelijk bestaan.
Op mijn verjaardag werd ik vroeg wakker. Noor stond om acht uur naast mijn bed met toast op een bord. Finn had thee gezet. Er dreef een stukje broodkorst in.
‘Dat was zij,’ zei hij.
‘Dat was per ongeluk,’ zei Noor.
Ik ging rechtop zitten en at alles op.
Om twee uur zette ik de taart in de koelkast. Om half drie controleerde ik mijn telefoon. Geen afzeggingen.
Om tien voor drie hoorde ik een auto stoppen. Ik liep al naar het raam voordat ik merkte wat ik deed.
Het was een bezorger voor de buren.
Mijn handen begonnen te trillen.
Finn stond in de deuropening.
‘Gaat het?’
Ik wilde zeggen dat alles goed was. Dat zei ik vroeger altijd.
‘Ik ben even bang dat het weer gebeurt.’
Hij keek naar de tafel.
‘Zal ik Ellen bellen?’
‘Nee. Dat hoef jij niet te regelen. Als ik wil weten waar ze is, bel ik zelf.’
Hij knikte en pakte een stukje komkommer.
Om drie uur ging de bel.
Mijn vader stond op de stoep met bloemen. Achter hem kwam Saskia aanlopen, met haar fiets aan de hand. Ellen stuurde dat ze een parkeerplek zochten.
Ik liet mijn vader binnen. Hij gaf me een zoen en bleef een tel staan.
‘Gefeliciteerd, Mariek.’
‘Dank je.’
Meer hoefde hij niet te zeggen.
We zaten te krap aan de tafel. Mijn zwager haalde een tuinstoel uit de schuur. Noor deelde de bordjes uit. Finn sneed stukken taart die volgens haar niet even groot waren.
Er werd gemorst. Mijn vader vertelde een verhaal dat ik al kende. Saskia vroeg of iemand melk wilde. Ellen schoof zonder iets te zeggen haar servet naar me toe toen ik plotseling moest huilen.
Ik schaamde me even.
Toen veegde ik mijn gezicht af en bleef zitten.
Later die avond, nadat iedereen weg was, schreef ik in het groene schrift van Noor. Er waren nog een paar lege bladzijden.
Ik schreef niet dat alles goed was gekomen. Daarvoor was er te veel veranderd. De kinderen hadden twee adressen. Ik miste soms ons oude huis. Er bleven gesprekken waar ik tegen opzag.
Ik schreef wie er waren geweest. Wat we hadden gegeten. Dat Finn na afloop uit zichzelf de vaatwasser had ingeruimd.
Daarna zette ik de datum erboven.
Beneden vroeg Noor of er nog taart was.
‘Ja,’ riep ik. ‘Ik kom eraan.’