Mantelzorg en ouder worden
De wachtlijst voor het verpleeghuis
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
De wachtlijst voor het verpleeghuis
Om kwart over drie stond mijn moeder buiten met een ovenschaal in haar handen. Er zaten twee rauwe aardappels in. Ze droeg haar winterjas over haar nachthemd. Haar benen waren bloot.
‘Je vader moet eten,’ zei ze.
Mijn vader was al negen jaar dood.
De buurman had me gebeld. Hij had haar zien staan onder de lantaarnpaal, voor haar rijtjeshuis in Zwolle-Zuid. Toen ik aankwam, hield hij een paraplu boven haar hoofd. Zijn eigen schouder was doorweekt.
‘Ze wil niet naar binnen, Marieke.’
Ik pakte de schaal aan. Die was ijskoud.
‘Ik breng het wel naar papa. Kom jij even mee.’
Het lukte. Daar schaamde ik me later voor. Niet omdat ik loog. Omdat ik blij was dat de leugen werkte.
Binnen rook het naar gas.
Ik bleef in de deuropening staan. Op het fornuis stond een knop open, zonder vlam. Ik draaide hem dicht, zette de buitendeuren open en nam mijn moeder weer mee naar buiten. De buurman belde de brandweer. We wachtten bij hem in de keuken tot haar huis veilig was.
Mijn moeder kreeg thee in een mok met een foto van zijn kleinkind.
‘Wat een drukte,’ zei ze. ‘Er is toch niks gebeurd?’
Ik keek naar haar natte slippers. De linker zat aan haar rechtervoet.
Mijn naam is Marieke van Dijk. Ik was zesenvijftig en werkte vier dagen per week op de administratie van een installatiebedrijf. Ik had een dochter, Lotte, die in Deventer woonde. Mijn broer Erik woonde in Amersfoort. Onze moeder heette Ria. Ze was drieëntachtig en had twee jaar eerder de diagnose ziekte van Alzheimer gekregen.
Tot die nacht vertelde ik iedereen dat het nog ging.
Dat betekende dat ik haar pillen klaarlegde. Dat ik brood weggooide waarop groene plekken zaten. Dat ik na mijn werk controleerde of ze gegeten had. Dat ik mijn telefoon meenam naar de wc, omdat ze soms zes keer achter elkaar belde.
Het betekende ook dat ik elke avond hetzelfde vroeg.
‘De deur op slot, mam?’
‘Natuurlijk. Ik ben niet achterlijk.’
En dat ik daarna toch ging kijken.
Om vijf uur zaten we weer in haar woonkamer. De brandweer was weg. Mijn moeder was boos omdat vreemde mannen haar keuken hadden bekeken.
‘Jij maakt overal een toestand van.’
Ik wilde zeggen dat ze ons bijna had opgeblazen. In plaats daarvan trok ik de deken over haar knieën.
Toen ze sliep, belde ik mijn werk. Ik sprak de voicemail in. Mijn stem klonk alsof ik verkouden was.
Om acht uur belde ik Sanne, onze casemanager dementie.
‘Het gaat niet meer,’ zei ik.
Ik had die zin maanden voorbereid. Nu kwam hij er vlak uit.
Sanne kwam die middag. Ze ging niet meteen tegenover mijn moeder zitten met een map. Eerst hielp ze haar zoeken naar haar bril. Die lag in de broodtrommel.
Daarna vroeg ze of we aan de keukentafel konden praten.
‘Ik wil niet weg,’ zei mijn moeder, voordat iemand iets had uitgelegd.
‘Dat snap ik,’ zei Sanne.
‘Nee. Dat snapt niemand.’
Ik staarde naar de brandplek naast een pit. Die had ik eerder nooit gezien. Of ik had gedaan alsof ik hem niet zag.
Sanne legde uit dat er meer nodig was dan onze huidige hulp. We konden een aanvraag doen voor langdurige zorg. Er moest worden beoordeeld welke zorg mijn moeder nodig had. Daarna kwam het zoeken naar een passende plek.
‘Hoe lang duurt dat?’ vroeg ik.
Sanne schoof haar kopje opzij.
‘Dat kan ik je vandaag niet zeggen.’
‘Een week? Een maand?’
‘Er zijn wachtlijsten. En een indicatie betekent niet dat er meteen een kamer vrij is.’
Mijn moeder stond op. Ze zette drie schone lepeltjes in de vuilnisbak.
Niemand zei iets.
Later liep Sanne met me mee naar buiten. Bij mijn auto vroeg ze hoeveel nachten ik nog zo kon doorgaan.
Ik wilde het goede antwoord geven. Het flinke antwoord.
‘Geen,’ zei ik.
Die avond draaide ik de gastoevoer naar het fornuis dicht. Ik zette een maaltijd in de magnetron en plakte er een briefje op. Daarna trok ik het briefje weer los. Mijn moeder begreep de knoppen niet meer.
Ik belde Erik.
‘We moeten een verpleeghuis zoeken.’
Hij zweeg even.
‘Is dat niet wat vroeg?’
Ik keek naar de ovenschaal op het aanrecht. De aardappels lagen er nog in.
‘Kom zaterdag,’ zei ik. ‘En neem een tas mee. Je blijft slapen.’
Hoofdstuk 2
Een goede ochtend
Erik kwam zaterdag om elf uur. Hij had bloemen bij zich en een doos gebak. Mijn moeder deed zelf open. Ze droeg haar blauwe vest, haar haar was gekamd en ze wist meteen wie hij was.
‘Daar is mijn jongen.’
Ik zag zijn schouders zakken. Hij dacht dat hij gelijk had gekregen.
Aan tafel vertelde ze over vroeger. Over de fietsenwinkel waar mijn vader had gewerkt. Over onze vakantie in Zeeland, toen Erik in een kwal was gestapt. Ze vertelde het goed. Zelfs de naam van de camping klopte.
‘Ze is helder vandaag,’ zei hij, toen ze naar de wc ging.
‘Ja.’
‘Misschien kwam die nacht door een slechte droom.’
Ik schoof een schrift naar hem toe. Sinds donderdag schreef ik alles op. Niet om mijn moeder te betrappen. Omdat ik tijdens gesprekken steeds vergat hoe vaak het misging.
Donderdag: broodrooster gevuld met water.
Vrijdag: thuiszorg niet binnengelaten.
Zaterdag, halfzeven: aangekleed op zoek naar haar moeder.
Erik las de eerste bladzijde.
‘Je hoeft niet ieder dingetje op te schrijven.’
‘Dan noemen we het straks weer een slechte nacht.’
Mijn moeder kwam terug zonder haar broek dicht te doen. Ik wees er voorzichtig naar. Ze keek omlaag en sloeg mijn hand weg.
‘Bemoei je met jezelf.’
Ik vertrok die middag. Voor het eerst in weken reed ik naar mijn eigen huis zonder meteen boodschappen voor haar te doen. Ik wilde slapen. Maar in bed bleef ik luisteren naar mijn telefoon.
Om negen uur belde Erik.
‘Waar liggen schone lakens?’
Om halfelf vroeg hij hoe de wasmachine werkte.
Om twee uur stuurde hij een bericht: Ze blijft naar de voordeur lopen. Wat moet ik doen?
Ik typte: Blijf bij haar. Praat rustig. Ga niet uitleggen dat papa dood is.
Daarna lag ik wakker tot de vogels begonnen.
Zondag stond Erik in de keuken met zijn jas al aan. Mijn moeder zat aan tafel en scheurde een reclamefolder in reepjes.
‘Ik wist niet dat het zo was,’ zei hij.
Ik had op die zin gewacht. Toch werd ik er niet rustig van.
‘Je had me kunnen geloven.’
Hij knikte. Geen verdediging. Daardoor kon ik eindelijk mijn tas neerzetten.
De week daarna kwam de beoordelaar van het CIZ. Sanne was erbij. Mijn moeder schonk koffie in een kopje zonder schoteltje en zei dat ze alles zelf deed.
‘Koken ook?’
‘Elke dag. Gewoon aardappels, groente, vlees.’
Ik voelde de hitte in mijn gezicht. Haar fornuis werkte niet meer. Ik bracht al maanden eten.
‘Mag ik aanvullen?’ vroeg ik.
Mijn moeder keek me strak aan.
‘Je hoeft niet over mij te praten alsof ik er niet ben.’
De beoordelaar draaide haar stoel iets.
‘Uw dochter maakt zich zorgen. Ik wil graag van u allebei horen hoe het gaat.’
Dat hielp een beetje. Niet genoeg om het gesprek gemakkelijk te maken.
Ik vertelde over het gas. Over verdwalen op de route naar de supermarkt. Over de pillen die ik achter een bloempot had gevonden. Bij elk voorbeeld leek mijn moeder kleiner te gaan zitten.
Na afloop weigerde ze me een kus te geven.
‘Je hebt me mooi zwartgemaakt.’
Ik huilde in mijn auto. Met mijn voorhoofd tegen het stuur, op haar eigen oprit. Toen klopte de postbezorger op het raam omdat zijn kar er niet langs kon.
Het gewone leven had nergens op gewacht.
De beschikking kwam ruim twee weken later. Mijn moeder kwam in aanmerking voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg. Ik las de brief drie keer. De woorden waren officieel. Mijn opluchting was dat ook bijna. Er stond eindelijk op papier dat ik niet overdreef.
Sanne belde samen met mij het zorgkantoor. Daarna spraken we met de opnameconsulent van De Wilgenhof, een verpleeghuis aan de andere kant van Zwolle. Mijn moeder had er ooit een vriendin bezocht. De binnentuin kende ze nog, dacht ik.
Er was geen vrije kamer.
‘Wat is de wachttijd?’ vroeg ik.
De consulent gaf geen datum. Het hing af van beschikbare plaatsen en van de situatie van wachtende mensen. Sanne vroeg welke mogelijkheden er intussen waren.
Er kwam extra thuiszorg. We vroegen dagbesteding aan. Erik beloofde vaste dagen te komen. We zetten alles op een kalender.
Die avond legde ik de beschikking naast het schrift met incidenten.
Twee stapels papier. Mijn moeder sliep er niet veiliger door.
Toch schreef ik boven aan een nieuwe bladzijde: wie bellen als het misgaat.
Voor het eerst stond mijn eigen naam niet als enige op de lijst.
Hoofdstuk 3
De lege stoel
De eerste ochtend van de dagbesteding stond mijn moeder klaar met haar handtas. Ik had gezegd dat ze naar een ontmoetingsgroep ging. Dat klonk minder bedreigend dan opvang.
‘Moet jij niet mee?’ vroeg ze.
‘Ik moet werken.’
Ze streek over haar rok.
‘Dan zal ik wel alleen gaan.’
De chauffeur heette Henk. Hij begroette haar alsof ze elkaar al jaren kenden. Hij vroeg niet of ze er zin in had. Hij vroeg of ze voorin wilde zitten.
Ze stapte in.
Ik zwaaide tot het busje de hoek om was. Daarna ging ik in haar keuken zitten. Er stonden geen vragen open. Niemand riep me. Ik had veertig minuten voordat ik op mijn werk moest zijn.
Ik wist niet wat ik met die tijd moest doen.
Op kantoor had mijn collega Bas een stapel facturen naast mijn toetsenbord gelegd. Bovenop lag een geel briefje: Deze hebben haast.
‘Alles goed?’ vroeg hij.
‘Nee. Maar laat maar zien.’
Dat antwoord beviel me. Kort. Waar. Ik hoefde er geen geruststellend verhaal achteraan te plakken.
Rond twaalf uur belde de dagbesteding. Mijn moeder wilde naar huis. Ze stond met haar jas aan bij de deur en zei dat niemand haar kind van school haalde.
‘We proberen haar eerst rustig te krijgen,’ zei de begeleider. ‘U hoeft niet meteen te komen.’
Ik zat al met mijn autosleutels in mijn hand.
‘We bellen over een halfuur nog eens.’
Dat halfuur kreeg ik niets gedaan. Ik opende dezelfde factuur vier keer.
Toen de telefoon ging, hoorde ik op de achtergrond mijn moeder lachen.
‘Ze helpt aardappels schillen,’ zei de begeleider. ‘Het gaat weer.’
Ik borg mijn sleutels op. Mijn handen trilden.
De kalender werkte drie weken. Erik kwam op woensdagavond en bleef om het weekend een nacht. De thuiszorg hielp met wassen en medicatie. Mijn moeder ging twee dagen naar de groep. Ik deed de overige ochtenden, maaltijden, boodschappen, was en telefoontjes.
Op papier leek het verdeeld.
In mijn hoofd bleef ik altijd aan de beurt.
Ik kende het geluid van haar deurbel via de telefoon. Ik wist welke verzorgende ze meestal binnenliet. Ik wist dat ze op donderdag onrustig werd, omdat vroeger op die dag de markt was. Die kennis kon ik niet in een vakje op de kalender zetten.
Lotte kwam op een vrijdag eten. Ze had pasta meegenomen, zodat ik niet hoefde te koken.
Halverwege haar verhaal over haar nieuwe baan belde mijn moeder.
‘Er zit een vrouw in mijn kamer.’
Ik vroeg waar die vrouw stond.
‘Bij het raam. Ze kijkt naar me.’
Ik kende het antwoord al. Sinds kort zag mijn moeder haar eigen spiegelbeeld in het donkere raam niet altijd meer als zichzelf.
‘Doe het gordijn maar dicht, mam.’
‘Dan wordt ze boos.’
Ik trok mijn schoenen aan.
Lotte legde haar vork neer.
‘Je bent nog niet eens klaar met eten.’
‘Ik ben zo terug.’
‘Dat zeg je altijd.’
Ik bleef met één schoen aan staan.
‘Wat wil je dan dat ik doe?’
‘Ik weet het niet. Maar ik wil mijn moeder ook soms zien.’
Ik werd boos. Meteen. Omdat ze gelijk had en ik daar niets mee kon.
‘Oma kan hier ook niks aan doen.’
‘Dat zeg ik toch niet?’
Toen ik terugkwam, was de pasta afgedekt. Lotte was weg. Er lag geen boos briefje. Dat maakte het erger.
De volgende ochtend belde ik Sanne. Ik vertelde over het raam, de telefoontjes en Lotte. Niet over de hartkloppingen. Die vond ik nog geen onderwerp voor iemand anders.
Sanne kwam opnieuw kijken. Ze besprak met de huisarts of lichamelijke klachten de onrust konden versterken. De thuiszorg controleerde beter of mijn moeder genoeg dronk. We hingen dikke gordijnen op en maakten de avonden voorspelbaarder.
Sommige dingen hielpen. Andere niet.
De deurmelder stuurde keurig een bericht als mijn moeder vertrok. Maar er moest nog steeds iemand op dat bericht reageren.
Op een dinsdag ging het alarm terwijl ik bij de garage stond. Mijn auto stond zonder voorwiel op de brug.
Ik belde de buurman. Geen gehoor.
Erik zat in een vergadering in Utrecht.
Ik bestelde een taxi.
Mijn moeder stond bij de bushalte, tweehonderd meter van haar huis. Ze had geen jas aan. In haar hand hield ze een lege portemonnee.
‘Ik wacht al zo lang,’ zei ze.
Ik sloeg mijn jas om haar heen.
‘Ik weet het,’ zei ik.
Die middag belde ik het zorgkantoor zelf. Ik vroeg niet meer alleen hoe lang de wachtlijst was. Ik zei dat de overbrugging thuis niet voldoende werkte en vroeg om nieuwe bemiddeling.
Daarna schreef ik precies op wie ik gesproken had. En wat er nu zou gebeuren.
Hoofdstuk 4
Niet vannacht
In november begon het vroeg te vriezen. Ik sliep inmiddels drie nachten per week op de bank bij mijn moeder. Niet omdat iemand dat had afgesproken. Het was gewoon gebeurd.
Als ik naar huis wilde, werd ze bang. Dan bleef ik nog een uur. Daarna was het te laat om weg te gaan. Mijn tandenborstel stond naast de hare. Mijn werkkleren hingen aan de kapstok.
Op een maandagnacht hoorde ik iets vallen.
Geen grote klap. Meer het schuiven van een stoel, gevolgd door een doffe tik.
Mijn moeder lag tussen haar bed en de kast. Haar nachthemd zat omhoog. Ze probeerde overeind te komen, maar haar rechterbeen bleef liggen.
‘Niet trekken,’ zei ik. ‘Blijf even stil.’
Ik knielde naast haar. Ze voelde koud aan. Ik wist niet hoelang ze daar al lag. Dat was het ergste. Ik was in hetzelfde huis en wist het niet.
Ze kon niet opstaan en had pijn bij haar heup. Ik belde 112. Terwijl we wachtten, legde ik een deken over haar heen.
‘Je hoeft geen mannen te halen,’ zei ze. ‘Help me nou gewoon.’
‘Dat doe ik, mam.’
Ze pakte mijn pols. Hard.
In het ziekenhuis bleek niets gebroken. Daar was ik opgelucht over, tot ik merkte dat iedereen weer richting thuis begon te denken.
Mijn moeder raakte steeds meer in de war. Ze trok aan haar armbandje en vroeg waarom we op het station waren. Een verpleegkundige bracht haar naar een rustiger plek. Er werd verder onderzocht waarom ze ineens zoveel onrustiger was.
Ik zat naast het bed met opgedroogde modder aan mijn schoenen. Die had ik in de haast zonder sokken aangetrokken.
‘Woont u bij haar?’ vroeg een arts.
‘Nee.’
‘Maar u kunt vannacht wel blijven?’
Ik hoorde mezelf bijna ja zeggen.
Toen keek ik naar mijn moeder. Ze probeerde een hoek van het laken in haar mond te stoppen. Ik haalde het voorzichtig weg.
‘Nee,’ zei ik. ‘Niet vannacht. En niet als oplossing voor daarna.’
De arts keek op van zijn scherm.
Ik begon sneller te praten. Over het gas. De bushalte. De bank. Mijn werk. Ik vertelde alles alsof ik een examen deed en alleen hulp kreeg als mijn voorbeelden ernstig genoeg waren.
‘Ik begrijp dat het niet veilig gaat,’ zei hij. ‘We moeten kijken wat er medisch nodig is en welke zorg er daarna geregeld kan worden.’
Mijn moeder bleef voor onderzoek en observatie. Ze bleek ernstig verstopt en uitgedroogd. De ontregeling paste bij een delier boven op haar dementie, werd me uitgelegd. De behandeling begon meteen. Niemand beloofde dat ze daarna weer op haar oude niveau zou komen.
Ik belde Erik vanaf een plastic stoel bij de lift.
‘Je moet komen.’
‘Ik heb om negen uur—’
‘Afzeggen.’
Hij kwam.
Toen hij naast me zat, begon ik te huilen zonder geluid. Mijn gezicht werd nat, maar verder gebeurde er niets. Erik legde zijn hand op mijn rug. Voor één keer hoefde hij niets te zeggen.
Sanne overlegde met de afdeling, de transferverpleegkundige en het zorgkantoor. Er werd gekeken naar een tijdelijke plek met voldoende toezicht. De Wilgenhof had nog steeds geen kamer.
‘In de buurt van Kampen is misschien een mogelijkheid,’ zei de transferverpleegkundige.
‘Misschien?’ vroeg ik.
‘Ze moeten beoordelen of ze de zorg kunnen bieden die uw moeder nu nodig heeft.’
Ik haatte dat woord. Toch was ik blij dat ze geen zekerheid verzon.
Twee dagen later kon mijn moeder naar een tijdelijke plek. De rit duurde nog geen halfuur, maar ze vroeg onderweg zeven keer waar we heen gingen.
‘Naar een plek waar u kunt herstellen en waar altijd iemand is,’ zei de begeleider.
Ik reed achter het vervoer aan. Bij een rood licht merkte ik dat ik mijn kaken zo hard op elkaar drukte dat ze pijn deden.
Op de kamer stond een bed, een stoel en een kast. Ik pakte haar tas uit. Ondergoed. Een vest. De foto van mijn vader.
‘Jij blijft toch?’ vroeg ze.
‘Ik blijf tot na het eten.’
Dat was waar. Meer durfde ik niet te beloven.
Toen ik vertrok, liep ze achter me aan. Een verzorgende, Fatima, kwam naast haar staan en vroeg of ze wilde helpen servetten neer te leggen.
Mijn moeder keek naar mij.
‘Jij hebt dit geregeld.’
Ik knikte.
Buiten bleef ik bij de auto staan tot ik weer normaal kon ademen.
Die nacht sliep ik thuis. Acht uur achter elkaar.
Toen ik wakker werd, voelde ik eerst opluchting. Daarna schuld. Daarna merkte ik dat ik honger had.
Hoofdstuk 5
Een plek verderop
De tijdelijke opname gaf geen rust zoals ik die had verwacht. Ik hoefde niet meer naar de bushalte te racen. Ik luisterde niet meer of mijn moeder opstond. Maar er waren nieuwe vragen.
Hoe lang kon ze blijven? Wat gebeurde er als haar delier afnam? Welke plek paste daarna? Was Kampen nu haar nieuwe woonplaats, of stond ze nog op de lijst voor Zwolle?
Ik had een map gekocht met tabbladen. Medisch. Zorg. Geld. Contacten.
Het tabblad Geld schoof ik steeds naar achteren.
Op de vierde dag ging ik met Erik naar haar huis. Er lag een mandarijn op de vensterbank. Helemaal hard geworden. In de wasmachine zat nat wasgoed dat ik vergeten was.
Erik zette het keukenraam open.
‘We moeten ook praktisch gaan kijken.’
‘Niet vandaag.’
‘Ik bedoel niet meteen ontruimen.’
‘Zo klinkt het wel.’
Hij pakte de was uit de machine en stopte die opnieuw erin.
‘Dan doen we vandaag alleen dit.’
Ik was hem daar dankbaar voor. Ik zei het niet.
Na twee weken was mijn moeder lichamelijk opgeknapt. Ze at beter. Haar aandacht wisselde nog, maar de scherpe onrust van het ziekenhuis werd minder. Haar dementie bleef. Ook zonder delier kon ze niet meer veilig alleen wonen.
Tijdens een overleg zat ik tegenover Fatima, een behandelaar en de zorgcoördinator. Erik deed mee via de telefoon.
Ze bespraken de nachten. Mijn moeder liep veel rond. Ze vergat haar rollator. Ze kon boos worden als iemand haar hielp met wassen. Op andere momenten maakte ze grapjes en hielp ze de tafel afruimen.
‘Terug naar huis is zonder doorlopend toezicht niet verantwoord,’ zei de behandelaar.
Ik keek naar mijn aantekeningen. Die zin stond er al, geschreven voordat het overleg begon.
‘En hier blijven?’
Deze plek was tijdelijk. Er moest een vervolg komen. Het zorgkantoor zocht mee, ook buiten Zwolle.
Een week later kwam een aanbod uit de omgeving van Ommen. Er was een passende kamer beschikbaar. De Wilgenhof nog niet.
‘We kunnen gaan kijken,’ zei Sanne.
Ik reed erheen met Erik. Het was een grijze dinsdag. Op de weg stonden vrachtwagens. Ik rekende uit hoe laat ik na mijn werk thuis zou zijn als ik drie keer per week op bezoek ging.
Het verpleeghuis was schoon. Een verzorgende begroette een bewoner bij zijn naam en hurkte om hem goed te verstaan. In de huiskamer rook het naar soep. Er was niets mis mee dat ik kon aanwijzen.
Toch wilde ik weg.
‘Het is zo ver,’ zei ik op de parkeerplaats.
‘Voor jou,’ zei Erik.
Ik draaide me naar hem om.
‘Ja. Voor mij. Dat mag toch ook meetellen?’
‘Zeker. Maar ze kan niet op een tijdelijke plek blijven tot wij de perfecte kamer vinden.’
Ik wilde hem verwijten dat hij makkelijk praten had. Hij woonde nog verder weg. Maar hij had gelijk over dat ene punt. Mijn moeder had nu zorg nodig. Niet op de datum die mij uitkwam.
We vroegen wat aanvaarden van deze kamer betekende voor een eventuele latere overplaatsing. We vroegen ook wat er zou gebeuren als we weigerden. Sanne hielp ons de antwoorden uit elkaar te houden. Er bestond geen simpele garantie dat een plek in Zwolle snel zou volgen.
Die avond belde ik Lotte.
‘Ik wil geen verkeerde keuze maken.’
‘Welke keuze is helemaal goed?’ vroeg ze.
Ik zat aan mijn keukentafel. Voor me lag een routebeschrijving die ik niet nodig had.
‘Geen.’
‘Misschien moet het dan veilig genoeg zijn. En later kijken jullie verder.’
We besloten het aanbod te aanvaarden. Ik belde de volgende ochtend. De opname moest nog praktisch worden geregeld en het dossier werd overgedragen.
Twee dagen later belde de consulent terug. De kamer kwam toch niet beschikbaar op de verwachte datum. De bewoner voor wie een verhuizing was gepland, kon nog niet verhuizen.
Ik zei dat ik het begreep.
Daarna gooide ik mijn map op de grond.
De tabbladen schoten los. Telefoonnummers lagen onder mijn stoel. Ik liet alles liggen en ging buiten lopen zonder jas.
Sanne belde die middag opnieuw. Ze had met de betrokken zorgverleners afgesproken dat mijn moeder voorlopig op de tijdelijke plek kon blijven terwijl zij verder zochten.
‘Je hoeft haar niet morgen op te halen,’ zei ze.
Pas toen merkte ik dat ik daar bang voor was geweest.
Ik raapte de papieren op. Dit keer stopte ik niet alles meteen terug. Ik stuurde Erik een foto van de stapel.
Wil jij vanaf nu de telefoontjes over plaatsing doen?
Hij antwoordde: Ja. Echt overnemen, niet alleen helpen.
Ik legde mijn telefoon neer en at mijn lunch. Het was vier uur.
Hoofdstuk 6
De blauwe stoel
Het telefoontje over De Wilgenhof kwam op een donderdag, ruim vier maanden na de nacht met het gas. Erik belde mij. Hij zei eerst dat ik even moest gaan zitten.
‘Is mam gevallen?’
‘Nee. Er komt een kamer vrij in Zwolle.’
Ik bleef staan.
Er moest nog worden gecontroleerd of de afdeling bij haar zorgbehoefte paste. Er kwamen gesprekken, overdracht en een kennismaking. Ik durfde pas blij te zijn toen de verhuisdatum in een bericht stond.
Dinsdag. Tien uur.
Mijn moeder zat op haar tijdelijke kamer toen ik het vertelde. Ze vouwde een zakdoek op en stopte die in haar mouw.
‘We gaan dichter bij mij wonen,’ zei ik. ‘In De Wilgenhof.’
‘Wij samen?’
‘Jij krijgt daar een kamer. Ik kom vaak langs.’
Ze vouwde de zakdoek opnieuw.
‘Ik heb al een huis.’
Ik ging naast haar zitten. Ik zei niet dat ze dat huis niet meer aankon. Dat wist ze soms wel en soms niet. Het maakte haar op dit moment alleen verdrietig.
‘Je blauwe stoel gaat mee.’
Ze keek op.
‘Niet die nieuwe. Die zit voor geen meter.’
‘De oude. Met de houten armleuningen.’
‘Die is van mij.’
‘Dat weet ik.’
Zaterdag haalden Erik en ik de stoel uit haar woonkamer. Onder het kussen vonden we drie pepermuntjes, een haarspeld en een briefje waarop mijn vader een telefoonnummer had geschreven.
Ik herkende zijn handschrift meteen.
Erik hield de stoel vast terwijl ik op de grond bleef hurken met dat briefje in mijn hand.
‘Neem het mee,’ zei hij.
We besloten het huis niet in één weekend leeg te trekken. De financiële en praktische zaken moesten wel geregeld worden. We zochten uit welke vaste lasten konden stoppen en welke nog doorliepen. Ik belde over de eigen bijdrage en vroeg om uitleg bij bedragen die ik niet begreep.
Het was werk. Droog, vervelend werk. Toch deed ik het liever dan nog één nacht op die bank slapen.
Op dinsdag stond Lotte met een accuboormachine voor De Wilgenhof. Ze had vrij genomen om foto's op te hangen, op de manier die daar toegestaan was.
‘Zeg maar waar,’ zei ze.
De kamer keek uit op een binnenplaats. Er stond een jonge boom met kale takken. De blauwe stoel paste naast het raam. Op de vensterbank zetten we een foto van mijn vader en een foto van de kinderen toen ze klein waren.
Mijn moeder kwam tegen elf uur. Fatima was meegegaan voor een warme overdracht. Ik had niet verwacht haar nog te zien en sloeg mijn armen om haar heen.
‘Ze eet haar brood beter als je het niet te klein snijdt,’ zei ik tegen de nieuwe verzorgende. ‘En ze drinkt thee zonder suiker, maar soms zegt ze met. En als ze naar haar moeder vraagt—’
‘We hebben tijd,’ zei de verzorgende. ‘Ik ben Noor. Zullen we eerst samen gaan zitten?’
Ik praatte nog vijf minuten door.
Noor luisterde. Daarna vroeg ze aan mijn moeder of haar stoel lekker zat.
‘Ja. Die hebben ze tenminste niet weggegooid.’
We aten samen een boterham in de huiskamer. Een man tegenover ons vroeg drie keer of Erik de kapper was. Mijn moeder vond dat grappig.
Toen wij opstonden, veranderde haar gezicht.
‘Waar gaan jullie heen?’
Ik voelde mijn maag samentrekken.
‘Naar huis. Ik kom morgenmiddag terug.’
‘Ik ga mee.’
Noor kwam niet meteen tussenbeide. Ze liet mij afscheid nemen. Ik kuste mijn moeder op haar wang.
‘Morgen na de lunch, mam.’
Ze hield mijn mouw vast.
‘Je laat me toch niet hier?’
Ik kon geen antwoord bedenken dat eerlijk was en geen pijn deed.
‘Ik kom morgen terug,’ herhaalde ik.
Op de gang stond ik stil. Achter de deur hoorde ik haar stem. Niet de woorden. Alleen de boosheid.
Noor kwam even later naar me toe. Een collega was bij mijn moeder.
‘U mag straks bellen om te horen hoe het gaat. En we kijken samen wat haar helpt bij afscheid nemen.’
Ik vroeg niet of ze zeker wist dat alles goed zou komen. Dat wist niemand.
Buiten pakte Lotte mijn autosleutels.
‘Ik rijd.’
Thuis belde ik na het eten. Mijn moeder had soep gegeten en zat in haar blauwe stoel. Ze was nog verdrietig geweest. Noor vertelde dat gewoon. Geen opgewekt verhaal om mij rustig te krijgen.
Die eerlijkheid hielp.
Ik zette mijn telefoon op geluid. Daarna ging ik douchen. Voor het eerst in maanden legde ik hem niet op de badmat, maar liet ik hem beneden.
Hoofdstuk 7
Na de lunch
De eerste weken ging ik bijna elke dag. Ik controleerde haar kast, haar wasmand en het glas op haar nachtkastje. Als haar haar plat zat, vroeg ik of ze gewassen was. Als ze sliep, vroeg ik of ze slecht geslapen had.
Ik was gestopt met nachtdiensten draaien. Mijn hoofd nog niet.
Op een middag zag ik een blauwe plek op haar onderarm.
‘Hoe komt dit?’ vroeg ik aan Noor.
Mijn stem klonk scherp.
Noor bekeek haar arm en zocht na wat er was gemeld. Mijn moeder had zich bij een transfer gestoten. Het stond in de rapportage, maar het was niet aan mij doorgegeven.
‘Dat hadden we moeten vertellen,’ zei ze.
We spraken af bij welke veranderingen ze me zouden bellen. Ook spraken we over wat ik zelf in het dossier kon volgen. Niet alles ging vanzelf goed. Een vest raakte zoek. Een bezoek aan de kapper werd vergeten. Een invalkracht sprak te hard tegen mijn moeder.
Ik zei er iets van. Meestal rustig. Eén keer niet.
Daarna bood ik mijn excuses aan voor mijn toon, niet voor mijn vraag.
Tijdens het eerste zorggesprek vroeg Noor hoe vaak ik wilde komen.
‘Zo vaak als nodig.’
‘En hoe vaak zou u willen komen als u erop vertrouwde dat wij de zorg doen?’
Ik keek naar Erik. Hij keek niet weg.
‘Drie keer per week,’ zei ik. ‘Misschien soms twee.’
‘Laten we daar eens mee beginnen.’
Het voelde alsof ik om vakantie vroeg terwijl mijn moeder moest nablijven.
De eerste middag die ik oversloeg, liep ik door de supermarkt zonder boodschappenlijst. Ik kocht yoghurt voor mijn moeder en legde die weer terug. Daarna kocht ik de olijven die alleen ik lekker vond.
Thuis belde ik Lotte.
‘Wil je vrijdag komen eten? Ik kook.’
‘En blijf je zitten?’
‘Dat is het plan.’
Ze kwam. We aten aardappels uit de oven en kip die wat droog was geworden. Mijn telefoon bleef stil. Ik hoorde haar hele verhaal over een lastige collega. Pas bij de koffie vroeg ze naar oma.
Ik had niet gemerkt hoeveel ruimte dat onderwerp eerder had ingenomen.
Mijn moeder wende niet op een rechte lijn. Soms zei ze dat ze het er gezellig vond. De volgende dag stond haar tas ingepakt naast de stoel. Ze stopte er ook spullen van andere bewoners in. Een bril. Een tijdschrift. Een gebreide handschoen.
‘We gaan toch?’ vroeg ze dan.
Ik leerde kort te antwoorden.
‘Vandaag blijf je hier. Ik kom bij je zitten.’
Daarna bood ik iets aan wat nu kon. Thee. Een rondje door de tuin. Samen schone sokken zoeken. Soms hielp het. Soms werd ze boos en zat ik een halfuur naast haar zonder dat ze me aankeek.
Ik ging niet weg omdat een bezoek moeilijk was. Maar ik bleef ook niet meer tot ik het voor haar had opgelost. Dat laatste lukte vaak niet.
Haar huis verkochten we in het voorjaar. De dag van de overdracht liep ik nog één keer door de lege kamers. Bij het fornuis bleef ik staan. De gastoevoer was nog steeds afgesloten.
Ik had verwacht dat ik zou huilen. In plaats daarvan controleerde ik of alle ramen dicht waren.
Buiten gaf ik Erik de laatste sleutel.
‘Wil jij die inleveren?’
Hij stak hem in zijn jaszak.
Op mijn werk bouwde ik mijn uren weer op. Ik maakte nog fouten. Soms was ik midden op de dag ineens uitgeput. De huisarts hielp me om die klachten serieus te nemen. Rust bleek iets anders dan één nacht doorslapen.
Ik ging ook naar een lotgenotengroep in het wijkcentrum. Bij de eerste bijeenkomst zei ik dat mijn moeder inmiddels was opgenomen en dat mijn verhaal dus minder dringend was.
Een vrouw tegenover me schudde haar hoofd.
‘Ga maar zitten. Hoe heet je?’
‘Marieke.’
Dat was genoeg om te mogen beginnen.
Vorige week kwam ik na de lunch bij mijn moeder. Ze zat in de binnentuin met een vest over haar knieën. Noor had een bak met viooltjes op tafel gezet. Mijn moeder drukte met haar vinger gaten in de aarde.
‘Niet zo diep,’ zei ze tegen mij toen ik hielp.
Ik maakte het gat kleiner.
Ze keek naar mijn handen en daarna naar mijn gezicht.
‘Jij bent van mij.’
‘Ja, mam.’
We werkten verder. Er viel aarde op haar rok. Ik veegde het niet meteen weg.
Toen ik vertrok, vroeg ze wanneer ik terugkwam.
‘Donderdag, na de lunch.’
Ze knikte en boog zich weer over de planten.
Ik reed naar huis. Onderweg belde Lotte. Of ik zin had om samen te wandelen.
Bij het volgende parkeerterrein zette ik de auto stil en belde haar terug.
‘Ja,’ zei ik. ‘Hoe laat?’