Naar de inhoud
Terug naar het boek

Werk en maatschappij

De zorg verlaten na twintig jaar

Hoofdstuk 1

De pieper

De pieper ging terwijl ik mevrouw Van Dijk van de vloer probeerde te krijgen. Haar nachthemd zat onder haar heup gedraaid. Naast haar lag een gebroken glas. Ik drukte een handdoek tegen haar voorhoofd en keek naar de deur.

‘Niet weggaan, Sanne.’

‘Ik blijf hier.’

Dat kon ik zeggen. Of ik het kon waarmaken, wist ik niet.

Aan het einde van de gang belde meneer Özdemir al voor de derde keer. Hij had hulp nodig bij het toilet. Mijn collega Yara stond aan de andere kant van de afdeling, bij een bewoner die benauwd was. We waren met twee verzorgenden voor achtentwintig mensen. De invalkracht was niet gekomen.

Het was kwart over zes, op een dinsdag in november. Buiten stond de regen tegen de ramen van ons verpleeghuis in Amersfoort. Binnen rook het naar koffie die te lang op de plaat had gestaan.

‘Kijk me eens aan,’ zei ik.

Mevrouw Van Dijk kneep mijn pols vast.

‘Ben ik gevallen?’

‘Ja. Heeft u pijn in uw nek?’

Ze gaf geen antwoord. Ik pakte mijn telefoon en belde de verpleegkundige van dienst. Die zat op een andere locatie. Daarna vroeg ik Yara via de werktelefoon om hulp.

‘Ik kan niet,’ zei ze. ‘Echt niet.’

Ik hoorde een man hoesten. Daarna werd de verbinding verbroken.

Mijn naam is Sanne de Bruin. Ik was drieënveertig en werkte bijna twintig jaar in de ouderenzorg. Ik kende de geluiden van deze afdeling beter dan die van mijn eigen huis. Het tikken van een losse bedrem. Het klappen van de branddeur. Het verschil tussen een ongeduldige bel en een bel waar iemand op bleef drukken omdat er paniek was.

Die ochtend hoorde ik alles tegelijk.

Toen de verpleegkundige eindelijk kwam, zat ik nog steeds op de vloer. Mijn rechtervoet sliep. Mevrouw Van Dijk moest naar het ziekenhuis. Terwijl we op de ambulance wachtten, liep de dochter van meneer Özdemir de gang op.

‘Mijn vader zit in zijn urine.’

Ik stond op. Te snel. De gang kantelde even.

‘Ik kom zo bij hem.’

‘Dat zeggen jullie altijd.’

Ze keek naar het bloed op mijn mouw. Haar gezicht veranderde, maar haar stem niet.

‘Hij heeft hier ook recht op zorg.’

‘Dat weet ik.’

‘Waarom krijgt hij die dan niet?’

Daar had ik geen antwoord op dat haar vader hielp.

Om negen uur stond onze teamleider, Monique, bij de medicijnkar. Ze vroeg of ik het incident wilde melden vóór het einde van mijn dienst. Ook moest de overdracht korter. Er was die middag een overleg over de productiviteit.

‘We hebben vannacht bijna geen pauze gehad,’ zei ik.

‘Ik weet dat het pittig is.’

‘Nee. Het is niet pittig. Het is onveilig.’

Ze keek naar de open deur van de huiskamer.

‘Kunnen we dit straks even ergens anders bespreken?’

Ik schoof de medicijnlade dicht. Mijn handen trilden zo dat de sleutel langs het slot schraapte.

Om half elf mocht ik naar huis. Ik had tot half acht op het rooster gestaan. Op de parkeerplaats zocht ik in mijn tas naar mijn autosleutel. Ik vond een pen, een handschoen en een ongeopende mueslireep. De sleutel zat al in mijn hand.

Ik ging achter het stuur zitten en kreeg de motor niet gestart. Niet omdat de auto stuk was. Ik kon mijn voet niet op het pedaal houden. Mijn been schokte.

Mijn man Bas nam na twee keer overgaan op.

‘Ben je onderweg?’

‘Ik kan niet rijden.’

‘Wat is er gebeurd?’

Ik keek naar de personeelsingang. Yara kwam naar buiten met twee vuilniszakken. Ze zag mijn auto en stak haar hand op. Ik stak niets terug.

‘Sanne?’

‘Kom je me halen?’

Bas kwam op de fiets. Hij legde die achter in de auto en reed ons naar huis. Onderweg zei hij weinig. Bij een stoplicht legde hij zijn hand op mijn knie. Dat maakte het erger. Ik begon te huilen zonder geluid.

Thuis sliep ik tot vier uur. Daarna stond ik in de keuken met mijn jas aan. Ik had geen idee waarom.

Mijn dochter Noor kwam binnen met haar schooltas.

‘Moet je alweer werken?’

‘Morgen pas.’

Ze zette haar tas neer.

‘Waarom doe je dan je jas aan?’

Ik keek naar de rits. Die zat helemaal dicht.

Die avond belde ik Monique. Ik had haar nummer al vijf minuten op mijn scherm staan toen ik durfde te drukken.

‘Ik meld me ziek,’ zei ik.

Ze vroeg wanneer ik dacht terug te zijn.

‘Dat weet ik niet.’

Voor het eerst in twintig jaar hing ik op zonder aan te bieden iets op te lossen.

Hoofdstuk 2

Thuis op dinsdag

Op mijn eerste ziektedag maakte ik de afzuigkap schoon. Daarna de koelkast. Toen Bas thuiskwam, stond ik op een keukenstoel met een doek boven mijn hoofd.

‘Wat ben jij aan het doen?’

‘Dat zie je toch?’

‘Je zou rusten.’

Ik stapte van de stoel en gooide de doek in de gootsteen.

‘Ik ben niet ziek op de manier waarop jij denkt.’

‘Hoe denk ik dan?’

Dat wist ik niet. Ik wilde vooral niet dat hij gelijk had.

De volgende ochtend kreeg ik bij de supermarkt mijn pincode niet meer terug in mijn hoofd. Achter me stond een man met een krat bier. De kassière wachtte. Ik probeerde het nog een keer. Verkeerd.

‘Kan ik de boodschappen even hier laten?’ vroeg ik.

Buiten belde ik Bas. Ik schaamde me meer voor die volle winkelkar dan voor het huilen in de auto.

Onze huisarts had die middag tijd. Dokter Verbeek vroeg naar mijn slaap, mijn hartslag en mijn werk. Ik gaf keurige antwoorden. Gemiddeld vier uur slaap. Veel hartkloppingen. Een drukke periode.

‘Hoe lang duurt die periode?’ vroeg ze.

Ik keek naar het anatomische model van een knie op haar bureau.

‘Een paar jaar.’

Ze liet een stilte vallen. Ik vulde die niet meteen op. Dat was nieuw.

Een week later zat ik tegenover de bedrijfsarts in een kantoor bij station Amersfoort Schothorst. Hij heette dokter Smit en had een boterham in folie naast zijn toetsenbord liggen.

‘Wat gebeurt er als u aan terugkeer denkt?’

‘Dan wil ik naar huis.’

‘U bent nu niet op uw werk.’

‘Dat weet mijn lijf blijkbaar niet.’

Hij schreef iets op. We spraken af dat ik voorlopig niet zou werken. Wel vaste tijden aanhouden. Wandelen. Contact met de werkgever beperken tot afgesproken momenten. Over een paar weken zouden we opnieuw kijken.

Buiten kreeg ik een bericht van Yara. Mevrouw Van Dijk was terug uit het ziekenhuis. Geen bloeding in haar hoofd. Wel een gebroken pols.

Ik ging op een bankje zitten en las het bericht drie keer.

Daaronder kwam een tweede bericht.

We missen je. Maar blijf alsjeblieft thuis zolang het nodig is.

Ik wist niet hoe ik op beide zinnen tegelijk moest reageren.

Na drie weken ziekte belde Monique op onze afgesproken tijd. Ze wilde graag samen kijken naar mogelijkheden. Misschien twee uurtjes administratie. Geen druk. Alleen aansluiten.

‘De bedrijfsarts zegt dat ik nog niet moet werken.’

‘Een kop koffie is natuurlijk geen werken.’

‘Voor mij nu wel.’

Mijn stem klonk hard. Daarna zat ik een uur te bedenken hoe ik het vriendelijker had kunnen zeggen.

Thuis werd ik geen aangenamer mens. Ik kon slecht tegen de afzuigventilator in de badkamer. Tegen Noors filmpjes. Tegen Bas die vroeg wat we zouden eten. Soms zei ik niets. Soms schoot ik uit mijn slof om een bord dat boven op de vaatwasser stond.

Op een avond schoof Noor haar stoel naar achteren.

‘Ik weet nooit of ik iets verkeerd doe.’

Ze was vijftien. Ze zei het zonder drama. Juist daardoor kwam het aan.

‘Jij doet niets verkeerd.’

‘Waarom ben je dan steeds boos?’

Ik legde mijn vork neer.

‘Omdat ik niet goed weet wat ik met mezelf moet. Maar dat is niet jouw probleem.’

‘Het is wel hier in huis.’

Daar kon ik niet omheen.

Ik begon gesprekken met de praktijkondersteuner. Haar kamer lag achter die van de huisarts. Ze vroeg niet alleen wat er op het werk misging. Ze vroeg ook waarom ik iedere open dienst als een persoonlijk verzoek behandelde.

‘Omdat anders iemand alleen staat.’

‘En wie besloot hoeveel mensen er nodig waren?’

‘De organisatie.’

‘Wie voelde zich verantwoordelijk als het niet lukte?’

Ik wees naar mezelf en werd daar meteen kwaad van. Alsof ik weer iets fout had gedaan.

Ze schudde haar hoofd.

‘U heeft het rooster niet gemaakt, Sanne.’

Die zin bleef hangen.

In januari liep ik langs het Valleikanaal. Het was koud. Mijn telefoon zat onder in mijn tas, zonder geluid. Voor het eerst sinds weken dacht ik niet aan teruggaan, maar aan wegblijven.

Niet een maand. Niet tot de volgende vakantie.

Helemaal.

Ik bleef staan bij een brug. Een jongen fietste langs met een bezorgtas op zijn rug. Aan de overkant snoeide iemand een heg.

Er waren mensen die werkten zonder piepers. Zonder medicijnrondes. Zonder de vraag welke bewoner vandaag langer moest wachten.

Thuis schreef ik op een leeg vel: wat als ik stop?

Daaronder kwam niets. Ik wist nog niet of het een plan was of alleen een vraag die ik eindelijk durfde te stellen.

Hoofdstuk 3

De rekensom

Bas legde onze bankafschriften op tafel. Ik schoof mijn vel met de vraag ernaast.

‘Ik zeg niet dat het niet kan,’ zei hij. ‘Ik wil weten wat het betekent.’

Hij werkte als monteur bij een installatiebedrijf in Nijkerk. Zijn loon kwam iedere maand op tijd. Het mijne ook. Samen betaalden we de hypotheek, de auto en Noors beugel. Er bleef wat over, maar niet genoeg om een salaris lang te missen.

We begonnen bij de vaste lasten. Daarna de boodschappen. Daarna die kleine bedragen die samen ineens groot werden.

‘Je onregelmatigheidstoeslag valt ook weg,’ zei Bas.

Ik knikte. Daar had ik niet aan gedacht.

Op papier was vertrekken minder helder dan tijdens mijn wandeling.

‘Misschien moet ik gewoon ergens anders in de zorg beginnen.’

‘Wil je dat?’

‘Dat kan ik.’

‘Dat vroeg ik niet.’

Ik trok het papier naar me toe. Ik was boos omdat hij onderscheid maakte tussen twee dingen die voor mij altijd hetzelfde waren geweest.

Een paar dagen later belde ik mijn vakbond. De medewerker heette Fatima. Ze luisterde naar mijn verhaal en onderbrak me toen ik zei dat ik misschien meteen ontslag moest nemen.

‘Niet vandaag. U bent ziek. Zelf opzeggen kan gevolgen hebben voor uw inkomen en uw rechten. Laat eerst goed naar uw situatie kijken.’

Ik pakte een pen.

Ze legde uit welke vragen ik aan de bedrijfsarts en mijn werkgever kon stellen. Ook zei ze dat ik afspraken schriftelijk moest laten bevestigen. Ik voelde me wantrouwig toen ik dat opschreef. Alsof ik een dossier tegen bekenden aanlegde.

‘Het gaat niet om ruzie maken,’ zei Fatima. ‘Het gaat om weten waar u aan toe bent.’

Bij het volgende gesprek met Monique zat een adviseur van personeelszaken. Hij heette Erik en schoof een formulier over tafel.

‘We moeten vooruitkijken,’ zei hij.

‘Dat wil ik ook.’

‘Je bent een ervaren kracht. We zouden het jammer vinden als die ervaring verloren gaat.’

Ik keek naar Monique.

‘Ik ben niet verloren als ik ergens anders ga werken.’

Er viel een korte stilte.

‘Zo bedoelt Erik het niet,’ zei ze.

‘Ik weet het. Maar zo klinkt het steeds.’

We spraken af dat ik, zodra de bedrijfsarts het verantwoord vond, met kleine taken op een andere locatie zou beginnen. Buiten de directe zorg. Tegelijk zou ik een paar gesprekken krijgen met een loopbaanbegeleider. Het was nog geen vertrekregeling. Het was een manier om uit te zoeken wat haalbaar was.

De loopbaanbegeleider, Anja, zat in een gehuurde kamer boven een fysiotherapiepraktijk in Soest. Ze vroeg wat ik goed kon.

‘Wassen, aankleden, medicatie geven. Wonden verzorgen binnen mijn bevoegdheid. Observeren.’

‘En los van de zorg?’

Ik zweeg.

Ze liet me een ochtend beschrijven. Niet wat mijn functie was. Wat ik deed.

Ik vertelde over een arts die teruggebeld moest worden. Over een kapotte tillift. Over familie die verschillende informatie had gekregen. Over een nieuwe collega die niet wist waar de materialen lagen.

Anja schreef mee.

‘Plannen. Problemen uitzoeken. Informatie overdragen. Mensen uitleg geven.’

‘Dat doet iedereen op een afdeling.’

‘Dat maakt het niet waardeloos.’

Thuis maakte ik een cv. Het document bleef lang bijna leeg. Ik had één werkgever, een paar opleidingen en een rij scholingen die buiten de zorg weinig zeiden.

Noor kwam naast me zitten.

‘Waarom staat er dat je goed met ouderen bent?’

‘Omdat dat zo is.’

‘Maar je wilt toch iets anders? Zet dan wat je deed.’

Ze wees naar mijn scherm.

‘Nieuwe medewerkers inwerken. Dat snap ik tenminste.’

We schrapten een halve pagina afkortingen.

Mijn eerste sollicitatie ging naar een woningcorporatie in Amersfoort. Medewerker bewonersservice. Ik zag mezelf al achter een balie zitten. Mensen helpen, maar niet meer tillen. Geen nachten.

Na vier dagen kwam de afwijzing. Ze zochten iemand met ervaring in de sector.

Ik las vooral wat er niet stond: twintig jaar gewerkt en toch een beginner.

Die middag vroeg mijn zus tijdens een telefoongesprek of ik de bewoners niet zou missen.

‘Natuurlijk.’

‘Ik zou dat niet kunnen, zomaar weggaan.’

Ik hield mijn telefoon even van mijn oor.

‘Het is niet zomaar.’

Ze begon uit te leggen dat ze het goed bedoelde. Ik liet haar uitpraten en zei dat ik moest koken.

Daarna stuurde ik mijn tweede sollicitatie. Niet omdat ik ineens zeker was. Omdat wachten op toestemming van iedereen nog duurder zou worden.

Hoofdstuk 4

Twee uur terug

In februari liep ik weer een gebouw van mijn werkgever binnen. Niet mijn oude afdeling. Deze locatie stond in Leusden en had brede ramen, nieuwe vloeren en dezelfde geur van schoonmaakmiddel.

Ik zou twee keer per week twee uur helpen met het bijwerken van materiaallijsten. Dat was met de bedrijfsarts besproken. Geen bewonerszorg. Geen telefoondienst. Een vaste begeleider en een rustige werkplek.

Mijn begeleider heette Ellen. Ze zette thee voor me neer en wees naar een laptop.

‘Als het te veel is, zeg je het.’

‘Dat zal ik doen.’

Ik meende het. Toch bleef ik na twee uur nog zitten om een kolom af te maken.

Ellen deed haar jas aan.

‘Je tijd is om.’

‘Nog vijf minuten.’

‘Volgende keer.’

Ze zei het zo gewoon dat ik niet goed wist hoe ik moest protesteren.

De lijsten waren rommelig. Bestelnummers ontbraken. Materialen hadden op verschillende afdelingen andere namen. Ik vond het prettig om iets recht te zetten dat daarna ook echt recht bleef. Niemand viel uit bed omdat ik een regel later invulde.

Maar de geluiden kwamen binnen. Een bel uit de gang. Een kar die tegen een deur reed. Op mijn derde ochtend hoorde ik iemand roepen om hulp. Ik stond al voordat ik bedacht waar ik was.

Ellen keek op.

‘De collega’s zijn er.’

Ik bleef bij mijn bureau staan tot ik stemmen hoorde. Daarna moest ik naar het toilet. Daar zat ik met mijn handen tussen mijn knieën. Ik vond het vernederend dat een geluid genoeg was.

Bij de volgende afspraak vertelde ik het aan dokter Smit.

‘Betekent dit dat ik niets meer kan?’

‘Het betekent dat dit nog veel oproept. We kijken naar wat er gebeurt en passen het plan daarop aan.’

We hielden de uren voorlopig gelijk.

Intussen solliciteerde ik verder. Een klantenservice wilde alleen mensen die meteen vier dagen beschikbaar waren. Bij een gemeentelijke balie kwam ik niet door de eerste selectie. Een recruiter belde over een baan als planner in de thuiszorg.

‘U kent de sector. Dat is een enorm voordeel.’

‘Hoe ziet een werkdag eruit?’

‘Veel schakelen. Uitval opvangen. Snel oplossingen zoeken.’

Ik keek naar het briefje naast mijn laptop. Daarop had Anja me drie grenzen laten schrijven. Geen structurele bereikbaarheid buiten werktijd. Geen verantwoordelijkheid zonder ruimte om die te dragen. Geen baan aannemen alleen omdat ik bang was niets anders te kunnen.

‘Dan past het niet,’ zei ik.

Na het gesprek liep ik door de kamer. Ik had werk afgewezen terwijl ik nog niets had. Het voelde onverantwoord en verstandig tegelijk.

Een week later wilde mijn oude afdeling dat ik langskwam voor koffie. Yara zou er ook zijn. Ik ging op een donderdagmiddag, buiten de drukste uren.

Bij de personeelsingang werkte mijn pas nog. Dat kleine groene lampje deed meer met me dan ik had verwacht.

Yara omhelsde me. Ze was afgevallen.

‘Hoe gaat het hier?’ vroeg ik.

Ze haalde haar schouders op.

‘Er komt een nieuwe roostermaker.’

We keken elkaar aan. Toen moesten we lachen. Kort, niet vrolijk.

In de huiskamer zat meneer Özdemir bij het raam. Zijn dochter stond naast hem. Ze herkende me direct.

‘U bent lang weggeweest.’

‘Ik ben ziek geweest.’

Ze keek naar haar vader en weer naar mij.

‘Het gaat nu beter met u?’

‘Een beetje.’

Ik wilde vertellen dat ik die ochtend bij mevrouw Van Dijk op de vloer had gezeten. Dat ik niet had gekozen om haar vader te laten wachten. Ik had het gesprek thuis vaak geoefend.

Maar ze legde haar hand op mijn arm.

‘Mijn vader vraagt soms naar die zuster met de rode bril.’

Ik droeg inmiddels een andere. Ik glimlachte en ging even bij hem zitten.

Toen ik vertrok, vroeg Monique of de sfeer op de afdeling me goed had gedaan.

‘Ik vond het fijn om de mensen te zien.’

‘Misschien geeft dat vertrouwen voor een volgende stap hier.’

Ik keek door het raam van haar kantoor. Op de gang probeerde Yara een rolstoel langs een linnenkar te krijgen.

‘Het geeft me geen vertrouwen om terug te keren in de zorg.’

Monique vouwde haar handen om haar mok.

‘Dat is wel een grote conclusie.’

‘Ja.’

Ik zei verder niets. Ik hoefde haar die middag niet zover te krijgen dat ze hetzelfde voelde.

Hoofdstuk 5

Een andere tafel

De vacature stond onderaan een pagina die ik bijna had weggeklikt. Administratief medewerker onderhoud. Vierentwintig uur. Een installatiebedrijf in Bunschoten. Werkorders verwerken, afspraken plannen en vragen van klanten doorzetten.

‘Niet bij mijn bedrijf,’ zei Bas toen ik het liet zien.

‘Dat weet ik.’

‘Goed. Ik wil thuis best je collega zijn, maar niet ook in de kantine.’

Ik lachte. Het was lang geleden dat we samen om werk konden lachen.

Ik stuurde een brief zonder te schrijven dat ik toe was aan een nieuwe uitdaging. Ik schreef dat ik ervaring had met nauwkeurige registratie, onverwachte problemen en gesprekken met mensen die boos of bezorgd waren. Ook schreef ik dat ik de technische kennis nog moest leren.

Twee dagen later belde ze.

‘Met Karin van Vliet. Je brief viel op.’

Ik ging rechtop zitten.

‘Goed of verkeerd?’

‘Goed genoeg om je uit te nodigen.’

Het kantoor lag op een bedrijventerrein. Beneden stonden busjes naast stapels kunststof buizen. Boven zat een man met een headset te praten over een lekkende koppeling. Er was geen ontvangstbalie. Karin kwam me zelf bij de trap halen.

Ze was ongeveer mijn leeftijd en droeg veiligheidsschoenen onder een nette broek.

Aan tafel vroeg ze waarom ik na twintig jaar weg wilde.

Ik had een antwoord voorbereid. Kort, positief, zonder mijn oude werkgever af te vallen. Toch bleef ik halverwege steken.

‘Ik wil blijven werken,’ zei ik uiteindelijk. ‘Maar niet meer op dezelfde manier.’

Karin wachtte.

‘Ik ben uitgevallen. Ik bouw mijn belastbaarheid nu weer op. De zorg past niet meer bij wat ik aankan.’

Mijn gezicht werd heet. Ik had niets willen verbergen, maar nu ik het gezegd had, leek het hele gesprek veranderd.

‘Wat heb je nodig om deze functie te kunnen doen?’ vroeg ze.

‘Een goed inwerktraject. Duidelijke uren. En de mogelijkheid om iets te vragen zonder dat ik het meteen had moeten weten.’

‘Dat laatste hebben hier meer mensen nodig.’

Ze vertelde dat maandagen druk waren. Monteurs belden vanuit hun busjes. Klanten wilden soms dezelfde dag geholpen worden. Het werk was niet rustig, zei ze. Wel werd de storingsdienst apart geregeld. Die hoorde niet bij deze functie.

‘En als er om vier uur iets niet af is?’ vroeg ik.

‘Dan draag je het over. Of het blijft liggen, als dat kan.’

Ik keek naar haar gezicht om te zien of dat een verkoopverhaal was.

Tijdens een tweede gesprek mocht ik meekijken. De man met de headset heette Henk. Hij liet me het plansysteem zien. Kleuren, tijdvakken, adressen. Het leek ingewikkeld. Daarna liet hij zien welke handelingen hij het meest deed.

‘Je hoeft niet alles op dag één te snappen.’

Een klant belde omdat een monteur nog niet was gekomen. Henk zocht het uit, bood excuses aan en gaf een nieuw tijdvak door. De klant bleef mopperen.

Henk hing op en schreef een notitie.

‘Sommige mensen vinden wachten moeilijk.’

Ik moest denken aan meneer Özdemir. Het verschil zat niet alleen in mijn reactie. Hier was wachten meestal vervelend. Niet lichamelijk vernederend.

Karin bood me een contract voor zeven maanden aan. Vierentwintig uur, verdeeld over vier dagen. Het salaris lag lager dan mijn oude loon met toeslagen. Het was geen veilige sprong naar een vaste plek.

Thuis rekenden Bas en ik opnieuw. Minder sparen. Geen zomervakantie in Frankrijk. Eén auto weg als het op termijn nodig was.

‘Ik kan het niet voor je beslissen,’ zei hij.

‘Ben je bang?’

‘Ja. Maar ik was ook bang toen ik je van die parkeerplaats haalde.’

Ik nam het aanbod niet meteen aan. Fatima liet via de vakbond meekijken naar de voorwaarden. Met de bedrijfsarts besprak ik of de uren en werkzaamheden pasten bij mijn herstel. De definitieve startdatum verschoof, zodat ik eerst verder kon opbouwen en mijn huidige arbeidsovereenkomst zorgvuldig kon afronden.

Die extra weken vond Karin niet leuk. Ze zei het ook.

‘Ik heb iemand nodig. Maar liever een duidelijke afspraak dan iemand die te snel begint.’

We kwamen eruit.

Toen ik het contract ondertekende, maakte ik een fout in de datum. Ik streepte die door en zette mijn paraaf ernaast.

Geen groot moment. Geen muziek in mijn hoofd. Alleen mijn eigen handschrift onder een afspraak waar ik zelf voor had gekozen.

Daarna belde ik Monique.

‘Ik heb ander werk gevonden.’

Aan de andere kant bleef het even stil.

Ik wachtte. Dit keer zonder de stilte voor haar op te lossen.

Hoofdstuk 6

De laatste ronde

Mijn laatste maand in dienst werkte ik verder bij Ellen. De uren waren langzaam uitgebreid. Ik kon weer een ochtend achter elkaar bezig zijn, zolang er pauzes waren en het werk duidelijk bleef. Na afloop was ik moe. Niet op de manier waarop ik vroeger thuiskwam. Ik wist meestal nog wat ik wilde eten.

Dat verschil leek klein als ik het uitlegde. Voor mij was het groot.

Mijn vertrek was schriftelijk geregeld. Ik had de afspraken laten controleren en wist op welke dag mijn loon daar stopte en bij het nieuwe bedrijf begon. Toch opende ik de documenten regelmatig opnieuw. Alsof er ergens een regel kon verschijnen die alles terugdraaide.

Monique vroeg of ik een afscheidsborrel wilde.

‘Liever koffie op de afdeling. Niet te groot.’

‘Wil je de bewoners ook gedag zeggen?’

‘Ja.’

Daar zag ik het meest tegenop.

Op mijn laatste donderdag deed ik thuis drie keer een andere trui aan. Mijn uniform hoefde niet meer. Dat maakte de keuze moeilijker, niet makkelijker.

Noor zat aan de keukentafel.

‘Je gaat afscheid nemen. Niet solliciteren.’

‘Ik weet het.’

‘Die blauwe is goed.’

Ik hield de blauwe aan.

Bij de receptie kreeg ik een bezoekerssticker. Mijn pas moest ik later inleveren, maar voor de afdeling was ik die dag geen medewerker meer. Ik plakte de sticker scheef op mijn borst.

Yara had appeltaart gehaald. Op de tafel in de personeelsruimte lag een kaart met namen die ik kende en namen van collega’s die na mijn uitval waren begonnen.

‘Twintig jaar,’ zei ze. ‘En dan krijg je taart uit de supermarkt.’

‘De goede soort?’

‘Met roomboter.’

‘Dan is het prima.’

Ze sneed te grote stukken. We praatten over haar zoon, die een opleiding tot automonteur ging doen. Over Ellen, die met pensioen wilde maar nog geen datum koos. Over een lift die al weken rare geluiden maakte.

Toen Monique binnenkwam, werd het iets stiller. Ze gaf me bloemen en bedankte me voor mijn inzet. Ze noemde mijn geduld en mijn betrouwbaarheid.

Ik voelde verdriet bij dat laatste woord. Betrouwbaar was ik graag geweest. Ook toen ik allang niet meer op mezelf kon rekenen.

‘Wil je zelf nog iets zeggen?’ vroeg ze.

Ik had niets voorbereid. Toch stond ik op.

‘Ik ga jullie missen. En de bewoners ook. Maar ik ga dit werk niet missen zoals het voor mij geworden was.’

Yara keek naar haar bord.

‘Ik hoop dat jullie eerder hulp vragen dan ik deed. En dat er dan ook iets verandert.’

Niemand klapte. Dat was goed. We aten verder.

Daarna liep ik langs een paar kamers. Mevrouw Van Dijk zat bij de televisie. Haar pols was genezen, maar ze gebruikte haar hand nog voorzichtig.

‘Ga je op vakantie?’ vroeg ze.

‘Ik ga ergens anders werken.’

‘In een ander huis?’

‘Op een kantoor.’

Ze keek naar mijn bloemen.

‘Dan moet je die in water zetten.’

Ik lachte en voelde tegelijk mijn keel dichttrekken.

Bij meneer Özdemir was zijn dochter op bezoek. Ik vertelde dat ik wegging. Zij knikte.

‘Dank u voor wat u voor hem heeft gedaan.’

Ik had haar lang onthouden als de vrouw die kwaad was op de gang. Nu schaamde ik me een beetje voor hoe klein ik haar in mijn hoofd had gemaakt. Zij had haar vader willen beschermen. Ik had dat ook gewild.

Buiten de kamer haalde Yara me in.

‘Ik ben blij voor je,’ zei ze.

‘Maar?’

‘Maar ik ben ook jaloers.’

‘Dat mag.’

Ze leunde tegen de muur.

‘Ik zit nog steeds naar open diensten te kijken. Zelfs op mijn vrije dag.’

Ik wilde zeggen dat ze moest stoppen. Dat er meer bestond. Maar ik kende haar huur, haar situatie en haar grenzen niet goed genoeg om daar een opdracht van te maken.

‘Zal ik je Anja’s nummer sturen?’

‘Graag.’

Bij de uitgang leverde ik mijn pas, sleutel en werkkleding in. De receptioniste vinkte een lijst af. Mijn hele kastje paste in een boodschappentas. Er zat nog een paar reservesokken in, een handcrème en een foto van Noor toen ze zes was.

Op de parkeerplaats bleef ik even naast mijn auto staan. De plek waar Bas me had opgehaald was bezet door een witte bestelwagen.

Ik verwachtte opluchting. Wat ik voelde was vermoeidheid en iets dat op rouw leek.

Thuis zette ik de bloemen in een vaas. Daarna trok ik de gordijnen open. Het was pas drie uur. Ik had nog een hele middag en niemand had gezegd wat ik ermee moest doen.

Hoofdstuk 7

Om vier uur

Op mijn eerste werkdag in Bunschoten stond mijn naam op een vel papier naast een beeldscherm. Welkom Sanne. Daaronder stond het wachtwoord voor een tijdelijk account.

Henk wees naar een stoel.

‘Deze kraakt minder dan die andere.’

Ik hing mijn jas op en keek waar de toiletten waren. Daarna waar de nooduitgang zat. Sommige gewoontes bleven.

De eerste weken waren moeilijker dan ik thuis had verteld. Ik kende geen onderdelen. Ik verwisselde een onderhoudsbeurt met een storingsafspraak. Ik maakte notities die zo uitgebreid waren dat Henk de kern niet kon vinden.

‘Je hoeft niet het hele telefoongesprek vast te leggen,’ zei hij.

‘Als er later vragen komen?’

‘Dan moet duidelijk zijn wat we hebben afgesproken. Niet wat iemand ervoor had ontbeten.’

Hij glimlachte. Ik niet meteen.

In de zorg was nauwkeurig rapporteren belangrijk geweest. Hier was mijn nauwkeurigheid soms gewoon te veel. Dat vond ik lastig. Ik had twintig jaar ervaring meegenomen, maar die paste niet zonder aanpassing in dit werk.

In mijn vierde week plande ik een monteur in op een adres in Baarn terwijl de klant in Blaricum woonde. De straatnamen leken op elkaar. De monteur belde geïrriteerd.

‘Wie heeft dit ingevoerd?’

Ik keek naar mijn eigen naam in het systeem.

‘Ik.’

‘Nou, lekker dan.’

Mijn mond werd droog. Ik bood drie keer excuses aan en liep met trillende handen naar Karin.

‘Ik heb een fout gemaakt.’

Ze liet me uitleggen wat er was gebeurd.

‘Bel de klant. Geef een nieuw tijdvak door. Henk kijkt even mee met de planning.’

‘Krijg ik hier nog een gesprek over?’

‘Dit is het gesprek.’

Ze draaide haar scherm naar me toe.

‘We zetten voortaan de postcodecontrole aan bij nieuwe adressen. Dat had al gemoeten.’

Die avond was ik uitgeput. Toch bleef ik niet de hele nacht wakker. De fout had tijd en brandstof gekost. Dat was vervelend. Hij was hersteld.

Niet alles werd beter doordat ik ander werk had. Het lagere salaris bleef zichtbaar. We gingen die zomer vijf dagen naar een huisje bij Ommen, buiten de duurste weken. De nieuwe bank kwam er niet. Soms zag ik mijn loonstrook en dacht ik aan alle diensten die ik nog had kunnen draaien.

Ook miste ik het lichamelijke van mijn oude werk. Een hand vasthouden. Samen met een collega iemand comfortabel neerleggen. Zien dat een bewoner na een wasbeurt weer rustig werd. Op kantoor kon ik een dag hard werken zonder te weten of iemand daar echt iets van merkte.

Toen een klant belde over drie verschillende brieven, pakte ik zijn dossier erbij. Hij sprak langzaam en raakte de volgorde kwijt. Ik liet hem de datums voorlezen en zocht uit welke afspraak nog gold.

‘Dus donderdag hoef ik niet thuis te blijven?’

‘Nee. Alleen dinsdag.’

‘Wilt u dat nog even opschrijven in een mail?’

Dat deed ik. Henk legde na het gesprek een werkorder naast mijn toetsenbord.

‘Jij blijft daar tenminste rustig bij.’

Ik dacht aan Anja. Er was blijkbaar toch iets meegekomen dat hier bruikbaar was.

Na vijf maanden vroeg Karin me op haar kantoor. Mijn tijdelijke contract zat in mijn hoofd nog steeds als een aftellende klok.

‘We willen met je verder,’ zei ze. ‘Een jaar erbij, met dezelfde uren.’

Geen vast contract. Geen zekerheid voor altijd. Wel genoeg om thuis een fles alcoholvrije wijn open te maken en Noor te laten kiezen wat we aten.

Yara kwam kort daarna langs. Ze werkte inmiddels vier uur minder. Nog steeds op dezelfde afdeling. We dronken koffie in de tuin en spraken ook over andere dingen. Dat was prettig. Ik hoefde niet langer elk bezoek te gebruiken om mijn vertrek uit te leggen.

Bijna een jaar na die ochtend op de parkeerplaats werk ik nog steeds vier dagen van zes uur. Op woensdag ben ik vrij. Ik heb nog afspraken bij de praktijkondersteuner, minder vaak dan eerst. Bij onverwacht hard piepen voel ik soms mijn schouders omhoogschieten.

Laatst vroeg iemand op een verjaardag wat ik deed.

‘Administratie bij een installatiebedrijf,’ zei ik.

Ik voegde er niet meteen aan toe wat ik daarvoor was geweest.

Vandaag kwam er om vijf voor vier een lastige vraag binnen. Ik zocht de gegevens op, noteerde wat nog uitgezocht moest worden en droeg het over aan Henk. Daarna sloot ik mijn computer af.

Buiten regende het. Ik belde Noor toen ik in de auto zat.

‘Moet ik je ophalen bij het station?’

‘Kun je dat redden?’

Ik keek naar de klok.

‘Ja. Ik ben klaar.’