Werk en maatschappij
Een bijbaan werd mijn redding
Hoofdstuk 1
Een bijbaan werd mijn redding
Toen de bel ging, kroop ik onder het keukenraam. Mijn knie raakte de voerbak van Moos. Het metaal schraapte over de tegels. Buiten bleef iemand wachten.
‘Mevrouw De Bruin? Pakketje voor hiernaast.’
Ik hield mijn adem in. Pas toen de voetstappen verdwenen, kwam ik overeind. Ik was achtendertig en bang voor een bezorger.
Op tafel lagen drie enveloppen. De huur. De zorgverzekering. Iets van de gemeente Nijmegen. Die laatste had ik opengemaakt. Er stond dat ik moest verschijnen voor een gesprek over mijn mogelijkheden om te werken.
Mijn naam is Iris de Bruin. Vroeger regelde ik de planning bij een transportbedrijf in Wijchen. Vierentwintig chauffeurs, kapotte vrachtwagens, klanten die hun spullen gisteren wilden hebben. Mijn telefoon lag zelfs naast mijn bord. Ik was degene die gaten dichtte.
Tot ik op een dinsdag op een parkeerplaats stond en niet meer wist hoe ik de motor moest uitzetten.
Daarna kwamen slapeloze nachten, gesprekken bij de huisarts en een psycholoog. Mijn tijdelijke contract liep af. Na een lange ziekteperiode belandde ik uiteindelijk in de bijstand. Mijn wereld kromp tot mijn flat in Dukenburg, de supermarkt en het bankje achter het gezondheidscentrum.
Die ochtend had ik nog elf euro en zestig cent. Genoeg voor kattenvoer, brood en misschien koffie. Ik trok mijn jas aan. De gemeentebrief stopte ik ongeopend terug in de envelop, alsof dat iets veranderde.
Bij de supermarkt zag ik Rachid.
We hadden vroeger in hetzelfde portiek gewoond. Hij stond naast een bestelbus met een scheve boekenkast erin. Op de zijkant stond: Hergebruik Het Anker.
‘Kun je even vasthouden?’ vroeg hij.
Voor ik kon weigeren, duwde hij een deur van de boekenkast mijn kant op. Ik greep het hout. Hij trok een spanband strak.
‘Zo. Anders ligt straks alles op de rotonde.’
Hij keek me aan.
‘Jij bent dun geworden.’
‘Jij niet.’
Hij lachte. Ik ook, tegen mijn zin.
Rachid vroeg niet meteen hoe het ging. Hij wees naar een koffieautomaat achter het raam van de kringloopwinkel, drie deuren verder.
‘Ik moet nog lossen. Daarna koffie?’
Ik wilde zeggen dat ik haast had. Maar er wachtte niemand thuis, behalve een kat die vooral belangstelling had voor zijn voerbak.
Binnen rook het naar stof, filterkoffie en schoonmaakmiddel. Een vrouw met kort grijs haar plakte prijsstickers op borden. Achter de kassa discussieerden twee klanten over een lamp zonder kap.
‘Anja,’ zei Rachid tegen de vrouw. ‘Dit is Iris. Die kan plannen.’
‘Dat weet je helemaal niet,’ zei ik.
‘Je maakte vroeger voor onze verhuizing een schema met pauzes.’
‘Jullie wilden een wasmachine met z’n tweeën over de reling tillen.’
Anja keek op.
‘Dan kun je in elk geval gevaar herkennen.’
Ze schonk koffie in een mok met een campinglogo. Ik hield hem met twee handen vast.
Op de prikmuur hing een briefje. Medewerker goederenontvangst gezocht. Twaalf uur per week. Betaald.
Ik las het woord betaald twee keer.
‘Is dat zwaar werk?’ vroeg ik.
Anja legde haar stift neer.
‘Soms. Maar voor sjouwen zoeken we iemand anders. Het gaat om aannemen, noteren, klanten vertellen wat we wel en niet gebruiken. En zorgen dat de doorgang vrij blijft.’
‘Ik ben een tijd ziek geweest.’
De woorden kwamen er hard uit. Alsof ik haar moest waarschuwen voor een kapotte koelkast.
‘Wat kun je nu aan?’ vroeg ze.
‘Dat weet ik niet.’
Ze knikte zonder teleurstelling.
‘Dan moeten we daar eerlijk over zijn.’
Ik vertelde over de paniek. Niet alles. Wel genoeg. Over geluid dat soms te dichtbij kwam. Over dagen waarop aankleden al een klus was.
Anja luisterde. Daarna schoof ze een leeg kassabonnetje naar me toe.
‘Schrijf je nummer op. Geen onbetaald proefgedoe. Als we beginnen, krijg je een contract. Maar regel eerst met de gemeente wat je moet doorgeven.’
Buiten stopte Rachid zijn handschoenen in zijn zak.
‘Je hoeft niet ineens weer de oude te worden,’ zei hij.
Ik keek naar de boodschappen in mijn tas. Brood. Kattenvoer. Geen koffie.
Thuis legde ik de gemeentebrief naast mijn telefoon. Ik bleef lang zitten. Toen belde ik het nummer bovenaan.
‘Met Iris de Bruin,’ zei ik. ‘Ik heb misschien werk gevonden.’
Hoofdstuk 2
De achterdeur
Mijn eerste werkdag begon met overgeven. Niet veel. Er zat nauwelijks iets in mijn maag. Daarna poetste ik opnieuw mijn tanden en at ik een droge cracker boven de gootsteen.
Om kwart over acht stond ik bij de achterdeur van Het Anker. Op het bedrijventerrein bij de Energieweg reden bestelwagens langs. Ik controleerde drie keer of ik mijn sleutels had.
Rachid deed open.
‘Je bent vroeg.’
‘De bus reed door.’
Ik was een bus eerder gegaan. Dat hoefde hij niet te weten.
In het kantoortje lag mijn contract. Drie ochtenden van vier uur. Zes maanden. Geen proeftijd. Anja liep de afspraken met me door. De taken stonden op een apart blad. Ontvangst, registratie en lichte sortering. Geen zware meubels tillen. Na twee weken zouden we kijken hoe het ging.
Mijn contactpersoon bij de gemeente, Sanne Vos, had me uitgelegd welke stukken ze nodig had. Contract, loonstroken, wijzigingen in mijn uren. Mijn loon zou worden meegenomen bij de berekening van de aanvullende uitkering. Ze had me ook gewaarschuwd dat de eerste verwerking niet altijd gelijkliep met de salarisbetaling.
Ik had alles opgeschreven. Toch lag ik er wakker van.
Anja gaf me een blauw hesje.
‘Daar hangen gehoorbeschermers. Die kun je gebruiken als Rachid met de rolcontainers bezig is. En als je pauze nodig hebt, zeg je het.’
‘Hoe vaak?’
‘Als je pauze nodig hebt.’
Ik hoorde hoe eenvoudig ze het zei. Ik geloofde haar nog niet.
De eerste klant bracht zes dozen servies. Een man met een nette jas, rode ogen en een sleutelbos die hij niet stil kon houden.
‘Van mijn moeder,’ zei hij.
Ik pakte het registratieformulier.
‘Zijn er beschadigingen?’
Hij keek me aan alsof ik iets onfatsoenlijks had gevraagd.
‘Ze is vorige week overleden.’
Mijn pen bleef boven het papier hangen.
‘Gecondoleerd,’ zei ik. ‘Zullen we samen even kijken?’
Hij knikte.
We pakten de borden uit. Tussen twee schotels zat een boodschappenbriefje. Melk, aardappels, afwasmiddel. De man vouwde het klein op en stopte het in zijn jaszak.
Toen hij weg was, had ik drie regels ingevuld. Het had twintig minuten geduurd. Ik verwachtte commentaar.
‘Goed gedaan,’ zei Rachid.
‘Ik was traag.’
‘Hij ook.’
Tegen tienen kwam er een busje vol huisraad. De chauffeur wilde alles kwijt, ook een matras met bruine kringen en een magnetron zonder deur.
‘Dat matras nemen we niet aan,’ zei ik.
‘Het is voor arme mensen. Die moeten niet zo moeilijk doen.’
Ik voelde iets warms achter mijn oren.
‘Ook dan nemen we het niet aan.’
Hij zette het toch tegen de muur. Ik bleef staan, maar mijn handen begonnen te trillen.
Rachid kwam naast me staan.
‘Ze heeft nee gezegd. Terug in de bus.’
De man vloekte. Uiteindelijk trok hij het matras weer naar binnen.
Ik ging naar het toilet. Daar drukte ik mijn handpalmen tegen de koude wastafel. In mijn hoofd was ik alweer bij mijn oude werk. Een chauffeur die schreeuwde. Een directeur die vroeg waarom ik niet gewoon wat steviger optrad.
Er werd zacht geklopt.
‘Ik zet water voor je in de kantine,’ zei Anja.
Geen vraag. Geen bevel om terug te komen.
Na zeven minuten ging ik zitten. Anja schoof een glas naar me toe.
‘Moet ik naar huis?’ vroeg ik.
‘Wil je naar huis?’
‘Nee.’
‘Dan doen we straks de boeken. Die schelden niet.’
Om twaalf uur trok ik mijn hesje uit. Er stonden nog dozen. Mijn handen gingen er automatisch naartoe.
‘Morgen,’ zei Anja.
‘Maar het pad—’
‘Dat maak ik vrij. Jij bent klaar.’
Buiten moest ik op een betonnen paaltje zitten. Mijn benen waren slap. Ik was niet vrolijk. Niet trots. Vooral leeg.
Thuis at ik twee boterhammen en sliep ik bijna drie uur. Toen ik wakker werd, dacht ik dat ik gefaald had. Vier uur gewerkt en volledig uitgeschakeld.
Mijn zus Marieke belde die avond.
‘En?’
‘Ik heb betaald gekregen om tussen oude kopjes bijna te huilen.’
‘Maar je bent gegaan.’
Ik wilde daar geen aanmoediging van maken. Toch hing ik mijn hesje over de stoel in plaats van het in een kast te proppen.
Voor het eerst in maanden lag er iets klaar voor een volgende dag.
Hoofdstuk 3
Een verkeerd bedrag
Na vier weken herkende ik de vaste klanten aan hun fietsen. De vrouw met de paarse fietstassen zocht kookboeken. De man op de driewieler kocht elke woensdag een puzzel. Hij telde de randstukken aan een tafel bij het raam.
Ik kende ook mijn eigen grenzen iets beter. Na twee uur ontvangst moest ik tien minuten ergens zitten waar niemand iets van me wilde. Als ik dat oversloeg, kreeg ik hoofdpijn en maakte ik fouten.
Eén keer schreef ik een kast in als een kinderstoel. Anja lachte niet. Ze vroeg of ik pauze had genomen. Dat was irritanter dan lachen.
Op de laatste vrijdag van de maand kwam mijn eerste loon. Ik opende de bankapp in de kantine en bleef naar het bedrag kijken. Het was niet veel vergeleken met mijn vroegere salaris. Toch maakte ik er een schermafbeelding van.
Thuis betaalde ik een deel van mijn huurachterstand. Daarna kocht ik koffie, mandarijnen en een nieuwe kattenbakborstel. Die oude had nog vier haren.
Drie dagen later kwam de berekening van mijn uitkering.
Er klopte iets niet.
Ik legde mijn loonstrook naast de brief. Ik gebruikte de rekenmachine op mijn telefoon. Daarna rekende ik het opnieuw uit op papier. Er leek met een hoger inkomen te zijn gerekend dan ik werkelijk had ontvangen.
Ik belde de gemeente. Sanne was niet aanwezig. Een andere medewerker zei dat ik mijn loonstrook moest opsturen.
‘Die staat al in het portaal.’
‘Dan moet u even afwachten.’
‘Mijn huur gaat morgen af.’
‘Ik kan daar nu niets aan veranderen.’
Na het gesprek bleef ik met de telefoon tegen mijn oor zitten. Mijn hart sloeg zo hard dat ik het in mijn keel voelde. Werk had geld moeten opleveren. Nu wist ik niet eens of ik boodschappen kon doen.
Ik stuurde Anja een bericht dat ik ziek was.
Ze belde binnen vijf minuten.
‘Wat is er?’
‘Buikgriep.’
Het bleef stil.
‘Goed,’ zei ze. ‘Dan bespreken we later hoe het gaat.’
Ik keek naar de tafel. De brieven lagen precies zoals vroeger. Alleen lag er nu een loonstrook tussen.
‘Geen buikgriep,’ zei ik.
Ik vertelde het. Te snel. Ik hoorde mezelf zeggen dat werken voor mij blijkbaar niet kon. Dat ik het contract beter kon beëindigen voordat de schade groter werd.
Anja onderbrak me.
‘Vandaag neem je geen ontslag. Morgen ook niet als je nog zo overstuur bent. Eerst zoeken we uit wat er klopt.’
Ze loste het niet voor me op. Dat maakte me even kwaad. Ze gaf me het nummer van een sociaal raadsvrouw en zei dat ze mijn urenoverzicht direct zou mailen.
Die middag zat ik in een wijkcentrum tegenover Fatima El Amrani. Op haar bureau stond een plant met stoffige bladeren. Ze schoof mijn papieren naast elkaar.
‘U hebt alles bewaard. Dat helpt.’
‘Ik slaap er ook naast.’
Ze keek op, maar maakte er geen grapje van.
Fatima zag dat er voorlopig met een geschat maandinkomen was gerekend. Mijn feitelijke loonstrook was nog niet verwerkt. Ze belde met mij erbij en hielp me een schriftelijk verzoek om correctie te sturen. Ook schreef ze de termijn op waarbinnen ik bezwaar kon maken als dat nodig bleef.
‘Ik kan niet beloven wanneer het geld er is,’ zei ze.
Dat vond ik vervelend. Ik vertrouwde haar er wel door.
Marieke leende me honderdvijftig euro. Ik vroeg het via een bericht omdat bellen niet lukte. Ze maakte het over zonder een rij uitroeptekens of een opmerking over beter plannen.
De volgende ochtend ging ik werken.
Bij de achterdeur stond een vrouw met twee kinderen en een kapotte kinderfiets. Ze vroeg of we onderdelen verkochten.
‘Soms,’ zei ik. ‘Ik kijk even.’
In de werkplaats vond ik een passend wiel. Terwijl Rachid het controleerde, bleef de vrouw naast me staan.
‘Het is steeds iets, hè?’ zei ze.
Ik knikte. Meer hoefde niet.
De correctie kwam negen dagen later. Ik betaalde Marieke terug. Voor de volgende maand zette ik waarschuwingen in mijn telefoon. Loonstrook uploaden. Ontvangst controleren. Berekening nakijken.
Ik vond het oneerlijk dat twaalf uur werken zoveel administratie opleverde. Maar ik had de baan nog. En Fatima’s telefoonnummer stond nu tussen mijn contacten.
Hoofdstuk 4
De kast kantelt
In de zesde week kwam Bas terug van vakantie. Hij was bedrijfsleider en werkte meestal op de andere locatie in Arnhem. Ik kende hem van één kort gesprek. Hij had gevraagd of ik mijn ervaring met logistiek ook wilde inzetten voor de webshop.
Ik had gezegd dat ik eerst mijn huidige werk wilde volhouden.
‘Natuurlijk,’ had hij gezegd. ‘Stap voor stap.’
Op dinsdag stond hij om half negen in de goederenontvangst met een tablet onder zijn arm.
‘We hebben een achterstand,’ zei hij. ‘Vandaag even doorpakken.’
Rachid was ziek. Anja stond in de winkel. Bij mij werkte Kevin, een jongen van negentien die via school stage liep. Hij praatte veel als hij zenuwachtig was. Die ochtend vertelde hij voor de derde keer dat hij vrijdag rijexamen had.
Om tien uur kwam een vrachtwagen met spullen uit een leeggehaald kantoor. Meer dan afgesproken. Bureaus, ladeblokken, dozen met snoeren. Achterin stond een hoge metalen archiefkast.
De chauffeur keek op zijn horloge.
‘Ik heb nog twee adressen.’
Bas wees naar de laadklep.
‘Zet maar daar. Wij rijden hem verder.’
De kast stond op een laag meubelkarretje. Eén wiel haperde. Dat hoorde ik meteen. Om de paar meter sloeg het tegen zijn houder.
‘Dat karretje is niet goed,’ zei ik.
‘Daarom doen we het rustig,’ antwoordde Bas.
Kevin pakte de zijkant van de kast. Bas duwde. Ik stond bij de deur om de route vrij te houden.
Bij de drempel bleef het wiel steken.
Bas gaf nog een duw.
De kast helde naar Kevin.
‘Loslaten!’ schreeuwde ik.
Kevin sprong achteruit. De kast viel tegen een houten tafel. Het blad brak met een droge klap. Een lade schoof open en sloeg tegen zijn onderarm.
Daarna was het stil, op de motor van de vrachtwagen na.
Kevin hield zijn arm vast. Ik zag bloed langs zijn pols lopen.
‘Ga zitten,’ zei ik.
Mijn stem klonk vreemd rustig. Ik trok een stoel weg uit de rommel en riep Anja. Zij was bedrijfshulpverlener. Ze kwam met de verbanddoos, keek naar de wond en nam het over. Bas en de chauffeur zetten het gebied af.
Pas toen Kevin met Anja naar de huisartsenpost vertrok, begonnen mijn handen te schudden.
Bas raapte een stuk tafelblad op.
‘Dat ging net goed.’
Ik keek naar de plek waar Kevins hoofd had gezeten.
‘Nee,’ zei ik. ‘Het ging fout.’
Hij zuchtte.
‘Je begrijpt wat ik bedoel.’
‘Ik zei dat het wiel kapot was.’
‘We gaan nu niet met vingers wijzen.’
Hij zei het beheerst. Bijna vriendelijk. Toch voelde ik mijn schouders omhooggaan. Die zin kende ik van mijn oude baan. Meestal betekende hij dat niemand met beslissingsmacht ergens verantwoordelijk voor wilde zijn.
Om twaalf uur vroeg Bas of ik langer kon blijven. Er moesten nog zeven bureaus naar binnen.
‘Nee.’
Hij keek op van zijn tablet.
‘Een halfuurtje maar.’
‘Mijn dienst is afgelopen. En ik ga die meubels niet verplaatsen.’
‘We zijn hier een klein team, Iris.’
Ik trok mijn hesje uit. Het bleef achter mijn bril haken. Ik kreeg het niet los en moest opnieuw beginnen. Daardoor duurde mijn vertrek eindeloos.
Buiten ging ik niet naar de bushalte. Ik liep langs het hek, voorbij de fietsenwinkel, tot ik bij een sloot stond. Daar huilde ik zo hard dat een fietser afremde.
‘Gaat het?’
Ik stak mijn duim op. Een belachelijk gebaar. De fietser reed verder.
Thuis schreef ik op wat er was gebeurd. Het tijdstip. Het kapotte wiel. Mijn waarschuwing. Bas’ antwoord. Ik stuurde het naar Anja en vroeg of het incident werd vastgelegd.
Daarna zette ik mijn telefoon uit.
Een uur later zette ik hem weer aan. Kevin had een bericht gestuurd. De wond was verzorgd. Niets gebroken. Wel flink gekneusd.
Daaronder stond: Volgens mij was ik anders onder die kast gekomen.
Ik las het telkens opnieuw.
Toen kwam er een bericht van Bas.
Of ik donderdagochtend wat eerder kon komen voor een gesprek over mijn inzetbaarheid.
Ik legde de telefoon op tafel. Tot laat in de avond bleef het scherm in mijn hoofd oplichten.
Hoofdstuk 5
Aan dezelfde tafel
Woensdag werkte ik niet. Toch stond ik om zeven uur aangekleed in de keuken. Ik had een antwoord voor Bas geschreven, verwijderd en opnieuw geschreven.
Mijn inzetbaarheid. Dat kon alles betekenen.
Ik belde Marieke. Ze nam op terwijl ze haar fiets van het slot haalde.
‘Neem iemand mee,’ zei ze.
‘Dan lijkt het meteen een conflict.’
‘Het is al een conflict. Jij wilt alleen dat niemand het merkt.’
Ik vond haar hard. Later schreef ik precies die zin op.
Anja belde rond tien uur. Ze had mijn verslag gelezen en wilde bij het gesprek zijn. Dat vond ik goed. Daarna stuurde ik Bas een kort bericht. Ik zou op mijn gewone begintijd komen. Anja zou aansluiten. Ik wilde ook de veiligheid bij de goederenontvangst bespreken.
Na het verzenden legde ik mijn telefoon onder een kussen.
Die middag ging ik naar mijn psycholoog, Hanneke. Ik vertelde dat mijn lijf geen verschil leek te zien tussen een lastig gesprek en direct gevaar.
‘En wat heb jij gedaan?’ vroeg ze.
‘Gehuild bij een sloot.’
‘Daarvoor.’
‘Kevin gewaarschuwd. Hulp gehaald.’
‘En daarna?’
‘Nee gezegd.’
Ze liet me zelf de rij afmaken. Het verslag. Het verzoek om Anja erbij te hebben. Mijn werktijd bewaken.
Ik voelde me nog steeds beroerd. Maar op papier was ik minder hulpeloos dan in mijn hoofd.
Donderdag zat Bas al in het kantoortje. Er stonden drie mokken koffie. Ik nam water.
‘Allereerst,’ begon hij, ‘gelukkig valt het met Kevin mee.’
‘Hij heeft pijn en kan voorlopig niet tillen,’ zei Anja.
Bas knikte.
‘Zeker. Dat is vervelend. Maar ik schrok van de toon van je mail, Iris.’
Mijn mond werd droog. Onder tafel drukte ik mijn voeten plat op de vloer.
‘Wat klopt er niet in?’ vroeg ik.
‘Het leest als een aanklacht.’
‘Het is een beschrijving.’
Hij draaide zijn mok een kwartslag.
‘Ik heb mensen nodig die flexibel zijn. Als er iets misloopt, moeten we samen door.’
‘Er liep niet zomaar iets mis,’ zei ik. ‘We gebruikten een karretje met een kapot wiel. Voor een kast die om kon vallen. Ik had dat gezegd.’
Anja legde mijn takenlijst op tafel.
‘En Iris is niet aangenomen voor zwaar transport. Dat staat hier.’
Bas keek naar haar.
‘We kunnen niet voor iedereen uitzonderingen blijven maken.’
Ik schoof mijn stoel naar achteren. Niet om weg te gaan. Ik had ruimte nodig.
‘Dit zijn de afspraken waarmee ik hier ben begonnen. Als die niet gelden, moet je dat duidelijk zeggen.’
Het bleef even stil. Vanuit de winkel klonk het piepje van de kassa.
Bas wreef over zijn voorhoofd.
‘Dat zeg ik niet.’
‘Goed. Dan wil ik niet na een ongeluk horen dat mijn inzet ter discussie staat omdat ik geen meubels wil sjouwen.’
Mijn stem trilde bij het laatste woord. Ik had liever stevig geklonken. Maar de zin was eruit.
Anja nam het gesprek verder over. Het karretje ging buiten gebruik. Grote leveringen zouden alleen worden aangenomen als er voldoende mensen en geschikt materiaal waren. De melding werd vastgelegd. Kevin zou uitleg krijgen over wat er met zijn verslag gebeurde. Bas zou met de organisatie laten controleren of verdere stappen nodig waren.
Niet alles was meteen geregeld. Sommige afspraken moesten nog worden uitgewerkt. Ik vroeg om een samenvatting per mail.
Bas zei uiteindelijk: ‘Ik had niet moeten doorduwen bij die drempel.’
Het was geen uitgebreide verontschuldiging. Ik zei ook niet dat het niets uitmaakte.
Na het gesprek zat ik tien minuten in de kantine. Anja kwam tegenover me zitten.
‘Wil je naar huis?’
Ik dacht na. Echt na, deze keer.
‘Ik wil de boeken doen. Niet de ontvangst.’
‘Dat kan.’
Later kwam Kevin binnen met een verband om zijn arm. Hij had zakken drop meegenomen omdat hij zich bezwaard voelde over zijn afwezigheid.
‘Dat hoeft niet,’ zei ik.
‘Ik wist niet wat ik anders moest doen.’
Ik pakte één dropje.
‘Volgende keer niets meenemen.’
Hij ging naast me zitten. Samen sorteerden we kinderboeken. Hij vertelde over zijn rijexamen. Ik vroeg niet of hij nog pijn had. Hij begon er zelf over.
Toen mijn dienst voorbij was, bleef ik nog even zitten om zijn verhaal af te luisteren. Daarna ging ik naar huis.
Hoofdstuk 6
Geen extra dienst
In november werd de winkel drukker. Mensen zochten winterjassen, elektrische dekens en speelgoed dat nog in een doos zat. Soms boden klanten minder omdat ze niet meer hadden. Soms omdat ze gewoon wilden winnen.
Ik leerde het verschil niet altijd zien. Dat hoefde ook niet. We hadden afspraken over prijzen en korting. Bij twijfel haalde ik Anja erbij.
Mijn werk kreeg vaste vormen. Op maandag controleerde ik de ontvangstruimte. Woensdag verwerkte ik kleine goederen. Vrijdag hielp ik het eerste uur bij de kassa en ging daarna naar achteren. Ik was nog steeds moe na een dienst, maar ik sliep niet meer elke middag.
Op een vrijdag stond Jeroen voor mijn kassa.
Hij had bij het transportbedrijf naast mij gezeten. Hij droeg dezelfde dure jas en tikte met zijn autosleutel tegen een broodrooster.
‘Hé. Iris?’
Ik voelde de warmte naar mijn gezicht stijgen.
‘Hoi.’
Hij keek naar mijn hesje, toen naar de rij achter hem.
‘Werk jij hier tegenwoordig?’
‘Drie ochtenden.’
‘O.’
Dat ene geluid vulde de ruimte tussen ons.
Ik wilde uitleggen dat dit tijdelijk was. Dat ik vroeger verantwoordelijk was geweest voor grote klanten. Dat ik heus meer kon dan een broodrooster afrekenen.
‘Twaalf euro vijftig,’ zei ik.
Hij betaalde.
‘Fijn dat je weer iets hebt,’ zei hij.
Misschien bedoelde hij het aardig. Ik had geen energie om het uit te zoeken.
Na zijn vertrek telde ik het wisselgeld opnieuw. Mijn vingers waren onrustig. De volgende klant, een vrouw met een kinderwagen, wachtte zonder te zuchten.
‘Neem je tijd,’ zei ze.
Die avond zocht ik vacatures voor planners. Ik vond functies met woorden als stressbestendig, spin in het web en geen negen-tot-vijfmentaliteit. Ik zag de salarissen. Daarna keek ik naar mijn eigen loonstrook.
Om half elf belde ik Marieke.
‘Misschien maak ik het mezelf te makkelijk.’
‘Waarmee?’
‘Twaalf uur. Oude spullen. Ik ben achtendertig.’
Ze was even stil.
‘Vorige maand kon je voor het eerst weer mee naar de verjaardag van Daan. Je bleef twee uur. Dat kon je eerder niet.’
‘Daar krijg ik geen salaris voor.’
‘Nee. Maar het telt wel.’
Ik sloot de vacatures niet meteen. Pas toen ik merkte dat ik mijn adem inhield.
Een week later vroeg Anja of ik in december tijdelijk zestien uur wilde werken. Iemand moest geopereerd worden. Ze vroeg het rustig, zonder druk. Toch zei ik direct ja.
Meer uren betekenden meer loon. Misschien ook minder aanvullende uitkering, afhankelijk van de berekening. Maar vooral betekenden ze dat iemand dacht dat ik het kon.
De eerste extra middag ging goed. De tweede niet.
Ik vergat te lunchen. Ik nam een partij vochtige boeken aan die we moesten weigeren. Toen een klant vroeg waar de wc was, kon ik niet op het woord gang komen.
Die nacht lag ik wakker. De volgende ochtend liet ik een bord vallen en begon ik te huilen om de scherven.
Op het aanrecht stond mijn medicatie. In de agenda stond de afspraak met Hanneke. Ik had ineens een grote hekel aan alles wat me eraan herinnerde dat ik nog niet beter was.
Ik belde Anja.
‘Die extra uren lukken niet.’
‘Voor deze week niet?’
Daar zat mijn ontsnappingsroute. Ik kon zeggen dat ik verkouden werd. Dat het volgende week beter zou gaan.
‘Voorlopig niet,’ zei ik.
Ze ademde hoorbaar uit.
‘Dat is lastig voor de planning. Maar goed dat je het zegt. We gaan terug naar twaalf.’
Ik was opgelucht en beschaamd tegelijk. Ze had het lastig genoemd. Het was ook lastig. Een grens aangeven maakte de gevolgen niet ongedaan.
Toen mijn contract bijna afliep, ging ik ervan uit dat Bas me niet zou houden. Ik begon thuis alvast vacatures te bewaren voor eenvoudiger werk, alsof ik dat verlies kon verzachten door het voor te zijn.
Drie dagen voor kerst riep Anja me naar het kantoor.
Er lag een nieuw contract klaar. Twaalf uur per week, voor een jaar.
‘Je ontvangstregistratie klopt,’ zei ze. ‘Klanten weten waar ze aan toe zijn. En je komt op tijd.’
Ik las het papier helemaal. Ook de kleine letters.
Daarna vroeg ik om een pen.
Hoofdstuk 7
Wat er nu staat
Een jaar na mijn eerste werkdag stond ik opnieuw bij de achterdeur. Het regende hard. Water liep van het afdak op mijn schoenen. Ik had mijn sleutel laten vallen en vloekte terwijl ik hem onder een rolcontainer vandaan haalde.
Binnen stond een jonge vrouw met een rode rugzak. Ze hield een brief tegen haar buik gedrukt.
‘Ik zoek Anja,’ zei ze.
‘Die komt zo. Ik ben Iris.’
‘Lotte.’
Ze keek langs me heen naar de ontvangsthal. Het geratel van een kar liet haar schrikken. Ik herkende de manier waarop ze daarna snel glimlachte. Alsof niemand mocht merken dat haar lijf al bezig was met vluchten.
Ik vroeg niet wat ze had.
‘Koffie of water?’
‘Water, graag.’
Ik wees haar de kantine en hing mijn jas op. In mijn zak zat een brief van de woningcorporatie. De betalingsregeling was afgerond. Ik had hem de vorige avond twee keer gelezen en daarna meegenomen, zonder goed te weten waarom.
Niet al mijn schulden waren weg. Voor de zorgverzekering liep nog een regeling. Mijn inkomen bestond uit loon en een aanvulling. Elke maand stuurde ik de stukken op. Soms ging het vanzelf. Soms moest ik bellen. Ik had geleerd bij te houden met wie ik sprak en wat er was afgesproken.
Dat maakte me niet rijker. Het scheelde wel nachten waarin ik uit mijn hoofd probeerde te reconstrueren wat iemand had gezegd.
Ik werkte nog steeds twaalf uur. Geen spectaculaire opbouw. Geen terugkeer naar de transportwereld. Op slechte dagen vond ik dat klein. Op gewone dagen dacht ik er nauwelijks aan.
Bas kwam eens per twee weken langs. We waren geen vrienden geworden. Hij vroeg extra inzet nu concreet: welke taak, hoeveel tijd, betaald of binnen de dienst. Ik kon nee zeggen zonder eerst een compleet ziekteverslag te geven.
Er ging nog steeds iets mis in het magazijn. Een doorgang stond vol. Een levering kwam te vroeg. Het verschil was dat we konden stoppen en overleggen. Het kapotte meubelkarretje was afgevoerd. Grote kasten kwamen niet meer zomaar door onze achterdeur.
Kevin had zijn rijbewijs gehaald. Hij liep inmiddels ergens anders stage, maar kwam soms langs voor koffie. Zijn arm was genezen. Op een middag vertelde hij dat hij op zijn nieuwe plek had geweigerd alleen een zware machine te verplaatsen.
‘Mijn begeleider vond het goed,’ zei hij verbaasd.
Ik had moeten lachen. Niet om hem. Meer om hoeveel moeite het soms kostte om iets normaals te verwachten.
Die ochtend liet ik Lotte zien waar de bekers stonden. Ze vertelde dat ze kwam kennismaken voor vrijwilligerswerk. Twee uur per week, misschien.
‘Ik heb vroeger op een school gewerkt,’ zei ze snel.
‘Welke groep?’
‘Vier.’
Ze vertelde over een jongen die altijd zijn schoenen verkeerd om aantrok. Terwijl ze sprak, zakten haar schouders een beetje.
Toen Anja binnenkwam, ging ik naar de ontvangst. Er stonden twee klanten te wachten. Eén had een radio. De ander een doos met glazen kerstballen, midden in oktober.
Ik werkte mijn lijst af. Rond tien uur nam ik pauze, hoewel het druk was. Rachid knikte toen ik mijn hesje aan de haak hing. Hij hoefde niet meer te vragen of het ging.
Na mijn dienst fietste ik naar de Waal. Ik had een tweedehands fiets gekocht van mijn vakantiegeld. De versnellingen tikten, maar hij reed goed.
Bij de kade at ik een boterham met kaas. Aan de overkant schoof een vrachtwagen over de brug. Even dacht ik aan de planningsschermen, de telefoons, mijn oude salaris. Ik miste delen van dat werk. Vooral het gevoel dat ik ergens goed in was.
Dat gevoel had ik nu ook, alleen niet de hele dag. Soms zat het in een helder formulier. Soms in een klant die niet hoefde te wachten omdat ik de spullen op tijd had gesorteerd. Het was minder indrukwekkend om op een verjaardag te vertellen. Ik oefende nog met dat niet belangrijk vinden.
Mijn bijbaan had mijn klachten niet opgelost. Hanneke hielp. Marieke hielp. De huisarts, Fatima, medicijnen en rust hielpen ook. Het werk gaf me iets wat thuis niet lukte: vaste dagen waarop ik verwacht werd, taken die af konden en geld waar een loonstrook bij hoorde.
Thuis bleef de deurbel soms lastig. Die middag ging hij terwijl ik de kattenbak schoonmaakte.
Ik stond op, veegde mijn handen af en liep naar de deur.
‘Pakketje voor hiernaast,’ zei de bezorger.
‘Zet maar neer,’ zei ik. ‘Ik neem het aan.’