Verlies en rouw
Een miskraam waar niemand over sprak
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
Een miskraam waar niemand over sprak
De eerste vlek zat in mijn onderbroek toen ik bij de Albert Heijn op de Amsterdamsestraatweg werkte. Het was dinsdag, kwart over tien. Ik stond net met een doos paprika’s in mijn handen toen ik iets warms voelde.
Op het personeelstoilet trok ik mijn broek omlaag. Bruinrood. Niet veel. Genoeg om te blijven zitten nadat ik klaar was.
Ik heet Mara van Dijk. Ik was drieëndertig en negen weken zwanger. In mijn kluisje lag een halve krentenbol die ik tegen de misselijkheid had meegenomen. Thuis lag een echofoto onder een magneet op de koelkast. Daarop stond een grijs vlekje met een hartslag die we hadden gezien, maar niet gehoord.
Mijn vriend Joris had tijdens die echo gevraagd of het bewegen normaal was.
‘Dat is vooral mijn hand,’ had de echoscopist gezegd.
We hadden gelachen. Ik dacht daar op dat toilet aan en kreeg het koud.
Mijn collega Fatima klopte.
‘Mara? De vracht staat er.’
‘Ik kom.’
Ik vouwde toiletpapier in mijn onderbroek. Daarna belde ik de verloskundige vanuit het magazijn, tussen lege kratten en een lekkende zak potgrond.
Ze vroeg hoeveel bloed het was. Of ik pijn had. Of ik duizelig was.
‘Een beetje zeurend. Alsof ik ongesteld moet worden.’
‘Bloedverlies betekent niet altijd dat het misgaat,’ zei ze. ‘Maar we willen je wel zien. Kun je om half twee komen?’
Ik zei ja voordat ik wist wie mijn dienst kon overnemen.
Fatima zag mijn gezicht toen ik terugkwam.
‘Wat is er?’
Niemand op mijn werk wist het. We zouden wachten tot twaalf weken. Die grens had veilig geleken, alsof je daarna pas iets te verliezen had.
‘Ik ben zwanger,’ zei ik. ‘En ik bloed.’
Ze pakte de scanner uit mijn hand.
‘Ga maar. Ik regel dit.’
Ik belde Joris drie keer. Hij stond als elektricien op een bouwplaats in Nieuwegein. Bij de vierde keer nam hij op.
‘Wat is er? Ik heb mijn handen vol.’
‘Ik moet naar de verloskundige.’
Hij bleef even stil.
‘Voor het bloed?’
Die ochtend had ik al verteld dat er iets roze op het toiletpapier zat. Hij had gevraagd of dat erbij hoorde. Ik had gezegd dat ik het niet wist. Daarna waren we allebei naar ons werk gegaan.
‘Ja,’ zei ik. ‘Kun je komen?’
‘Ik ben er om één uur.’
Thuis trok ik mijn werkbroek uit. Ik legde een maandverband in mijn onderbroek en ging aan de keukentafel zitten. Op mijn telefoon stond een zwangerschapsapp. Die vertelde dat het vruchtje ongeveer zo groot was als een druif.
Ik sloot de app. Daarna opende ik hem weer. Ik zocht naar bloedverlies, las drie geruststellende berichten en één verhaal dat ik niet uit mijn hoofd kreeg.
Joris kwam binnen met stof op zijn wangen. Hij kuste mijn haar.
‘Misschien is er niks aan de hand.’
‘Misschien wel.’
Hij knikte. Hij wist ook niet wat hij moest zeggen.
In de wachtkamer zat een vrouw met een dikke buik. Naast haar lag een peuter op de grond met een speelgoedbus. Het kind reed tegen mijn schoen.
‘Sorry,’ zei de vrouw.
‘Geeft niet.’
Ik schoof mijn voeten onder mijn stoel.
De verloskundige heette Sanne. Ze vroeg rustig wat er sinds het telefoontje was gebeurd. Het bloeden was iets meer geworden. De pijn niet.
Op de onderzoeksbank trok ik mijn knieën op. Sanne legde uit dat ze een vaginale echo wilde maken. Joris zat rechts van me. Zijn hand lag op mijn bovenarm, net te hoog om vast te pakken.
Ik keek naar het scherm. De vorige keer had er iets geknipperd.
Nu bewoog alleen het beeld.
Sanne veranderde de hoek. Ze keek langer dan prettig was. Daarna nog een keer.
‘Ik zie op dit moment geen hartactie,’ zei ze.
Joris boog naar voren.
‘Maar de vorige keer wel.’
‘Ja.’
Ik vroeg of ze het geluid kon aanzetten.
Sanne legde haar hand op mijn knie.
‘Daarmee gaan we het niet beter kunnen beoordelen. Ik wil dat een collega in het ziekenhuis meekijkt.’
Ik hoorde mezelf vragen of ik mijn broek weer aan mocht.
Dat mocht.
Terwijl ik achter het gordijn stond, trok ik mijn sok recht. De naad zat onder mijn tenen. Ik bleef eraan trekken tot Joris vroeg of het ging.
‘Nee,’ zei ik.
Het was het eerste antwoord dat die middag precies klopte.
Hoofdstuk 2
De stille kamer
In het Diakonessenhuis moesten we ons melden bij een balie waar iemand vroeg naar mijn identiteitsbewijs. Ik gaf mijn rijbewijs en vergat mijn hand terug te trekken. De baliemedewerker legde het kaartje voorzichtig op mijn vingers.
We kregen stoelen tegenover een poster over borstvoeding.
‘Zullen we ergens anders zitten?’ vroeg Joris.
‘Waarom?’
Hij keek naar de poster. Ik ook. Daarna bleven we zitten.
Een arts haalde ons op. Ze stelde zich voor als dokter De Bruin. Een verpleegkundige liep mee. Ik weet haar naam niet meer. Wel dat ze blauwe schoenen droeg met kleine witte stippen.
Er kwam nog een echo. Nog een scherm. De arts mat iets op en vergeleek de beelden met de gegevens van de eerdere controle. Ze vertelde wat ze zag voordat ik ernaar kon vragen.
‘Het embryo is kleiner dan we bij deze zwangerschapsduur verwachten. En er is geen hartactie meer. Met de eerdere echo erbij kunnen we vaststellen dat de zwangerschap niet meer doorgaat.’
Ik keek naar Joris. Hij zat met zijn ellebogen op zijn knieën.
‘Dus het is dood?’ vroeg ik.
‘Ja,’ zei de arts. ‘Het spijt me.’
Dat woord had ik nodig. Niet omdat het minder pijn deed. Omdat ik anders zou blijven zoeken naar ruimte tussen haar zinnen.
Ik kleedde me aan. Aan tafel legde ze uit welke mogelijkheden er waren. Afwachten. Medicijnen. Een ingreep. We hoefden niet meteen te beslissen als ik daar nog niet aan toe was. Ze vroeg of ik thuis steun had.
‘Hij is er,’ zei ik.
Joris keek op en knikte.
‘Kan dit komen doordat ik op mijn werk zwaar til?’ vroeg ik.
‘Nee. Dit is niet jouw schuld. Gewoon bewegen of werken veroorzaakt geen miskraam.’
Ik vertelde over een krat aardappelen. Over een glas wijn voordat ik wist dat ik zwanger was. Over de ruzie die we zondag hadden gehad.
Ze liet me uitpraten.
‘Bij vroege miskramen is er vaak iets misgegaan in de ontwikkeling. Meestal kunnen we niet aanwijzen waarom het bij één specifieke zwangerschap gebeurt. Maar wat je nu noemt, maakt jou niet verantwoordelijk.’
Ik hoorde haar. Geloven lukte nog niet.
We gingen naar huis met een telefoonnummer, uitleg op papier en een afspraak om de volgende dag te bellen over mijn keuze. In de parkeergarage kon Joris de betaalautomaat niet vinden. Hij liep twee keer dezelfde kant op.
‘Daar,’ zei ik.
Het klonk boos. Hij keek niet om.
Thuis belde ik mijn moeder. Ze woont in Houten, op twintig minuten rijden. Ik had haar vorige week een paar sokjes gegeven. Ze had meteen een foto gemaakt voor mijn vader, die boven aan het klussen was.
‘Het hartje klopt niet meer,’ zei ik.
Ze haalde scherp adem.
‘Ach, meisje.’
Ik wachtte.
‘Gelukkig was je nog niet zo ver.’
Ik keek naar het maandverband dat naast mijn bord op tafel lag. Ik had het uit mijn tas gehaald en daar laten liggen.
‘Mam, dat helpt niet.’
‘Nee. Dat snap ik. Ik bedoel alleen… Je bent nog jong. Jullie kunnen het opnieuw proberen.’
‘Ik wil deze zwangerschap terug.’
Toen begon ze te huilen. Ik hield mijn telefoon verder van mijn oor. Ik kon haar verdriet er niet bij hebben en schaamde me daar direct voor.
Na het gesprek maakte Joris soep warm. Tomatensoep uit een pak. We aten zonder brood, want dat waren we vergeten te kopen.
Mijn vader stuurde een duim onder het bericht waarin mijn moeder had geschreven dat ze aan ons dachten. Hij stuurde daarna een hartje. Waarschijnlijk vond hij de duim zelf ook verkeerd.
Mijn zus Lotte schreef: Wat verschrikkelijk. Wil je bellen?
Ik antwoordde: Morgen misschien.
Daarna werd het stil.
Geen van hen vroeg hoe het nu verder moest. Of het nog in mijn buik zat. Ik wist niet of ze bang waren voor het antwoord of dachten dat het ziekenhuis alles al had opgelost.
Joris haalde de echofoto van de koelkast.
‘Wat doe je?’ vroeg ik.
Hij bleef staan met de magneet in zijn hand.
‘Ik dacht dat het naar was om er steeds naar te kijken.’
‘Leg terug.’
Hij deed het meteen.
Later lag ik wakker naast hem. Ik legde mijn hand op mijn buik en voelde alleen mijn eigen ademhaling.
Morgen moest ik kiezen hoe de zwangerschap zou eindigen. Het kind was al dood. Mijn lichaam wist het nog niet helemaal.
Ik wist niet hoe ik die twee dingen tegelijk moest verdragen.
Hoofdstuk 3
De badkamervloer
Ik koos voor medicijnen. Wachten maakte me bang. Elk toiletbezoek voelde als het begin van iets waarop ik geen invloed had.
In het ziekenhuis bespraken we hoe ik de medicatie moest gebruiken en wat ik kon verwachten. Ik kreeg pijnstilling mee en duidelijke instructies over wanneer ik moest bellen. Joris luisterde en schreef dingen op. Thuis legde hij de papieren op het aanrecht, naast zijn opgeladen telefoon.
‘Je hoeft niet alles te bewaken,’ zei ik.
‘Ik wil niks missen.’
Ik liet hem.
Op vrijdag bleven we thuis. Buiten regende het. De buurman boorde gaten in de muur. Elke keer dat de boor stopte, hoorde ik de koelkast aanslaan.
De krampen begonnen in de middag. Eerst laag in mijn rug. Daarna trok mijn onderbuik samen. Ik liep van de bank naar de keuken en terug. Zitten hielp niet. Liggen ook niet.
Joris vroeg of hij mijn rug moest masseren.
‘Niet aanraken.’
Vijf minuten later vroeg ik of hij zijn hand daar wilde leggen.
Hij zei niets over het verschil.
Tegen vieren zat ik op het toilet. Het bloed liep sneller dan ik had verwacht. Ik riep Joris. Hij kwam tot in de deuropening.
‘Moet ik bellen?’
‘Weet ik niet.’
Ik trilde. Niet alleen van angst. De pijn kwam in golven en liet me tussendoor nauwelijks rusten.
Hij belde de afdeling. De verpleegkundige wilde mij spreken. Ik kreeg de telefoon en beantwoordde vragen over het bloedverlies, de pijn en hoe ik me voelde. Ze hielp ons beoordelen wat er gebeurde en herhaalde wanneer we meteen hulp moesten zoeken.
‘Bel ook terug als je het niet vertrouwt,’ zei ze.
Dat zinnetje schreef Joris niet op. Hij bleef gewoon naast de deur zitten.
Er kwam een moment waarop ik voelde dat er meer losliet dan bloed. Ik keek voordat ik kon besluiten of ik wilde kijken. Tussen stolsels zag ik iets lichts, in een vlies.
Ik begon hard te huilen.
‘Wat?’ vroeg Joris.
‘Ik denk dat het er is.’
Hij stond op en kwam naast me hurken. Hij keek ook. Daarna pakte hij een schone handdoek, hoewel ik niet wist waarvoor.
We hadden van tevoren besproken dat er herkenbaar weefsel kon meekomen. Ik had gedacht dat die uitleg me zou voorbereiden. Maar nu zat ik met mijn broek om mijn enkels en wist ik niet wat ik met mijn handen moest doen.
Ik wilde niet doorspoelen.
Joris haalde een schoon bakje uit de keuken. Samen verzamelden we wat ik niet kon achterlaten. We wisten niet precies wat we zagen. We vroegen later aan de verpleegkundige hoe we ermee om konden gaan. Op dat moment was alleen belangrijk dat niemand haast maakte.
Na een tijdje ging ik op de badkamervloer liggen. Joris legde een deken onder me en bleef tegen de wasmachine zitten.
‘Sorry,’ zei ik.
‘Waarvoor?’
Ik kon geen antwoord geven.
Voor het bloed op de vloer. Voor de vrijdag die zo was geworden. Voor zijn gezicht. Er zat geen logica in, maar de schaamte was er wel.
Hij schoof de handdoek onder mijn hoofd.
‘Je hoeft je niet te verontschuldigen.’
Toen de ergste krampen afnamen, hielp hij me onder de douche. Ik hield me vast aan de kraan terwijl hij mijn benen afspoelde. Het was zorgzaam en vernederend tegelijk. Niet door hem. Door hoe weinig ik nog zelf kon.
Die avond at ik twee beschuiten. Joris trok schoon beddengoed om het matras en legde er een extra handdoek op. We lieten het licht op de overloop aan.
Mijn moeder stuurde: Is alles goed gegaan?
Ik staarde naar die woorden.
Ik schreef: De zwangerschap is naar buiten gekomen. Ik heb veel pijn gehad. Ik ben heel verdrietig.
Ze antwoordde dat ik moest proberen te slapen.
De volgende dagen bloedde ik nog. Bij de controle bleek dat de miskraam compleet was. De arts vroeg hoe het emotioneel ging.
‘Slecht,’ zei ik.
Ze vroeg door. Ik kreeg informatie over ondersteuning en mocht contact opnemen als ik vastliep. Ik stopte het papier in mijn tas, bij de bonnetjes.
Buiten scheen de zon. Joris stelde voor koffie te halen.
Ik werd kwaad.
‘Hoe kun je nou koffie willen?’
Hij keek naar zijn schoenen.
‘Omdat ik niet weet wat we anders moeten doen.’
We haalden koffie. Ik dronk de mijne niet op.
Hoofdstuk 4
Gewoon weer werken
Tien dagen later trok ik mijn werkschoenen aan. De zolen zaten nog onder het stof van het magazijn. Ik had verwacht dat zelfs mijn schoenen anders zouden voelen. Maar mijn voeten pasten er gewoon in.
Mijn leidinggevende, Edwin, had gevraagd wanneer ik dacht terug te komen. Niet onvriendelijk. Er waren zieken. Het rooster moest rond.
‘Begin maar met een halve dag,’ had hij gezegd.
Ik was opgelucht dat ik niet meteen acht uur hoefde. Tegelijk wilde ik dat iemand zei dat ik nog thuis mocht blijven zonder zelf te hoeven bepalen hoeveel verdriet redelijk was.
Fatima ving me op bij de kluisjes.
‘Wil je een knuffel of niet?’
‘Ja.’
Ze hield me vast zonder over mijn rug te wrijven. Daar was ik haar dankbaar voor.
Edwin vertelde dat hij alleen had gezegd dat ik om medische redenen afwezig was geweest.
‘Goed,’ zei ik.
Bij de koffie vroeg een collega of ik griep had gehad.
‘Nee. Een miskraam.’
Het lepeltje in zijn beker stopte met bewegen.
‘O. Jeetje. Sterkte.’
Daarna vroeg hij aan iemand anders of Ajax gewonnen had.
Ik wilde hem verwijten dat hij wegkeek. Maar ik had zelf ook geen idee hoe je zo’n gesprek voortzette naast een automaat die melkpoeder uitspuugde.
Mijn eerste taak was het bijvullen van shampoo. Rustig werk, zei Edwin. Na twintig minuten stond er een klant naast me met een baby tegen zijn borst.
‘Weet u waar de luiers liggen?’
Ik wees het gangpad aan. Mijn hand bleef even omhoog toen hij al weg was.
Op het personeelstoilet ging ik zitten met mijn broek nog dicht. Dezelfde kapotte tegel. Dezelfde luchtverfrisser. Ik keek naar het slot en moest kokhalzen.
Fatima vond me daar.
‘Ik ga naar huis,’ zei ik.
‘Goed. Ik haal je tas.’
Ik protesteerde niet.
Thuis sliep ik twee uur. Daarna werd ik wakker met een lege maag en een bonzend hart. In de paar seconden voordat ik helemaal wakker was, dacht ik dat ik nog zwanger was.
Dat gebeurde vaker. Iedere keer moest ik het opnieuw begrijpen.
Op zondag gingen we naar mijn ouders in Houten. Ik had zelf gezegd dat ik wilde komen. Thuis werd ik gek van de stilte. Bij hen hoopte ik even niet degene te hoeven zijn die het onderwerp op tafel legde.
Mijn vader had appeltaart gehaald. Lotte was er ook, met haar zoontje Mees van vier. Hij liet me een wondje op zijn knie zien.
‘Ik viel heel hard,’ zei hij.
‘Dat zie ik.’
Hij kroop naast me op de bank. Zijn gewicht tegen mijn been deed pijn op een manier die ik niet kon uitleggen. Ik liet hem zitten.
We praatten over de verbouwing van de buren. Over de parkeerplaatsen bij het station. Mijn moeder vroeg of ik weer volledig werkte.
‘Nog niet.’
‘Misschien is wat afleiding wel fijn.’
‘Soms.’
Daarna begon mijn vader over zijn nieuwe fiets.
Ik zette mijn vork neer.
‘Gaan we het er nog over hebben?’
Niemand antwoordde meteen.
‘Waarover?’ vroeg Mees.
Lotte streek over zijn haar.
‘Over iets verdrietigs dat bij Mara en Joris is gebeurd.’
Mijn moeder keek naar me.
‘We wilden je er niet steeds aan herinneren.’
‘Ik ben het niet vergeten omdat jullie niks zeggen.’
Mijn stem was harder dan ik wilde. Mees schoof van de bank en ging bij zijn moeder staan.
‘Je hoeft niet te schreeuwen,’ zei mijn vader.
‘Ik schreeuw niet.’
Ik schreeuwde bijna.
Joris legde zijn hand op mijn arm. Ik trok hem weg.
Mijn moeder begon de bordjes te stapelen. Dat deed ze altijd als een gesprek moeilijk werd.
‘Laat die staan,’ zei ik.
Ze zette de stapel terug. Er rammelde een vork tegen een bord.
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen, Mara.’
‘Vraag hoe het was. Vraag hoe het nu gaat. Zeg dat je het ook jammer vindt dat het kindje er niet komt.’
Mijn vader keek naar de tafel.
‘Dat vinden we toch vanzelfsprekend.’
‘Ik hoor het nergens.’
We vertrokken kort daarna. In de auto zei Joris dat mijn ouders het goed bedoelden.
‘Dat weet ik,’ zei ik. ‘Maar ik ga nog steeds kapot aan wat ze zeggen.’
Hij startte de auto. De radio sprong aan. Hij zette hem meteen uit.
Hoofdstuk 5
Wat Joris verzweeg
Drie weken na de miskraam vond ik een kleine schroevendraaier in de kamer die later de kinderkamer had moeten worden. Hij lag op de vensterbank, naast twee nieuwe stopcontacten.
Joris had gezegd dat hij die ooit zou vervangen. Nu waren ze vervangen.
Ik stond midden in de kamer toen hij thuiskwam.
‘Waarom heb je dit gedaan?’ vroeg ik.
Hij keek langs me heen.
‘Het moest toch gebeuren.’
‘Nu?’
‘Wanneer dan?’
Op de vloer stonden nog dozen met winterkleren. We hadden niets gekocht voor een baby. Alleen de sokjes voor mijn ouders en een boek waarin per week stond wat er veranderde.
Het was dus geen kinderkamer geweest. Dat vertelde ik mezelf vaak. Toch had ik precies geweten waar het bedje zou staan.
‘Je doet alsof er niks is gebeurd,’ zei ik.
Joris zette zijn tas neer.
‘Dat is niet waar.’
‘Je gaat werken. Je kijkt televisie. Je vervangt stopcontacten.’
‘Wat moet ik dan doen?’
‘Een keer iets zeggen.’
Hij wreef met beide handen over zijn gezicht.
‘Iedere keer als ik iets zeg, is het verkeerd.’
Ik wilde meteen antwoorden. Dat hij nooit iets zei. Dat hij me alleen liet. Maar hij liep naar de slaapkamer en trok een lade open.
Hij kwam terug met een vel papier.
Het was een berekening. Zijn handschrift. Uren, bedragen, verlofdagen. Onderaan stond een tweedehands bakfiets met een vraagteken erachter.
‘Dit had ik op mijn werk gemaakt,’ zei hij. ‘Voor die dinsdag.’
Ik pakte het papier niet aan.
‘Waarom heb je me dat nooit laten zien?’
‘Omdat ik dacht dat we tijd hadden.’
Zijn mond trok scheef. Hij keek weg en begon te huilen zonder geluid.
Ik had hem tijdens de miskraam niet zien huilen. Ik had dat bijgehouden, merkte ik nu. Alsof zijn tranen het bewijs moesten leveren dat het hem ook iets had gekost.
‘Ik weet niet wat ik met jou moet als je zoveel pijn hebt,’ zei hij. ‘Ik kon in die badkamer alleen spullen halen.’
‘Dat was niet alleen spullen halen.’
‘Zo voelde het wel.’
We gingen op de vloer zitten, tussen de dozen. Er kwam geen mooi gesprek. We vielen stil. We herhaalden dingen. Ik zei dat ik zijn stilte als onverschilligheid voelde. Hij zei dat hij bang was mijn verdriet groter te maken als hij over het zijne begon.
‘Het is er al,’ zei ik. ‘Je maakt het niet groter door het te noemen.’
Dat had ik tegen mijn moeder ook gezegd. Nu moest ik het zelf geloven.
Die avond spraken we af dat we elkaar niet meer hoefden te laten raden. Als ik alleen wilde zijn, zou ik dat zeggen. Als hij wilde praten, hoefde hij niet eerst te kijken of ik stevig genoeg leek.
Dat lukte niet meteen. Twee dagen later maakten we ruzie over een volle vaatwasser terwijl het eigenlijk ging over seks. Hij miste aanraking. Ik schrok al als zijn hand op mijn buik kwam.
We stopten het gesprek en begonnen later opnieuw, met thee die koud werd.
Intussen sliep ik slecht. Ik vermeed zwangere klanten en durfde de zwangerschapsapp niet te verwijderen. Die bleef meldingen sturen over een zwangerschap die niet meer bestond. Ik zette alleen het geluid uit.
Op advies van Fatima maakte ik een afspraak bij de huisarts. Dokter Vermeer vroeg hoe mijn dagen eruitzagen. Of ik at. Of ik nog ergens plezier in had. Of ik me veilig voelde bij mezelf.
Ik zei dat ik niet dood wilde. Ik wilde alleen niet steeds wakker worden in dit leven waarin het gebeurd was.
Hij schrok niet van die zin. Dat hielp.
We spraken af dat ik bij de praktijkondersteuner terechtkon. Hij noemde ook een lotgenotengroep in Utrecht. Ik stopte het telefoonnummer deze keer niet onder in mijn tas.
Die middag belde ik vanuit de auto.
‘Ik weet niet of mijn verlies groot genoeg is voor jullie groep,’ zei ik tegen de vrouw die opnam.
Ze vroeg hoeveel weken ik zwanger was geweest. Niet om me toe te laten, legde ze uit, maar om iets van mijn verhaal te weten.
‘Je hoeft hier niet te bewijzen dat je verdriet mag hebben,’ zei ze.
Ik schreef het adres op de achterkant van een parkeerbon.
Daarna bleef ik nog tien minuten zitten voordat ik naar huis reed.
Hoofdstuk 6
De naam op papier
De lotgenotengroep kwam bijeen in een buurtruimte in Utrecht-Oost. Buiten stonden fietsen tegen een hek. Binnen rook het naar koffie en afwasmiddel.
Ik was een kwartier te vroeg. Ik overwoog weg te gaan voordat iemand me zag.
Een vrouw met kort grijs haar deed de deur open.
‘Mara? Ik ben Anke. We hebben gebeld.’
Ze wees de kapstok aan en vroeg of ik thee wilde. Niet hoe het ging. Daar was ik op dat moment blij mee.
We zaten met zes mensen aan een tafel. Anke legde uit dat niemand verplicht was om iets te vertellen. Daarna stelde iedereen zich voor.
Naast me zat Selma. Ze had twee miskramen gehad. Aan de overkant zat een man, Bas, zonder zijn partner. Zij wilde nog niet komen. Er was een vrouw die al kinderen had en een vrouw die niet wist of ze ooit opnieuw wilde proberen.
Toen ik aan de beurt was, zei ik mijn naam en hoeveel weken ik zwanger was geweest.
Daarna zei ik: ‘Het was nog vroeg.’
Ik hoorde mijn moeder.
Selma keek naar me.
‘Dat zeg ik ook altijd eerst,’ zei ze. ‘Dan hoeft de ander het niet meer te zeggen.’
Ik moest lachen. Kort, scherp. Daarna begon ik te huilen.
Niemand schoof onmiddellijk een doos tissues mijn kant op. De doos stond al op tafel. Ik kon er zelf bij. Ook dat hielp.
Ik vertelde over het personeelstoilet. Over mijn vraag om het geluid aan te zetten tijdens de echo. Over het bakje dat Joris uit de keuken had gehaald.
Ik keek steeds of iemand vies keek.
Dat deed niemand.
Bas vroeg of ik me ook schuldig voelde als ik een goede middag had.
‘Ja,’ zei ik.
‘Ik gisteren in de bioscoop,’ zei hij. ‘Halverwege dacht ik ineens: wat zit ik hier te doen?’
Voor het eerst hoefde ik niet uit te leggen hoe twee tegengestelde gevoelens tegelijk konden bestaan. Ik kon lachen en daarna naar adem happen. Ik kon opgelucht zijn dat de lichamelijke pijn voorbij was en daar onmiddellijk van schrikken.
Na afloop bleef ik met Selma bij het fietsenrek staan.
‘Gaat het ooit minder allesoverheersend worden?’ vroeg ik.
Ze trok haar handschoenen aan.
‘Bij mij wel. Maar niet omdat ik harder mijn best deed.’
Thuis vertelde ik Joris bijna alles. Hij vroeg of er ook partners welkom waren. De volgende bijeenkomst ging hij mee.
Een week later belde mijn moeder. Niet via een bericht. Ze vroeg of ze langs mocht komen, alleen.
Ik zei dat ze geen taart hoefde mee te nemen.
Ze kwam met lege handen. Dat zag ik meteen.
Aan de keukentafel draaide ze haar trouwring rond.
‘Ik heb ook een miskraam gehad,’ zei ze.
Ik keek naar haar.
‘Wanneer?’
‘Voor Lotte. Tien weken ongeveer.’
Ik was toen twee. Mijn vader had vrij genomen. Mijn oma was gekomen om op mij te passen. Daarna was mijn moeder weer aan het werk gegaan.
‘Waarom weet ik dat niet?’
Ze haalde haar schouders op en liet ze weer zakken.
‘We spraken er niet over. Dat werd toen bij ons thuis zo gedaan. Ik dacht dat doorgaan hielp.’
Ik wilde haar hand pakken. Ik wilde ook zeggen dat haar stilte de mijne erger had gemaakt.
Ik deed allebei.
‘Ik vind het heel verdrietig voor je,’ zei ik. ‘Maar wat je tegen mij zei, deed pijn.’
Ze knikte.
‘Dat begrijp ik nu beter. Het spijt me.’
Daarna vroeg ze hoe het vrijdag was geweest. Ze gebruikte geen omweg. Ik vertelde wat ik kon vertellen. Soms keek ze naar de tafel, maar ze bleef luisteren.
Toen ze weg was, haalde ik de echofoto van de koelkast. Deze keer zelf.
Joris en ik kochten een kleine houten doos. We legden de foto erin, zijn berekening en een brief die ik had geschreven. Geen brief over wat een geweldig kind het zou zijn geworden. Dat wist ik niet. Ik schreef over de ochtend van de positieve test. Over hoe Joris zijn tandenborstel liet vallen toen ik het vertelde.
‘Wil je een naam?’ vroeg hij.
We hadden eerder nog geen naam gekozen. We wisten ook niet of het een jongen of meisje was.
Ik dacht even na.
‘Sam,’ zei ik. ‘Alleen voor ons, als dat goed voelt.’
Hij probeerde de naam hardop.
We schreven hem onder aan de brief. Daarna deden we de doos dicht.
Niet om klaar te zijn. We hadden simpelweg een plek nodig.
Hoofdstuk 7
Een stoel in de zon
Op de uitgerekende datum nam ik vrij. Het was een donderdag in november. Ik had die dag maanden eerder in mijn agenda gezet met een rood hartje. Nu stond er alleen: vrij.
Joris wilde ook thuisblijven. Ik zei eerst dat het niet hoefde. Daarna vroeg ik of hij het toch wilde doen.
We reden naar Wijk bij Duurstede. Daar waren we geweest in het weekend nadat ik positief had getest. Ik had toen muntthee besteld terwijl ik koffie wilde. Joris had me onder tafel tegen mijn knie getikt. Ons geheim had toen nog licht gevoeld.
Nu parkeerden we bij de haven en liepen langs het water. Er stond wind. Ik had te dunne handschoenen aan.
‘Had je gedacht dat we vandaag hier zouden zijn?’ vroeg ik.
Joris schudde zijn hoofd.
‘Ik dacht dat ik een autostoeltje zou proberen vast te zetten.’
Ik zag het meteen voor me. Hem op de parkeerplaats van het ziekenhuis. Boos op een riem die gedraaid zat. Mij die vanaf de achterbank zei dat hij de handleiding moest lezen.
Ik begon te huilen.
Hij sloeg zijn arm om me heen. We bleven staan tot ik weer verder kon. Een hardloper liep met een boog om ons heen zonder te kijken.
In een café bestelden we koffie en twee broodjes. De serveerster vroeg of we een leuke dag uit hadden.
‘Een moeilijke dag,’ zei ik. ‘Maar we wilden even weg.’
Ze knikte en vroeg of we bij het raam wilden zitten. Dat was genoeg.
Mijn telefoon trilde. Een bericht van mijn moeder.
Ik denk vandaag aan Sam en aan jullie. Geen antwoord nodig.
Mijn vader stuurde later een foto van een kaars op hun keukentafel. Geen duim. Geen uitleg.
Lotte belde die avond. Ze vertelde dat ze niet wist of bellen goed was, maar dat niet bellen haar ook verkeerd leek.
‘Bellen is goed,’ zei ik.
Niet alles was veranderd. Een tante had de week ervoor gevraagd of we inmiddels weer bezig waren. Ze bedoelde een nieuwe zwangerschap. Ik zei dat ik dat niet met haar wilde bespreken. Daarna was het even ongemakkelijk gebleven.
Vroeger had ik dat ongemak snel opgelost. Nu liet ik het soms bij de ander.
Op mijn werk draaide ik weer mijn gewone uren. Het personeelstoilet bleef lastig, maar ik kon er weer naar binnen zonder eerst stil te staan voor de deur. Fatima vroeg af en toe hoe het met me ging. Als ik ‘goed’ zei, geloofde ze me. Als ik daarna begon te huilen, maakte ze daar geen probleem van.
Ik had een paar gesprekken bij de praktijkondersteuner gehad. We praatten over schuld, over slapen en over mijn gewoonte om iedereen gerust te stellen. Er waren dagen waarop ik weinig aan de miskraam dacht. Dat voelde eerst als verraad. Later vooral als rust.
De zwangerschapsapp had ik verwijderd. Ik deed het op een woensdag terwijl de pasta kookte. Daarna moest ik het vuur lager zetten omdat het water over de rand liep. Het was geen plechtig moment geworden. Daar was ik achteraf blij mee.
Joris en ik hadden nog geen besluit genomen over een nieuwe zwangerschap. Ik wilde het wel. Ik was er bang voor. Hij ook. We spraken af dat we niet elke keer als we seks hadden een besluit over onze toekomst hoefden te nemen.
Soms lukte het om elkaar gewoon aan te raken.
In december vertelde Edwin dat een jonge collega thuis was vanwege een miskraam. Hij vroeg of ik wilde dat hij mijn naam aan haar gaf.
‘Alleen als zij daar behoefte aan heeft,’ zei ik.
Twee dagen later kreeg ik een bericht van haar. Ze heette Noor.
Ik weet niet wat ik moet doen. Iedereen zegt dat het vaak voorkomt.
Ik ging aan de keukentafel zitten. De houten doos stond in de kast achter me. Ik hoefde hem niet open te maken om te weten wat erin lag.
Ik schreef: Het komt vaak voor. Dat maakt wat jij verliest niet minder. Wil je vertellen wat er is gebeurd?
Ze belde meteen.
Ik nam mijn thee mee naar de stoel bij het raam. Er viel een smalle strook winterzon over de armleuning.
Noor vertelde. Soms zweeg ze lang. Ik bleef zitten.
Ik had geen oplossing voor haar. Ik had die voor mezelf ook niet gevonden. Maar ik kon haar naam zeggen. Ik kon luisteren zonder haast. Ik kon verdragen dat het nog niet goed ging.
Toen ze vroeg of ze me volgende week weer mocht bellen, zei ik ja.
Daarna maakte ik de thee opnieuw warm en stuurde Joris een bericht dat ik zin had om die avond te koken.