Tegenslag en opnieuw beginnen
Een nieuwe start in een klein dorp
Hoofdstuk 1
De sleutel
De sleutel brak niet af. Dat was ongeveer het enige wat die maandag meteen goed ging.
Ik stond voor een voormalige kapsalon in Welsum. Achter me stond een geleende bestelbus. Het regende in mijn nek. Door het raam zag ik een lege ruimte, een wastafel en een spiegel met een barst.
‘Je moet de deur naar je toe trekken,’ zei iemand achter me.
Een vrouw in een groene regenjas pakte de sleutel niet van me over. Ze wachtte tot ik het zelf deed.
De deur ging open.
‘Els,’ zei ze. ‘We hebben gebeld.’
‘Bram.’
‘Dat weet ik. Anders gaf ik je geen sleutel.’
Ze liep langs me naar binnen. Ik volgde met de doos waarop KEUKEN stond. Er zaten twee pannen in, vier borden en de administratie die ik niet meer opende.
Ik was vierenveertig. Tot anderhalf jaar eerder reed ik vrachtwagen vanuit Apeldoorn. Daarna was mijn rechtervoet bekneld geraakt tussen een elektrische palletwagen en een laadklep. Twee operaties. Blijvende zenuwpijn. De bedrijfsarts vond lange ritten voorlopig onverantwoord. Toen mijn tijdelijke contract afliep, werd het niet verlengd.
Mijn huwelijk hield het iets langer vol.
Niet alleen door mijn voet. Ook door mij. Ik sliep slecht, snauwde en zei tegen Sanne dat ze zich nergens mee hoefde te bemoeien. Ondertussen betaalde ik rekeningen met geld dat voor andere rekeningen bedoeld was.
Nu woonde zij met onze dochter Mila in Zwolle. Ik had drie maanden bij mijn broer in Deventer op de bank gelegen. Zijn zoontje wilde zijn speelkamer terug.
Daarom Welsum.
Els had mijn oproep op een lokaal prikbord gezien. Ze verhuurde de oude salon naast haar huis tijdelijk als woonruimte. De gemeente had de verbouwing eerder goedgekeurd. Vierentwintig vierkante meter, een douche achter een schuifdeur en een slaaphoek waar net een bed paste.
‘Zes maanden,’ zei ze. ‘Dan bekijken we het opnieuw. Vierhonderdvijftig per maand, energie erbij. Geen verrassingen.’
Ik knikte alsof dat bedrag geen probleem was.
Ze wees naar het keukenblok. ‘De kraan lekt soms. Daar komt donderdag iemand voor.’
‘Kan ik wel naar kijken.’
‘Je mag ook eerst je spullen neerzetten.’
Dat antwoord zat me dwars. Ik was gewend iets terug te moeten doen.
Mijn broer Jeroen kwam binnen met mijn matras op zijn rug.
‘Waar wil je deze?’
Ik wees naar de slaaphoek.
Hij duwde het matras langs de deurpost. Daarna haalden we de rest. Twee vuilniszakken kleding. Een gereedschapskist. Een stoel. Mila’s logeertas, hoewel ze nog niet had gezegd of ze wilde komen.
Binnen twintig minuten was de bus leeg.
Jeroen bleef bij de deur staan.
‘Ik moet terug. Voetbaltraining.’
‘Ja.’
‘Bel je als er wat is?’
‘Ja.’
Hij keek naar de doos met administratie.
‘Ook daarvoor, Bram.’
Ik schoof de doos onder het keukenblok.
Toen hij weg was, hoorde ik hoe stil het er was. Geen verkeer onder het raam. Geen televisie van de buren. Alleen regen tegen de ruit en ergens een pomp die aansloeg.
Els gaf me het huurcontract.
‘Lees het. Morgen tekenen is ook goed.’
‘Ik teken nu wel.’
‘Lezen kost minder dan ruzie.’
Ze legde de papieren op de vensterbank en vertrok.
Ik ging op het matras zitten. Mijn voet brandde. Ik had te lang gestaan, maar mijn pijnstillers zaten ergens tussen de handdoeken.
Mijn telefoon trilde.
Mila: Heb je echt een kappersstoel?
Ik maakte een foto van de lege ruimte.
Nee. Wel een spiegel. Je vader in levensgroot formaat.
Er verschenen drie puntjes. Ze verdwenen. Daarna kwam er een lachend gezichtje.
Wanneer kan ik kijken?
Ik typte: Wanneer jij wilt.
Dat wiste ik. Het was te groot en te vrijblijvend.
Zaterdagmiddag? Ik haal broodjes.
Goed, schreef ze.
Ik legde de telefoon naast me. Buiten werd het donker. Mijn maag trok samen. Ik had sinds de ochtend niets gegeten.
In de doos vond ik een pak crackers. Daaronder lag een envelop met een rode streep langs de rand. Ik herkende het logo van het incassobureau.
Ik wilde hem terugstoppen.
In plaats daarvan legde ik hem op de vensterbank, naast het huurcontract.
Ik maakte hem nog niet open.
Maar ik verstopte hem ook niet meer.
Hoofdstuk 2
De rode envelop
Dinsdagochtend om kwart over zeven klopte Els op het raam. Ik schrok wakker op mijn matras.
Ze hield een waterkoker omhoog.
‘Over,’ zei ze toen ik opendeed. ‘Geen cadeau met verplichtingen.’
Ik had blijkbaar een gezicht getrokken.
‘Dank je.’
Ze keek naar de vensterbank. Het huurcontract lag open. De rode envelop lag ernaast.
‘Alles duidelijk?’
‘Met de huur wel.’
Ze wachtte even. Ik hoorde mezelf zuchten.
‘De rest niet.’
‘Daar zijn mensen voor.’
‘Dat zeggen mensen altijd.’
Els zette de waterkoker op het aanrecht.
‘Klopt. En soms hebben ze gelijk.’
Nadat ze weg was, zette ik thee. Daarna maakte ik de envelop open met een aardappelschilmesje.
Achthonderdzesendertig euro en veertien cent. Een oude energierekening, rente en kosten. Er stond een betaaltermijn in die al voorbij was.
Ik pakte de andere brieven uit de doos. Op de vloer maakte ik stapels. Zorgverzekering. Webwinkel. Belastingdienst. Bank. Ik telde met mijn telefoon. Bij zesduizend stopte ik. Niet omdat het minder werd, maar omdat ik misselijk werd.
Sanne belde terwijl ik tussen de papieren zat.
‘Mila zegt dat ze zaterdag komt.’
‘Ja.’
‘Heb je een bed voor haar?’
‘Ze komt toch alleen kijken?’
‘Dat weet ik niet. Jij schrijft: wanneer jij wilt.’
‘Dat heb ik juist gewist.’
Het bleef even stil.
‘Bram, ik probeer alleen afspraken te maken.’
Ik sloot mijn ogen. Zelfs een gewone vraag voelde als een controle.
‘Twee uur,’ zei ik. ‘Tot vijf. Ik heb nog geen logeerbed.’
‘Prima. Ik breng haar.’
Voor ze ophing, vroeg ze of het ging.
Ik keek naar de stapels.
‘Niet echt.’
Het was de eerste keer in maanden dat ik dat zonder verwijt zei.
Ze begon niet meteen oplossingen te geven.
‘Wat is er?’
‘Meer achterstand dan ik dacht.’
‘Weet je hoeveel?’
‘Nog niet.’
‘Zorg dat je het weet. Ook wat nog op onze beide namen staat.’
Die zin deed pijn. Hij was wel terecht.
Om tien uur belde ik de gemeente Voorst. De vrouw aan de telefoon vroeg waarvoor ik ondersteuning zocht.
‘Geld,’ zei ik.
Daarna kwam er niets meer.
Ze vroeg rustig verder. Had ik inkomen? Een woonadres? Waren er schulden? Dreigde er afsluiting?
Ik gaf antwoord. Mijn uitkering liep nog. Ik had de verhuizing doorgegeven. Er dreigde voor zover ik wist geen afsluiting. Ik wist alleen niet meer wie ik wat verschuldigd was.
Een medewerker schuldhulpverlening zou terugbellen. Ik schreef haar instructies op de achterkant van een kassabon.
Na het gesprek moest ik naar buiten.
Ik trok mijn stevige schoenen aan en liep richting de dijk. Mijn voet verdroeg ongeveer een kwartier lopen. Daarna ging ik anders bewegen en kreeg ik last van mijn heup.
Bij een schuur stond een man een fietsband op te pompen. Grijs haar. Donkerblauwe overall. De band liep net zo snel leeg als hij pompte.
‘Ventielkern,’ zei ik.
Hij keek op.
‘Wat?’
‘Waarschijnlijk los.’
‘Dan moet jij betere ogen hebben dan ik.’
Ik wees naar het kleine dopje in zijn hand.
‘Daar zit een sleufje in. Kun je hem mee vastdraaien.’
Hij probeerde het. De band bleef hard.
‘Verdomme,’ zei hij. ‘Ik had het hele wiel er bijna uit gehaald.’
Hij heette Henk. Hij repareerde fietsen in een schuur achter zijn huis. Drie dagen per week officieel. Volgens hemzelf vijf dagen te veel.
‘Nieuwe bewoner van Els?’
‘Staat dat op mijn voorhoofd?’
‘Nee. Op die bus van je broer stond zijn bedrijfsnaam. Els vertelde de rest.’
Ik wilde al iets kortafs zeggen, maar hij draaide zich naar zijn werkbank.
‘Koffie?’
Binnen rook het naar rubber en kettingolie. Aan de muur hingen sleutels op maat. Op de vloer stonden fietsen met kaartjes aan het stuur.
Ik voelde voor het eerst sinds maanden de neiging om ergens aan te beginnen.
Henk zag me naar een achterwiel kijken.
‘Kun je spaken?’
‘Vroeger wel. Mijn vader had een fietsenzaak in Twello.’
‘Vroeger telt niet. Laat maar zien.’
Ik pakte de spaaksleutel. Na tien minuten moest ik gaan zitten.
Henk schoof zonder commentaar een kruk naar me toe.
Dat maakte meer verschil dan de koffie.
Hoofdstuk 3
Twee uur
Mila stapte zaterdag uit de auto met haar capuchon op. Het regende niet.
‘Is dit alles?’ vroeg ze bij de deur.
Ik had drie uur schoongemaakt. De spiegel blonk. Het matras lag inmiddels op een tweedehands bedframe. Op tafel stonden broodjes, kaas en de chocolademelk die ze vroeger altijd wilde.
‘Ja,’ zei ik. ‘Dit is alles.’
Ze keek naar de douchedeur en het keukenblok.
‘Waar slaap ik dan?’
‘Vandaag nog niet. Later regel ik iets.’
‘Mam zei dat je een huis had.’
Sanne stond nog buiten. Ik zag haar schouders omhooggaan.
‘Ik zei woonruimte,’ zei ze.
Ik wilde er geen discussie van maken waar Mila tussen stond.
‘Het is klein. Kom eerst even zitten.’
Sanne vertrok na een kort knikje. Mila hield haar jas aan.
Ik zette de chocolademelk voor haar neer.
‘Ik drink dat bijna nooit meer.’
‘Er is ook thee.’
‘Water is goed.’
Het leek iets kleins. Toch voelde het alsof ik een toets niet had gehaald. Ik wist welke maat schoenen ze droeg. Ik wist niet meer wat ze op zaterdagmiddag dronk.
We aten een broodje. Ik vroeg naar school. Ze zei dat het goed ging. Ik vroeg naar hockey. Ook goed.
Daarna pakte ze haar telefoon.
‘Zullen we even naar de IJssel lopen?’ vroeg ik.
‘Moet dat?’
‘Nee.’
Ik keek naar mijn eigen handen. Er zat nog zwart onder een nagel van het werk bij Henk.
‘Ik weet niet zo goed wat we moeten doen,’ zei ik.
Mila legde haar telefoon omgekeerd op tafel.
‘Je hoeft niet de hele tijd iets te regelen.’
Dat klonk zo redelijk dat ik er bijna boos van werd. Niet op haar. Op het feit dat zij het moest zeggen.
‘Hoe gaat het met je fiets?’ vroeg ik.
‘Mijn rem maakt geluid.’
‘Had je hem meegenomen?’
Ze keek me aan.
‘In de auto van mam?’
Ik lachte. Zij ook, heel even.
We gingen toch naar buiten. Niet naar de dijk, maar naar Henk. Ik had hem gevraagd of ik Mila de werkplaats mocht laten zien.
Hij stond een versnellingsnaaf uit elkaar te halen.
‘Jij bent dus Mila,’ zei hij.
‘Ja.’
‘Je vader zegt dat jij beter kunt rekenen dan hij.’
Ze keek naar me.
‘Dat is niet heel moeilijk.’
Henk schoof een doos met fietsbelletjes naar haar toe.
‘Kies er eentje. Die dingen liggen hier al jaren.’
Ze koos een zwarte. Geen roze, zoals ik bijna had voorgesteld.
Terwijl zij rondkeek, liet ik Henk zien dat ik het achterwiel van donderdag recht had gekregen. Hij draaide het in de standaard. De velg liep vrijwel zonder slingering langs het meetpunt.
‘Netjes,’ zei hij. ‘Dinsdag weer?’
‘Kan.’
‘Dan praten we ook over betalen. Ik zoek geen gratis knecht.’
Mila keek op.
‘Werk je hier?’
‘Nog niet echt.’
‘Hij probeert het uit,’ zei Henk. ‘Dat is ook werk.’
Op de terugweg liep Mila langzamer dan normaal. Ik wist dat ze rekening hield met mijn voet. Ik wilde zeggen dat ze dat niet hoefde te doen. Ik liet het.
Bij de salon bleef ze voor de spiegel staan.
‘Je moet die wegdoen.’
‘Waarom?’
‘Je ziet je bed erin. Dan lijkt het alsof je twee rommelige bedden hebt.’
We lachten harder dan de grap verdiende.
Om tien voor vijf kwam Sanne. Mila liet haar nieuwe bel zien. Daarna vroeg ze of ze de volgende keer haar fiets mocht meenemen.
‘Dat kan,’ zei Sanne.
Toen Mila in de auto zat, bleef Sanne even bij me staan.
‘Je ziet er moe uit.’
‘Ben ik ook.’
‘Heb je iemand gesproken over het geld?’
‘Dinsdag een afspraak. Met iemand van schuldhulp.’
Ze knikte.
‘Stuur me wat je vindt over gezamenlijke rekeningen.’
‘Doe ik.’
Ze wilde naar de auto lopen, maar draaide zich nog om.
‘Dit is geen verwijt, Bram. Maar beloof Mila voorlopig alleen wat lukt.’
Ik keek naar onze dochter achter het autoraam.
‘Dat probeer ik.’
‘Proberen is goed. Afzeggen voordat ze zit te wachten ook.’
Toen ze weg waren, ruimde ik twee glazen op. Het pak chocolademelk stond onaangeraakt in de koelkast.
Ik schreef op een briefje: Mila drinkt water.
Ik voelde me belachelijk.
Toch liet ik het briefje hangen.
Hoofdstuk 4
De kas klopt niet
De vrouw van schuldhulp heette Rachida. Ze schoof geen folder naar me toe. Ze pakte een leeg vel en schreef bovenaan: Wat komt er binnen?
Ik had een tas vol brieven meegenomen naar de afspraak in Twello. Onderweg had ik overwogen om te zeggen dat de bus niet reed. Ik was met de bus gekomen. De leugen zou dus vooral voor mezelf zijn geweest.
‘We hoeven vandaag niet alles op te lossen,’ zei Rachida.
‘Dat gaat ook niet lukken.’
‘Nee. Maar we kunnen wel beginnen zonder te gokken.’
Het totaal kwam later uit op ruim negenduizend euro. Niet alles was direct opeisbaar. Er zaten dubbele aanmaningen tussen. Ook twee bedragen die Sanne al had betaald.
Dat maakte het lager dan ik had gevreesd. Niet laag.
We maakten een overzicht. Huur, eten en zorgverzekering gingen voor. Zij zou helpen contact te leggen met schuldeisers. Ik moest iedere nieuwe brief doorsturen. Ook bespraken we hoe ik mogelijke inkomsten bij Henk moest melden aan de uitkeringsinstantie.
‘Geen contant bijverdienen buiten beeld,’ zei ze.
‘Dat wilde ik niet.’
‘Dan zijn we het eens.’
Henk bleek daar gemakkelijker over dan ik had verwacht.
‘Ik betaal gewoon loon,’ zei hij. ‘Mijn boekhouder regelt de papieren. Eerst kleine uren. Als jij na twee uur scheef gaat lopen, hebben we aan zes uur niks.’
We begonnen met twee ochtenden van drie uur, met pauzes. Ik meldde het werk vooraf. Tot duidelijk was wat er verrekend zou worden, bleef het loon apart staan.
Mijn eerste loonstrook voelde tegelijk goed en vernederend. Zes uur per week. Ooit reed ik dat op een ochtend.
‘Je kijkt alsof ik je een parkeerboete geef,’ zei Henk.
‘Het is weinig.’
‘Het zijn zes gewerkte uren. Geen oordeel over je leven.’
Ik stopte de strook in mijn tas.
De week erna ging het mis met de kas.
Een klant had een gereviseerde stadsfiets gekocht voor tweehonderdveertig euro. Hij betaalde contant. Henk was onderdelen halen. Ik schreef een bon, gaf wisselgeld en legde de biljetten in de kassalade.
Aan het einde van de ochtend riep Henk me terug.
‘Er ontbreekt tweehonderd.’
Ik bleef in de deuropening staan.
‘Dat kan niet.’
‘Het is er niet.’
We telden samen. Twintigjes. Een briefje van vijftig. Munten in bakjes. De honderdjes die de klant had gegeven, lagen er niet.
‘Weet je zeker dat je ze erin hebt gedaan?’ vroeg Henk.
‘Ja.’
‘Niet ergens anders neergelegd?’
‘Nee.’
Hij keek naar de bon. Daarna naar mij.
‘Ik vraag het omdat jij de enige was die hier zat.’
Mijn nek werd heet.
‘Zeg dan gewoon wat je denkt.’
‘Ik denk dat er geld zoek is.’
‘En dat ik schulden heb.’
Dat had ik hem zelf verteld. Nu hoorde ik spijt in mijn eigen stem.
Henk legde de bon neer.
‘Dat zeg ik niet.’
‘Je hoeft het niet te zeggen.’
Ik pakte mijn jas. Bij de deur stootte ik mijn voet tegen een fietspedaal. De pijn schoot omhoog tot in mijn knie. Ik vloekte en liep door.
Thuis ging mijn telefoon vier keer. Henk. Ik nam niet op.
Daarna kwam een bericht.
Gevonden. Onder inzetbak. Bel me.
Ik las het drie keer.
De opluchting was er meteen. De boosheid bleef langer. Ik vond dat hij eerder had moeten zoeken. Ik vond ook dat ik niet had moeten weglopen.
Pas de volgende ochtend ging ik terug.
Henk trok de kassalade helemaal open. Hij tilde het plastic muntbakje op. Daaronder zat een kier.
‘De biljetten zijn erachter geschoven. Mijn fout. Ik had beter moeten kijken voordat ik je aansprak.’
Ik hield mijn jas nog vast.
‘Ik had kunnen helpen zoeken.’
‘Ja.’
Hij maakte het niet zachter.
We stonden even stil tussen twee fietsen.
‘Nieuwe afspraak,’ zei hij. ‘Grote biljetten in een envelop. Bedrag erop. En allebei tellen.’
‘Goed.’
Ik hing mijn jas op.
Die ochtend maakte ik drie remkabels op maat. Mijn handen trilden bij de eerste.
Bij de derde niet meer.
Hoofdstuk 5
Water in de schuur
De regen begon op zondag en hield bijna drie dagen aan. Vanaf de dijk zag ik de IJssel breed en bruin liggen. Het water stond hoog, maar het probleem bij Henk kwam niet uit de rivier. De afvoer achter zijn schuur zat verstopt. Het erf liep lager dan de weg.
Dinsdag belde hij om zes uur in de ochtend.
‘Ik heb water binnen.’
Ik zat meteen rechtop.
‘Hoeveel?’
‘Meer dan ik met een dweil wegkrijg.’
Ik trok kleren over mijn pyjama en vergat te eten. Buiten sloeg de wind de regen onder mijn capuchon. Bij de schuur stond het water over de drempel.
Henk liep op laarzen tussen de werkbanken. Achter hem bromde een kleine dompelpomp.
‘Stroom?’ vroeg ik.
‘Van de schuur af. De pomp zit op een aparte aansluiting vanuit huis. Hoog en droog.’
Ik wees naar de laders op de onderste plank.
‘Die eerst.’
We werkten zonder veel te praten. Acculaders omhoog. Dozen met binnenbanden op de werkbank. Gereedschapskoffers naar de droge bijkeuken.
Het water was koud. Mijn schoen liep vol. Binnen tien minuten voelde ik mijn slechte voet nauwelijks meer. Ik vond dat op dat moment handig.
Achter in de schuur stonden zes elektrische fietsen klaar voor onderhoud. We rolden ze één voor één naar de woning. Henk haalde, waar dat kon, eerst de accu’s eruit en zette ze droog apart. Een fiets met vastzittend achterwiel moest worden getild.
‘Wacht,’ zei Henk. ‘Ik bel de buurman.’
‘We kunnen dit samen.’
‘Bram.’
Ik had de bagagedrager al vast.
We tilden. Mijn voet schoof weg op een losse mat. Ik zakte door mijn been. Het stuur sloeg tegen een metalen kast en de fiets viel half op me.
De pijn kwam alsnog. Fel en direct.
‘Blijf liggen,’ zei Henk.
‘Haal dat ding van me af.’
Hij trok de fiets recht. Ik zat in het water, tegen de kast. Mijn broek was doorweekt. Ik wilde opstaan, maar mijn been werkte niet mee.
Henk pakte zijn telefoon.
‘Niet voor mij bellen,’ zei ik.
Hij keek me hard aan.
‘Ik bel Joost. Die heeft sterke benen en droge schoenen.’
Binnen vijf minuten stond de buurman er. Samen hielpen ze me naar een stoel in de bijkeuken. Henk gaf me een handdoek en belde daarna de huisarts voor overleg.
Ik hoorde mezelf steeds zeggen dat het wel ging.
Niemand reageerde er nog op.
Els bracht me naar de praktijk. Er leek geen nieuwe breuk te zijn, maar mijn voet was dik en moest rust krijgen. Bij toenemende klachten moest ik opnieuw bellen. Mijn natte sok zat in een plastic zak naast me.
‘Wat dacht je?’ vroeg Els in de auto.
‘Dat er fietsen in het water stonden.’
‘En dat jij ze moest redden.’
Ik keek naar buiten.
‘Laat maar.’
‘Nee,’ zei ze. ‘Henk had om hulp gevraagd. Niet om een vervanger voor een heftruck.’
Thuis trok ik droge kleding aan. Daarna lag ik op bed met mijn voet op een kussen. Ik moest Mila die middag ophalen van de bushalte. Ze zou haar fiets brengen.
Ik hield mijn telefoon lang vast voordat ik belde.
‘Ik kan je vandaag niet ophalen.’
‘Waarom?’
Ik vertelde wat er gebeurd was. Niet dat het allemaal meeviel. Ook niet dat ik er niets aan kon doen.
‘Ik heb te veel getild. Nu moet ik rust houden.’
‘Heb je heel veel pijn?’
‘Ja. Maar de huisarts heeft ernaar gekeken.’
Ze bleef even stil.
‘Ik kan toch gewoon komen? Dan loop ik vanaf de halte.’
‘Met die slechte rem?’
‘Ik zei lopen, pap.’
Om vier uur stond ze voor de deur met haar fiets en een tas boodschappen van Sanne.
Ze zette water voor me neer en ging aan tafel zitten met haar schoolboeken.
‘Je hoeft niet voor me te zorgen,’ zei ik.
‘Dan schenk je straks zelf je tweede glas in.’
Ik glimlachte, maar draaide mijn gezicht weg toen mijn ogen volschoten.
Ze deed alsof ze het niet zag.
Dat was die middag precies genoeg.
Hoofdstuk 6
Niet terug
Ik bleef negen dagen uit de werkplaats. De eerste drie dagen sliep ik vooral. Daarna werd ik onrustig. Ik kon de regendruppels op de ruit niet meer verdragen. De spiegel leek de kamer kleiner te maken, precies zoals Mila had gezegd.
Op de vijfde dag haalde Jeroen hem van de muur. Achter het glas zat behang met gele strepen.
‘Laat je dat zitten?’ vroeg hij.
‘Voorlopig.’
We dronken koffie. Hij keek naar mijn voet op de tweede stoel.
‘Ik kan bij ons op kantoor vragen of ze iemand zoeken voor de planning.’
‘Ik kan niet de hele dag zitten.’
‘Dat zeg ik toch niet?’
‘Je denkt dat ik maar wat fietsen sta te poetsen.’
Jeroen zette zijn mok neer.
‘Nee. Ik denk dat je geld nodig hebt. En ik probeer iets aan te bieden.’
Ik voelde de oude ruzie al klaarstaan. Hij zou zeggen dat ik alles afwees. Ik zou zeggen dat hij makkelijk praten had.
‘Sorry,’ zei ik.
Het woord klonk kaal.
Jeroen knikte.
‘Ik hoef geen ja. Een normaal nee is ook goed.’
Diezelfde middag kreeg ik een brief over mijn uitkering. Er werd aanvullende informatie gevraagd over het werk en mijn loon. Ik las hem alsof er stond dat alles onmiddellijk stopte.
Mijn hart begon hard te slaan. Ik opende mijn bankapp. Daarna sloot ik hem. Ik dacht aan de huur en aan Henk, die na de waterschade misschien helemaal geen hulp meer nodig had.
Ik belde Rachida.
Ze liet me de brief voorlezen.
‘Er staat niet dat je uitkering stopt,’ zei ze.
‘Maar dat kan toch?’
‘Er kan van alles. Nu vragen ze gegevens. Die gaan we opsturen.’
We maakten een lijst. Arbeidscontract. Loonstroken. Urenoverzicht. Bevestiging van mijn eerdere melding.
Een uur later was alles verstuurd. Mijn lichaam deed nog steeds alsof er gevaar was.
Rachida had gezegd dat ik ook daarvoor hulp mocht zoeken. Niet pas als mijn administratie klopte.
De volgende ochtend belde ik de huisarts. Ik vertelde over het wakker liggen, de boosheid en de druk op mijn borst zodra er post kwam. Een week later zat ik tegenover de praktijkondersteuner. Ze vroeg wat ik deed wanneer ik bang werd.
‘Boos worden,’ zei ik.
‘Op wie?’
Ik dacht na.
‘Wie er toevallig staat.’
Dat was geen prettig antwoord. Wel een bruikbaar begin.
Toen ik weer naar Henk kon, rook de schuur naar schoonmaakmiddel. De onderste platen van een kast waren opgezwollen. Er stonden twee ventilatoren. De verzekering had niet alles vergoed. Een deel viel onder onderhoud, had Henk uitgelegd.
Hij wees naar een hoge stoel met een verstelbare zitting.
‘Van mijn zwager. Je kunt ermee aan de lage werkbank.’
‘Heb je die voor mij gehaald?’
‘Nee, voor de burgemeester. Natuurlijk voor jou.’
Ik ging zitten. Mijn voet kon op een steun.
Henk legde een vel papier neer.
‘We moeten anders werken.’
Ik las mijn naam bovenaan.
Maximaal drie uur per ochtend. Elke drie kwartier pauze. Geen zware fietsen tillen. Bij meer pijn stoppen en melden.
‘Lijkt wel een schoolreglement,’ zei ik.
‘Ik wil niet nog eens iemand onder een fiets vandaan halen.’
Hij pakte een tweede vel.
Daar stond zijn eigen naam op. Geen zware fietsen alleen verplaatsen. Opstapjes niet vervangen door kratten. Vrijdagmiddag dicht.
‘Joost vond dat ik ook regels nodig had,’ zei hij.
Ik tekende mijn vel. Hij het zijne.
Een paar dagen later kwam Els langs met de vraag waar ik al weken bang voor was.
‘Heb je nagedacht over na die zes maanden?’
Mijn mond werd droog.
‘Ik sta ingeschreven. Maar ik heb nog niets.’
‘Dan bespreken we verlenging. Ik heb de salon niet nodig. We laten iemand meekijken naar een degelijk contract.’
‘Ik kan niet veel meer betalen.’
‘Dat vraag ik nu niet.’
Ik zette twee koppen op tafel en legde mijn actuele maandbegroting erbij.
Ik wilde haar laten zien wat wel kon.
Niet nog eens doen alsof.
Hoofdstuk 7
Een gewone dinsdag
Een halfjaar na mijn verhuizing werd ik wakker voordat de wekker ging. Buiten sloeg iemand een autoportier dicht. Er reed een trekker voorbij. Mijn voet deed pijn, zoals bijna iedere ochtend. Niet erger dan anders.
Ik bleef nog even liggen om te voelen wat voor dag het kon worden.
Daarna stond ik op.
Aan de muur waar de spiegel had gehangen, zat nu wit geschilderd hout. Jeroen had geholpen. Het gele behang hadden we toch verwijderd. Tegen die wand stond een uitklapbare stoel waarop Mila kon slapen. Niet breed, wel beter dan een luchtbed. Ze had zelf een donkerblauwe hoes uitgekozen.
Ze logeerde om het weekend één nacht. Soms niet. Ze had wedstrijden, vriendinnen en een leven dat niet om mijn nieuwe start draaide. Dat probeerde ik niet persoonlijk te nemen.
Meestal lukte dat.
Ik zette koffie en opende mijn postmap. Er zat één nieuwe brief in. Ik las hem terwijl het water liep. Geen aanmaning. Een bevestiging van een betalingsafspraak.
Mijn schulden waren niet weg. Er was overzicht, en er liep begeleiding om tot een haalbare regeling te komen. Sommige schuldeisers werkten vlot mee. Andere bleven dezelfde brieven sturen. Ik stuurde ze door en bewaarde kopieën.
Dat klinkt saai.
Het kostte me maanden om het te kunnen.
Om halfnegen liep ik naar Henk. Ik werkte inmiddels drie korte ochtenden per week. De inkomsten werden verrekend met mijn uitkering. Ik hield minder extra over dan ik eerst had gedacht, maar wist nu vooraf wat ik kon besteden.
In de schuur stond een kinderfiets op de standaard. Een klein rood frame. De ketting hing slap.
‘Achterband ook nakijken,’ zei Henk. ‘Vader zegt dat hij langzaam leegloopt.’
‘Goed.’
Hij zette koffie neer en liep naar de voorkant om een klant te helpen.
Ik ging zitten op mijn hoge stoel. Draaide het wiel. Luisterde naar de naaf. Het waren handelingen die ik kende. Ik hoefde niet bij elke beweging na te denken over wat ik kwijt was.
Om kwart over negen ging het alarm op mijn telefoon.
Pauze.
Ik wilde eerst de ketting spannen. Het was nog maar twee minuten werk.
Toen legde ik de sleutel neer.
Henk zag het en zei niets. Hij zette zijn eigen koffie naast de mijne.
De afvoer achter de schuur was inmiddels vervangen. Langs de onderste planken waren hogere steunen gezet. Niet alles was nieuw. Er zat nog een vochtvlek in een hoek. Henk had besloten dat schilderen kon wachten.
Tegen elven kwam Mila binnen. Haar school had een studiedag. Sanne zou haar later ophalen.
‘Mijn rem piept weer,’ zei ze.
‘Dat doet hij altijd als jij binnenkomt.’
‘Sterke grap.’
Ze zette haar fiets op de afgesproken plek en pakte een kruk. Henk vroeg of ze wilde helpen met kaartjes schrijven. Haar handschrift was leesbaarder dan het onze.
Ze bleef tot mijn werk erop zat.
Op weg naar huis kochten we brood bij de winkelwagen die die ochtend in het dorp stond. Ik liet Mila kiezen. Ze nam harde bolletjes en keek daarna naar mijn tas.
‘Heb je genoeg?’
Ik wist dat ze geen honger bedoelde.
‘Voor vandaag en voor de rest van de week,’ zei ik. ‘Daar let ik op.’
Ze knikte. Ik hoefde haar geen saldo te laten zien.
Thuis aten we aan tafel. Haar zwarte fietsbel lag naast mijn bord. Ze wilde hem op de fiets van een vriendin zetten, omdat ze zelf inmiddels een andere had.
‘Ga je hier blijven?’ vroeg ze.
‘Voorlopig wel. Els en ik hebben het geregeld.’
‘Goed.’
‘Vind je dat?’
Ze haalde haar schouders op.
‘Je zegt hier vaker gewoon iets. In plaats van dat we moeten raden.’
Ik keek naar mijn broodje.
‘Dat ging daarvoor niet goed.’
‘Nee.’
Ik wilde uitleggen hoe moe en bang ik was geweest. Ik deed het niet. Ze wist genoeg. Een verklaring zou haar herinneringen niet veranderen.
‘Het spijt me,’ zei ik.
Ze trok een stukje korst los.
‘Ik weet het.’
Die middag bracht ik haar naar de halte. We waren te vroeg. Er stond wind over het open land en ik had mijn dunne jas aangetrokken. Mila schoof dichter naast me, uit de wind.
Toen de bus kwam, gaf ze me een korte knuffel.
‘Tot vrijdag, pap.’
‘Tot vrijdag.’
Ik bleef staan tot ze zat. Daarna liep ik terug naar de salon. Langzaam, omdat mijn voet begon te steken.
Binnen lag nog afwas. Om vier uur had ik een afspraak met de praktijkondersteuner. Morgen moest ik een formulier aanvullen.
Ik hing mijn jas op en zette de kraan aan.
Er was genoeg te doen.
Ik wist waar ik moest beginnen.