Naar de inhoud
Terug naar het boek

Mantelzorg en ouder worden

Een rollator en een rijk leven

Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.

Hoofdstuk 1

Een rollator en een rijk leven — De val

De sleutel draaide niet. Achter de voordeur hoorde ik mijn moeder schelden.

‘Niet duwen, Noor. Mijn been ligt ervoor.’

Ik bleef met de boodschappentas in mijn hand staan. Een pak yoghurt lekte tegen mijn broek. Op de galerij van haar flat in Zutphen rook het naar gebakken uien.

‘Kun je opschuiven?’

‘Denk je dat ik hier voor mijn plezier lig?’

Ik belde 112. Daarna ging ik op mijn knieën zitten, vlak bij de brievenbus. Door de opening zag ik een stukje van haar grijze vest.

‘Ik ben er, mam.’

‘Dat hoor ik.’

Mijn moeder heette Ria. Ze was tweeëntachtig en had veertig jaar achter een naaimachine gezeten. Ze kon een mantel innemen zonder dat je de oude naad terugvond. Maar van haar stoel naar de keuken lopen lukte steeds slechter. Haar rollator stond meestal naast de kapstok. Daar hield hij volgens haar niemand tegen.

‘Waarom gebruikte je hem niet?’ vroeg ik.

Het bleef stil.

Toen zei ze: ‘Begin jij nou ook al.’

De brandweer kwam via het balkon van de buurvrouw binnen. Ik wachtte op de galerij. Een buurman vroeg of ze dood was. Ik zei dat hij zijn deur moest dichtdoen.

Mijn moeder had haar heup niet gebroken. Wel haar pols. Ze had bijna drie uur op de koude vloer gelegen. In het ziekenhuis in Zutphen hield ze vol dat het hooguit een halfuur was geweest.

‘Ik ken de tijd beter dan jij,’ zei ik. ‘Je belde om elf uur omdat je brood op was. Het was kwart voor twee toen ik kwam.’

‘Dan heb je lang over dat brood gedaan.’

De verpleegkundige trok haar mond strak. Ik wist niet of ze wilde lachen of mij wilde troosten.

Ik was drieënzestig. Mijn rechterknie was versleten. Over vier maanden zou een orthopedisch chirurg bekijken of een nieuwe knie nodig was. Tot die tijd werkte ik drie ochtenden in de bibliotheek en fietste ik zoveel mogelijk. Lopen deed pijn. Stilstaan nog meer.

Toch zei ik ja toen de verpleegkundige vroeg of er iemand bij mijn moeder kon blijven.

Het was vrijdag. Ik dacht aan een weekend.

Mijn broer Peter nam pas bij de vierde keer op. Hij woonde in Breda en was onderweg naar een klant.

‘Gelukkig geen heup,’ zei hij.

‘Ze kan haar rollator niet goed vastpakken met dat gips.’

‘Er is toch thuiszorg?’

‘Nog niet.’

‘Kun je dat regelen?’

Ik keek naar mijn moeder. Ze probeerde met haar goede hand een koekje open te maken. Het plastic kraakte.

‘Ja,’ zei ik.

Dat woord kwam er zonder overleg uit. Alsof iemand anders in mij de telefoon had opgenomen.

Die avond schoof ik haar vloerkleed onder het bed. Ik zette een stoel naast de wastafel. Haar buurvrouw Leida bracht soep en gaf me een dekbed. Ik zou op de bank slapen.

‘Een paar nachtjes,’ zei ik.

Leida antwoordde niet. Ze streek het dekbed glad, alsof dat ineens heel precies moest.

Om halfdrie riep mijn moeder. Ze moest naar het toilet. Ik hielp haar overeind. Mijn knie knakte toen ik draaide. Even zag ik alleen witte vlekken.

‘Niet aan mijn arm trekken,’ zei ze.

‘Dat doe ik niet.’

‘Je doet het wel.’

Bij de badkamer gleed haar pantoffel weg. Ik drukte haar met mijn heup tegen de muur. We bleven zo staan. Twee vrouwen in nachtkleding. Allebei buiten adem. Geen van ons durfde te bewegen.

‘Nou,’ zei mijn moeder uiteindelijk. ‘Dit schiet lekker op.’

Ik lachte. Veel te hard. Zij begon ook. Daarna kreeg ik haar op het toilet en ging zelf op de rand van het bad zitten.

Onder het felle licht zag ik haar blote benen. Dunne huid. Blauwe plekken. Een wondje dat ik nooit eerder had gezien. Dit was hetzelfde lichaam dat mij vroeger op de fiets had getild. Ik vond het moeilijk ernaar te kijken.

De volgende ochtend belde ik de huisartsenpost. Op maandag zou er iemand kunnen meekijken naar hulp thuis. Voor het weekend moest ik terugbellen als het medisch niet goed ging.

Mijn moeder luisterde vanuit haar stoel.

‘Je hoeft niet zo moeilijk te doen,’ zei ze. ‘Ik heb jou toch?’

Ik stond met de telefoon tegen mijn borst. Buiten sloeg iemand een autoportier dicht. In de keuken drupte de kraan.

‘Ja, mam,’ zei ik.

Pas toen ze sliep, huilde ik. Niet lang. Ik moest nog naar mijn eigen huis voor schone kleren.

Hoofdstuk 2

De bank wordt een bed

Na twaalf nachten kende ik elke veer in mijn moeders bank. Eén stak precies onder mijn linkerheup. Ik legde er een handdoek overheen. Dat hielp tot ik me omdraaide.

De wijkverpleegkundige kwam op dinsdag. Ze heette Samira en zette haar tas niet meteen neer.

‘Vertel eerst eens hoe de nacht gaat.’

‘Prima,’ zei mijn moeder.

‘Drie keer eruit,’ zei ik. ‘Soms vier.’

Mijn moeder keek naar het raam.

Samira vroeg hoe ik haar hielp. Ik liet het zien. Bij het overeind komen pakte mijn moeder mijn nek vast.

‘Stop,’ zei Samira.

Ze zei het rustig. Toch liet mijn moeder meteen los.

‘Zo trekken jullie elkaar onderuit.’

Er kwam hulp bij wassen en aankleden. Een ergotherapeut zou naar het lopen en de badkamer kijken. Samira belde over een tijdelijke oplossing voor de rollator, omdat mijn moeder haar gebroken pols niet mocht belasten.

Ik schreef alles op de achterkant van een elektriciteitsrekening.

‘En de rest van de dag?’ vroeg ik.

‘Daar moeten we samen naar kijken.’

Samen bleek een woord met veel telefoonnummers.

Ik belde de gemeente over huishoudelijke hulp. Ik belde een uitleenpunt over een toiletstoel. Ik belde de apotheek omdat mijn moeder drie halflege doosjes van hetzelfde medicijn had. Bij elk gesprek moest ik opnieuw haar geboortedatum zeggen.

Mijn moeder luisterde mee.

‘Vertel ook maar wat ik weeg,’ zei ze. ‘Dan weten ze helemaal alles.’

Op donderdag kwam er een toiletstoel. Ik wilde hem naast haar bed zetten.

‘Geen sprake van.’

‘Dan hoef je ’s nachts niet door de gang.’

‘Ik ga niet naast mijn hoofdkussen zitten poepen.’

‘Het is voor plassen.’

‘Vandaag wel.’

We zetten hem in de slaapkamer achter een kamerscherm. Die nacht gebruikte ze hem toch. De volgende ochtend zei ze er niets over. Ik ook niet.

In de bibliotheek vergat ik een groep schoolkinderen. Ze stonden met hun juf bij de balie terwijl ik in het magazijn ruzie maakte met een keuzemenu.

Mijn collega Anja nam de groep over.

‘Ga naar huis,’ zei ze later.

‘Daar ligt ook werk.’

‘Dan ga je ergens anders heen. Maar niet zo door.’

Ik werd boos. Op haar, omdat ze gelijk had. Op mezelf, omdat ik haar niet kon bedanken.

Die middag at ik in mijn auto twee krentenbollen. Ik stond op een parkeerplaats bij een bouwmarkt. Niemand wist waar ik was. Twintig minuten lang hoefde ik nergens op te reageren.

Toen belde mijn moeder. De afstandsbediening deed het niet.

‘Ik kom straks.’

‘Hoe laat?’

‘Straks, mam.’

‘Je klinkt zo kort.’

Ik drukte mijn voorhoofd tegen het stuur.

Peter kwam dat weekend. Hij droeg bloemen en een doos gebak naar binnen. Mijn moeder zat rechtop en had lippenstift op. Ik had haar daarbij geholpen.

‘Je ziet er goed uit,’ zei hij.

‘Noor maakt zich altijd druk.’

Hij keek naar mij. Ik stond bij het aanrecht met haar natte steunkousen in mijn handen.

Tijdens de koffie vertelde hij over een vakantiehuis in Frankrijk. Daarna zei hij dat ik ook moest ontspannen.

‘Blijf vannacht,’ zei ik.

Hij hield zijn vork stil.

‘Dat gaat niet. Morgen heb ik iets.’

‘Ik ook. Slapen.’

Mijn moeder zette haar kopje neer.

‘Geen ruzie om mij.’

‘Het gaat ook om mij,’ zei ik.

Dat klonk hard in haar kleine woonkamer.

Peter bleef niet slapen. Wel deed hij boodschappen en bracht hij het oud papier weg. Bij zijn vertrek stopte hij honderd euro in mijn jaszak.

Ik vond het geld toen ik zijn auto al niet meer zag. Ik stuurde een foto van de bank. Het dekbed lag nog half op de grond.

Daaronder schreef ik: Dit moet je overnemen. Geen bloemen. Geen geld. Tijd.

Hij antwoordde pas de volgende ochtend.

Welke dag?

Ik las het bericht drie keer.

Daarna schreef ik: Woensdag vanaf vier uur. Tot donderdag tien uur.

Ik wilde er ‘als het lukt’ achter zetten. Mijn duim bleef boven het scherm hangen.

Ik verstuurde het zonder die woorden.

Mijn moeder riep vanuit de badkamer dat de handdoek verkeerd lag. Ik liep naar haar toe, maar niet meteen. Eerst schonk ik mijn koffie in. Ik dronk drie slokken terwijl die nog warm was.

Hoofdstuk 3

Een plek voor mij

De orthopedisch chirurg draaide het scherm naar me toe. Op de foto zat nauwelijks ruimte tussen de botten van mijn rechterknie.

‘Dit verklaart uw klachten.’

‘Kan er nog een injectie in?’

‘Misschien tijdelijk. Maar daarmee verdwijnt de slijtage niet.’

Ik vertelde over mijn moeder. Over haar pols, haar nachten, de bank.

Hij luisterde en vroeg toen: ‘Wie helpt u als u geopereerd wordt?’

Ik had geen antwoord voorbereid. Voor mijn moeder kende ik inmiddels zes telefoonnummers uit mijn hoofd. Voor mezelf wist ik niemand te noemen.

Mijn dochter Eva woonde in Deventer. Ze had twee kleine kinderen en werkte in het onderwijs. Mijn man was zeven jaar eerder vertrokken. We konden elkaar beleefd feliciteren, meer niet.

‘Ik stel het liever uit,’ zei ik.

‘Dat kunt u doen. Maar maak er een bewuste keuze van. Niet iets wat vanzelf gebeurt omdat een ander u nodig heeft.’

Buiten liep ik naar de bushalte. Halverwege moest ik op een lage muur gaan zitten. Een jongen vroeg of het ging.

‘Ja hoor.’

Toen hij verder liep, hoorde ik mijn moeder in mijn eigen stem.

Woensdagavond kwam Peter met een sporttas. Ik had twee bladzijden instructies geschreven. Medicijnen, toiletstoel, thee zonder suiker. Het nummer van de huisartsenpost stond bovenaan.

‘Ik kan lezen,’ zei hij.

‘Mooi. Doe dat dan.’

Thuis trok ik mijn schoenen uit en ging op bed liggen. Mijn eigen bed rook naar wasmiddel en een kamer die lang dicht was geweest. Ik sliep van halfacht tot kwart voor zes.

Er stonden vier berichten van Peter op mijn telefoon. Waar lagen de schone hoeslakens? Mocht moeder nog koffie? Hoe werkte de wasmachine? Het laatste bericht was van twee uur ’s nachts.

Ze is boos omdat ik haar niet alleen laat lopen.

Ik schreef terug: Ja.

Toen ik terugkwam, zat hij ongeschoren aan tafel.

‘Dit kun jij niet blijven doen,’ zei hij.

Ik hing mijn jas op.

‘Nee.’

Voor het eerst ging hij niet uitleggen hoe het misschien toch kon.

Via het steunpunt mantelzorg sprak ik die week een consulent, Marleen. We zaten in een buurthuis met slappe koffie. Achter de schuifwand oefende een koor. Steeds dezelfde regel.

Marleen vroeg wat ik wilde houden van mijn eigen leven.

‘Mijn werk.’

‘Wat nog meer?’

‘Fietsen. Naar de film met Anja. Een nacht zonder telefoon.’

Ze schreef het op.

‘En mijn moeder,’ zei ik snel. ‘Ik wil haar niet kwijt.’

‘Dat stond niet tegenover elkaar.’

We bekeken mogelijkheden. Meer hulp aanvragen waar dat nodig was. Peter op vaste momenten. Een vrijwilliger die met mijn moeder koffie kon drinken. Tijdelijk ergens anders verblijven als er thuis te weinig zorg was. Niets was meteen beschikbaar. Voor sommige dingen moest iemand opnieuw beoordelen wat nodig was.

Maar het waren tenminste mogelijkheden. Geen advies om beter adem te halen.

Een week later ging het gips eraf. Mijn moeder kreeg oefeningen en mocht haar pols geleidelijk weer gebruiken. De ergotherapeut stelde haar rollator goed af. Ze oefenden opstaan, draaien en remmen.

‘Hij hoort bij u in de buurt,’ zei de ergotherapeut.

‘Hij is geen hond.’

‘Nee. U hoeft hem niet uit te laten.’

Mijn moeder grijnsde. Bij anderen kon ze nog steeds charmant zijn. Ik vond dat fijn en oneerlijk tegelijk.

Op vrijdag nam ik haar mee naar buiten. Beneden bleef ze bij de lift staan.

‘Wat als iemand me ziet?’

‘Dan zien ze je.’

Ze keek naar de rollator. Donkerblauw. Een net mandje. Niets bijzonders.

‘Vroeger draaiden mannen zich voor mij om.’

‘Misschien moet je de bel gebruiken.’

Ze gaf me een tik tegen mijn arm.

We haalden de bakker, honderdtachtig meter verderop. Onderweg rustte ze op het zitje. Ik leunde tegen een lantaarnpaal. Mijn knie brandde.

Bij de bakker bestelde ze twee gevulde koeken.

‘Die zijn voor ons,’ zei ze, voordat ik iets kon zeggen.

Op de terugweg vroeg ik of ze donderdag met een vrijwilliger wilde kennismaken.

‘Als jij erbij bent.’

‘De eerste keer wel.’

Ze duwde de rollator over een scheefliggende tegel.

‘En daarna?’

‘Daarna ga ik iets anders doen.’

We liepen een paar meter zonder te praten.

‘Nou,’ zei ze. ‘Dan moet het wel een leuke zijn.’

Hoofdstuk 4

Het gas staat open

Ik rook het al in de gang. Eerst dacht ik aan schoonmaakmiddel. Toen zag ik de steelpan op het fornuis. Het vuur was uit. De knop stond open.

‘Niet aankomen,’ zei ik tegen mijn moeder.

Ze zat aan tafel met een aardappelmesje in haar hand.

‘Wat nou weer?’

Ik draaide de gasknop dicht, zette de buitendeur open en nam haar mee de galerij op. Mijn handen trilden. Ik durfde binnen geen licht aan te doen. Vanaf buiten belde ik het storingsnummer voor gas.

‘Het was maar even,’ zei mijn moeder.

‘Hoe lang?’

‘Dat weet ik toch niet precies.’

Leida liet ons bij haar zitten terwijl er gecontroleerd werd. Mijn moeder wilde koffie. Ik kon niets door mijn keel krijgen.

De monteur vond geen lek in de leiding. Waarschijnlijk was de vlam uitgegaan of niet goed aangestoken. Hij controleerde het toestel en legde uit wat hij had gedaan.

‘Tot we iets veiligers hebben, kook je niet alleen op gas,’ zei ik daarna.

Mijn moeder legde haar mesje op tafel. Ze had het nog steeds vastgehouden.

‘Jij bepaalt hier niks.’

‘Vandaag wel.’

Ze keek me aan alsof ik haar had geslagen.

De ruzie duurde tot Peter arriveerde. Ik had hem gebeld met de woorden dat hij moest komen. Geen vraag deze keer.

Hij wilde eerst weten wat er precies was gebeurd. Dat maakte me nog bozer.

‘Moet ze eerst de flat opblazen?’

‘Nee. Maar schreeuwen helpt ook niet.’

‘Fijn dat je er bent om dat vast te stellen.’

Mijn moeder stond op. Ze vergat haar rollator. Bij de eerste stap greep ze naar de tafel.

We schoten allebei overeind.

‘Blijf van me af!’ riep ze.

Toen huilde ze. Niet zacht. Ze sloeg met haar vlakke hand op het tafelblad.

‘Ik wil niet dat jullie alles afpakken.’

Peter ging weer zitten. Ik bleef staan.

Pas veel later begreep ik waarom dat ertoe deed. Hij zat naast haar. Ik hing boven haar met alle gevaren die ik had verzameld.

De huisarts kwam de volgende ochtend. Er waren meer dingen geweest. Een vergeten afspraak. Een pan die droogkookte. De vraag of haar zus nog zou bellen, terwijl die al vier jaar dood was. Ik had elk voorval apart opgeborgen. Slecht geslapen. Veel pijn. Een moeilijke dag.

Nu vertelde ik ze achter elkaar.

Mijn moeder keek naar haar handen.

De huisarts onderzocht haar en stelde vragen. Er volgden bloedonderzoek, een controle van haar medicijnen en later uitgebreider geheugenonderzoek. Het duurde weken. In die weken schommelde ik tussen opluchting en angst. Soms maakte ze een scherpe grap en dacht ik dat we overdreven. Een uur later zocht ze haar moeder.

De diagnose kwam in een rustige kamer waar een doos tissues op tafel stond. Dementie, waarschijnlijk door verschillende oorzaken. De arts legde uit wat nog onzeker was en wat we wel konden doen.

Mijn moeder vroeg of ze naar huis mocht.

‘Vandaag wel,’ zei de arts.

‘Mooi. Dan wil ik nu mijn jas.’

In de auto zei ze niets. Bij haar flat vroeg ze of we onderweg brood hadden gehaald.

Ik pakte haar hand.

‘Nee, mam.’

‘Waarom kijk je dan zo?’

Een casemanager, Els, kwam bij ons thuis. Ze vroeg mijn moeder wat belangrijk was.

‘Mijn eigen wc. Mijn eigen koffie. En niet de hele dag mensen die zeggen dat ik moet zitten.’

Els schreef het op zonder te lachen.

We maakten afspraken over eten, medicijnen en noodsituaties. De gasaansluiting van het fornuis werd afgesloten. Er kwamen eenvoudige maaltijden en hulp bij het opwarmen. Mijn moeder vond het eten te zout of te flauw, soms allebei op dezelfde dag.

Een vrijwilliger kwam niet verder dan twee bezoeken. Mijn moeder dacht dat hij haar kwam controleren. Hij heette toevallig ook Peter. Dat hielp niet.

Ik bleef minder nachten, maar stond voortdurend aan. Mijn telefoon lag naast de douche. In de supermarkt schrok ik van elk geluid dat op haar beltoon leek.

Op een avond zat ik bij haar aan tafel toen ze vroeg: ‘Ben jij eigenlijk gelukkig, Noor?’

Ik wilde ja zeggen.

‘Niet erg op dit moment.’

Ze knikte langzaam.

‘Dat komt door mij.’

‘Niet alleen.’

Het was geen mooi antwoord. Wel het eerlijkste dat ik had.

Ze schoof de koektrommel naar me toe.

‘Neem dan tenminste die laatste. Anders wordt hij zacht.’

Hoofdstuk 5

De nacht buiten

De politie belde om tien over vijf. Ik was thuis. Voor het eerst die week had ik mijn telefoon niet onder mijn kussen gelegd.

‘Spreek ik met mevrouw Noor van Dalen?’

Ik zat meteen rechtop.

Mijn moeder was gevonden bij een bushalte aan de Deventerweg. Ze droeg haar winterjas over haar nachtjapon. Aan haar voeten zaten schoenen zonder sokken. De rollator had ze wel bij zich.

‘Is ze gewond?’

‘Ze is koud en in de war. Een ambulance kijkt haar na.’

Ik kon mijn broek niet vinden. Hij lag op de stoel waar ik hem altijd legde. Ik liep er twee keer langs.

Bij de bushalte stond een politiewagen met de motor aan. Mijn moeder zat achterin onder een deken. Haar rollator stond op de stoep. In het mandje lag een theedoek.

‘Daar ben je,’ zei ze toen ze mij zag. ‘We moeten opschieten. De kinderen komen zo.’

Ze dacht dat ze naar haar werk moest. In het atelier waar ze dertig jaar niet meer kwam, hielp ze vroeger op zaterdag meisjes met naailes.

Ik ging naast haar zitten.

‘Het gaat vandaag niet door, mam.’

‘Hebben ze afgebeld?’

‘Ja.’

Ze leunde achterover.

Ik had haar niet verbeterd. Ik had gelogen. Het luchtte me op dat ze rustig werd, en daar schaamde ik me meteen voor.

Een vrachtwagenchauffeur had haar zien lopen. Eerst was hij doorgereden. Bij de rotonde had hij omgekeerd. Hij stond nu met een papieren beker koffie bij zijn cabine.

Ik bedankte hem. Hij haalde zijn schouders op.

‘Mijn vader doet ook zulke dingen.’

Meer zei hij niet. Dat was genoeg.

Mijn moeder werd die ochtend verder onderzocht. Er bleek geen duidelijke nieuwe lichamelijke oorzaak voor haar verwardheid. Ze was uitgeput en wist niet meer dat ze buiten was geweest.

Ik wist het wel. Ik zag haar steeds bij die weg. De reflectoren van haar rollator. Auto’s in het donker.

Els regelde overleg met de huisarts en de zorgaanbieder. Er werd gezocht naar een plek waar tijdelijk dag en nacht hulp beschikbaar was. Ik zei dat ik haar mee naar huis kon nemen tot er iets was.

‘En vannacht?’ vroeg Els.

‘Dan blijf ik wakker.’

Ze keek me aan.

‘En morgen?’

Ik begon te huilen voordat ik kon antwoorden.

Er kwam die middag een tijdelijke plek in een verpleeghuis in Warnsveld. Niet omdat alles netjes geregeld was, maar omdat thuis geen veilige oplossing meer stond. Daarna zou worden bekeken welke zorg ze blijvend nodig had.

Peter kwam rechtstreeks uit Breda. Hij droeg mijn moeders weekendtas. Ik had drie vesten ingepakt en geen ondergoed. Hij zei er niets van en reed later terug om het te halen.

De kamer was klein. Een bed. Een kast. Een stoel bij het raam. In de gang riep iemand steeds dezelfde naam.

‘Hier blijf ik niet,’ zei mijn moeder.

Een verzorgende stelde zich voor als Hanneke. Ze vroeg of mijn moeder thee wilde.

‘Ik wil naar huis.’

‘Dat hoor ik. Zullen we eerst even gaan zitten?’

Mijn moeder bleef bij de deur staan.

Ik probeerde uit te leggen waarom ze er was. Elke zin maakte haar bozer. Uiteindelijk pakte ze mijn mouw.

‘Je hebt beloofd dat je voor me zou zorgen.’

Ik voelde haar vingers door de stof.

‘Dat probeer ik.’

‘Dan neem je me mee.’

Ik keek naar Peter. Hij keek terug. Geen van ons kon dit voor de ander oplossen.

We bleven tot na het eten. Mijn moeder at drie happen puree. Daarna wilde ze haar jas. Hanneke stelde voor dat wij vertrokken terwijl zij samen met mijn moeder naar haar kamer ging.

‘Moet ik dan wegsluipen?’ vroeg ik.

‘U kunt gewoon afscheid nemen. Kort en duidelijk. Wij blijven bij haar.’

Ik kuste mijn moeder op haar wang.

‘Ik kom morgen na de koffie.’

Ze draaide haar hoofd weg.

Op de parkeerplaats gaf mijn knie het bijna op. Peter zette de tas neer en bood zijn arm aan. Ik pakte hem vast.

Thuis trok ik mijn jas niet uit. Ik zat tot halfelf aan de keukentafel. Niemand riep. Niemand moest naar het toilet. De stilte was niet prettig. Ze voelde als iets waarvoor ik nog straf zou krijgen.

Om elf uur belde ik de afdeling.

Hanneke vertelde dat mijn moeder sliep.

Pas daarna ging ik naar bed.

Hoofdstuk 6

Ook mijn knie

De eerste weken bezocht ik mijn moeder elke dag. Ik kwam met fruit, schone kleding en vragen. Vooral vragen.

Had ze genoeg gedronken? Was ze buiten geweest? Waarom zat er een vlek op haar vest? Waar was haar blauwe nachthemd?

Op een middag vond ik het nachthemd in haar eigen kast. Achter een doos zakdoeken. Ik had er tien minuten over geklaagd bij een verzorgende die net een dubbele dienst werkte.

‘Sorry,’ zei ik.

Ze knikte. Niet koel, maar ook niet troostend. Dat vond ik terecht.

Niet alles ging goed. Een keer stonden haar schoenen bij een andere bewoner. Er werd een medicijn te laat gegeven. Ik besprak het en vroeg wat eraan gedaan werd. Maar ik moest leren onderscheid maken tussen iets dat aandacht vroeg en iets waarmee ik mijn eigen onrust voedde.

Mijn moeder bleef niet in de tijdelijke kamer. Na verdere beoordeling en gesprekken verhuisde ze binnen hetzelfde huis naar een vaste plek. We bespraken haar wensen en wat nog kon. Dat duurde lang. Zij begreep soms precies waarover het ging en soms helemaal niet.

‘Ik wil die stoel mee,’ zei ze telkens.

Dus ging de stoel mee. Ook haar naaidoos. De grote schaar bewaarden we apart, in overleg met haar en de verzorging. Ze mopperde daarover, maar sorteerde daarna een middag lang knopen met een activiteitenbegeleider.

Ik maakte ondertussen een afspraak voor mijn knieoperatie.

Toen ik het vertelde, keek mijn moeder naar mijn been.

‘Eindelijk. Je loopt al maanden als een oude vrouw.’

‘Ik word ook ouder.’

‘Niet zo overdrijven. Je bent mijn kind.’

Peter nam mijn bezoeken zes weken over, samen met Eva. Hij kwam niet dagelijks. Eerst wilde ik hem uitleggen waarom dat onvoldoende was. Daarna zag ik de planning: woensdag, zaterdag, tussendoor bellen. De afdeling wist ervan. Mijn moeder zou niet alleen achterblijven.

Ik slikte mijn commentaar in.

De operatie verliep zonder grote problemen. Het herstel was minder netjes dan de folder. Mijn been was dik. Ik sliep slecht. De oefeningen deden pijn. Op de tweede ochtend thuis liet ik mijn onderbroek vallen en begon te huilen omdat ik hem niet kon oprapen.

Eva pakte hem op.

‘Je mag ook gewoon iets vragen, mam.’

‘Je hebt al genoeg te doen.’

Ze ging op de rand van mijn bed zitten.

‘Dat bepaal ik zelf. Jij moet wel zeggen wat je nodig hebt.’

Ik hoorde hoe vaak ik mijn moeder dat had gevraagd. En hoe moeilijk het was als iemand op jouw antwoord wachtte.

De fysiotherapeut adviseerde voor het lopen voorlopig een rollator. Met mijn evenwicht en pijn liep ik daarmee veiliger dan met krukken. Ik keek naar het geleende ding in mijn gang.

Zilvergrijs. Zwart zitje. Een mandje waar precies een bord in paste.

Anja kwam langs met lasagne.

‘Zal ik hem parkeren?’ vroeg ze.

‘Noem het niet zo.’

Ze trok haar wenkbrauwen op.

Ik zuchtte.

‘Mijn moeder zegt dat ook.’

We aten aan mijn keukentafel. Daarna zette ik de borden in het mandje en reed naar het aanrecht. Het werkte uitstekend. Dat ergerde me bijna.

Na vier weken liep ik voor het eerst naar het pleintje. Een afstand die ik vroeger zonder nadenken aflegde. Nu moest ik bij de apotheek zitten. Een buurman stak zijn hand op en vroeg niet eens naar mijn been. Hij wilde weten of de bibliotheek op zaterdag open was.

Ik gaf antwoord. Het gesprek duurde twee minuten. Toen hij weg was, voelde ik me beter dan na de hele ochtend oefenen.

Mijn eerste bezoek aan mijn moeder na de operatie deed ik met Eva. Zij reed. Ik liep met de rollator door de gang. Mijn moeder zag me vanuit de huiskamer komen.

‘Heb jij er nou ook een?’

‘Ja.’

Ze bekeek mijn model aandachtig.

‘Die van mij is mooier.’

We zetten ze naast elkaar bij het raam.

Die middag praatten we nauwelijks over zorg. Ze vertelde dat een bewoner haar stoel inpikte. Ik vertelde over mijn onderbroek op de grond. Ze lachte zo hard dat haar kunstgebit klikte.

Bij het afscheid vroeg ze of ik morgen terugkwam.

‘Nee. Vrijdag.’

Haar gezicht zakte even in.

Ik bleef bij mijn antwoord.

Eva en ik reden naar huis. Onderweg kochten we patat. Ik at uit het bakje op mijn schoot, met mijn pijnlijke been vooruit. Er zat mayonaise op mijn jas.

Het was een goede middag geweest.

Hoofdstuk 7

Naar de markt

In mei gingen mijn moeder en ik naar de markt in Zutphen. Geen spontane tocht. Ik had de weersverwachting bekeken, vervoer geregeld en gevraagd hoe haar ochtend was geweest. In mijn tas zaten een vest, water, vochtige doekjes en een reservebroek.

Vroeger nam ik alleen mijn portemonnee mee.

Mijn moeder zat in de auto en keek naar de bomen.

‘Moeten we niet naar de andere kant?’

‘We gaan naar de markt.’

‘Dat zei ik toch?’

Ik liet het zo.

Mijn knie was vijf maanden geleden vervangen. In huis liep ik zonder hulp. Buiten gebruikte ik bij langere stukken nog mijn rollator. De fysiotherapeut was tevreden over de vooruitgang. Ik vond het langzaam gaan. Beide dingen konden waar zijn.

Op de Houtmarkt stapten we voorzichtig uit. De chauffeur klapte de rollators open. Mijn moeder controleerde meteen haar mandje.

‘Waar is mijn tas?’

‘Aan je arm.’

Ze keek omlaag.

‘O ja.’

Bij de bloemenkraam bleef ze staan. Ze wilde gele tulpen. Ik wees op roze, omdat ze vroeger altijd zei dat geel vloekte bij haar gordijnen.

‘Ik wil die gele,’ zei ze.

Ik kocht de gele.

We liepen niet ver. Van de bloemen naar de kaaskraam en daarna naar een terras. Er zat nog geen halfuur tussen uitstappen en koffie bestellen. Mijn moeder was moe. Ik ook.

Aan het tafeltje naast ons zat een vrouw van ongeveer mijn leeftijd. Ze hielp een man zijn jas uit. Daarna zette ze zijn kopje dichterbij en brak een koekje in tweeën. Haar eigen koffie bleef staan.

Ik herkende de bewegingen. Eerst de ander. Nog even dit. Dan pas zitten, als het nog kon.

Onze blikken kruisten elkaar.

‘Uw koffie wordt koud,’ zei ik zacht.

Ze keek naar haar kopje en lachte kort.

‘De mijne is altijd koud.’

Meer wisselden we niet uit. Ik wilde geen ongevraagd advies geven. Ik wist hoe moe je ook daarvan kon worden.

Mijn moeder prikte in haar appelgebak.

‘Jij moet ook eten, Noor.’

Ik nam een hap.

Een kwartier later vroeg ze of we naar haar flat gingen. Ik zei dat we teruggingen naar haar kamer in Warnsveld.

‘Ik woon toch in Zutphen?’

Ik voelde de spanning in mijn buik. Dit gesprek kon alle kanten op.

‘Je hebt nu die kamer met je stoel bij het raam.’

Ze keek naar de tulpen.

‘En mijn naaidoos?’

‘Die staat in de kast.’

Ze at verder.

Soms bleef het daarbij. Soms niet. Een week eerder had ze me een dief genoemd omdat haar trouwring weg was. Hij zat aan haar vinger. Ik had hem aangewezen. Dat had niets geholpen. Ik was naar huis gereden met mijn handen stijf om het stuur.

Er waren ook dagen waarop ze mijn naam niet meteen wist. Ik ging dan naast haar zitten en vertelde wie ik was. Eén keer zei ze: ‘Dat dacht ik al. Je hebt de neus van mijn man.’

Ik moest lachen, al vond ik het geen compliment.

Mijn leven was niet terug zoals het was. Mijn werkuren waren veranderd. Ik was minder gaan doen en sommige mensen zag ik nauwelijks meer. Maar Anja en ik gingen weer elke maand naar de film. Peter kwam om de week en regelde nu de administratie. Niet op mijn verzoek, maar omdat we hadden afgesproken dat het zijn taak was.

Ik ging naar een kleine groep mantelzorgers in het buurthuis. Daar kon ik zeggen dat ik soms opgelucht was als een bezoek voorbij was. Niemand keek geschokt. Iemand schoof dan de koekjes naar me toe of vertelde over zijn eigen donderdag.

Op het terras begon mijn moeder te rillen. We rekenden af. Onderweg naar de afgesproken ophaalplek bleef een wiel van haar rollator tussen twee stenen steken.

‘Wacht,’ zei ik.

Ik zette mijn remmen vast, ging stevig staan en hielp haar het wiel los te krijgen. Daarna liepen we verder. Langzaam. Mensen liepen om ons heen.

Bij haar kamer zette ik de tulpen in een vaas. Ze zakte in haar eigen stoel en deed haar schoenen uit.

‘Het was druk,’ zei ze.

‘Ja.’

‘Wel lekker gebak.’

Ik schreef mijn volgende bezoek op het bordje naast haar kast. Woensdag, na de koffie. Daarna gaf ik haar een kus.

Buiten belde Eva. Of ik zondag kwam eten.

Ik keek in mijn agenda. Er stond niets.

‘Graag,’ zei ik. ‘Wat zal ik meenemen?’