Naar de inhoud
Terug naar het boek

Tegenslag en opnieuw beginnen

Een studieschuld als rugzak

Hoofdstuk 1

Een studieschuld als rugzak — De brief

De brief lag onder een folder voor goedkope matrassen. Ik herkende de blauwe letters en schoof hem terug. Eerst eten. Eerst douchen. Eerst iemand worden die zo’n brief gewoon openmaakt.

Mijn naam is Milan de Groot. Ik was negenentwintig, woonde in een bovenwoning in Arnhem en had drieënveertig euro op mijn betaalrekening. Beneden zat een kapper. Als zijn tondeuse aanstond, trilde het glas in mijn keukenkastje.

Om kwart over zes belde mijn teamleider.

‘Heb je even?’ vroeg hij.

Ik keek naar de pan op het fornuis. De pasta plakte aan de bodem.

‘Ja.’

‘Je contract wordt niet verlengd. Het volume valt terug. We moeten keuzes maken.’

Ik werkte bij een groothandel in Duiven. Retouren verwerken. Kapotte koffiezetapparaten beoordelen. Barcodes scannen. Het was niet het werk waarvoor ik ooit naar de HAN was gegaan, maar ik kon de huur betalen.

‘Wanneer stopt het?’

‘Eind volgende maand. Je krijgt morgen uitleg van personeelszaken.’

Hij zei dat hij het vervelend vond. Ik zei dat ik het begreep. Dat laatste was gelogen.

Na het gesprek trok ik de pan van het vuur. De pasta ging in de prullenbak. Toen maakte ik de brief open.

Het was een bericht over de terugbetaling van mijn studieschuld. De details stonden online. Ik pakte mijn laptop, wachtte op een update en logde in. Mijn totale schuld was ruim achtenveertigduizend euro.

Ik las het bedrag drie keer.

Niet omdat ik het niet wist. Ik had het eerder gezien. Maar zolang het achter een wachtwoord stond, kon ik doen alsof het een administratief probleem was. Nu zat ik aan tafel met het nieuws over mijn baan nog in mijn oor.

Ik belde mijn zus Noor.

‘Ben je thuis?’ vroeg ik.

‘Bijna. Wat is er?’

‘Niks. Ik vroeg het gewoon.’

Aan haar kant hoorde ik een fietsslot klikken.

‘Milan.’

Ik wreef met mijn duim over een vetvlek op tafel.

‘Mijn contract stopt.’

Ze bleef even stil. Daarna vroeg ze of ze langs moest komen.

‘Nee. Ik moet alleen iets anders zoeken.’

‘Heb je gegeten?’

‘Ja.’

Twintig minuten later stond ze voor mijn deur met twee bakjes nasi. Ze keek eerst naar de prullenbak, daarna naar mij. Ze zei niets over de pasta.

We aten met onze jassen nog aan. De verwarming stond laag. Op mijn laptop was het bedrag zichtbaar.

‘Is dat alles bij elkaar?’ vroeg ze.

Ik knikte.

‘Ik dacht dat het minder was.’

‘Ik ook. Lang geleden.’

Ze legde haar vork neer.

‘Waarom heb je dit nooit verteld?’

‘Wat moest ik zeggen? Hallo, met je broer. Ik heb geen diploma en wel een schuld waar je een halve woning mee kon kopen toen wij klein waren?’

‘Je had gewoon kunnen zeggen dat je bang was.’

Daar werd ik kwaad van. Niet omdat ze ongelijk had. Juist niet.

‘Daar gaat het bedrag niet van omlaag.’

Noor schoof haar stoel naar achteren. Ik dacht dat ze zou vertrekken. In plaats daarvan haalde ze twee glazen water.

‘Nee,’ zei ze. ‘Maar ik zit hier nu toch.’

We maakten een lijst. Huur. Energie. Zorgverzekering. Telefoon. DUO. Een rekening van de tandarts die ik al twee maanden liet liggen. Een betalingsregeling voor een laptop die nauwelijks meer werkte.

Bij de huur aarzelde ik.

‘Deze maand is betaald?’ vroeg Noor.

‘Bijna.’

‘Wat betekent bijna?’

‘Dat ik hem nog moet overmaken.’

Ze keek op de kalender aan mijn muur. Het was de negentiende.

Ik stond op en liep naar het raam. Buiten trok iemand een kliko over de stoep. Een heel gewoon geluid. Ik wilde dat mijn probleem ook gewoon was. Een lekke band. Een kapotte wasmachine. Iets met een eindbedrag en een duidelijke oplossing.

‘Ik heb het verpest,’ zei ik.

Noor kwam niet naast me staan. Daar was ik haar dankbaar voor.

‘Je hebt problemen,’ zei ze. ‘Dat is iets anders.’

Die nacht sliep ik nauwelijks. Om drie uur zocht ik op vacatures. Om vier uur op schuldhulp. Om vijf uur klapte ik mijn laptop dicht.

Voor het eerst begreep ik dat harder zoeken niet hetzelfde was als verder komen. Toch wist ik nog niet wat ik anders moest doen.

De brief bleef op tafel liggen. Ik schoof hem niet meer weg.

Hoofdstuk 2

Wat ik verzweeg

De volgende ochtend zat ik bij personeelszaken tegenover een vrouw die Petra heette. Ze draaide haar beeldscherm naar me toe en wees mijn laatste werkdag aan.

‘Je ontvangt nog vakantiegeld en de vergoeding waar je recht op hebt. Hier staat ook informatie over WW.’

Ik knikte alsof ik alles opsloeg. In werkelijkheid bleef ik hangen bij dat ene vakje in haar rooster. Na die datum stond mijn naam nergens meer.

In de kantine vroeg mijn collega Yassin hoe het gesprek was gegaan.

‘Zakelijk.’

Hij schoof een mandarijn naar me toe.

‘Bij mij hetzelfde. Ze houden twee mensen. Wij mogen eruit.’

Ik had gedacht dat ik me beter zou voelen als het niet aan mij lag. Dat gebeurde niet.

‘Je kunt toch iets met je studie zoeken?’ vroeg hij.

Daar was de vraag die ik jarenlang had ontweken.

‘Ik heb hem niet afgemaakt.’

‘Hoeveel moest je nog?’

‘Te veel.’

Hij pelde zijn mandarijn. Geen verbaasd gezicht. Geen preek. Toch voelde ik mijn nek warm worden.

Ik was negentien toen ik begon aan hbo-ICT in Arnhem. Ik kocht een tweedehands bureau en een laptop die duurder was dan verstandig. Mijn vader hielp hem naar mijn kamer tillen.

‘Straks moet jij mijn printer repareren,’ zei hij.

‘Dat blijft onmogelijk, pap.’

Het eerste jaar ging goed. Ik haalde mijn propedeuse. Ik maakte websites voor kleine ondernemers. Mijn moeder hing een foto van mij voor het HAN-gebouw op de koelkast. Ik vond dat overdreven en was er stiekem trots op.

In mijn tweede jaar kreeg mijn vader een beroerte.

Er volgden maanden met ziekenhuisgangen, revalidatie en gesprekken waarin steeds andere mensen dezelfde moeilijke woorden gebruikten. Mijn moeder werkte in de thuiszorg. Noor zat nog op de middelbare school. Ik ging vaak naar hun huis in Zutphen.

Eerst miste ik colleges. Daarna opdrachten. Daarna durfde ik niet meer terug naar mijn projectgroep.

Mijn studieloopbaanbegeleider stuurde berichten. Ik antwoordde met halve waarheden. Dat het druk was. Dat ik bezig was. Dat ik maandag iets zou aanleveren.

Ik had hulp kunnen vragen. Dat weet ik nu. Toen voelde iedere vraag als nog een taak die ik niet aankon.

Mijn vader overleed in november van mijn derde studiejaar.

Na de uitvaart bleef ik ingeschreven. Ik wilde niet ook nog mijn studie verliezen. Ik leende om huur te betalen en werkte avonden bij een supermarkt. Slapen deed ik overdag, als ik eigenlijk naar school moest.

Een jaar later begon ik opnieuw. Nieuwe planning. Nieuwe schriften. Een projectgroep met studenten die jonger waren en sneller leken. Ik vertelde niemand waarom ik soms een kwartier op de wc zat voordat ik een lokaal in durfde.

Ook die poging liep vast.

Bij mijn laatste uitschrijving zat ik aan hetzelfde bureau dat mijn vader had gedragen. Ik drukte op bevestigen en wachtte op opluchting. Die kwam pas toen de mailtjes van school stopten.

De schuld bleef. Een deel van wat ik had ontvangen kon zonder diploma niet worden omgezet in een gift. De lening moest hoe dan ook worden terugbetaald. Ik wist dat, maar ik rekende het nooit helemaal uit.

Na mijn dienst reed ik naar mijn moeder. Ze had aardappels opstaan. Op de koelkast hing inmiddels een foto van Noors dochter.

‘Ik raak mijn baan kwijt,’ zei ik.

Ze draaide het gas lager.

‘O, jongen.’

‘En er is meer.’

Ik vertelde het bedrag. Mijn mislukte herstart. De huur die nog openstond. Ik praatte snel, zodat ze niet tussendoor kon vragen waarom.

Toen ik klaar was, ging ze zitten.

‘Ik dacht dat je nog af en toe een vak deed.’

Dat was wat ik haar had laten geloven.

‘Nee.’

Ze keek naar haar handen.

‘Je had het mogen zeggen.’

‘Jij had genoeg.’

‘Dat mocht je niet voor mij beslissen.’

Die zin deed meer pijn dan boosheid had gedaan.

Ze bood geld aan uit haar kleine spaarpot. Ik zei nee. Daarna wilde ik alsnog ja zeggen. Ze zag het.

‘We gaan niet nu beslissen,’ zei ze. ‘Eerst eten.’

Ik bleef die avond tot na tienen. We praatten ook over andere dingen. Haar nieuwe collega. De lekkende kraan. Toen ik wegging, wist ze meer van mijn leven dan in de vijf jaar ervoor.

Dat was niet prettig. Het was wel een begin.

Hoofdstuk 3

Alles op tafel

Bij het wijkteam in Arnhem moest ik mijn geboortedatum twee keer zeggen. De eerste keer kwam er nauwelijks geluid uit.

De vrouw tegenover me heette Samira. Op haar bureau stonden een waterkan, twee mokken en een doos tissues. Ik vond die tissues meteen irritant. Alsof er al rekening mee werd gehouden dat ik zou instorten.

‘Wat moet er vandaag in elk geval besproken worden?’ vroeg ze.

‘Mijn studieschuld.’

‘Goed. En wat moet er deze week betaald worden?’

Dat was een andere vraag.

Ik haalde een plastic tas uit mijn rugzak. Daarin zaten brieven, kassabonnen en een ongeopende envelop van de zorgverzekeraar. Samira maakte ruimte op tafel.

‘Zullen we eerst sorteren?’

We legden alles in stapels. Wonen. Zorg. Overig. DUO kreeg een eigen plek.

Na een halfuur was de kleine tafel vol. Mijn huurachterstand bedroeg inmiddels twee maanden. De tandartsrekening was verhoogd met kosten. Ik had twee achterstallige premies voor mijn zorgverzekering. De laptop betaalde ik nog steeds af.

Naast de studieschuld stond er ruim drieduizend euro open.

‘Ik dacht dat het minder was,’ zei ik.

Samira schreef het totaal op.

‘Dit bedrag moeten we serieus nemen. Maar het is goed dat je nu komt.’

Ik wilde vragen of ze dat tegen iedereen zei. In plaats daarvan duwde ik de brief van DUO naar haar toe.

‘En deze dan?’

‘Die schuld bekijken we apart. Je maandbedrag hangt onder andere af van je inkomen en de regels die voor jou gelden. We gaan niet aannemen dat je iets moet betalen wat je niet kunt dragen. We gaan het controleren.’

We logden samen in. Ze liet mij klikken. Dat vond ik langzaam gaan, maar later begreep ik waarom. Ik moest weten waar alles stond als ik weer alleen thuis zat.

Mijn terugbetalingsfase begon binnenkort. Het inkomen waarop een berekening werd gebaseerd, liep niet vanzelf gelijk met het salaris dat ik ging verliezen. We bekeken de mogelijkheid om een recenter inkomensjaar te laten gebruiken en welke gegevens daarvoor nodig waren.

‘Dus dit verdwijnt niet,’ zei ik.

‘Nee. Maar het bedrag in beeld en het bedrag dat je iedere maand moet betalen, zijn niet hetzelfde.’

Daar had ik thuis nooit rustig genoeg over nagedacht.

Daarna belden we de verhuurder. Ik wilde dat Samira het woord deed.

‘Ik blijf erbij,’ zei ze. ‘Jij begint.’

Mijn verhuurder, meneer Van Dijk, nam na zes keer overgaan op.

‘Milan. Eindelijk.’

Ik keek naar de rand van mijn schoen.

‘Ik heb uw berichten niet beantwoord. Dat had ik wel moeten doen.’

‘Ik wil weten wanneer ik mijn geld krijg.’

Mijn mond werd droog. Samira schoof haar notitieblok naar me toe. Daarop stond: geen belofte zonder berekening.

‘Ik ben met hulp mijn inkomsten en schulden aan het uitzoeken. Vrijdag krijgt u een voorstel. Kan dat?’

Hij zuchtte hard.

‘Vrijdag. En niet weer verdwijnen.’

Na het gesprek trilden mijn handen. Samira schonk water in zonder er iets van te zeggen.

We maakten geen prachtig schema waarin alles precies paste. Daarvoor ontbraken nog gegevens. We maakten een korte lijst voor de komende dagen. Papieren van mijn werkgever verzamelen. WW op tijd aanvragen. Zorgtoeslag controleren. Geen nieuwe betaalafspraken aangaan voordat mijn budget duidelijk was.

‘En eten moet ook in dat budget,’ zei ze.

‘Ik kan goedkoop eten.’

‘Goedkoop is prima. Niet eten is geen oplossing.’

Buiten regende het. Ik bleef onder de luifel staan en belde Noor.

‘Hoe was het?’ vroeg ze.

‘Vreselijk.’

‘O.’

‘Maar nuttig.’

Ze lachte voorzichtig.

Die middag kocht ik een map bij de Action. Grijs, zonder tekst. Ik stopte de brieven erin en schreef de deadlines op een vel papier. Daarna at ik brood met pindakaas.

Om vier uur belde een onbekend nummer. Mijn eerste reactie was het toestel omdraaien. Ik liet het twee keer overgaan en nam toen op.

Het was de tandartspraktijk. Ze wilden weten of ik hun brief had ontvangen.

‘Ja,’ zei ik. ‘En ik kan hem nu niet volledig betalen.’

Ik wachtte op een verwijt.

‘Dan kijken we wat mogelijk is,’ zei de assistente.

Na het gesprek bleef ik naar mijn telefoon kijken. Er was nog niets afbetaald. Toch was die middag anders dan de ochtend. Ik had twee moeilijke gesprekken gevoerd en hoefde niet meer te raden wat er gezegd zou worden.

Hoofdstuk 4

De proefdag

Mijn laatste dag in Duiven kreeg ik een mok met het bedrijfslogo. Yassin kreeg dezelfde. We stonden ermee bij de fietsenstalling.

‘Voor als we dit gaan missen,’ zei hij.

Ik lachte harder dan de grap verdiende.

Daarna begonnen de dagen zonder rooster. Ik zette mijn wekker op zeven uur en bleef vaak tot negen uur liggen. Niet omdat ik nog sliep. Ik wist niet waarvoor ik moest opstaan zodra mijn sollicitaties verstuurd waren.

De eerste week schreef ik twaalf brieven. De tweede week zeven. Daarna telde ik vooral afwijzingen.

Een recruiter belde over een baan in een magazijn bij Ede. Nachtwerk, wisselende uren. Zonder auto zou ik niet bij iedere dienst kunnen komen.

‘Kun je vervoer regelen?’ vroeg hij.

Ik keek naar mijn bankrekening.

‘Niet betrouwbaar.’

‘Dan houdt het op.’

Ik bedankte hem voor het bellen. Toen gooide ik mijn telefoon op bed. Ik wilde dolgraag werken en moest toch nee zeggen. Dat verschil kreeg ik aan bijna niemand uitgelegd.

De WW kwam op gang, maar was lager dan mijn loon. Met mijn laatste salaris, de eindafrekening en hulp bij het plannen kon ik de lopende huur weer betalen. Voor de achterstand maakten we een regeling die weinig ruimte overliet. Mijn moeder kocht een keer boodschappen. Ik nam ze aan en zei gewoon dank je.

Op een dinsdag stuurde Noor een vacature door. Een klein bedrijf in Nijmegen zocht een medewerker voor computerreparaties en klantenservice. Geen diploma-eis. Wel praktisch inzicht.

‘Niet meteen wegklikken,’ schreef ze erbij.

Het bedrijf heette Herstart ICT. Ik vond de naam bijna beledigend toepasselijk.

Eigenaar Eva van Loon nodigde me uit. De werkplaats lag op een bedrijventerrein bij de Winkelsteeg. Er stonden kratten met toetsenborden langs de muur. Een man met een grijze paardenstaart schroefde een laptop open.

‘Dat is Henk,’ zei Eva. ‘Hij praat weinig voor tien uur.’

‘Na tien uur ook,’ zei Henk.

Eva vroeg naar mijn ervaring. Ik vertelde over retouren, mijn studie en de websites die ik vroeger had gemaakt.

‘Waarom ben je gestopt?’

Ik had een nette versie voorbereid. Persoonlijke omstandigheden. Verkeerde timing. Andere prioriteiten.

‘Mijn vader werd ziek en overleed. Daarna liep ik vast. Ik heb te lang gedaan alsof het nog ging.’

Ze knikte en schreef iets op.

‘Kun je nu op vaste tijden werken?’

‘Ja.’

‘En hulp vragen als je iets niet weet?’

Daar wachtte ik te lang met antwoorden.

‘Dat moet beter,’ zei ik.

Ze stelde een betaalde proefdag voor. We spraken de vergoeding en de uren vooraf af. Ik gaf het werk door zoals het moest voor mijn uitkering. Samira had me geleerd eerst te vragen en niet achteraf te hopen dat het goed zat.

Op de proefdag kreeg ik een laptop die steeds uitviel. Ik controleerde de voeding, las foutmeldingen uit en maakte de koeling schoon. Mijn handen herinnerden zich meer dan ik had verwacht.

Toen kwam er een klant met een externe schijf.

‘Al mijn foto’s staan erop,’ zei ze. ‘Mijn dochter wordt volgende week achttien.’

Ik voelde meteen de drang om haar gerust te stellen.

‘Dat komt waarschijnlijk wel goed,’ begon ik.

Henk keek op.

Ik stopte.

‘We moeten eerst onderzoeken wat er aan de hand is. Ik kan nog niets beloven.’

De vrouw knikte. Ze leek mijn eerlijkheid minder erg te vinden dan ik zelf.

Aan het eind van de dag vroeg Eva me aan de kleine tafel achterin te komen zitten.

‘Je werkt zorgvuldig,’ zei ze. ‘Je bent alleen veel tijd kwijt aan controleren wat je al goed hebt gedaan.’

‘Ik wil geen fouten maken.’

‘Die ga je maken. Ik wil weten of je ze meldt.’

Ze bood me een tijdelijk contract aan voor vierentwintig uur per week. Geen hoog salaris. Geen garantie op meer uren. Wel betaald werk waar ik iets kon leren.

Op het station belde ik Noor.

‘Ik heb iets,’ zei ik.

‘Een baan?’

‘Vierentwintig uur.’

Ze juichte zo hard dat ik de telefoon van mijn oor haalde.

Ik was blij. Echt blij. Maar in de trein rekende ik alweer. Reiskosten. Aanvullend inkomen. Huur. Aflossingen.

Voor het eerst rekende ik met iets dat erbij kwam.

Hoofdstuk 5

Een fout melden

In mijn zesde week bij Herstart ICT verwisselde ik twee labels.

Het gebeurde vlak voor de lunch. De telefoon ging. Een pakketbezorger wilde een handtekening. Henk vroeg waar een adapter lag. Ik legde twee intakeformulieren naast elkaar en pakte daarna het verkeerde stickervel.

Een uur later stond er een boze klant aan de balie.

‘Dit is mijn laptop niet.’

Hij zette een zwarte Lenovo neer. Mijn buik trok samen. Ik zag aan de kras naast het touchpad meteen wat er was gebeurd.

De andere laptop was al meegegeven.

‘Een ogenblik,’ zei ik.

Ik liep naar achteren. Daar stond Eva bij de printer. Ik had hooguit tien stappen om te kiezen. Zeggen dat het systeem niet klopte. Eerst zelf bellen. Hopen dat ik alles kon terugdraaien voordat iemand het merkte.

‘Ik heb twee labels verwisseld,’ zei ik. ‘Er is een verkeerde laptop meegegeven.’

Eva legde het papier neer.

‘Welke apparaten? Welke klanten?’

We zochten de gegevens op. De tweede klant nam direct op. Hij had de laptop nog niet aangezet en kon terugkomen. Eva handelde de situatie verder af, controleerde wat er met de apparaten was gebeurd en legde het incident vast.

Niemand schreeuwde. Dat maakte mijn schaamte niet kleiner.

Na sluitingstijd verwachtte ik een gesprek over mijn contract.

‘Dit is ernstig,’ zei Eva.

‘Ik weet het.’

‘Wat gebeurde er precies?’

Ik vertelde het zonder de telefoon of de bezorger de schuld te geven. We spraken af dat ik voortaan één intake tegelijk afhandelde. Bij uitgifte zouden we samen met de klant het apparaat en serienummer controleren.

‘Ben ik mijn baan kwijt?’ vroeg ik.

‘Niet door één gemelde fout. Als je hem had verstopt, hadden we een ander gesprek gehad.’

Ik knikte. Buiten moest ik tegen de muur leunen. Mijn shirt plakte aan mijn rug.

Thuis lag een bericht over mijn inkomen. Door een verkeerde inschatting in mijn eigen begroting had ik minder geld over dan gedacht. De combinatie van loon en aanvullende WW vroeg nauwkeuriger doorgeven en rekenen dan ik had gedaan. Er moest iets worden verrekend.

Het was geen enorm bedrag. Voor mij was het genoeg om weer wakker te liggen.

Om elf uur opende ik een website voor kleine leningen.

Ik vulde mijn naam in. Mijn adres. Mijn geboortedatum. Bij het gewenste bedrag typte ik duizend euro.

Dan kon ik die verrekening opvangen. De tandarts aflossen. Misschien eindelijk schoenen kopen zonder gat in de zool.

Ik las de voorwaarden niet goed. Ik keek alleen naar het bedrag per maand.

Toen belde Noor. Ze wilde weten hoe mijn dag was.

‘Prima.’

‘Je klinkt vreemd.’

‘Ik ben moe.’

Ze vertelde iets over haar dochter. Ik hoorde het nauwelijks. Mijn cursor stond boven de knop om verder te gaan.

‘Milan, luister je?’

‘Ik sta op het punt iets stoms te doen.’

Ik vertelde over de lening. Niet over de laptops. Dat kon er nog niet bij.

‘Heb je al getekend?’ vroeg ze.

‘Nee.’

‘Sluit hem dan eerst. We praten daarna verder.’

Ik sloot het venster. Ik werd boos op haar omdat ze zo rustig bleef. Vervolgens werd ik boos op mezelf omdat ik haar nodig had.

De volgende ochtend belde ik Samira. We bekeken welke betaling ruimte bood en welke instantie ik moest benaderen. Er kwam geen geld uit een verborgen pot. Wel een aangepaste afspraak voor één rekening en een betere reservering in mijn begroting.

‘Ik dacht dat het nu goed zou gaan,’ zei ik.

‘Er gaat ook iets goed,’ antwoordde ze. ‘Je belt voordat het groter wordt.’

Die week maakte ik ook een afspraak bij de huisarts. Niet voor mijn schuld, zei ik aan de telefoon. Voor het slapen en de paniek.

In de spreekkamer bleek dat onderscheid lastig vol te houden.

De huisarts vroeg hoe lang ik al zo gespannen was. Ik begon over mijn ontslag. Daarna over school. Uiteindelijk vertelde ik over mijn vader.

Ze gaf me geen snelle oplossing. Ze stelde gesprekken met de praktijkondersteuner voor en vroeg me terug te komen als het slechter ging.

Op mijn werk vertelde ik Eva alleen dat ik een medische afspraak had. Geen heel levensverhaal. Dat hoefde ook niet.

Vrijdag betaalde ik mijn huur. Daarna kocht ik brood, eieren en een zak appels. Ik had nog steeds dezelfde oude schoenen.

Maar geen nieuwe lening.

Hoofdstuk 6

Opnieuw leren

In maart vroeg Henk of ik een netwerkstoring wilde bekijken bij een buurthuis in Nijmegen. Hij ging mee, maar ik moest beginnen.

‘Niet meteen overal op drukken,’ zei hij in de bus. ‘Eerst vragen wat er gebeurt.’

In het buurthuis rook het naar koffie en soep. Een vrijwilliger, Ria, wees naar een computer achter de bar.

‘Internet doet het soms. Vooral niet als we het nodig hebben.’

Ik vroeg wanneer de storing begon. Welke apparaten uitvielen. Of er iets was verplaatst. Ria haalde haar schouders op en riep een collega erbij.

Na twintig minuten vonden we een beschadigde kabel achter een kast. Geen ingewikkelde softwarefout. Geen reden om alles opnieuw te installeren.

‘Goed gedaan,’ zei Henk toen we buiten stonden.

‘Het was maar een kabel.’

‘En jij hebt niet drie uur aan iets anders zitten sleutelen. Dat is het werk.’

Ik dacht die avond voor het eerst zonder misselijkheid aan een opleiding.

Niet meteen terug naar mijn oude studie. Alleen iets leren met een begin en een einde. Eva had het over een kort praktijkgericht traject. Ze wilde een deel betalen als we samen iets vonden dat bij het werk paste.

Toch reed ik eerst naar de HAN.

Ik had een afspraak gemaakt om te bespreken wat er van mijn oude resultaten nog bruikbaar was. In de hal stonden studenten met koffiebekers. Iemand rende langs me heen met een laptop onder zijn arm. Ik voelde me veel ouder dan dertig.

De studieadviseur heette Bas. Hij opende mijn dossier en bleef even stil.

‘Er is veel veranderd sinds je hier zat,’ zei hij.

Dat wist ik. Toch had ik gehoopt dat hij een korte route zou aanwijzen. Nog een paar vakken. Een stage. Klaar.

We bespraken mogelijkheden, voorwaarden en wat verder onderzocht moest worden. Sommige behaalde onderdelen konden misschien meewegen. Niets werd aan zijn bureau gegarandeerd. Een terugkeer zou in elk geval veel tijd kosten.

‘Waarom wil je dit diploma nu?’ vroeg hij.

‘Omdat ik anders voor niets heb geleend.’

Hij liet die zin even liggen.

‘Dat geld is al geleend. De vraag is wat een opleiding je vanaf nu kost en oplevert. Ook aan energie.’

Ik vond het een vervelend antwoord. Onderweg naar huis merkte ik dat ik het bleef herhalen.

Bij de praktijkondersteuner, Lotte, vertelde ik dat ik nog steeds droomde over een examen waarvoor ik niets had geleerd.

‘Wat gebeurt er in die droom?’ vroeg ze.

‘Iedereen zit al klaar. Ik weet niet welk lokaal.’

We spraken over hoe snel ik schaamte omzette in uitstellen. Over hoe ik iedere tegenslag behandelde alsof die bewees dat ik nergens geschikt voor was. Ze liet me concrete situaties opschrijven. Wat was er gebeurd? Wat dacht ik? Wat deed ik daarna?

Ik vond dat huiswerk kinderachtig. Ik deed het toch.

Op een avond zat ik bij mijn moeder met een cursusfolder. Twaalf lesavonden. Netwerkbeheer op basisniveau. Een toets en een praktische opdracht. Geen vervanging voor een hbo-diploma.

‘Lijkt het je leuk?’ vroeg ze.

‘Ja.’

‘Kun je het betalen?’

‘Met de bijdrage van Eva. Als ik twee maanden spaar voor de rest.’

‘Dan klinkt dat als een plan.’

Ik draaide de folder om.

‘Pap had gehoopt dat ik zou afstuderen.’

Mijn moeder keek me strak aan.

‘Je vader had gehoopt dat hij langer zou leven. We hebben niet alles gekregen wat we wilden.’

Daarna werd haar stem zachter.

‘Hij zou je niet alleen naar dat diploma hebben gevraagd.’

We zaten een tijdje stil. Toen vroeg ze of ik de printer wilde bekijken. Hij pakte drie vellen tegelijk.

Ik moest lachen. Dat deed pijn en luchtte tegelijk op.

De cursus begon in april. Ik was niet de oudste. Een vrouw uit Elst schoolde zich om na twintig jaar winkelwerk. Een man naast mij beheerde bij een sportvereniging alles met een stekker en wilde weten wat hij eigenlijk deed.

Bij de eerste opdracht blokkeerde ik. De anderen begonnen al te typen.

Ik stak mijn hand op.

‘Kunt u de tweede stap nog eens uitleggen?’

De docent kwam naast me staan. Niemand draaide zich om. Niemand zuchtte.

Later die avond maakte ik de opdracht af. Thuis legde ik mijn cursusmap naast de grijze map met rekeningen. Ze namen samen bijna de hele plank in.

Ik liet ze allebei staan.

Hoofdstuk 7

Wat ik nu draag

Een jaar na de brief stond ik opnieuw aan dezelfde keukentafel. De kapper beneden was bezig. Het glas in mijn kastje trilde nog steeds.

Mijn huur was betaald. De achterstand bij de zorgverzekeraar was weggewerkt. Voor twee andere rekeningen liep nog een regeling. Op mijn spaarrekening stond zeshonderdtwaalf euro.

Mijn studieschuld was niet spectaculair kleiner geworden. Door de rente kon het totaal pijnlijk traag dalen of zelfs stijgen als mijn aflossing laag was. Dat bleef moeilijk om te zien. Mijn maandbedrag was na beoordeling van mijn inkomen aangepast aan mijn situatie. Ik controleerde nieuwe berichten en zette geld apart volgens mijn actuele overzicht.

Het bedrag beheerste niet meer iedere ochtend. Sommige ochtenden wel.

Vooral als vrienden een huis kochten.

In een groepsapp stuurde een oud-klasgenoot een foto van sleutels op een stenen aanrecht. Iedereen reageerde met felicitaties. Ik ook. Daarna legde ik mijn telefoon weg en was een uur lang jaloers.

Ik had geleerd dat ik daar niet meteen een betere persoon van hoefde te maken. Ik mocht blij voor hem zijn en verdrietig over mezelf. Zolang ik daarna maar weer mijn eigen dag inging.

Bij Herstart ICT werkte ik inmiddels tweeëndertig uur. Mijn tijdelijke contract was verlengd. Geen vaste aanstelling, nog niet. Eva wilde eerst weten of de nieuwe zakelijke klanten bleven.

‘Ik ga je niets beloven wat ik niet zeker weet,’ zei ze.

Dat kon ik waarderen, al had ik liever zekerheid gekregen.

Mijn cursus had ik gehaald. Bij de praktische toets maakte ik één fout in de instellingen. Ik vond hem terug door rustig opnieuw te beginnen. Het certificaat lag thuis in een la. Niet omdat ik me ervoor schaamde. Ik had gewoon geen lijst gekocht.

Op een donderdag liep er een jongen de werkplaats binnen voor een kennismaking. Hij heette Dani, was drieëntwintig en zocht werk. Eva vroeg of ik hem een rondleiding wilde geven.

Bij de reparatietafel vertelde hij dat hij met zijn opleiding was gestopt.

‘Ik moet gewoon even iets doen,’ zei hij. ‘Later kijk ik wel verder.’

Ik herkende de toon. Te luchtig. Alsof hij zijn eigen woorden niet wilde laten landen.

‘Wat voor opleiding?’ vroeg ik.

‘Informatica.’

Hij keek naar mijn schroevendraaier.

‘Ik heb het nogal verprutst.’

Ik legde het gereedschap neer.

‘Ik ben ook zonder diploma gestopt.’

Hij keek op.

Ik vertelde niet alles. Geen bedragen. Geen verhaal waarin ik inmiddels alles begreep.

‘Als er geldproblemen bij zitten, wacht dan niet te lang met hulp vragen,’ zei ik. ‘Dat wachten heeft mij veel gekost.’

Hij knikte. Daarna liet ik hem zien hoe we apparaten registreerden. Eén tegelijk.

Die zaterdag hielp Noor me een tweedehands kast ophalen in Velp. Mijn oude kast zakte aan één kant door. We leenden een busje van haar buurman en kregen het nieuwe gevaarte met veel gevloek de trap op.

‘Je volgende huis heeft een lift,’ hijgde ze.

‘Mijn volgende huis heeft eerst toestemming van mijn begroting nodig.’

Ze ging op de bovenste trede zitten.

‘Hoe gaat het echt?’

Ik zette een glas water naast haar neer.

Vroeger had ik goed gezegd. Of druk. Allebei woorden waar je weinig aan kon controleren.

‘Meestal beter. Ik slaap meer. Ik schrik nog van onbekende nummers. En ik ben bang dat mijn contract straks toch stopt.’

‘Wat doe je dan?’

Ik dacht na.

‘Meteen aanvragen waar ik recht op heb. Mijn uitgaven aanpassen. Bellen voordat ik achterloop. En ander werk zoeken.’

Het klonk niet heldhaftig. Het klonk uitvoerbaar.

Toen de kast stond, stopte ik de grijze map op de onderste plank. Mijn cursusmap kwam erboven. Ernaast bleef ruimte over.

Maandagochtend fietste ik naar Arnhem Centraal. In mijn rugzak zaten brood, een regenjas en een laptop van de zaak. Bij het stoplicht voelde ik mijn telefoon trillen. Een melding dat er een nieuw bericht klaarstond.

Ik voelde de oude spanning in mijn buik. Die was niet weg.

Op het perron opende ik het bericht. Ik las het helemaal. Daarna noteerde ik wat ik die avond moest controleren.

De trein naar Nijmegen kwam binnen. Ik stopte mijn telefoon weg en stapte in.

Mijn schuld ging mee. Mijn lunch ook. En om negen uur wachtte er werk dat ik inmiddels kon.