Naar de inhoud
Terug naar het boek

Mantelzorg en ouder worden

Elke zondag naar het verpleeghuis

Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.

Hoofdstuk 1

Elke zondag naar het verpleeghuis — De bel

Mijn moeder drukte op de bel toen ik binnenkwam. Ze zat naast haar bed, met haar jas aan en haar handtas op schoot.

‘Mooi. Je bent er. We kunnen gaan.’

Het was zondag, tien over elf. Buiten sloeg de regen tegen de ramen van verpleeghuis De Esdoorn in Zutphen. Ik had twee tompoucen meegenomen. De doos werd zacht tussen mijn vingers.

‘Waarheen?’ vroeg ik, hoewel ik het wist.

‘Naar huis, Nora. Waar anders?’

Mijn moeder heette Ria van Dalen. Ze was eenentachtig en woonde sinds drie weken op de afdeling voor mensen met dementie. Volgens haar kwam ze hier alleen aansterken. Volgens de arts kon ze niet meer zelfstandig wonen. Volgens mij waren beide verhalen onverdraaglijk.

Ik zette de doos op haar nachtkastje.

‘We drinken eerst koffie.’

Ze keek naar mijn handen.

‘Je hebt de autosleutels toch?’

Ik knikte. Dat had ik beter niet kunnen doen.

Ze stond meteen op. Haar rollator stond tegen de muur, buiten bereik. Ik greep haar elleboog. Ze trok zich los.

‘Niet zo knijpen.’

Verzorgende Fatima verscheen in de deuropening. Ze zag mijn moeder, haar jas, mijn gezicht.

‘Ria, zullen we eerst die natte schoenen van Nora laten drogen?’

‘Ze heeft een auto. Haar schoenen zijn niet nat.’

Mijn moeder was verward. Dom was ze niet.

Fatima bleef bij de deur staan. ‘U wilt graag weg.’

‘Eindelijk iemand die luistert.’

Ik voelde mijn nek warm worden. Ik luisterde al jaren. Naar telefoontjes over verdwenen geld. Naar klachten over de buurvrouw die zogenaamd haar lakens verwisselde. Naar dezelfde vraag, acht keer tijdens één avondeten. Toch was ik nu degene die niet luisterde.

‘Mam, je kunt niet naar huis.’

De woorden vielen harder dan ik bedoelde.

Ze keek me recht aan. ‘Dat bepaal jij niet.’

Ik was achtenvijftig. Ik werkte vier dagen op de administratie van een installatiebedrijf in Deventer. Ik had een man, Jeroen, en een dochter die in Utrecht studeerde. Tot een paar jaar geleden dacht ik dat mantelzorg betekende dat je boodschappen deed en meeging naar het ziekenhuis. Ik had geen idee dat het ook betekende dat je tegenover je moeder kwam te staan met haar huissleutel in je eigen jaszak.

Fatima stelde voor om naar de huiskamer te gaan. Mijn moeder weigerde. Dus zaten we met onze jassen aan naast haar bed. Ik sneed de tompoucen met een plastic mes. De room schoof eruit.

‘Je vader lustte die bovenkant altijd,’ zei ze.

Mijn vader was twaalf jaar dood.

‘Ja,’ zei ik.

‘Komt hij straks?’

Ik keek naar Fatima, maar die was alweer nodig op de gang.

‘Niet vandaag.’

Mijn moeder streek haar rok glad. Ik haatte mijn antwoord. Ik haatte ook het vooruitzicht om haar opnieuw te vertellen dat hij dood was. Vorige week had ik dat gedaan. Ze had gehuild alsof de politie net voor de deur stond.

Op de gang riep iemand om hulp. Een kar rammelde voorbij. Mijn moeder duwde haar gebak weg.

‘Je laat me hier toch niet zitten?’

Dat was het moment waarop ik bijna toegaf. Ik zag het voor me. Haar spullen in een tas. De lift naar beneden. Samen naar haar rijtjeshuis in Warnsveld. De gordijnen open. Water opzetten. Gewoon opnieuw beginnen, maar dan beter.

Toen zag ik ook de zwarte pan weer. Het gesmolten handvat. Haar blote voeten op de keukenvloer, midden in januari.

‘Ik blijf tot de lunch,’ zei ik.

Ze draaide haar gezicht naar het raam.

Ik bleef tot halfdrie.

Bij het afscheid hield ze mijn pols vast. Niet hard. Dat maakte het erger.

‘Volgende keer neem je me mee.’

Ik gaf geen antwoord. In de lift hoorde ik mijn eigen adem. Beneden moest ik een code intoetsen om de buitendeur te openen. Mijn vingers trilden zo dat het twee keer misging.

In de auto belde Jeroen.

‘Hoe was het?’

Ik keek naar het lege gebaksdoosje op de passagiersstoel.

‘Goed,’ zei ik.

Daarna verbrak ik de verbinding en sloeg met mijn hand op het stuur. Eén keer. Nog een keer.

Mijn telefoon lichtte op. Een bericht van mijn broer Erik.

Hoe is ma? Stuur even een foto.

Ik legde de telefoon omgekeerd neer. Toen bleef ik zitten tot de voorruit helemaal beslagen was.

Hoofdstuk 2

De zwarte pan

De pan stond nog op het aanrecht toen ik drie dagen later haar huis binnenging. Niemand had hem weggegooid. Ik ook niet. De bodem was kromgetrokken. Aan het handvat hing een zwarte sliert kunststof.

Ik zette mijn boodschappentas op de grond. Uit gewoonte had ik melk meegenomen. Er woonde niemand meer die melk dronk.

Zes maanden eerder was de eerste echte waarschuwing gekomen. Een medewerker van de bank belde mijn moeder terwijl ik bij haar was. Ze had geprobeerd achtduizend euro over te maken naar een man die haar cv-ketel zou vervangen. Ze had geen afspraak met een installateur gehad.

‘Een keurige meneer,’ zei ze.

‘Hoe heette hij?’

‘Dat weet ik toch niet uit mijn hoofd.’

Ik had haar telefoon afgepakt. Ze sloeg naar mijn hand. Later schaamde ik me voor mijn boosheid. Toen was ik vooral woedend geweest om het gemak waarmee een vreemde haar huis was binnengekomen.

Daarna volgden de pillen. Ze nam ze niet, of twee keer. Ik kocht een medicijndoos. Zij haalde alles eruit en sorteerde de tabletten op kleur.

De huisarts verwees haar naar de geheugenpoli. Na de onderzoeken kwam er een diagnose. Alzheimer, met daarnaast schade aan kleine bloedvaten in haar hersenen. De arts sprak rustig. Mijn moeder keek naar zijn schoenen.

Buiten zei ze: ‘Die man heeft haast.’

‘Hij heeft bijna een uur met ons gepraat.’

‘Dan kan hij nog steeds haast hebben.’

We regelden thuiszorg. Eerst één bezoek per dag. Later drie. Ik deed de boodschappen, de was, de administratie en alles wat tussen die bezoeken misging. De buurvrouw, Els, keek ’s avonds of het licht brandde. Erik belde vanuit Breda. Hij had een drukke baan. Dat zei hij niet als excuus. Het klonk alleen steeds als een excuus.

Op de avond van de pan zat ik bij mijn dochter Sanne in Utrecht. Ze had pasta gemaakt in haar studentenhuis. Voor het eerst in weken lag mijn telefoon niet naast mijn bord.

Toen ik hem pakte, had ik zeven gemiste oproepen.

Els nam meteen op.

‘De brandweer is geweest. Ze leeft. Schrik niet.’

Ik schrok juist van die volgorde.

Mijn moeder had aardappels opgezet zonder water. Daarna was ze naar boven gegaan om zich aan te kleden voor haar werk. Ze was al negentien jaar met pensioen.

Els had het rookalarm gehoord door de muur.

Toen ik aankwam, zat mijn moeder op een keukenstoel. Een brandweerman stond naast haar. Ze droeg een blouse over haar nachtjapon.

‘Een hoop drukte om niks,’ zei ze.

Ik zakte door mijn knieën om haar voeten te bekijken. Er zaten geen brandwonden. Alleen koude tenen en een afgebroken nagel.

‘Waarom belde je mij niet?’ vroeg ze.

Ik keek op.

‘Ik was er niet, mam.’

‘Dat merk ik.’

Die nacht sliep ik op haar bank. Om kwart over twee wilde ze naar buiten. Om vier uur zocht ze haar moeder. Om zes uur zette ik koffie en huilde ik boven de gootsteen, zodat ze me niet hoorde.

De casemanager kwam die middag. Ze heette Marleen en had een fietstas bij zich. Dat gewone detail staat me nog bij. Iemand zette een fietstas op de grond en vertelde mij dat we het thuis niet meer veilig kregen.

Er volgde een tijdelijke opname. Daarna een indicatie, formulieren, gesprekken en een plek in De Esdoorn. Mijn moeder zei eerst ja tegen een paar weken rust. Vervolgens vergat ze dat gesprek.

Nu stond ik weer in haar keuken. Ik pakte de pan op en liep ermee naar de afvalbak. Halverwege bleef ik staan.

Mijn telefoon ging. Erik.

‘We moeten het huis binnenkort bespreken,’ zei hij. ‘Leeg laten staan kost ook geld.’

‘Ik ben er nu.’

‘Mooi. Kun je meteen foto’s maken voor de makelaar?’

Ik keek naar de kalender aan de muur. Bij elke zondag stond in moeders handschrift mijn naam. NORA, in blauwe hoofdletters.

‘Nee.’

‘Ik bedoel niet dat het vandaag verkocht moet worden.’

‘Kom zaterdag hierheen.’

Hij zweeg even. ‘Deze zaterdag?’

‘Ja. Dan kijken we samen.’

Na het gesprek gooide ik de pan weg. De klap tegen de bodem van de container was zo hard dat Els door het raam keek.

Ik stak mijn hand op. Ze kwam naar buiten en vroeg niets. Ze pakte de melk uit mijn tas en nam me mee naar haar keuken.

Hoofdstuk 3

Zestien gemiste oproepen

Op een donderdag kreeg ik zestien oproepen tussen negen en elf. Mijn moeder had nog een eenvoudige mobiele telefoon. Er stonden drie nummers in. Die van mij, die van Erik en die van de afdeling. Ze koos altijd mij.

Ik zat op mijn werk tegenover een scherm vol openstaande facturen. Bij de eerste oproep nam ik op.

‘Ze hebben mijn portemonnee gestolen.’

‘Die ligt waarschijnlijk in je handtas.’

‘Denk je dat ik achterlijk ben?’

Bij de derde oproep belde ik de afdeling. Een medewerker vond de portemonnee in een kussensloop. Bij de zevende vertelde mijn moeder dat ze opgesloten zat. Bij de twaalfde nam ik niet meer op.

Toen stuurde ze een voicemail. Vier seconden stilte. Daarna: ‘Nora?’

Meer niet.

Ik luisterde hem zes keer af.

Mijn collega Anja legde een dossier naast me.

‘Je hebt hetzelfde bedrag twee keer betaald.’

‘Dat herstel ik.’

‘Dat weet ik. Maar gaat het?’

Ik zei dat ik slecht had geslapen. Dat was waar, maar niet het hele verhaal. Ik sliep met mijn telefoon onder mijn kussen. Ik schrok van onbekende nummers. In de supermarkt vergat ik waarvoor ik kwam. Als Jeroen vroeg wat we aten, hoorde ik een extra opdracht.

Die avond vond hij me op de overloop. Ik zat met een mand schone was tussen mijn knieën.

‘Waarom zit je hier?’

‘Ik weet niet meer in welke kast dit moet.’

Het was ons eigen beddengoed.

Hij ging twee treden lager zitten.

‘Dit kan zo niet, Noor.’

‘Dat weet ik ook wel.’

‘Ik mis je.’

Dat maakte me boos. Mijn moeder wilde naar huis. Mijn broer wilde foto’s. Mijn baas wilde foutloze cijfers. Nu wilde mijn man mij ook nog missen.

‘Wat moet ik dan laten vallen?’ vroeg ik.

‘Dat weet ik niet. Maar niet alles hoeft bij jou.’

Ik stond op, trok de mand langs hem heen en liep naar boven. Pas later zag ik dat er een laken op de trap was blijven liggen. Hij had het opgevouwen en op mijn kussen gelegd.

Vrijdag belde ik Marleen. Ik verwachtte tips over telefoontijden. Ze vroeg eerst wanneer ik voor het laatst naar mijn eigen huisarts was geweest.

‘Ik ben niet ziek.’

‘Je hoeft niet ziek te zijn om hulp nodig te hebben.’

Ik kreeg die middag een afspraak. Mijn huisarts vroeg naar slapen, eten en concentratie. Bij de vraag of ik nog plezier had in dingen, begon ik te huilen. Niet netjes. Mijn neus liep en ik kreeg mijn adem nauwelijks terug.

We spraken af dat ik ook met de praktijkondersteuner zou praten. Op mijn werk vertelde ik mijn leidinggevende wat er speelde. We regelden tijdelijk andere uren en minder taken met strakke deadlines. Geen wonderoplossing. Wel ruimte om niet elke dag achter mezelf aan te rennen.

Zaterdag kwam Erik naar Warnsveld. Hij stond in de hal met twee koffies en een rol vuilniszakken.

‘Goed voorbereid,’ zei ik.

Hij hoorde de toon. ‘Zeg het maar.’

Dus zei ik het. Over de nachten. Over de bank. Over het regelen van incontinentiemateriaal tijdens mijn lunchpauze. Over zijn berichten met de vraag hoe het ging, waarop ik vervolgens een verslag moest schrijven.

Hij zette de koffie neer.

‘Waarom heb je niet eerder gezegd dat het zo erg was?’

‘Omdat ik dacht dat je zelf ook kon komen kijken.’

We stonden tussen moeders schoenen. Er zat modder aan haar blauwe laarzen. Geen van ons zei iets.

Toen zei Erik: ‘Ik heb het kleiner gemaakt. In mijn hoofd. Omdat jij het steeds oploste.’

Ik wilde meteen antwoorden dat dit wel erg makkelijk was. Maar hij pakte zijn agenda.

We verdeelden geen vage verantwoordelijkheid. We verdeelden taken. Hij nam de administratie, verzekeringen en contacten over het huis. Hij zou om de zaterdag komen. Ik bleef eerste contactpersoon voor zorgvragen, met hem als vervanger.

Later maakten we met de afdeling afspraken over haar telefoontjes. Niet elke onrust vroeg om mijn komst. Zij zouden haar helpen en mij bellen bij medische problemen of onrust die aanhield.

Die nacht legde ik mijn telefoon op het nachtkastje, met belangrijke nummers doorgeschakeld door de stille stand.

Om drie uur werd ik wakker en greep onder mijn kussen.

Het was leeg.

Ik bleef nog lang wakker. Maar ik belde niemand.

Hoofdstuk 4

Niet zomaar onrust

De zondag daarop zat mijn moeder niet bij het raam. Haar stoel was leeg. In de huiskamer stond de televisie hard. Een man sloeg met een lepel op tafel.

Ik vond haar in bed.

‘Ze is moe vandaag,’ zei een medewerker die ik niet kende.

Mijn moeder sliep overdag wel vaker. Toch klopte er iets niet. Haar mond stond open. Op het kastje stond een volle beker thee. Daarnaast lag haar ontbijt, onaangeroerd onder een deksel.

‘Mam?’

Ze opende haar ogen en keek langs me heen.

‘Haal die kinderen weg.’

Er waren geen kinderen.

Ik ging op de bedrand zitten. Haar hand voelde warm. Toen ik het dekbed opzij schoof, kreunde ze.

‘Heeft er al iemand naar haar gekeken?’ vroeg ik.

‘Bij de overdracht werd gezegd dat ze vannacht onrustig was.’

‘Dit is anders dan onrust.’

De medewerker trok haar wenkbrauwen op. Meteen schaamde ik me voor mijn scherpe stem. Maar ik ging niet zachter praten.

‘Ze praat anders. Ze drinkt niet. En ze heeft pijn.’

De verpleegkundige kwam. Ze mat haar temperatuur, bloeddruk en zuurstofgehalte. Mijn moeder duwde haar hand weg en begon te vloeken. Dat deed ze vroeger ook als de naaimachine vastliep. Nu klonk het alsof ze bang was.

De dienstdoende arts werd gebeld. Terwijl we wachtten, probeerde ik haar een slokje water te geven. Ze verslikte zich. De verpleegkundige nam de beker rustig van me over.

‘Even niet forceren.’

Ik voelde me tegelijk overbodig en onmisbaar. Ik kende haar gezicht. Ik wist niet wat ik moest doen.

De arts onderzocht haar. Hij vermoedde een delier: plotselinge verwardheid door een lichamelijk probleem. Hij vertelde wat ze zouden controleren en behandelen. Later bleek een infectie waarschijnlijk de oorzaak, samen met te weinig vocht. Ze kreeg medicijnen en een plan voor drinken, observatie en herbeoordeling.

‘Moet ze naar het ziekenhuis?’ vroeg ik.

‘Op dit moment kunnen we haar hier behandelen. Als haar toestand verandert, beoordelen we dat opnieuw.’

Ik belde Erik. Hij nam niet op. Ik stuurde: Bel nu. Ma ziek.

Binnen twee minuten ging mijn telefoon.

‘Ik kom,’ zei hij.

‘Het is twee uur rijden.’

‘Dan ben ik er over twee uur.’

Ik ging naast het bed zitten. Mijn moeder plukte aan het laken.

‘Je moet naar de winkel,’ zei ze.

‘Wat hebben we nodig?’

‘Niet vergeten.’

‘Nee.’

Ik wist niet wat ik niet mocht vergeten. Ik schreef het toch op in het schrift dat op haar nachtkastje lag: vandaag plotseling veel suffer, pijn, weinig gedronken. Niet om iemand te controleren. Ik was bang dat ik straks zelf niet meer wist wat er gebeurd was.

Erik kwam met broodjes die niemand at. Hij bleef toen ik naar buiten ging om lucht te halen. Op een bankje bij de ingang belde ik Jeroen.

‘Ik had eerder moeten komen.’

‘Je was er donderdag nog.’

‘Misschien begon het vrijdag.’

‘Dat kon jij niet weten.’

Ik hoorde hem iets neerzetten. ‘Zal ik naar je toe komen?’

Voor het eerst zei ik ja zonder eerst te zeggen dat het niet nodig was.

Mijn moeder knapte niet meteen op. Maandag bleef ze verward. Dinsdag dronk ze een halve beker bouillon en vroeg ze waarom Erik zo dik was geworden. Hij stuurde me die opmerking per bericht. Ik lachte hardop in de supermarkt.

Een week later hadden we een gesprek met de contactverzorgende en de arts. Ik vertelde hoe makkelijk haar verandering eerst onder dementie was geschoven. De contactverzorgende knikte.

‘We moeten beter vastleggen wat voor haar normaal is. En wat jullie opvalt serieus meenemen.’

We beschreven haar gewone gedrag. Hoe ze praatte. Hoeveel ze meestal dronk. Hoe pijn zich bij haar kon uiten. We maakten afspraken over wie belde en wanneer.

Daarna vroeg de arts naar haar wensen rond ziekenhuisopname en behandelingen bij ernstige achteruitgang. Niet alles hoefde die dag besloten. Ik was blij dat hij dat erbij zei.

Thuis zocht ik het schriftje waarin mijn moeder vroeger belangrijke zaken noteerde. Tussen telefoonnummers stond één zin: Niet eindeloos rekken als ik niet meer beter kan worden.

Ik las hem drie keer. Daarna belde ik Erik. Dit gesprek gingen we niet uitstellen tot de volgende crisis.

Hoofdstuk 5

De lege kamers

In april haalden we het huis leeg. Niet in één weekend, zoals Erik eerst had voorgesteld. In vier zaterdagen. Zelfs dat bleek haastwerk.

Op de eerste ochtend stonden we voor de linnenkast. Mijn moeder had elk stapeltje voorzien van een briefje. HANDDOEKEN GOED. HANDDOEKEN OUD. VOOR DE RAMEN.

‘Wie bewaart er versleten washandjes?’ vroeg Erik.

‘Wij blijkbaar.’

Hij hield er één omhoog. Er zat een gat in waar drie vingers doorheen konden. We lachten. Daarna begon hij onverwacht te huilen.

Ik had mijn broer sinds de begrafenis van onze vader niet zien huilen. Hij draaide zich om en deed alsof hij iets uit de kast moest pakken.

‘Laat maar,’ zei ik.

‘Wat?’

‘Dat verstoppen.’

Hij ging op het logeerbed zitten. Ik bleef staan met een stapel moltons in mijn armen. Zo zaten en stonden we een tijdje.

We hielden allebei andere dingen vast. Erik wilde de radio van onze vader. Ik wilde de aardappelschilmesjes van mijn moeder. Drie dunne mesjes met kromme houten handvatten. Jeroen zei later dat ze gevaarlijk bot waren. Ik legde ze toch in onze keukenla.

In een schoenendoos vond ik oude loonstroken van de wasserij waar mijn moeder had gewerkt. Daaronder zat een foto. Ria op een brommer, met een leren jas en een sigaret tussen haar vingers. Achter haar stond een vrouw die ik niet kende.

Op zondag nam ik de foto mee.

Mijn moeder hield hem vlak bij haar gezicht.

‘Dat is Bep.’

‘Van je werk?’

‘Nee, gek mens. Van dansles.’

Ze wees naar de brommer.

‘Die was van haar broer. We mochten er niet op.’

‘Maar jullie deden het toch.’

Ze keek me aan. ‘Hij werkte op zaterdag.’

Even was ze niet iemand die ik moest helpen met drinken. Ze was een vrouw die wachtte tot een broer van huis was en dan zijn brommer pakte.

Ik wilde meer vragen. Waar ze reden. Of mijn vader het wist. Wat er van Bep geworden was. Maar mijn moeder legde de foto neer en vroeg of de hond al eten had gehad. Wij hadden nooit een hond gehad.

Ik liet de vragen zitten.

Het moeilijkst was haar slaapkamer. In de onderste lade lag een envelop met mijn naam erop. Mijn hart sloeg sneller. Ik verwachtte een brief, iets wat alles misschien draaglijker zou maken.

Er zaten garantiebewijzen in van een stofzuiger die ik haar tien jaar eerder had gegeven.

Ik moest zo hard lachen dat Erik kwam kijken.

‘Wat is er?’

‘Niks. Alleen administratie.’

We maakten drie groepen: bewaren, weggeven, weg. Toch verhuisden spullen steeds van de ene groep naar de andere. Een ovenschaal ging eerst weg en daarna mee naar mijn huis. Zes dozen kerstversiering werden één doos. De kapotte staande lamp bleef kapot, hoe lang ik er ook naar keek.

Voor de verkoop tekenden we niet zomaar namens haar. Erik zocht samen met de notaris uit wat we volgens haar levenstestament mochten doen. Ik was opgelucht dat hij het regelde. Ik controleerde niet eens elke mail.

Toen de kamers leeg waren, liep ik voor de laatste keer door het huis. Zonder meubels klonk elke stap vreemd. Op het behang achter het dressoir zat een lichte rechthoek. In het kozijn stonden de lengtestreepjes van Sanne, die hier na school vaak was geweest.

Ik maakte een foto van die streepjes. Niet van de lege kamers.

Buiten gaf ik Els de reservesleutel terug die zij aan haar sleutelbos had gedragen. Ze hield hem even vast.

‘Ze zat altijd om halfacht aan de keukentafel,’ zei ze. ‘Ik keek toch elke ochtend.’

Die zondag vroeg mijn moeder opnieuw naar huis.

Ik vertelde niet dat er bezichtigingen gepland stonden. Dat nieuws zou haar alleen opnieuw laten schrikken, zonder dat ze het kon vasthouden.

‘Wat mis je het meest?’ vroeg ik.

‘Mijn eigen stoel.’

De stoel stond opgeslagen bij Erik.

Woensdag brachten we hem naar De Esdoorn. Een bruine stoel met versleten armleuningen. De technische medewerker keek of hij stevig en veilig stond.

Mijn moeder ging zitten, schoof twee keer met haar billen en wees naar de lamp.

‘Die moet aan de andere kant.’

Ik verplaatste hem. Voor één keer kon ik precies doen wat ze vroeg.

Hoofdstuk 6

Een zondag zonder mij

In mei vroeg Sanne of ik mee wilde naar haar diploma-uitreiking. Die was op vrijdag. Daarna wilde ze met ons een weekend naar Terschelling. Ze had een goedkoop huisje gevonden en alles al uitgerekend.

‘Ook zondag?’ vroeg ik.

Aan de andere kant van de lijn werd het stil.

‘Ja, mam. Een weekend heeft meestal een zondag.’

Ik hoorde mijn eigen stem al uitleggen waarom het niet kon. Mijn moeder rekende op me. Zondag was onze vaste dag. Als ik niet kwam, zou ze misschien weer onrustig worden.

Sanne onderbrak me niet. Dat was erger dan boos worden.

‘Ik kijk even,’ zei ik.

Die avond vertelde ik het aan Jeroen.

‘Je wilt mee,’ zei hij.

‘Natuurlijk wil ik mee.’

‘Zeg dan ja.’

‘Zo simpel is het niet.’

‘Nee. Maar het antwoord kan wel simpel zijn.’

Ik belde Erik. Hij kon die zondag naar onze moeder. Zijn eerste reactie was niet dat hij het druk had. Hij vroeg hoe laat ze meestal koffie kreeg.

Toch sliep ik er slecht van.

Bij mijn volgende bezoek vertelde ik Fatima over het weekend. We stonden bij het kastje met schone handdoeken.

‘Fijn,’ zei ze.

‘Ze is gewend dat ik op zondag kom.’

‘Dan komt uw broer.’

‘Maar als ze om mij vraagt?’

‘Dan zeggen we dat u een paar dagen weg bent en terugkomt.’

Ik hoorde de eenvoud van haar antwoord. Mijn hoofd bleef zoeken naar iets wat ik vergeten was.

Vrijdag zat ik in een zaal in Utrecht. Sanne liep naar voren om haar diploma op te halen. Ze droeg een groen pak dat ik nog niet had gezien. Toen ze zich naar de zaal draaide, stak ze kort haar hand op.

Ik klapte met mijn telefoon in mijn tas.

Op de boot naar Terschelling stond ik buiten. Jeroen haalde koffie. Sanne wees naar een zeehond, maar ik zag alleen een donkere stip. Het waaide hard. Voor het eerst in maanden dacht ik een paar minuten nergens over na.

Zondagochtend ging ik om halfelf rechtop zitten op de bank in het huisje.

‘Nu zou ik vertrekken,’ zei ik.

Jeroen keek op van zijn boek.

‘Ik weet het.’

Om elf uur controleerde ik mijn telefoon. Geen bericht. Om kwart over elf opnieuw. Om half twaalf belde ik Erik.

Hij nam fluisterend op.

‘We zitten bij het zingen.’

‘Hoe is ze?’

‘Ze vindt dat ik vals zing.’

Op de achtergrond hoorde ik mijn moeder: ‘Je zingt ook vals.’

‘Ik bel later,’ zei hij.

Ik bleef met de telefoon in mijn hand zitten. Het deed pijn dat het zonder mij ging. Ik had gedacht dat alleen het omgekeerde pijn zou doen.

Die middag huurden we fietsen. Mijn benen waren minder sterk dan ik me herinnerde. Bij een duinpad stapte ik af. Sanne wachtte bovenaan.

‘Je hoeft niet op me te wachten,’ riep ik.

‘Dat weet ik.’

Ze bleef staan.

We aten broodjes op een bank. Ik vertelde haar dat ik bang was mijn moeder tekort te doen.

Sanne trok een stukje korst los.

‘Ik mis oma zoals ze vroeger was,’ zei ze. ‘Maar ik mis jou soms ook.’

Ik wilde uitleggen hoe ingewikkeld alles was. Toen dacht ik aan Jeroen op de trap.

‘Dat snap ik,’ zei ik.

We spraken af om eens per maand samen te eten. Niet als harde afspraak die nooit mocht verschuiven. Wel iets wat niet automatisch als eerste zou sneuvelen.

Maandag stuurde Erik een foto. Mijn moeder zat in haar bruine stoel. Op haar schoot lag een tijdschrift, ondersteboven. Ze keek geërgerd naar de camera. Daaronder stond: Ze vond mijn bloemen te duur. Het gaat redelijk.

Ik bewaarde de foto.

Toen ik haar woensdag bezocht, vroeg ze niet waar ik zondag was geweest. Ze vroeg of ik haar vest wilde dichtmaken. Mijn afwezigheid had vooral in mijn eigen hoofd lawaai gemaakt.

Ik vertelde over de boot. Ze luisterde even en streek daarna over mijn hand.

‘Je bent bruin.’

Het was nauwelijks waar. Toch zei ik: ‘Ja. We hadden goed weer.’

Daarna zaten we samen bij het raam. Ik hoefde het weekend niet goed te maken door langer te blijven. Om halfvier ging ik naar huis.

Hoofdstuk 7

Tot volgende week

In september viel mijn moeder naast haar bed. Ik werd om kwart voor zeven gebeld. Geen breuk, voor zover ze toen konden beoordelen. Wel een wond aan haar wenkbrauw en veel schrik. De arts zou haar onderzoeken en de medewerkers hielden haar goed in de gaten.

Mijn lijf wilde meteen naar Zutphen. Ik stond al met één been in mijn broek toen ik vroeg wie er bij haar was.

‘Fatima zit nu bij haar,’ zei de verpleegkundige. ‘Ze drinkt thee.’

Ik ging die ochtend. Maar ik belde eerst mijn werk en at een boterham. Dat leek een onbelangrijk verschil. Voor mij was het groot.

Mijn moeder zat in haar stoel met een pleister boven haar oog.

‘Je moet die losse tegel laten maken,’ zei ze.

Er lag geen losse tegel. Ik knikte niet meer automatisch met alles mee.

‘Je bent gevallen. Dat was schrikken.’

Ze keek naar haar handen.

‘Mijn benen doen het niet goed.’

‘Nee. Niet altijd.’

Ik ging naast haar zitten. Soms kon ik haar alleen geruststellen. Soms kon ik samen met haar vaststellen dat iets beroerd was.

Ze ging langzaam achteruit. Ze had vaker hulp nodig bij eten. Haar zinnen werden korter. Op sommige dagen noemde ze me bij de naam van haar zus. Op andere dagen wist ze precies dat ik haar dochter was, maar niet meer hoe ik heette.

Dat bleef pijn doen. Er kwam geen moment waarop ik eraan gewend raakte en alles rustig werd.

Wel veranderde mijn manier van komen.

Ik nam niet meer elke zondag een tas vol plannen mee. Geen puzzel omdat puzzelen goed zou zijn. Geen fotoalbum dat we verplicht moesten doorwerken. Ik kwam met iets kleins. Een peer. Een zachte borstel. Een tijdschrift met grote foto’s van tuinen.

Als ze sliep, liet ik haar soms slapen. Dan dronk ik koffie in de huiskamer en sprak ik met Henk, wiens vrouw op dezelfde afdeling woonde. Hij kwam bijna dagelijks. Eerst schaamde ik me naast hem om mijn ene vaste zondag.

‘Mijn huis is hier om de hoek,’ zei hij toen ik dat voorzichtig vertelde. ‘En ik heb geen werk meer. Je moet niet mijn agenda proberen te halen.’

We praatten daarna over iets anders. Over de wegwerkzaamheden bij de brug. Dat was prettig.

Erik hield zich meestal aan zijn zaterdagen. Niet altijd. Een keer moest hij afzeggen en voelde ik meteen mijn oude woede. We belden erover. Hij regelde een ander bezoekmoment. Ik nam het niet automatisch over.

Met de arts bespraken we de wensen van mijn moeder opnieuw. Haar eerdere uitspraken, haar huidige toestand en wat behandelingen haar nog konden brengen. De afspraken kwamen in haar dossier. Er bleef ruimte om bij een nieuwe situatie opnieuw te kijken.

Ik vond dat geen prettig gesprek. Daarna wist ik wel dat ik bij een nachtelijk telefoontje niet helemaal vanaf nul hoefde te beginnen.

Op een zondag in oktober was het droog. Ik duwde mijn moeder in een rolstoel naar de binnentuin. Ze kon korte stukjes lopen, maar werd snel moe. Om haar knieën lag een deken.

Bij een plantenbak vroeg ze of ik wilde stoppen.

‘Die moet je eruit halen.’

Ze wees naar een uitgebloeide bloem.

Ik brak het droge kopje af en legde het in mijn hand.

‘Zo?’

‘De rest ook.’

Tien minuten lang gaf ze aanwijzingen. Ik haalde dode bloemen weg. Bij een takje dat volgens haar nog goed was, kreeg ik op mijn vingers getikt.

‘Niet alles slopen, Nora.’

Mijn naam. Gewoon, midden in een ergernis.

Ik keek niet op. Ik wilde er geen proef van maken. Geen extra vragen stellen om te weten hoeveel ze nog wist.

‘Ik zal opletten,’ zei ik.

Binnen hielp ik haar weer in haar stoel. Ze was moe. Fatima kwam vragen of ze soep wilde. Mijn moeder koos tomaat, hoewel er alleen groentesoep was.

‘We kijken wat er is,’ zei Fatima.

Ik pakte mijn jas.

‘Ga je al?’ vroeg mijn moeder.

‘Ja. Ik ga naar Jeroen. We gaan wandelen.’

Ze trok aan de rand van haar vest. Ik wachtte op de vraag om mee te mogen. Die kwam niet.

‘Volgende week ben ik er weer,’ zei ik.

Buiten bleef ik even staan om mijn jas dicht te doen. Mijn telefoon zat in mijn tas. Het geluid stond aan.

Toen liep ik naar de auto. Ik had verdriet. Ik had ook trek, en zin om Jeroen te zien.

Voor het eerst vond ik niet dat ik tussen die dingen moest kiezen.