Naar de inhoud
Terug naar het boek

Mantelzorg en ouder worden

Euthanasie en een moeilijk gesprek

Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.

Hoofdstuk 1

Euthanasie en een moeilijk gesprek

Mijn moeder had de deur op de ketting gedaan. Dat deed ze nooit. Ik stond op haar galerij in Amersfoort met twee tassen boodschappen. Binnen piepte iets. Drie korte tonen. Stilte. Weer drie tonen.

‘Mam. Ik ben het. Noor.’

‘Ga weg.’

Ik zette de tassen neer. Door de kier zag ik haar blauwe vest op de grond liggen.

‘Waar ben je?’

‘Naast de tafel.’

‘Ben je gevallen?’

Ze antwoordde niet. Ik belde haar buurman, Henk, die een schroevendraaier kwam brengen. Samen kregen we de beugel van de ketting los. Het hout rond de schroeven was gelukkig zacht. Mijn moeder zat op de vloer. Haar rechterbeen lag vreemd onder haar lijf. Het piepen kwam van de magnetron.

‘Die aardappels kunnen weg,’ zei ze.

Ik knielde naast haar. Ze rook naar urine. Onder haar bril zat een rode plek. Ze was tweeëntachtig en had parkinson. Tot een jaar geleden zei ze dat op dezelfde toon als waarop andere mensen vertelden dat hun fiets een lekke band had. Vervelend. Op te lossen. Inmiddels kon ze soms niet eens naar de gang lopen.

‘Ik bel de huisartsenpost.’

Ze pakte mijn pols. Verrassend hard.

‘Ik wil dat jij nu eens luistert.’

‘Eerst kijken we naar je been.’

‘Ik wil euthanasie.’

Henk bleef in de deuropening staan. Hij keek naar mij, toen naar de magnetron.

‘Zal ik dat ding uitzetten?’ vroeg hij.

Mijn moeder knikte. Dat gewone gebaar maakte de rest nog vreemder.

Ik heet Noor van Dalen. Ik was toen zesenvijftig. Ik werkte vier dagen per week op de administratie van een school in Soest. Mijn zoon Daan woonde in Utrecht. Mijn man, Bas, wist inmiddels dat een etentje met mij kon eindigen met een telefoontje en een haastig aangetrokken jas.

Ik kwam elke ochtend bij mijn moeder. Brood klaarzetten. Controleren of ze haar medicijnen had genomen. Was verzamelen. Soms kwam ik na mijn werk opnieuw. Ik noemde het even langsgaan. Dat klonk kleiner dan wat het was.

De ambulance kwam omdat mijn moeder niet op haar been kon staan. Terwijl de verpleegkundige haar onderzocht, keek ze mij aan.

‘Je hebt me gehoord, toch?’

‘Ja.’

‘Niet straks doen alsof ik in de war was.’

In Meander Medisch Centrum bleek er niets gebroken. Wel een flinke kneuzing en een blaasontsteking. Een arts vroeg of ze veilig naar huis kon. Mijn moeder zei ja. Ik zei niets. Hij keek naar mij. Ik knikte.

Dat knikje heeft me later dwarsgezeten. Ik wist dat het thuis niet veilig was. Ik wist ook dat zij naar huis wilde. En ik wilde geen ruzie op een ziekenhuisgang, om half elf ’s avonds, met mijn moeder in een geleende broek.

Thuis hielp ik haar naar bed. Haar handen trilden zo erg dat ik haar kunstgebit uit het bakje moest pakken toen het ernaast viel. Ze vloekte. Daarna begon ze te huilen.

‘Ga maar,’ zei ze.

‘Ik blijf even.’

‘Dat is het nou juist.’

Ik bleef naast haar bed staan.

‘Jij blijft altijd even. En daarna moet je weer komen. Ik ben een rooster geworden.’

‘Je bent mijn moeder.’

‘Dat maakt het voor mij niet makkelijker.’

Ze draaide haar hoofd weg. Op het nachtkastje lag een folder van de bibliotheek. Een hoekje was afgescheurd. Op de achterkant had ze met bibberige letters geschreven: dokter bellen, niet Noor laten beslissen.

Ik wilde vragen hoelang ze daar al mee bezig was. In plaats daarvan trok ik haar dekbed recht. Ik legde de alarmknop binnen bereik. Ik controleerde het gas, hoewel ze al maanden elektrisch kookte. Daarna ging ik weg.

Beneden, naast de afvalcontainers, belde ik mijn broer Erik in Zwolle.

‘Mam zegt dat ze euthanasie wil.’

Hij zweeg even.

‘Ze heeft een rotdag gehad.’

‘Dat weet ik.’

‘Morgen klinkt het anders.’

Ik keek omhoog. Haar slaapkamerlicht was nog aan.

‘En als dat niet zo is?’

‘We moeten haar niet op ideeën brengen, Noor.’

Ik hing niet op. Ik zei ook niets terug. Achter me sloeg de deur van het portiek dicht. Ik schrok zo hard dat ik mijn telefoon bijna liet vallen.

Toen begreep ik dat dit niet één moeilijk gesprek zou worden.

Hoofdstuk 2

Aan de keukentafel

Drie dagen later zat huisarts De Bruin bij mijn moeder aan de keukentafel. Mijn moeder heette Els. Ze had haar grijze haar gekamd en lippenstift opgedaan. Het kostte haar een halfuur. Ik had koffie gezet en de vieze vaat in de oven verstopt.

‘Vertelt u eens,’ zei de huisarts.

Mijn moeder keek naar mij.

‘Noor gaat eerst zitten. Anders blijft ze lopen.’

Ik ging zitten.

‘Ik wil weten of u mij kunt helpen sterven,’ zei ze.

De Bruin zette haar kopje neer. Ze kende mijn moeder al twaalf jaar.

‘Dat is een belangrijke vraag. Waar wilt u vooral van af?’

‘Van de nachten. Van vallen. Van wachten tot iemand mijn broek komt optrekken. En van haar gezicht.’

Ze wees naar mij.

‘Mijn gezicht?’

‘Je kijkt altijd of er iets mis is.’

Ik voelde mijn wangen warm worden. De huisarts vroeg naar pijn, benauwdheid, slapen en angst. Ze vroeg ook of mijn moeder dacht dat ze haar dochter tot last was.

‘Dat bén ik,’ zei mijn moeder.

‘Maar stel dat er voldoende andere hulp kwam. Zou uw wens dan veranderen?’

‘Misschien iets. Niet alles.’

Het gesprek ging langzamer dan ik wilde. Ik verlangde naar een antwoord. Ja, nee, voorlopig niet. Iets waar ik mijn agenda en mijn angst omheen kon bouwen. De Bruin gaf dat antwoord niet.

Ze legde uit dat euthanasie geen afspraak was die je eenvoudig kon inboeken. Ze moest zorgvuldig onderzoeken wat mijn moeder vroeg en waarom. Of de wens vrijwillig en weloverwogen was. Of er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. Welke redelijke mogelijkheden er nog waren om dat lijden te verlichten. Als het verder kwam, moest ook een onafhankelijke arts haar beoordelen.

‘Een schriftelijke verklaring kan helpen om uw wensen te bespreken,’ zei ze. ‘Maar een handtekening is geen automatische toestemming.’

Mijn moeder tikte op tafel.

‘En u mag nee zeggen.’

‘Ja. Ik kan u vandaag niets toezeggen. Ik kan wel beloven dat ik uw vraag serieus neem.’

Toen vroeg ze of ik hen even alleen wilde laten.

Ik stond te snel op. Mijn knie botste tegen de tafel. Koffie liep over de rand van mijn kopje.

‘Natuurlijk,’ zei ik.

In de slaapkamer vouwde ik handdoeken die al gevouwen waren. Ik hoorde stemmen, maar geen woorden. Het was haar gesprek. Dat wist ik. Toch voelde ik me buitengesloten uit iets waarvoor ik blijkbaar wel steeds beschikbaar moest zijn.

Na afloop vroeg De Bruin of ze mij later mocht bellen. Mijn moeder vond dat goed.

‘Over jou,’ zei de huisarts tegen me. ‘Niet buiten uw moeder om over haar besluit.’

Die middag kwam Erik. Hij droeg een doos gebak alsof er iets te vieren viel. Hij kuste mijn moeder en trok zijn jas niet uit.

‘Zo,’ zei hij. ‘Wat hoor ik nou allemaal?’

‘Wat ik gezegd heb.’

‘Mam, je hebt nog genoeg goede momenten.’

‘Wil jij een lijst?’

Hij keek naar mij.

‘Wat zegt de dokter?’

Ik vertelde het zo precies mogelijk. Toch hoorde hij iets anders.

‘Dus jullie zijn dit aan het regelen.’

‘Niemand regelt hier een sterfdatum,’ zei ik.

‘Jij klinkt er anders nogal zakelijk over.’

Mijn moeder sloeg met haar vlakke hand op tafel. Het geluid was zacht. Haar kracht was op.

‘Praat tegen mij. Ik zit hier.’

Erik ging eindelijk zitten. Zijn jas hield hij aan. Hij zei dat hij bang was. Dat hielp meer dan alles ervoor.

‘Ik ook,’ zei mijn moeder.

Voor het eerst vroeg ik waarvoor precies.

Ze keek naar het raam. Beneden liep een vrouw met een hondje dat bij elke boom stopte.

‘Dat ik straks niets meer kan zeggen. Dat jullie dan over mij praten zoals net. En dat het nog jaren duurt.’

Die avond belde De Bruin mij. Ze vroeg hoeveel ik sliep. Ik zei zes uur. Daarna zei ik vier.

‘En hoeveel uur zorg geeft u?’

‘Ik houd het niet bij.’

‘Ga dat deze week eens doen. Alles telt. Ook bellen, regelen en wakker liggen omdat u denkt dat u moet gaan.’

‘Wakker liggen is geen zorg.’

‘Het is wel belasting.’

Ik pakte een schrift uit de keukenla. Op de eerste bladzijde schreef ik maandag. Daaronder begon ik aan een lijst die niet op één bladzijde paste.

Hoofdstuk 3

De nachttelefoon

Om drie uur zeventien belde mijn moeder. Ik zag het tijdstip voordat ik haar naam zag. Bas draaide zich naast me om.

‘Er staat iemand in de gang,’ fluisterde ze.

Ik zat meteen rechtop.

‘Wie?’

‘Een jongen. Hij wil niet weg.’

‘Doe je slaapkamerdeur dicht. Ik kom.’

Buiten regende het. Bij het eerste verkeerslicht besefte ik dat ze de laatste weken soms schimmen zag. Haar neuroloog had gezegd dat dit met de ziekte of de medicijnen kon samenhangen. Maar weten dat iets kan gebeuren, helpt weinig wanneer je moeder iemand in haar gang hoort ademen.

Er was niemand. Haar rollator stond naast de kapstok. Daarover hing de jas van Daan, die hij vergeten was. Een mouw raakte de vloer.

‘Hij was er echt,’ zei ze.

‘Ik geloof dat jij hem zag.’

Ze werd boos.

‘Dat is niet hetzelfde.’

Ik belde de huisartsenpost. We bespraken wat er veranderd was, of ze koorts had en of ze goed aanspreekbaar was. Omdat ze nu rustig was en ik bleef, maakten we afspraken voor die nacht en voor contact met haar eigen huisarts in de ochtend. Ik sliep op de bank met mijn schoenen naast mijn hoofd.

Om zeven uur moest ik opstaan. Om acht uur moest ik op school zijn. Om kwart over zeven zat mijn moeder op het toilet en kon ze niet omhoog komen.

Ik probeerde haar te helpen zoals de fysiotherapeut me had laten zien. Ze verstijfde. Ik trok toch. Er schoot iets in mijn rug.

‘Verdomme, mam. Werk nou mee.’

Haar gezicht veranderde. Niet boos. Kleiner.

‘Ik probeer het.’

Ik liet haar los, zorgde dat ze stevig zat en stapte de gang in. Daar huilde ik zonder geluid. Daarna belde ik de thuiszorg en mijn werk. Mijn leidinggevende vroeg niet wanneer ik alsnog kwam.

‘Blijf vandaag thuis, Noor. Morgen praten we verder.’

Dat vriendelijke antwoord maakte me nog verdrietiger.

Een week later zat wijkverpleegkundige Farida tegenover ons. Ze had mijn schrift naast zich liggen. Ze las de tijden. Ze keek niet verbaasd. Daar was ik haar dankbaar voor.

‘Dit is niet houdbaar,’ zei ze.

Mijn moeder begon over vreemden in huis.

‘Dat begrijp ik. Maar Noor kan niet tegelijk dochter, nachtdienst en tilhulp zijn.’

We bespraken meer zorgmomenten, hulp bij de medicatie en tijdelijke opvang om mij te ontlasten. Niet alles kon meteen. Er waren wachtlijsten en gaten in de roosters. Farida beloofde geen oplossing voor de volgende ochtend. Wel een concreet plan en een telefoontje op vrijdag.

Mijn moeder vroeg of meer hulp haar euthanasieverzoek zou verzwakken.

Farida schoof het schrift terug.

‘U hoeft geen zorg te weigeren om te laten zien dat u lijdt. En Noor hoeft niet uitgeput te raken om uw wens serieus te maken.’

Ik keek naar mijn handen. Dat had niemand zo helder tegen ons gezegd.

Erik vond telefonisch dat tijdelijke opvang te vroeg kwam.

‘Ze is gehecht aan haar huis.’

‘Kom dan vrijdag tot zondag,’ zei ik.

‘Ik heb zaterdag een afspraak.’

‘Zeg die af.’

Hij zweeg.

‘Je kunt toch niet zomaar—’

‘Ik zeg al twee jaar zomaar dingen af.’

Hij kwam. Ik schreef de medicijntijden op en liet zien waar de schone lakens lagen. Daarna bleef ik bij de voordeur staan met mijn jas aan. Mijn moeder keek televisie. Erik sneed een appel in partjes.

‘Ga nou,’ zei hij.

Thuis ging ik niet meteen iets leuks doen. Ik lag op bed. Bas bracht thee die koud werd. Pas ’s avonds kreeg ik honger.

Zondagochtend belde Erik. Ik nam met een bonzend hart op.

‘Hoe krijg je die hoes om het matras zonder dat het hele bed verschuift?’

‘Je zet eerst de rem erop.’

‘O.’

Even hoorde ik hem ademhalen.

‘Ze is vannacht vier keer wakker geweest.’

‘Ja.’

‘Ik wist niet dat het zo was.’

Ik wilde zeggen dat ik het hem verteld had. Meerdere keren. Ik wilde alle data noemen. In plaats daarvan vroeg ik of hij gegeten had.

Maandag stuurde hij een bericht. Hij kon voortaan elke woensdagavond komen en één weekend per maand. Geen heldhaftige belofte. Wel iets wat hij werkelijk ging doen.

Ik zette zijn naam in mijn agenda. Daarna maakte ik een afspraak bij de fysiotherapeut voor mijn rug.

Hoofdstuk 4

Een kamer verder

Mijn moeder verhuisde in november naar een woonzorgcentrum aan de andere kant van Amersfoort. Niet omdat wij één goed gesprek hadden gevoerd. Er waren nog twee valpartijen geweest. Een nacht waarin ze uren naast haar bed had gezeten. Een ochtend waarop zelfs zij zei dat thuis blijven te veel van iedereen vroeg.

De juiste zorgplek vinden duurde weken. Er kwamen beoordelingen, telefoontjes en formulieren. Ik gaf steeds dezelfde informatie. Op een middag vertelde ik een medewerker het medicatieschema van mijn moeder terwijl ik bij de supermarkt tussen de aardappels stond.

‘Kunt u dat even spellen?’ vroeg de vrouw.

Ik zette mijn mandje neer. Daarna spelde ik langzaam de naam van een middel dat ik inmiddels beter kende dan het telefoonnummer van mijn zoon.

Haar nieuwe kamer had uitzicht op een parkeerplaats en een berk. Ze wilde haar eigen tafel mee. De verhuizer zei dat die te groot was.

‘Dan moet de kast kleiner,’ zei mijn moeder.

De tafel kwam er.

De eerste avond bleef ik tot na achten. Een verzorgende, Joris, kwam vragen hoe mijn moeder naar bed geholpen wilde worden. Hij vroeg het aan haar. Niet aan mij. Ik vond hem meteen aardig.

‘Mijn dochter weet hoe het moet,’ zei ze.

‘Dan kan zij het vertellen als u dat wilt. Maar u zegt het als ik iets anders moet doen.’

Ik ging naar huis met haar lege weekendtas. Bij de eerste rotonde begon ik te huilen. Niet alleen van verdriet. Ook van opluchting. Juist die combinatie voelde beschamend.

De weken erna veranderde er iets. Mijn moeder sliep soms beter. De medicatie werd opnieuw bekeken. De angstige beelden namen af, al verdwenen ze niet helemaal. Ze ging één keer naar een muziekmiddag en vond de zanger slecht.

‘Hij kende het tweede couplet niet,’ zei ze. ‘Dan moet je niet doen alsof je iedereen laat meezingen.’

We lachten. Ik had haar weken niet horen lachen.

Haar medische zorg was overgedragen aan specialist ouderengeneeskunde Smit. De Bruin had haar eerdere gesprekken zorgvuldig overgedragen. Toch wilde Smit mijn moeder zelf leren kennen.

‘Moet ik weer opnieuw beginnen?’ vroeg ze.

‘U hoeft niet te bewijzen dat de vorige gesprekken echt waren. Ik moet wel zelf begrijpen wat u vraagt.’

Mijn moeder sprak opnieuw over euthanasie. Ook over wat er beter ging. Ik was bang dat ze dat laatste zou verzwijgen. Ze deed het niet.

‘Ik ben minder bang ’s nachts,’ zei ze. ‘Dat is belangrijk. Maar ik wil nog steeds niet verder als elke dag alleen maar wachten wordt.’

Smit vroeg wat wachten voor haar betekende. Ze noemde het uur voor de medicijnen werkten. De tijd na het ontbijt, wanneer haar lijf niet wilde. De middagen waarop ze te moe was voor bezoek, maar te onrustig om te slapen.

‘En vandaag?’ vroeg hij.

‘Vandaag wil ik nog dat mijn kleinzoon komt.’

Na dat gesprek vroeg ik in de lift of ze haar verzoek misschien kon laten rusten.

Ze keek niet naar me.

‘Zodat jij rust hebt?’

Ik drukte op de verkeerde verdieping. De deuren gingen open bij de wasserij.

‘Ja,’ zei ik. ‘Ook daarom.’

We bleven even staan tussen het geluid van machines en de geur van wasmiddel.

‘Ik wil niet dat elk bezoek een afscheid wordt,’ zei ik.

‘Ik ook niet.’

We spraken af dat ik niet meer elke keer zou vragen hoe het met haar doodswens stond. Als zij erover wilde praten, zou ik luisteren. De gesprekken met de arts gingen door wanneer dat nodig was. Onze middagen hoefden niet allemaal onderzoek te worden.

Die zaterdag reden we naar een tuincentrum in Leusden. Ik duwde haar rolstoel langs kerstversiering terwijl het buiten nog naar natte bladeren rook. Ze kocht een afschuwelijk rood vogeltje voor in haar plant.

‘Dat vloekt,’ zei ik.

‘Mooi.’

Bij de kassa vroeg een medewerker of mijn moeder een tasje wilde. Ze keek mij aan toen ze het vroeg. Ik wees naar mijn moeder.

‘Dat kunt u haar zelf vragen.’

Op de terugweg hield mijn moeder het vogeltje in haar hand. Bij haar kamer zei ze dat het een goede middag was geweest.

Ik probeerde die zin niet als bewijs te gebruiken. Niet voor blijven leven. Niet tegen haar verzoek. Gewoon als iets wat waar was op die zaterdag.

Hoofdstuk 5

Wat ik niet zei

In januari verslikte mijn moeder zich tijdens het avondeten. Het liep goed af, maar daarna werd eten werk. Er kwam een onderzoek en advies over wat nog veilig ging. Haar favoriete bruine boterham werd moeilijk. Koffie drinken vroeg aandacht. Ze werd boos op het speciale bekertje en daarna boos op zichzelf.

Er volgde een longontsteking. Ze knapte op met behandeling, maar kwam niet terug op het niveau van daarvoor. De dagen waarop ze zelfstandig met haar rollator naar de gezamenlijke huiskamer kon, werden zeldzaam.

Ik zag haar wereld kleiner worden aan de spullen op tafel. Eerst lagen er kranten en puzzels. Daarna alleen de televisieafstandsbediening, tissues en een bel. Het rode vogeltje bleef in de plant staan.

Smit kwam vaker. Een psycholoog sprak met haar over somberheid, angst en haar wens om te sterven. Niet om die wens weg te praten. Wel om te onderzoeken wat meespeelde en wat nog behandeld kon worden. Mijn moeder kon scherp uitleggen wat ze wel en niet wilde. Ook op dagen dat haar handen nauwelijks gehoorzaamden.

Op een dinsdag vroeg Smit of ze haar euthanasieverzoek nog steeds wilde laten beoordelen.

‘Ja,’ zei ze. ‘Ik wil niet alleen weten of het ooit kan. Ik vraag het nu.’

Ik zat naast haar. Mijn keel trok dicht. Zij keek naar de arts, niet naar mij.

Hij nam haar verzoek mee in verdere gesprekken en onderzoek. Er kwamen geen snelle beloften. Ze bespraken de behandelingen die al geprobeerd waren en de verlichting die nog mogelijk was. Ook bespraken ze haar wensen rond verdere ziekenhuisopnames. Dat waren afzonderlijke beslissingen, zei hij. Ze hoefde niet alles in één keer af te wijzen.

Na afloop liep ik naar de gezamenlijke keuken. Ik pakte een kopje uit de kast en liet het vallen. Het brak bij het oor. Joris kwam met een stoffer.

‘Laat maar liggen.’

Ik bleef staan.

‘Soms hoop ik dat het ophoudt,’ zei ik.

Hij keek op.

‘De zorg?’

‘Alles.’

Het woord lag tussen ons. Ik wilde het terugnemen. Ik zag mezelf zoals ik dacht dat anderen mij zouden zien. De dochter die klaar was met haar moeder.

Joris schoof de scherven op het blik.

‘U klinkt uitgeput.’

‘Dat maakt het niet netjes.’

‘Nee. Maar gedachten hoeven niet netjes te zijn om erover te mogen praten.’

Diezelfde week ging ik naar mijn eigen huisarts. Ik vertelde over het wakker worden, de pijn in mijn kaken, mijn korte lontje. Ik vertelde ook wat ik bij de kapotte mok had gezegd.

Ze vroeg of ik bang was dat ik mijn moeder iets zou aandoen. Ik schrok van de vraag, maar was ook blij dat ze niet om me heen draaide.

‘Nee. Ik wil dat iemand ons helpt. Ik wil niet meer overal verantwoordelijk voor zijn.’

Ik kreeg gesprekken bij de praktijkondersteuner. Op mijn werk bouwde ik tijdelijk uren af. Bas en ik maakten een wandeling waarbij we de eerste twintig minuten niets zeiden. Daarna vertelde hij dat hij mij miste, ook als ik naast hem op de bank zat.

‘Ik mis mezelf ook,’ zei ik.

Erik kwam die vrijdag naar mijn moeder. We zaten samen bij haar tafel. Hij vroeg of ze zeker wist dat ze niet voor ons koos.

‘Jullie hebben nu hulp,’ zei ze. ‘Dat zie ik. Noor slaapt weer iets. Daar ben ik blij om. Maar ik zit nog steeds in dit lijf.’

‘Ik wil je niet kwijt,’ zei hij.

‘Ik wil jou ook niet kwijt.’

Hij begon te huilen. Mijn broer huilde zonder zijn gezicht af te wenden. Dat had ik sinds de begrafenis van onze vader niet gezien.

Mijn moeder legde haar hand op de zijne. Het duurde even voor die stil lag.

Ik vroeg of ze mij kwalijk nam dat ik haar soms probeerde tegen te houden.

‘Nee. Wel als je doet alsof ik niet weet wat ik zeg.’

Dat antwoord was niet zacht, maar wel eerlijk.

Buiten liepen Erik en ik samen naar de parkeerplaats. Hij vroeg of hij de volgende afspraak met de arts moest komen.

‘Vraag het aan mam,’ zei ik.

Hij knikte en pakte zijn telefoon.

Hoofdstuk 6

De datum

De onafhankelijke arts kwam op een donderdag. Mijn moeder had gevraagd of ik er bij het begin mocht zijn. Daarna wilde hij haar alleen spreken. Deze keer ging ik zonder handdoeken op te zoeken. Ik zat beneden in de hal bij een aquarium waarin één vis steeds achter hetzelfde plastic kasteel verdween.

Erik stuurde een bericht: Hoe gaat het?

Ik schreef: Ik weet het niet.

Dat was geen antwoord dat we prettig vonden. Wel het enige dat klopte.

De arts nam de tijd. Hij sprak met mijn moeder, bestudeerde haar medische gegevens en overlegde met Smit. Zijn onafhankelijke oordeel was een onderdeel van de zorgvuldige beoordeling. Geen stempel waarmee het gesprek ophield.

Een paar dagen later legde Smit uit dat hij na alle gesprekken en beoordelingen tot de conclusie was gekomen dat hij aan haar verzoek kon voldoen. Hij lichtte toe waarom hij meende dat aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen was voldaan. Mijn moeder luisterde met gesloten ogen.

‘Hoort u me goed, Els?’ vroeg hij.

Ze opende haar ogen.

‘Ja. Ik hoef even niet te kijken.’

We spraken daarna over een datum. Over wie zij erbij wilde. Over wat er zou gebeuren, zonder haast en in woorden die zij kon volgen. Smit zei opnieuw dat ze zich op elk moment mocht bedenken. Ook op de dag zelf.

‘Ik wil niet dat iedereen vrij neemt en ik het dan niet durf,’ zei ze.

‘Dat is geen reden om door te gaan,’ zei hij. ‘Dan gaan we niet door.’

Ik was dankbaar dat hij dat hardop zei.

Ze koos een dinsdag, twee weken later. Daan vroeg of hij erbij mocht zijn. Mijn moeder wilde hem de avond ervoor zien en op de ochtend zelf laten kiezen. Hij was vierentwintig. Ik vond hem ineens te jong voor alles. Hij vond dat ik hem niet hoefde te beschermen door hem buiten de deur te houden.

‘Ik wil afscheid nemen van oma, mam. Niet alleen achteraf horen hoe het was.’

De dagen daarna werden vreemd precies. Ik kocht een nieuwe tube handcrème voor haar en vroeg me bij de kassa af of dat nog zin had. Meteen schaamde ik me. Natuurlijk had dat zin. Haar handen waren droog, vandaag.

Mijn moeder wilde geen grote afscheidsmiddag. Henk kwam langs met koekjes die ze nauwelijks kon eten. Ze praatten over de kapotte lift in haar oude flat. Haar vriendin Riet nam foto’s mee van een vakantie op Texel. Op één foto stond mijn vader in een korte broek naast een veel te kleine tent.

‘Hij beweerde dat hij rechtop kon staan,’ zei mijn moeder.

‘Dat kon hij ook,’ zei Riet. ‘Met zijn hoofd door het dak.’

Ze lachten. Daarna zaten ze een tijd stil. Ik schonk thee in en liet hen alleen.

Twee dagen voor de afgesproken dinsdag vroeg mijn moeder ineens of we te snel gingen.

Mijn hart sloeg hard.

‘Wil je uitstellen?’

‘Ik weet het niet.’

Ik belde Smit, met haar toestemming. Hij kwam die middag. We bekeken geen kalender tot ze had verteld waarover ze twijfelde. Ze wilde Daan nog vragen hoe het met zijn nieuwe baan ging. Ze was bang voor het afscheid. En ze was bang dat twijfel betekende dat niemand haar meer zou geloven.

‘Twijfel mag u uitspreken,’ zei Smit. ‘We hoeven vandaag niets vast te houden omdat het gisteren zo stond.’

Hij sprak opnieuw alleen met haar. Daarna besloten ze de volgende ochtend verder te praten. Ik ging naar huis zonder te weten of dinsdag nog dinsdag zou zijn.

Die avond vroeg Bas wat ik hoopte.

‘Dat ze zegt dat ze langer wil blijven.’

‘En verder?’

‘Dat ze niet langer blijft omdat ik dat hoop.’

De volgende ochtend belde mijn moeder zelf. Haar stem was zacht, maar helder.

‘Ik heb met Smit gepraat. Ik wil de afspraak laten staan.’

Ik ging op de onderste traptrede zitten.

‘Goed, mam.’

‘Je hoeft niet goed te zeggen.’

Ik haalde adem.

‘Ik vind het verschrikkelijk. En ik hoor wat je wilt.’

‘Dat is genoeg,’ zei ze.

We bleven nog even aan de lijn. Ik hoorde iemand op haar gang een kar verplaatsen. Toen vroeg ze of ik de blauwe blouse wilde meenemen, die met de zachte kraag.

Hoofdstuk 7

Weer naar buiten

Dinsdagmorgen was ik te vroeg. Voor het woonzorgcentrum zat een merel op een omgevallen bloempot. Ik bleef in de auto tot mijn handen minder trilden. Naast me lag de blauwe blouse in een boodschappentas. Ik had hem de avond ervoor gestreken. Twee keer.

Mijn moeder was al wakker. Joris had haar geholpen met wassen. Ze wilde de blouse niet meer aan.

‘Te veel gedoe,’ zei ze. ‘Dit zit goed.’

Ze droeg een schoon vest. Ik hing de blouse in de kast. Er zat iets pijnlijks in dat gewone gebaar. Alsof ik hem later nog voor haar zou pakken.

Erik kwam met Daan. Bas bleef op mijn verzoek dichtbij, in de huiskamer op de gang. Mijn moeder wilde weinig mensen in haar kamer. Daan ging naast haar zitten en vertelde dat hij op zijn werk de verkeerde vergaderzaal was binnengelopen. Ze glimlachte.

‘Ben je blijven zitten?’

‘Vijf minuten. Ik dacht dat ik het vanzelf zou begrijpen.’

‘Van je moeder.’

Ik lachte en huilde tegelijk. Niemand probeerde er iets van te maken.

Toen Smit kwam, praatte hij eerst met mijn moeder. Hij controleerde opnieuw of dit haar vrije en actuele wens was. Ze antwoordde duidelijk. Hij legde rustig uit wat hij ging doen en gaf ons tijd. Ik ga niet doen alsof ik elk woord goed onthouden heb. Ik onthield vooral haar hand. De dunne huid. De nagel aan haar duim die ergens achter was blijven haken.

‘Je hoeft niet sterk te kijken,’ zei ze tegen mij.

‘Ik weet niet hoe ik anders moet kijken.’

Ze kneep even in mijn vingers.

Erik zat aan de andere kant. Daan stond achter mijn stoel. We namen afscheid met woorden die kleiner waren dan ik vooraf had gedacht. Ik zei dat ik van haar hield. Dat ik boos op haar was geweest. Dat het me speet van die ochtend op het toilet.

‘Ik weet het,’ zei ze. ‘Dat was een rotochtend.’

Het afscheid verliep rustig. Toen ze overleden was, bleef ik haar hand vasthouden. Smit controleerde haar overlijden en legde uit wat er daarna nog moest gebeuren. Ook na een euthanasie volgden de wettelijk vereiste melding en toetsing. Ik hoorde het aan. Erik schreef een paar dingen op.

Na een tijdje kwam Bas binnen. Hij legde zijn hand op mijn schouder. Ik keek naar de klok en schrok dat de wijzers gewoon verder waren gegaan. Niet omdat dat bijzonder was. Omdat mijn hoofd nog niet kon aansluiten bij wat er in de kamer gebeurd was.

De eerste weken daarna werd ik vaak rond drie uur wakker. Ik keek op mijn telefoon. Geen oproep. Dan voelde ik opluchting, gevolgd door een scherpe schaamte. Bij de praktijkondersteuner leerde ik die volgorde te benoemen zonder mezelf meteen te veroordelen.

Ik miste mijn moeder. Ik miste het zorgen meestal niet. Die twee dingen bleken tegelijk waar.

Erik en ik maakten haar kamer leeg. We kregen tijd van de medewerkers, maar niet onbeperkt. Ook dat hoorde erbij. Haar tafel ging naar Daan. Het rode vogeltje nam ik mee. Achter een stapel kaarten vond ik het afgescheurde papier met de woorden: dokter bellen, niet Noor laten beslissen.

Ik liet het aan Erik zien.

‘Ze kende ons,’ zei hij.

We spraken later nog met Smit. Ik vroeg of ik haar onbedoeld had laten voelen dat ze moest gaan. Hij luisterde naar de hele vraag. Hij beloofde niet dat mijn schuldgevoel voorgoed zou verdwijnen. Wel legde hij uit hoe zorgvuldig hij haar eigen wens had onderzocht, los van onze belasting. Dat gesprek hielp.

In mei ging ik met Bas naar het strand bij Wijk aan Zee. Voor het eerst in jaren controleerde ik vooraf niet hoe snel ik terug kon zijn. Halverwege de wandeling pakte ik toch mijn telefoon. Mijn duim zocht haar naam.

Ik bleef staan.

‘Zullen we terug?’ vroeg Bas.

Ik keek naar het water. Verderop zat een oudere vrouw op een klapstoel. Haar dochter, dacht ik, trok een deken over haar knieën. Ik wist niets van hen. Ik hoefde ook niets te doen.

‘Nee,’ zei ik. ‘Nog een stukje.’

Later die maand ging ik naar een bijeenkomst voor voormalige mantelzorgers. Toen ik mijn naam noemde, vroeg niemand meteen hoe het met mijn moeder ging.

‘Ik ben Noor,’ zei ik. ‘En ik weet nog niet goed hoe mijn dagen nu moeten.’

Een vrouw tegenover me schoof de koffie dichterbij.

‘Vertel maar.’

Dus begon ik.