Identiteit en zelfacceptatie
Gewoon wie ik ben
Hoofdstuk 1
Gewoon wie ik ben
Mijn vader had mijn nieuwe naam op een envelop geschreven. Vier letters. Sam. Hij had zo hard op de pen gedrukt dat het papier aan de achterkant bol stond.
‘Voor je verjaardag,’ zei hij.
Ik bleef in zijn gang staan. Mijn jas was nog dicht. Vanuit de keuken rook ik gebakken uien. Mijn moeder maakte nasi als ze wilde dat een avond goed zou verlopen.
‘Dank je.’
‘Er zit een bon in. Voor gereedschap.’
Hij keek naar mijn schoenen. Ik naar zijn hand. Er zat een verse snee naast zijn duimnagel. Waarschijnlijk van het losse scharnier van de schuurdeur. Hij gebruikte nog steeds een aardappelmes als schroevendraaier.
Ik was vierendertig geworden. Sinds acht maanden gebruikte ik de naam Sam. Mijn vrienden deden dat. Mijn collega’s meestal ook. Bij mijn ouders in Nieuwegein wisselde het per kamer, per bezoek en per hoeveelheid wijn.
Mijn moeder kwam de gang in.
‘Daar is de jarige!’
Ze trok me tegen zich aan. Toen riep ze richting woonkamer: ‘Els, ze is er!’
Mijn vader keek nu wel op.
Ik stapte achteruit. ‘Hij, mam.’
‘Ja. Sorry. Kom binnen, het wordt koud.’
In de woonkamer zat tante Els naast mijn zus Eva. Op tafel stonden vijf gebaksbordjes. Boven de kast hing een oude schoolfoto. Ik was veertien, droeg een rode trui en hield mijn schouders opgetrokken. Die foto hing er al twintig jaar. Toch zag ik hem die avond alsof iemand hem net had opgehangen.
Els kwam overeind.
‘Nou, laat me eens kijken. Je haar is wel erg kort.’
‘Dat scheelt shampoo.’
Eva grinnikte. Mijn moeder lachte te hard.
Ik maakte vaker grappen op zulke momenten. Dan kon iedereen door. Dan hoefde niemand te merken dat ik mijn kiezen op elkaar hield.
Tijdens het eten vroeg mijn vader naar mijn werk. Ik deed onderhoud voor een woningcorporatie in Utrecht. Lekkende kranen, kapotte sloten, ventilatoren die klonken als opstijgende vliegtuigen. Werk met duidelijke problemen. Als een deur niet sloot, kon ik zien waarom.
‘Volgende maand mag ik meelopen met de storingscoördinator,’ zei ik. ‘Misschien komt daar een vaste functie vrij.’
‘Meer achter een bureau?’ vroeg hij.
‘Ook op pad. Maar dan stuur ik de planning aan.’
Hij knikte. ‘Kun je wel.’
Dat kleine zinnetje maakte me blij. Ik schoof wat rechter aan tafel.
Toen pakte Els haar telefoon.
‘Even een foto voor de familieapp.’
‘Liever niet,’ zei ik.
‘Ach, alleen wij.’
Ze had al afgedrukt.
Ik legde mijn vork neer. ‘Niet versturen, alsjeblieft.’
Els keek naar mijn moeder. ‘Wat is daar nou weer mis mee?’
‘Niets met die foto. Ik wil gewoon weten wat je erbij zet.’
Mijn telefoon trilde naast mijn bord.
In de familieapp stond de foto. Daaronder: Onze lieve nicht is jarig. Ze blijft voor ons toch gewoon wie ze is.
Mijn oude naam stond erachter, met drie hartjes.
Ik voelde warmte langs mijn hals omhoogtrekken.
‘Haal dat weg.’
Els zuchtte. ‘Het is lief bedoeld.’
‘Je gebruikt een naam die ik niet meer gebruik.’
‘Moeten we dan doen alsof vroeger nooit bestaan heeft?’
‘Nee. Je moet me Sam noemen.’
Mijn vader schoof zijn bord een stukje naar voren.
‘Kunnen we één keer normaal eten?’
Ik keek hem aan. De envelop zat in mijn jaszak. Hij had mijn naam kunnen schrijven. Waarom kon hij hem nu niet zeggen?
‘Dit is normaal eten,’ zei ik. ‘Ik vraag iets simpels.’
‘Je maakt overal een punt van.’
Mijn moeder stond op om satésaus te halen. Niemand had erom gevraagd.
Ik duwde mijn stoel achteruit.
Eva zei zacht: ‘Sam, wacht.’
Maar ik stond al in de gang. Mijn handen trilden zo erg dat ik de rits niet in elkaar kreeg. Achter me begon Els te huilen. Dat geluid maakte me nog bozer. Binnen twee minuten zou ik degene zijn die haar verjaardagsetentje had verpest. Mijn verjaardagsetentje.
Mijn vader kwam niet achter me aan.
Buiten liep ik naar de tramhalte. Het regende. Onder het afdak haalde ik de envelop uit mijn zak. Er zat vijftig euro in en een bonnetje van de bouwmarkt. Op een klein kaartje stond: Voor je eigen kist. Pa.
Ik belde mijn vriend Joost.
‘Ben je thuis?’
‘Ja. Wat is er?’
Ik keek naar die vier ingedrukte letters.
‘Ik weet even niet of ik te veel vraag.’
‘Kom eerst maar hier,’ zei hij. ‘Dan kijken we daarna naar de vraag.’
Hoofdstuk 2
De naam op de lijst
Maandagochtend lag mijn oude naam op een geplastificeerd bezoekerspasje.
Het pasje hing aan een rood koord. Mijn leidinggevende Daan schoof het over de werkbank naar me toe. We stonden in de onderhoudsloods aan de rand van Overvecht. Achter ons gooide iemand koperen koppelingen in een metalen bak.
‘Voor de training morgen,’ zei hij. ‘Het hoofdkantoor heeft ze gemaakt.’
Ik draaide het pasje om.
‘Dit klopt niet.’
Daan keek. ‘O. Administratie zeker.’
‘Ik heb de wijziging in september doorgegeven.’
‘Ik mail ze wel.’
‘Vandaag?’
Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘Sam. Ik zeg toch dat ik het regel?’
Ik hoorde mijn vaders stem nog. Je maakt overal een punt van. Daardoor knikte ik, terwijl ik wilde vragen hoe vaak iets geregeld moest worden voordat het ook echt geregeld was.
Bij het koffieapparaat stond Rick. Hij werkte hier pas twee weken.
‘Is dat jouw pasje?’ vroeg hij.
Ik hield het achter mijn gereedschapskist.
‘Verkeerde naam.’
‘O, ik dacht al. Ik had op de personeelslijst ook iets anders gezien.’
Ik keek naar Daan. Hij was alweer aan het bellen.
Rick nam een slok koffie.
‘Dus jij bent eigenlijk een vrouw?’
Het werd stil bij het apparaat. Niet overal. Alleen in het kleine stuk ruimte waar wij stonden. Verderop bleef de radio spelen.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik ben een man. Die lijst is oud.’
‘Ja, maar ik bedoel van vroeger.’
‘Dat bespreek ik niet bij het koffieapparaat.’
Rick stak zijn vrije hand op. ‘Rustig. Gewoon interesse.’
Ik pakte mijn sleutels en liep naar de bus.
Mijn eerste melding was een voordeur in Kanaleneiland. Mevrouw El Idrissi kreeg hem niet meer op slot. Ze was achtenzeventig en stond klaar met haar jas aan. Op de deurmat lagen folders van de supermarkt.
‘Ik moet naar de apotheek,’ zei ze. ‘Maar ik laat mijn huis niet open.’
Het slot liep stroef omdat de deur was verzakt. Ik zette mijn kist neer en keek naar het bovenste scharnier.
‘Tien minuten. Misschien vijftien.’
‘De vorige zei dat er een nieuwe deur moest komen.’
‘We proberen eerst iets goedkopers.’
Ze bleef naast me staan terwijl ik werkte. Haar sleutelbos rinkelde in haar hand.
‘Hoe heet jij?’
‘Sam.’
‘Goed. Dan vraag ik de volgende keer naar Sam.’
Ik kreeg de deur recht. Ze draaide de sleutel twee keer om. Daarna nog een keer, voor de zekerheid.
‘Jij blijft even. Ik pak koffie.’
Het was de eerste keer die ochtend dat mijn adem normaal zakte.
In de bus at ik twee boterhammen. Ik had twaalf meldingen op mijn scherm en bleef toch naar mijn telefoon kijken. Mijn moeder had geschreven: Els heeft er slecht van geslapen.
Geen vraag. Geen groet.
Ik typte: Ik ook.
Daarna verwijderde ik het weer.
Om vier uur liep ik bij Daan binnen. Zijn kantoor rook naar tonersoep en mandarijnen. Op zijn scherm stond de planning voor de proefperiode als storingscoördinator.
‘Heb je die mail gestuurd?’ vroeg ik.
‘Nog niet. Er was een leidingbreuk.’
‘Morgen draag ik dat pasje niet.’
‘Dan maken we zelf een sticker.’
‘Het gaat ook om de personeelslijst. Rick heeft die gezien.’
Daan draaide zijn stoel naar me toe. ‘Wat heeft hij gezegd?’
Ik vertelde het. Zonder grapjes. Zonder het kleiner te maken.
Daan wreef over zijn voorhoofd.
‘Dat is niet handig van hem.’
‘Het is meer dan onhandig.’
Hij zweeg even. Ik voelde de neiging om hem gerust te stellen. Om te zeggen dat Rick vast niet kwaad was. Ik hield mijn mond.
‘Goed,’ zei Daan uiteindelijk. ‘Ik spreek hem. En ik ga nu achter die gegevens aan.’
‘Ik wil niet dat je mijn hele verhaal vertelt.’
‘Wat mag ik wel zeggen?’
Die vraag had niemand op mijn werk eerder gesteld.
‘Dat ik Sam heet. Dat hij me aanspreekt zoals andere mannen. En dat mijn lichaam geen gespreksonderwerp is.’
Daan schreef het op.
Buiten bleef ik naast mijn bus staan. Mijn hoofd bonsde. Ik had niets gerepareerd, niets getild, en toch voelde dit zwaarder dan de hele werkdag.
Ik belde mijn moeder.
Ze nam meteen op.
‘Fijn dat je belt,’ zei ze. ‘Je vader is erg geschrokken.’
Ik keek naar mijn weerspiegeling in het raam.
‘Mam. Vraag eerst eens hoe het met mij gaat.’
Hoofdstuk 3
Aan de ronde tafel
Op donderdagavond fietste ik drie keer langs het buurthuis voordat ik mijn fiets op slot zette.
Binnen zat een gespreksgroep voor trans mensen. Dat stond in de uitnodiging. Geen verplicht rondje. Geen advies zonder te vragen. Je mocht ook alleen luisteren.
Dat laatste had me overgehaald.
Joost had de link gestuurd. Hij was zelf trans en ging af en toe. We hadden elkaar twee jaar eerder ontmoet bij een avondcursus houtbewerking. Ik had toen nog mijn oude naam gebruikt. Hij had me nooit verteld wat ik was. Hij had alleen geluisterd toen ik daar eindelijk over begon.
Bij de ingang stond een vrouw met grijs haar en gele laarzen.
‘Ik ben Marieke. Koffie of thee?’
‘Koffie.’
‘Melk staat op tafel. De koekjes zijn een beetje zacht.’
Dat hielp. Geen plechtige ontvangst. Geen blik die me probeerde te begrijpen voordat ik iets had gezegd.
Er zaten zes mensen aan een ronde tafel. Joost schoof een stoel naar achteren. Naast hem zat iemand met nagellak in drie kleuren. Aan de andere kant zat een man in een net overhemd. Hij stelde zich voor als Farid.
Ik ging dicht bij de deur zitten.
Het gesprek ging eerst over een werkgever die een toiletpas had ingevoerd. Daarna over een buurvrouw die ineens niet meer groette. Ik luisterde. Het klonk herkenbaar, maar ik vond het ook benauwend. Alsof hier een stapel mogelijke problemen lag die ik nog niet allemaal had gekregen.
Toen vroeg Marieke hoe mijn week was geweest.
‘Druk,’ zei ik.
Joost keek in zijn mok.
Ik kon hem wel schoppen.
‘Mijn verjaardag was waardeloos,’ voegde ik toe.
Daarna vertelde ik over de foto. Over de envelop. Over mijn vader die normaal wilde eten. Ik praatte sneller dan ik wilde. Toen ik klaar was, zat mijn koffie nog onaangeraakt voor me.
Farid vroeg: ‘Wil je reacties of wil je dat het even blijft staan?’
Ik had geen idee.
‘Reacties, denk ik.’
‘Mijn moeder deed dat ook,’ zei hij. ‘Mijn naam gebruiken als we alleen waren. Niet waar anderen bij waren.’
‘Hoe kreeg je haar zover?’
‘Niet met één goed gesprek.’
Ik keek naar de tafelrand. Daar had ik dus niets aan.
Hij zag het.
‘Ik heb op een gegeven moment gezegd dat ik wegging als ze bleef doorgaan. En toen ben ik ook weggegaan. Twee keer.’
‘Ik wil geen dreigementen uitdelen.’
‘Dat hoeft niet. Je kunt ook besluiten waar je wel en niet blijft zitten.’
Ik zei niets.
De persoon met de nagellak stelde zich voor als Kim. Die vertelde over een broer die alles goed bedoelde en toch elk familiefeest verpestte met vragen.
‘Ik kreeg steeds huiswerk,’ zei Kim. ‘Leg dit uit. Geef een voorbeeld. Stuur een artikel. Mijn broer hoefde alleen maar verbaasd te zijn.’
Ik lachte. Kort en harder dan bedoeld.
Na de pauze vertelde Joost over zijn nieuwe relatie. Over iets wat niets met trans zijn te maken had. Zijn vriend liet overal natte handdoeken liggen. Er ontstond een fel gesprek over handdoeken op houten vloeren.
Ik merkte dat ik ontspannen zat.
Op de terugweg fietsten Joost en ik langs de singel. Bij een rood licht zei ik: ‘Soms denk ik dat ik dit verkeerd doe.’
‘Wat precies?’
‘Man zijn.’
Hij keek opzij. ‘Er is geen examen.’
‘Dat weet ik ook wel.’
‘Volgens mij weet je het alleen in je hoofd.’
Het licht werd groen. We reden door tot zijn straat.
Daar vertelde ik dat ik mijn stem bewust lager maakte. Dat ik soms niet durfde te lachen. Dat ik in de bus keek hoe andere mannen hun benen hielden. Dat ik een roze overhemd had weggegooid omdat ik bang was voor commentaar.
Joost leunde op zijn stuur.
‘Vond je het een mooi overhemd?’
‘Ja.’
‘Zonde dan.’
Ik werd kwaad. Niet groot. Wel scherp.
‘Voor jou is het makkelijk praten. Mensen zien het gewoon bij jou.’
Zijn gezicht veranderde.
‘Je weet niet wat iets mij kost, Sam.’
Ik keek weg.
Een scooter reed tussen ons en de stoep door.
‘Nee,’ zei ik. ‘Dat weet ik niet. Sorry.’
Hij knikte, maar glimlachte niet meteen. Dat was terecht.
Thuis schreef ik mijn ouders een bericht. Geen lange uitleg. Ik wilde afspreken zonder Els. Ik wilde Sam genoemd worden. Fouten konden gebeuren. Discussies over of ik echt een man was, wilde ik niet meer voeren.
Ik las het vijf keer.
Daarna drukte ik op verzenden en legde mijn telefoon in de keuken. Ik bleef in bed luisteren of hij trilde.
Hoofdstuk 4
Meten is weten
Mijn vader antwoordde twee dagen later.
Kun je zaterdag naar de schuurdeur kijken? Hij klemt.
Ik las het bericht aan mijn keukentafel. Naast mijn bord lag een stapel papieren voor de wijziging van mijn officiële voornaam. Ik schoof die onder een reclamefolder. Niet omdat iemand ze kon zien. Omdat ik er zelf even niet naar wilde kijken.
Ik belde Eva.
‘Hij vraagt of ik een deur kom maken.’
‘Dat klinkt als papa.’
‘Ik heb hem iets anders gevraagd.’
‘Dat weet hij.’
‘Heeft hij dat gezegd?’
Ze zweeg.
‘Nee.’
Ik werd moe van vertalingen. Iedereen leek mijn vader te kunnen uitleggen. Zijn stilte betekende schrik. Zijn boosheid betekende bezorgdheid. Zijn verzoek om gereedschap betekende misschien liefde. Ik moest er steeds de juiste betekenis bij zoeken.
‘Ik ga wel,’ zei ik. ‘Maar niet alleen voor die deur.’
Zaterdag stond hij al buiten toen ik aankwam. Hij droeg zijn oude blauwe werkjas. Er zat verf op de mouw van het jaar waarin we mijn studentenkamer in Utrecht hadden geschilderd.
‘Koffie?’ vroeg hij.
‘Eerst de deur.’
Hij liep voor me uit door de tuin.
Het onderste scharnier zat los. De schroefgaten waren uitgesleten. Ik legde mijn kist op de tegels en vroeg om een houten blokje.
Mijn vader kwam terug met drie stukken hout, een hamer en dat aardappelmes.
‘Dat ding gaat nu weg,’ zei ik.
‘Werkt prima.’
‘Je hand vindt van niet.’
Hij keek naar zijn duim en stopte het mes in zijn zak.
We tilden de deur samen iets op. Hij hield het hout eronder terwijl ik de schroeven verwijderde. Het was vertrouwd. Als kind had ik naast hem gestaan bij elke kapotte fiets. Hij liet me banden plakken en kettingen inkorten. Tot ik ouder werd en hij ineens zei dat ik mijn nette kleren niet vies moest maken.
‘Herinner je je die groene racefiets?’ vroeg ik.
‘Van de rommelmarkt?’
‘Ja.’
‘Veel te groot voor je.’
‘Je hebt het zadel helemaal afgezaagd.’
Hij glimlachte. ‘Dat hoorde eigenlijk niet.’
Ik boorde het eerste gat uit.
‘Ik was toen niet minder mezelf dan nu,’ zei ik.
Zijn glimlach verdween.
‘Moeten we dit nu doen?’
Ik zette de boormachine uit.
‘Ja. Anders kom ik alleen een deur maken.’
Hij ging op de tuinstoel zitten. Ik bleef op mijn hurken. Dat voelde verkeerd, dus stond ik op.
‘Ik probeer het toch?’ zei hij.
‘Soms. En soms laat je me alleen zitten.’
‘Je tante is van een andere generatie.’
‘Jij ook. Jij schreef Sam op een envelop.’
Hij keek naar de schutting.
‘Dat was moeilijk.’
Ik wilde zeggen dat het voor mij ook moeilijk was. Harder. Alsof we punten konden tellen. Ik slikte die zin in.
‘Waarom?’ vroeg ik.
Hij wreef met zijn hand over zijn knie.
‘Omdat ik niet weet waar ik met al die jaren heen moet.’
‘Nergens. Die zijn er nog.’
‘Maar je zegt dat je toen ongelukkig was.’
‘Vaak. Niet altijd. Die fiets was goed. Met jou vissen was goed. Mijn diploma halen was goed. Dat verdwijnt niet.’
Hij knikte nauwelijks zichtbaar.
‘Ik snap alleen niet hoe je het zeker weet.’
‘Je hoeft niet dezelfde zekerheid te voelen. Je moet me wel geloven.’
In het huis naast ons begon iemand te stofzuigen. De achterdeur stond open. Het geluid vulde de stilte tussen ons.
Mijn vader vroeg of ik geopereerd wilde worden.
Ik kneep mijn handen samen.
‘Misschien wil ik daar ooit over praten. Vandaag niet.’
Hij keek verbaasd. ‘Ik mag toch iets vragen?’
‘Ja. En ik mag zeggen dat ik geen antwoord geef.’
Dat vond hij duidelijk geen fijne afspraak. Toch bleef hij zitten.
We maakten de deur af. Hij sloot zonder kracht. Mijn vader trok hem nog twee keer open.
Binnen stond mijn moeder bij het aanrecht. Ze had een schaal broodjes klaargezet. Ik dacht aan de nasi en voelde meteen weerstand.
‘Ik blijf een halfuur,’ zei ik.
‘Goed,’ zei ze. ‘Wil je kaas of ei?’
Tijdens het eten gebruikte ze één keer mijn oude naam. Ik verstijfde.
‘Sam,’ verbeterde ze zichzelf. Ze pakte de boter en praatte verder.
Geen uitleg. Geen vraag of ik boos was.
Toen ik vertrok, liep mijn vader mee naar mijn fiets.
‘Bedankt, jongen,’ zei hij.
Hij keek er niet bij op. Ik ook niet.
Op de hoek stapte ik af. Ik was blij. Ik was nog steeds boos. Voor het eerst liet ik die twee dingen naast elkaar bestaan.
Hoofdstuk 5
De storing
Mijn proefdag als storingscoördinator begon met drie ziekmeldingen en een koffievlek op de plattegrond van een flat.
Daan was naar een overleg in Amersfoort. Ik had de telefoon, de planning en een collega die elk kwartier vroeg of ik het nog redde.
Om negen uur belde de meldkamer. In een flat in Overvecht kwam water door het plafond van een bergingsgang. Een bewoner hoorde ook een knetterend geluid bij een lamp.
Ik zette de melding bovenaan. Rick was het dichtstbij. Ik stuurde hem het adres en belde meteen na.
‘Niet aan de lamp komen. Houd mensen uit de gang. Ik regel de elektricien.’
‘Kom jij ook?’
‘Ik ben er over tien minuten.’
Bij de flat stonden vier bewoners onder de luifel. Een man in pantoffels wees naar zijn telefoon.
‘Ik bel al sinds acht uur.’
‘Dat ga ik straks nakijken,’ zei ik. ‘Eerst zorgen dat het veilig is.’
Binnen rook het naar nat beton. Water liep langs de muur. Rick had de toegang afgezet met een werkkar en lint. Goed gedaan. Ik zei het ook.
De huismeester opende de technische ruimte. We sloten de watertoevoer voor de betreffende stijgleiding af. De elektricien was onderweg. Boven bleek een koppeling achter een keukenblok te zijn losgeraakt. De bewoner stond met handdoeken op de vloer.
Ik verdeelde het werk en belde de planning. Er moesten afspraken worden verzet. Een schoonmaakbedrijf moest komen. Zes woningen zaten tijdelijk zonder water.
Het was precies het soort drukte waar ik goed in was. Eén probleem tegelijk. Namen opschrijven. Terugbellen als ik dat had beloofd.
Toen ik beneden kwam, stond de man in pantoffels bij Rick.
‘Die collega van jou,’ hoorde ik hem zeggen. ‘Is dat nou een hij of een zij?’
Rick zag me.
‘Dat is Sam,’ zei hij. ‘Hij coördineert de storing.’
Hij wees naar de trap. ‘Daar komt hij.’
De man keek ongemakkelijk. Ik liep naar hem toe en vertelde wanneer het water waarschijnlijk terug zou zijn. Mijn stem bleef rustig. Pas daarna merkte ik dat ik mijn sleutels zo hard vasthield dat ze in mijn handpalm drukten.
Om half twee was de lekkage verholpen. De elektricien had de getroffen groep veiliggesteld en de beschadigde armatuur verwijderd. De bewoners konden hun kranen weer gebruiken. Ik zat op de rand van de laadruimte en at een geplette banaan.
Rick kwam naast de bus staan.
‘Over laatst,’ zei hij.
Ik keek op.
‘Bij de koffie. Dat was een stomme vraag.’
‘Ja.’
‘Daan heeft me aangesproken. Maar ik snap zelf ook dat het nergens op sloeg.’
Ik knikte.
Hij schopte een steentje weg.
‘Moet ik nog iets doen?’
‘Gewoon dit blijven doen. Mijn naam gebruiken. Werken.’
‘Oké.’
Hij liep terug om zijn spullen te halen. Ik voelde geen plotseling vertrouwen. Wel iets minder spanning. Dat was genoeg voor die middag.
Aan het eind van de dag besprak ik de storing met Daan. Hij liet me eerst vertellen en stelde daarna vragen over de tijdlijn.
‘Je hebt de noodreparatie goed opgepakt,’ zei hij. ‘Maar de bewonersbrief had eerder gekund.’
Mijn maag trok samen.
‘Ik stond met die lekkage.’
‘Daarom kun je de binnendienst vragen om hem te maken.’
‘Die waren ook druk.’
Daan tikte op mijn notities.
‘Sam. Dit is feedback. Geen afwijzing.’
Ik keek naar het papier. Hij had gelijk. Ik had de afgelopen maanden zoveel gewone opmerkingen moeten controleren op iets anders, dat ik dat nu automatisch deed.
‘Ja,’ zei ik. ‘Sorry. Volgende keer besteed ik dat uit.’
Hij schoof de planning naar me toe.
‘Ik wil je nog vier weken laten proefdraaien. Daarna beslissen we.’
Het was geen baan. Het was ook geen nee.
Thuis liet ik mijn werkkleren naast de wasmand vallen. Ik trok het strakke kledingstuk uit waarmee ik mijn borst minder zichtbaar maakte. Mijn huid was rood. Ik had te lang gewacht. Op de bank zocht ik een houding waarin niets trok.
Mijn lijf voelde die avond niet als een vijand. Wel als iets dat ik voortdurend moest regelen. Dat maakte me verdrietig.
Ik belde Joost. Hij vroeg of hij langs moest komen.
‘Niet nodig,’ zei ik automatisch.
Daarna keek ik naar de onaangeraakte boodschappen op het aanrecht.
‘Eigenlijk wel. Wil je brood meenemen?’
Hij kwam met brood, soep en een idiote quiz op zijn laptop. We praatten niet over mijn lichaam.
Ik hoefde die avond niets uit te leggen om toch gezelschap te mogen hebben.
Hoofdstuk 6
Geen uitzondering
Drie weken later stuurde Eva een uitnodiging voor haar housewarming in Houten.
Daaronder schreef ze apart: Els komt ook. Ik wilde dat je het van mij hoorde.
Ik zat in de bus voor een afspraak bij de gemeente. In mijn tas zaten de papieren voor mijn naamswijziging. Ik had ze al zes keer gecontroleerd.
Ik typte: Dan kom ik niet.
Mijn duim bleef boven verzenden hangen.
Ik wilde Eva’s nieuwe huis zien. Ik had haar geholpen met dozen sjouwen. Ik wist precies waar haar rug pijn deed van het schilderen. Waarom zou ik thuisblijven terwijl Els met een glas wijn door haar woonkamer liep?
Ik verwijderde de zin.
Wat doe je als ze weer begint? vroeg ik.
Eva antwoordde pas toen ik al een nummertje had getrokken bij de gemeente.
Dan zeg ik dat ze moet stoppen. En als ze doorgaat, vraag ik haar te vertrekken.
Ik las het nog een keer.
Mijn nummer verscheen boven balie vier.
De medewerker controleerde mijn stukken en liep de gegevens met me door. Ze zei mijn oude naam omdat die nog op het scherm stond. Ik kromp ineen, ook al gebeurde het zacht en zakelijk.
‘Straks staat hier Sam,’ zei ze.
‘Ja.’
Ze draaide het scherm iets naar me toe zodat ik de spelling kon controleren.
Het was geen groot moment zoals ik het had voorgesteld. Geen muziek. Geen opluchting die alles schoonspoelde. De printer liep vast. Ze moest een collega halen. Ik moest mijn handtekening opnieuw zetten omdat ik buiten het vak was gekomen.
Buiten kocht ik een broodje bij het station. Pas bij de eerste hap begon ik te huilen.
Een duif kwam dichterbij. Ik joeg hem weg met mijn schoen.
Die avond belde mijn moeder. Ze wist van Eva’s feestje.
‘Misschien moet je Els vooraf even bellen,’ zei ze. ‘Dan is de spanning eraf.’
‘Ik heb haar niets meer te zeggen.’
‘Ze weet niet hoe ze het moet aanpakken.’
‘Dan kan ze mij bellen.’
‘Je maakt het haar wel moeilijk.’
Ik stond bij het fornuis. In de pan kookte rijst over. Ik draaide het gas uit.
‘Mam, ik ga nu ophangen.’
‘Doe niet zo abrupt.’
‘Ik wil dit niet weer oplossen voor haar.’
Ik hing op. Daarna stond ik tien minuten naast de pan, kwaad op haar en bang dat ik wreed was geweest.
Ik had gehoopt dat grenzen stellen na een paar keer minder lichamelijk zou voelen. Dat was niet zo. Mijn hart ging nog steeds tekeer.
Op de avond van het feest droeg ik een donkergroen overhemd. In de winkel had ik ook een roze gepast. Het stond goed. Ik had het gekocht en thuis weer terug in de tas gelegd. Daar was ik nog niet klaar voor. Het mocht in de kast wachten.
Eva deed open met een verfveeg in haar haar.
‘Niet vragen,’ zei ze. ‘De wc moest toch nog een tweede laag.’
Ik gaf haar een plant en liep naar binnen.
Els stond bij het raam. Mijn ouders zaten aan de eettafel. Ik begroette iedereen en pakte een glas water.
Een buurman vroeg hoe ik Eva kende.
‘Sam is mijn broer,’ zei ze, voordat ik kon antwoorden.
Els zette haar glas neer.
‘Vroeger haar zus,’ zei ze. ‘Wij moeten nog een beetje wennen.’
Mijn oren begonnen te suizen.
Ik had een antwoord voorbereid. Thuis geoefend, zelfs. Toch kwam er niets.
Eva draaide zich om.
‘Dat hoef je niet te vertellen, Els.’
‘Ik leg alleen uit—’
‘Hij is mijn broer. Klaar.’
De buurman keek naar zijn glas. Mijn moeder schoof haar stoel naar achteren. Ik dacht dat ze Els ging troosten.
‘Wil je koffie, Sam?’ vroeg ze.
Ik knikte.
Els liep even later naar me toe. Ze sprak zachter.
‘Ik mag tegenwoordig ook niets meer zeggen.’
Nu kon ik wel praten.
‘Je mag vragen hoe mijn werk gaat. Je mag iets over dit huis zeggen. Je hoeft niet uit te leggen wie ik volgens jou vroeger was.’
‘Je was altijd makkelijker.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik zei minder.’
Ik liep naar de keuken. Mijn handen trilden. Mijn moeder zette een mok neer en ging niet tussen mij en Els staan. Dat was nieuw.
Ik bleef nog anderhalf uur. Ik praatte over Eva’s lekkende balkon en verloor een potje tafelvoetbal.
Thuis was ik uitgeput. Toch had ik geen spijt dat ik was gegaan.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen sleutel
In november kreeg ik de vaste functie als storingscoördinator. Drie dagen plannen en aansturen. Twee dagen buiten werken. Ik had daar zelf om gevraagd.
‘Je gaat het bureau anders haten,’ zei Daan.
‘Na twee weken al.’
Hij schoof het voorstel naar me toe. Mijn naam stond bovenaan. Sam van Dijk. Niet op een sticker. Niet met pen verbeterd. Gewoon gedrukt tussen mijn adres en personeelsnummer.
Ik las de salarisregel drie keer. Daarna belde ik Eva.
‘Ik kan eindelijk die kapotte bank wegdoen.’
‘Gefeliciteerd met je indrukwekkende ambities,’ zei ze.
Die zaterdag kwam mijn vader helpen met de nieuwe bank. We kregen hem niet door het trappenhuis van mijn appartement in Lombok. Op de eerste overloop bleef één poot achter de leuning haken.
‘Niet trekken,’ zei ik.
‘Ik trek niet.’
‘Je trekt wel.’
Beneden hield mijn moeder de buitendeur open. Een buurman moest over de verpakking stappen met een kinderwagen.
Mijn vader vloekte. Ik ook. Daarna begonnen we te lachen. We schroefden de poten eraf. Toen paste het wel.
Later zaten we met koffie op de nieuwe bank. Mijn moeder keek rond. Aan de muur hing een foto van mij en Eva op Texel. Daarnaast stond een oude foto van ons gezin op een plank. Ik was daar negen. Kort haar, te grote laarzen, een emmer vol schelpen.
‘Die heb je nog,’ zei ze.
‘Ja.’
‘Ik dacht dat je die misschien niet meer wilde zien.’
Ik keek naar het kind op de foto.
‘Deze wel.’
Er waren andere foto’s die ik voorlopig niet wilde. Dat kon per dag verschillen. Ik hoefde er geen vaste regel voor te verzinnen.
Mijn vader haalde iets uit zijn jaszak. Een sleutel.
‘Van de schuur. Nieuw slot. Voor als je nog eens wat wilt lenen.’
‘Ik heb meer gereedschap dan jij.’
‘Mijn zaagtafel niet.’
Dat was waar.
Hij legde de sleutel op tafel. Daarna keek hij me aan.
‘Die verjaardag,’ zei hij. ‘Ik had wat moeten zeggen.’
Mijn moeder bleef stil.
Ik voelde meteen hoe graag ik het makkelijk voor hem wilde maken. Geeft niet. Was lastig voor iedereen. Zinnen die klaarstonden voordat ik wist wat ik werkelijk vond.
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat had ik nodig gehad.’
Hij knikte.
‘Sorry.’
‘Dank je.’
Meer werd het niet. Hij begon over een wielrenner die betrapt was op doping. Mijn moeder vroeg of ik de bon van de bank had bewaard. Het gesprek ging verder, maar ik hoorde de excuses nog.
Niet alles was opgelost. Mijn vader maakte soms fouten met mijn naam als hij moe was. Mijn moeder vroeg nog geregeld of ik niet te streng was. Met Els had ik weinig contact. Ik miste de vroegere vanzelfsprekendheid van familiebezoek, ook al was die vanzelfsprekendheid vooral prettig geweest voor de anderen.
Ik stond op een wachtlijst voor een gesprek over medische mogelijkheden. Sommige ochtenden keek ik nauwelijks in de spiegel. Andere dagen bleef ik te lang staan. Ik wist nog niet precies welke stappen ik wilde zetten. Dat hoefde ik niet voor mijn ouders, mijn werkgever of een onbekende bij de koffie vast te leggen.
Op mijn werk kreeg ik nog steeds vragen. Meestal over roosters. Soms een verkeerde. Ik gaf kort antwoord of zei dat ik het er niet over wilde hebben. Er waren dagen waarop ik dat zonder moeite deed. En dagen waarop één opmerking mijn hele middag meenam.
Ik ging nog naar de groep in het buurthuis. Niet elke week. Op een avond kwam er iemand binnen die drie keer aan de deurklink voelde voordat hij ging zitten.
Ik herkende die blik.
‘Koffie?’ vroeg ik.
Hij knikte.
Ik schonk in en schoof de koekjes naar hem toe. Ik vroeg niets. Marieke begon over de verwarming, die weer veel te hoog stond. Na een tijdje deed hij zijn jas uit.
Een week later at ik met Joost in een klein restaurant aan de Amsterdamsestraatweg. Ik droeg het roze overhemd. Hij keek er even naar, maar maakte er geen gebeurtenis van.
‘Mooi ding,’ zei hij.
‘Dank je.’
We bestelden allebei iets anders en kregen ruzie over wie de beste maaltijd had gekozen. Daarna praatten we over zijn vriend, mijn nieuwe rooster en een kast die we samen wilden bouwen.
Toen ik thuiskwam, legde ik mijn sleutels op tafel. Ook die van mijn vaders schuur.
In de gangspiegel zag ik een man met een vlek saus op zijn mouw. Ik draaide de stof naar het licht. Misschien kreeg ik die er nog uit.
Morgen moest ik vroeg op. Er stonden zeven mensen op mijn planning. Mijn brood lag nog in de vriezer.
Ik hing mijn overhemd over een stoel en ging naar de keuken.