Tegenslag en opnieuw beginnen
Gokken kostte me alles
Hoofdstuk 1
Gokken kostte me alles — De envelop
De deurwaarder stond tussen de fietsen in het portiek. Zijn jas droop op de tegels. Ik herkende de blauwe envelop onder zijn arm voordat hij mijn naam zei.
‘Meneer Van Dalen?’
Ik hield de voordeur half dicht.
‘Mijn vrouw slaapt nog.’
Dat was gelogen. Noor stond achter me. Ze had mijn telefoon in haar hand.
‘Wie is dit, Ruben?’
De man keek van haar naar mij. Daarna vroeg hij of hij binnen mocht komen. Hij zei het rustig. Dat maakte het erger. Ik had liever gehad dat hij schreeuwde. Dan had ik iets gehad om tegen te vechten.
Het was dinsdag, kwart over acht. Onze dochter Isa zat aan tafel met één schoen aan. Ze was acht. Op haar bord lag een boterham waarvan ze alleen de korstjes had gegeten.
‘Moet ik mijn andere schoen aandoen?’ vroeg ze.
‘Ja,’ zei Noor. ‘We gaan zo.’
De deurwaarder legde uit waarvoor hij kwam. Achterstallige huur. Kosten. Een vonnis. Woorden die ik kende uit brieven die ik onder de bodemplaat van mijn gereedschapskist had gestopt.
Noor vroeg hoeveel.
Ik keek naar Isa.
‘Niet hier,’ zei ik.
‘Waar dan wel?’ vroeg Noor.
De man noemde een bedrag van ruim vijfduizend euro. Noor knikte alsof hij vertelde hoeveel liter verf we nodig hadden. Ze vroeg om de papieren. Toen bracht ze Isa naar school.
Ik bleef alleen met hem achter.
‘We kunnen toch een regeling treffen?’ vroeg ik.
‘U moet vandaag contact opnemen met de verhuurder en uw gemeente. Ik kan u niet beloven dat een regeling de verdere stappen nog tegenhoudt.’
Ik hoorde vooral dat hij niet meteen onze spullen meenam. Mijn hoofd zocht nog steeds naar uitstel. Niet naar een oplossing.
Toen Noor terugkwam, legde ze mijn telefoon op tafel. Het scherm stond nog open. Geen berichten van een andere vrouw. Geen geheim tweede leven dat je gemakkelijk kunt uitleggen. Alleen stortingen. Tientjes. Honderden. Soms meerdere bedragen op één nacht.
‘Hoeveel?’ vroeg ze.
‘Ik weet het niet precies.’
Ze schoof een stoel naar achteren.
‘Dan gaan we het precies uitzoeken.’
Ik werkte als monteur bij een installatiebedrijf in Amersfoort. Vier dagen op pad, op vrijdag meestal in het magazijn. Ik kon een storing vinden die drie anderen hadden gemist. Ik kende de geluiden van een kapotte pomp. Ik was de man die collega’s belden als iets niet lukte.
Aan onze keukentafel kon ik nauwelijks mijn eigen bankapp openen.
Noor pakte een schrift van Isa. Op de voorkant stond een paarse eenhoorn. Ze sloeg het om en begon achterin.
Huur. Persoonlijke lening. Roodstand. Creditcard. Geld van mijn broer Dennis. Geld van haar moeder, zogenaamd voor de reparatie van onze auto.
‘Die auto is nooit gerepareerd,’ zei Noor.
‘De dynamo wel.’
Ze keek op.
Zelfs toen probeerde ik nog een klein stukje gelijk te houden.
We kwamen die ochtend op negenendertigduizend zeshonderd euro. Later zouden er nog twee rekeningen boven water komen. Ik had niet alles verloren in één grote klap. Ik had het in stukken weggegeven. Steeds met een reden die alleen standhield zolang niemand doorvroeg.
‘Waar is het spaargeld van Isa?’
Ik keek naar het schrift.
‘Ruben.’
‘Ook weg.’
Noor stond op. Ze liep naar het aanrecht en zette haar handen plat op het blad. Ik zag haar schouders bewegen, maar hoorde niets.
Ik wilde haar aanraken. Ik deed het niet.
‘Ik kan stoppen,’ zei ik.
‘Je bent al gestopt met de huur betalen. Met eerlijk zijn. Met slapen naast mij zonder dat dat ding onder je kussen ligt.’ Ze wees naar mijn telefoon. ‘Waarom zou dit ineens wel lukken?’
Die middag haalde haar zus Marieke twee sporttassen op. Noor ging met Isa naar haar toe, in Leusden. Isa mocht haar konijn meenemen. Het hok paste niet in de auto. Ik bracht het naar beneden en zette het tussen de kinderstoel en een tas met schoenen.
‘Kom jij ook?’ vroeg Isa.
‘Nu even niet.’
‘Hebben jullie ruzie?’
Noor antwoordde voordat ik iets kon verzinnen.
‘Ja. Papa en ik moeten dingen oplossen.’
Na hun vertrek bleef ik in de deuropening staan. Boven brandde het licht nog.
Mijn telefoon trilde. Een melding van een goksite. Een aanbod, speciaal voor mij.
Ik drukte erop.
Dat is het deel dat ik het liefst zou overslaan. Maar daar begon de waarheid: zelfs na die ochtend dacht ik nog dat gokken mij kon redden.
Hoofdstuk 2
Het eerste tientje
Drie jaar eerder won ik op een zaterdagavond drieëntachtig euro. Ik zat bij Dennis in Utrecht. Er was voetbal op televisie. Hij had pizza besteld. Ik had een tientje ingezet omdat een collega een link had gestuurd.
‘Niet alles meteen uitgeven,’ grapte Dennis.
Ik liet het bedrag uitbetalen. Twee dagen later stond het op mijn rekening. Dat vond ik indrukwekkender dan de wedstrijd. Geld verdiend terwijl ik op een bank zat.
Ik was toen zevenendertig. Noor werkte als onderwijsassistent. We hadden geen luxe leven, maar wel genoeg. Er stond iets op de spaarrekening. We gingen met Isa naar een huisje bij Ommen. Als de wasmachine kapotging, konden we een nieuwe kopen.
Daarna viel ik op mijn werk van een trap.
Geen spectaculaire val. Mijn voet gleed weg terwijl ik een doos met koppelingen droeg. Ik kwam verkeerd terecht. Mijn enkel brak op twee plekken. Een operatie volgde. Daarna weken op de bank, met mijn been op kussens.
Mijn loon liep door. Dat was het probleem niet. Ik kon alleen nergens heen zonder hulp. Noor vertrok vroeg. Isa zat op school. Om tien uur had ik de vaatwasser ingeruimd, zittend op een kruk. Daarna duurde de dag nog eindeloos.
Op mijn telefoon was altijd iets bezig.
Eerst voetbal. Daarna wedstrijden waar ik niets van wist. Vervolgens een online casino. Daar hoefde ik niet te wachten tot de avond.
Ik zei tegen mezelf dat het ontspanning was. Sommige mensen kochten spellen. Ik deed dit.
Op een donderdag won ik ruim zeshonderd euro. Ik bestelde een robotstofzuiger voor Noor. Dat vond ik toen een lief gebaar.
‘Waar betalen we dit van?’ vroeg ze.
‘Ik had nog wat overuren staan.’
De leugen kwam zonder voorbereiding. Ze glimlachte en ik voelde opluchting. Ik kon dus winnen, iets kopen en de rest verbergen. Niemand hoefde last van mijn nieuwe gewoonte te hebben.
Toen mijn enkel beter was, bleef de gewoonte.
Ik speelde in de bestelbus voor ik een klant belde. Op de wc van een bouwplaats in Soest. In bed, met de helderheid van mijn scherm zo laag mogelijk.
Een keer zat Isa naast me op de bank. Ze vertelde over een meisje dat haar kleurpotloden had afgepakt. Ik zei steeds ‘hm’ terwijl ik op mijn telefoon keek.
‘Je luistert niet,’ zei ze.
Ik legde het toestel weg. Nog geen minuut later pakte ik het weer.
Verliezen voelde niet als verliezen. Het voelde alsof er geld van mij ergens vastzat. Ik moest het terughalen. Als ik duizend euro kwijt was, maakte een nieuwe storting van honderd mijn schuld in mijn hoofd nauwelijks groter. Die honderd kon juist het verschil maken.
Ik weet nu hoe krom dat klinkt. Destijds klonk het praktisch.
Mijn eerste lening sloot ik af tijdens de lunchpauze. Ik zat in de bus bij een bouwmarkt in Nieuwegein. Op het formulier vulde ik ‘woningverbetering’ in. We hadden inderdaad een lekkende kraan. Daar hield ik me aan vast.
Van het geleende geld betaalde ik eerst een paar achterstanden. Dat gaf me het gevoel dat ik iets had rechtgezet. De rest vergokte ik binnen twee weken.
Toen kwam de schaamte. Niet de schaamte die je laat vertellen wat er aan de hand is. De schaamte die je laat oefenen op antwoorden.
Waarom ben je zo moe?
Druk op het werk.
Waarom is de rekening leeg?
Verzekering afgeschreven.
Waarom wil je niet dat ik de post open?
Omdat ik ook wel eens iets zelf wil regelen.
Die laatste zin gebruikte ik boos. Boosheid hield Noor op afstand. Daarna bood ik mijn excuses aan voor mijn toon, maar niet voor de leugen. Zo leek het alsof we de ruzie hadden opgelost.
Dennis leende me tweeduizend euro. Ik vertelde dat mijn werkgever een fout had gemaakt met mijn loon.
‘Stuur je me een bericht zodra je het terug hebt?’ vroeg hij.
‘Natuurlijk.’
Hij maakte het over terwijl we nog belden. Ik hoorde zijn kinderen op de achtergrond. Mijn broer hoefde niet eens na te denken of hij mij vertrouwde.
Na de komst van de deurwaarder belde ik hem opnieuw.
‘Je moet me komen halen,’ zei ik.
‘Wat is er gebeurd?’
Ik keek naar de open goksite. Mijn vingers lagen nog op het scherm.
‘Ik heb gelogen. Over alles.’
Hij was een paar seconden stil.
‘Blijf waar je bent,’ zei hij. ‘En raak dat geld niet meer aan.’
Hoofdstuk 3
De kamer boven
Dennis kwam in zijn werkkleren. Hij was schilder. Op zijn linkerwang zat een opgedroogde veeg witte verf.
Hij liep direct naar de keuken.
‘Laat zien.’
Ik gaf hem het schrift. Hij bladerde niet. Hij staarde naar de laatste regel.
‘Mijn geld ook?’
Ik knikte.
‘Die tweeduizend?’
‘Ja.’
Hij ging zitten. Daarna stond hij weer op.
‘Ik heb daarvoor mijn buffer gebruikt, Ruben.’
‘Ik betaal het terug.’
‘Hou daar even mee op.’
Hij zei het niet hard. Ik had hem nog nooit zo horen praten.
We belden die middag de huisarts. De assistente vroeg waarvoor ik wilde komen. Ik zei dat ik slecht sliep. Dennis pakte geen telefoon af. Hij bleef alleen kijken.
‘En ik gok,’ voegde ik eraan toe. ‘Ik kan niet stoppen.’
De volgende ochtend kon ik terecht.
Daarna schreef ik me met Dennis naast me in bij Cruks, zodat ik niet meer kon spelen bij legale aanbieders die daarop aangesloten waren. Mijn handen trilden toen ik bevestigde. Niet van opluchting. Ik voelde paniek. Ik sloot de plek af waar ik steeds mijn oplossing had gezocht.
We verwijderden apps en blokkeerden wat we konden. Dennis zei dat een blokkade geen behandeling was. Ik vond hem ineens irritant deskundig. Hij had onderweg zitten zoeken terwijl ik mijn spullen pakte.
Ik mocht een paar nachten bij hem slapen. Zijn vrouw Sanne had ingestemd, onder voorwaarden. Geen geld lenen. Niet alleen op hun laptop. Eerlijk zeggen als ik wilde gokken.
Hun logeerkamer was ook hun wasruimte. Er stond een smal bed naast een droogrek. Ik lag onder roze kinderbeddengoed en hoorde beneden het gewone leven doorgaan. Een vaatwasser. Een kind dat om water vroeg. Sanne die zei dat het licht nu echt uit moest.
Ik had dat ook gehad. Twee dagen eerder nog.
Bij de huisarts lukte praten nauwelijks. Hij vroeg hoeveel ik sliep, hoeveel ik dronk en of ik gedachten had om mezelf iets aan te doen.
‘Ik wil vooral verdwijnen,’ zei ik.
Hij vroeg door. Niet haastig. Niet geschrokken. We spraken af wie ik kon bellen als dat gevoel sterker werd. Hij verwees me naar verslavingszorg en maakte een vervolgafspraak.
Buiten belde ik mijn chef, Henk.
Ik wilde zeggen dat ik griep had. In plaats daarvan zei ik dat ik hulp nodig had en niet veilig aan het werk kon met zo weinig slaap.
‘Kom vrijdag even langs,’ zei Henk. ‘Dan kijken we met de bedrijfsarts wat verstandig is.’
Ik dacht dat ik daarmee ook mijn werk had gered. Zo snel trok ik nog conclusies.
Vrijdag bleek dat twee klanten hadden geklaagd. Ik was niet op afspraken verschenen. Een collega had mijn klussen moeten overnemen. Henk legde een urenlijst voor me neer.
‘Waar was je op deze woensdagmiddag?’
Ik wist het. Op een parkeerplaats bij Hoevelaken. Vier uur in de bus, met mijn telefoon aan de laadkabel.
‘Niet bij de klant,’ zei ik.
Henk wreef over zijn voorhoofd.
Er volgden gesprekken. Mijn tijdelijke contract liep binnen twee maanden af. Het werd niet verlengd. Niet die middag, niet met een schreeuwpartij. Gewoon later, aan dezelfde tafel, met iemand van personeelszaken erbij.
Intussen probeerden we het huis te behouden. De gemeente verwees me naar schuldhulpverlening. Er kwam contact met de verhuurder. Maar Noor wilde er niet terug zonder financiële duidelijkheid. De huur was voor ons apart niet te dragen. De achterstand stond niet op zichzelf.
Uiteindelijk leverden we de woning leeg op. Met hulp bereikten we afspraken over de oplevering en de resterende schuld. Ik sleepte dozen naar een gehuurde aanhanger. Noor plakte op elke doos een naam.
Op een doos met mokken schreef ze ‘Ruben’.
Dat ene woord kwam harder aan dan de bedragen.
Na zes weken kon ik niet langer bij Dennis blijven. Zijn oudste zoon had examens. Sanne werkte thuis. Ze hadden ruimte gemaakt voor een crisis, niet voor een nieuwe huisgenoot zonder einddatum.
Via een kennis vond ik een kamer boven een garage in Zeist. Een bed, een wastafel, een magnetron. De douche deelde ik met twee mannen die in de bouw werkten.
De eerste avond at ik koude macaroni uit een plastic bak. Ik had geen vork meegenomen. Beneden sloeg iemand een autodeur dicht.
Ik belde Noor om Isa welterusten te wensen.
‘Ze slaapt al,’ zei ze.
Het was pas zeven uur.
Ik vroeg niet of het waar was.
Hoofdstuk 4
Alles op tafel
Bij de intake voor verslavingszorg vroeg Fatima wat ik van de behandeling verwachtte.
‘Dat ik niet meer gok.’
‘En wat moet er veranderen om dat vol te houden?’
Ik keek naar haar bureau. Er stond een glas water met een barstje in de rand.
‘Dat weet ik niet.’
‘Dan beginnen we daar.’
Ik had verwacht dat ze zou uitleggen hoe dom mijn keuzes waren geweest. Daar was ik op voorbereid. Ik kon mezelf prima uitschelden. Maar ze vroeg naar een gewone avond. Wat ik voelde als ik thuiskwam. Wat er gebeurde voordat ik mijn telefoon pakte.
Dat vond ik moeilijker.
We tekenden een avond uit. Alleen op mijn kamer. Een bericht van een schuldeiser. Druk op mijn borst. De gedachte dat ik nooit meer uit de schulden zou komen. Dan de neiging om te gokken, omdat ik tijdens het spelen even niet hoefde te denken aan wat ik had gedaan.
‘Dus je gebruikte gokken ook om de gevolgen van gokken niet te voelen,’ zei ze.
Ik vond het een vervelende zin. Hij klopte precies.
Een week later zat ik in een groep met zes anderen. Een verpleegkundige. Een student. Een man die een transportbedrijf had gehad. Geen van hen zag eruit zoals ik me een gokverslaafde vroeger had voorgesteld. Ik blijkbaar ook niet.
Jamal, de verpleegkundige, vroeg hoelang ik niet had gespeeld.
‘Negentien dagen.’
‘En hoeveel keer heb je eraan gedacht vandaag?’
‘Ik ben de tel kwijt.’
Hij knikte. Voor het eerst hoefde ik die zin niet uit te leggen.
Naast de behandeling begonnen de gesprekken bij schuldhulpverlening. Mijn begeleider heette Mireille. Ze gaf me een lijst met documenten die ze nodig had. Bankafschriften. Leningsovereenkomsten. Brieven. Bewijzen van inkomen.
‘Ook de rekeningen die je liever vergeet,’ zei ze.
Ik leverde een map aan. Zij vroeg waarom er maanden ontbraken.
Ik zei dat de printer niet werkte.
Ze keek naar de digitale bestanden die ik wel had gestuurd.
‘Ruben, ik kan alleen werken met wat er echt is.’
Thuis zocht ik de ontbrekende afschriften op. Daar stond ook de verkoop van Noors gouden armband op. Die had ik meegenomen naar een opkoper in Amersfoort. Ze dacht nog steeds dat ze hem tijdens een weekend weg verloren was.
Ik hing een uur boven mijn telefoon voordat ik haar belde.
‘Ik moet je nog iets vertellen.’
Ze zuchtte. Dat geluid kende ik inmiddels.
De armband was van haar oma geweest.
‘Waar heb je hem verkocht?’ vroeg ze.
Ik gaf het adres. De volgende dag ging ik erheen. Hij was niet meer terug te halen.
Toen ik dat vertelde, zei Noor alleen: ‘Je hebt me laten zoeken.’
Ik zag haar weer voor me. Op haar knieën naast het bed. Met een zaklamp in haar koffer. Ik had geholpen. Ik had onder een kast gekeken terwijl ik wist waar de armband gebleven was.
‘Ja,’ zei ik.
Er was geen zin die dat beter maakte.
Mireille hielp me een volledig overzicht te maken. De totale schuld kwam boven de tweeënveertigduizend euro uit. Ze onderzocht welke schuldregeling mogelijk was. Mijn inkomsten waren intussen lager geworden. Na het einde van mijn contract vroeg ik een uitkering aan en zocht ik passend werk.
We regelden budgetbeheer. Mijn vaste lasten werden vanuit een aparte beheerrekening betaald. Ik kreeg een afgesproken bedrag voor boodschappen en dagelijkse uitgaven. Het voelde alsof ik weer een kind was.
‘Een kind hoeft dit niet zelf te ondertekenen,’ zei Mireille. ‘Jij kiest een beveiliging omdat je weet wat er mis kan gaan.’
Ik vond het nog steeds vernederend. Ik deed het toch.
Op woensdag mocht ik Isa ophalen bij de bibliotheek in Leusden. Noor wilde voorlopig geen overnachtingen. Daar had ik moeite mee, vooral omdat ik wist dat haar reden goed was.
Isa en ik kochten broodjes bij de supermarkt. We aten op een bankje.
‘Ben je arm geworden?’ vroeg ze.
‘Ik heb veel geld verloren met gokken.’
‘Zoals een spelletje?’
‘Een spel om geld. Ik bleef ermee doorgaan. Ook toen ik niet meer kon betalen wat nodig was.’
Ze dacht na.
‘Is daarom mijn kamer weg?’
Ik slikte.
‘Ja. Dat is niet jouw schuld.’
Ze trok een stukje kaas uit haar broodje.
‘Ik wil niet dat je dat weer doet.’
‘Daar krijg ik hulp bij,’ zei ik.
Ik beloofde haar niet dat alles snel goed zou komen. Dat was de eerste belofte die ik bewust niet maakte.
Hoofdstuk 5
De zaterdag
Na vier maanden zonder gokken begon ik mezelf weer betrouwbaar te vinden. Dat ging sneller dan de rest van mijn herstel.
Ik had tijdelijk werk in een magazijn in Den Dolder. Vijf ochtenden per week. Onderdelen tellen, bestellingen klaarzetten, retouren controleren. Minder loon dan vroeger. Geen bestelbus. Geen klanten die mij dringend nodig hadden.
Ik klaagde erover bij Fatima.
‘Ik kan meer dan dit.’
‘Dat geloof ik,’ zei ze. ‘Kun je dit nu ook goed blijven doen?’
Dat lukte. Ik kwam op tijd. Ik sliep beter. Ik ging naar de groep. Op mijn kalender zette ik een kruisje achter elke dag zonder gokken. De rij kruisjes gaf me rust, maar ook een verkeerd soort zekerheid.
Toen kwam een zaterdag in november.
Ik zou met Isa naar het Spoorwegmuseum. De kaartjes waren geregeld via Dennis. Ik had broodjes gemaakt. Mijn jas hing klaar.
Om halfnegen belde Noor. Isa had koorts en overgegeven.
‘Kunnen we het verschuiven?’
Ik zei dat het goed was. Mijn stem klonk zelfs vriendelijk.
Na het gesprek gooide ik de broodjes tegen de muur.
Daar schrok ik van. Niet omdat er veel schade was. Eén zakje scheurde. Kaas op de vloer. Maar om de snelheid waarmee teleurstelling in woede veranderde.
Ik ruimde niets op. Ik ging op bed zitten.
Op mijn rekening stond extra geld. Ik had oude velgen verkocht die nog bij Dennis in de schuur lagen. De verkoop had ik niet gemeld aan Mireille. Ik had mezelf verteld dat ik dat maandag wel zou doen.
Die dag zocht ik een plek waar mijn blokkade me niet tegenhield.
Ik ga niet uitleggen hoe. Ik weet alleen nog hoe bewust ik langs alle afspraken liep die ik met mezelf had gemaakt. Niet per ongeluk. Niet omdat één reclame me betoverde. Ik zocht. Ik hield op met zoeken naar hulp.
Binnen een uur was het geld weg.
Daarna begon het echte gevaar. Ik dacht aan Dennis. Aan een voorschot op mijn loon. Aan spullen in mijn kamer die ik kon verkopen. Mijn hoofd produceerde oplossingen waar het woord gokken niet in voorkwam, terwijl alles daarop gericht was.
Ik opende een bericht aan mijn broer.
‘Kun je me even tweehonderd…’
Ik las het terug.
Toen belde ik Jamal.
Hij nam niet op.
Ik belde opnieuw. Daarna stuurde ik: ‘Ik heb gespeeld. Ik wil geld regelen om door te gaan.’
Twee minuten later ging mijn telefoon.
‘Waar ben je?’ vroeg hij.
‘Op mijn kamer.’
‘Trek je schoenen aan. Ga naar buiten. Ik blijf even aan de lijn.’
Ik wilde eerst uitleggen waarom het was gebeurd.
‘Straks,’ zei hij. ‘Eerst weg van dat scherm.’
Ik liep zonder jas de trap af. Buiten regende het. Bij de bushalte stond een vrouw met een boodschappentas. Ik ging naast haar staan en vertelde Jamal hoeveel ik kwijt was. Zacht, alsof die vrouw het bedrag niet mocht horen maar de rest wel.
We spraken af in een café bij station Driebergen-Zeist. Hij kon een uur blijven voor zijn dienst.
Ik bestelde koffie en durfde hem niet aan te kijken.
‘Vier maanden weggegooid,’ zei ik.
‘Nee. Maar vandaag is wel ernstig.’
Dat hielp meer dan geruststelling. Hij maakte het niet kleiner. Hij maakte mij ook niet hopeloos.
Die middag stuurde ik Fatima een bericht voor de eerstvolgende werkdag. Ik informeerde Mireille over het geld. Daarna belde ik Noor.
‘Is er geld van Isa weg?’ vroeg ze meteen.
‘Nee.’
‘Heb je schulden gemaakt?’
‘Geen nieuwe.’
Ze ademde hoorbaar uit.
‘Dank je dat je het vertelt. Ik kan je nu niet troosten, Ruben.’
‘Dat vraag ik niet.’
Maar een deel van mij had dat wel gehoopt.
De maandag erna bekeken Fatima en ik de zaterdag stap voor stap. Niet alleen het moment van spelen. Ook het verzwegen geld. Het overslaan van een groepsavond. Mijn overtuiging dat ik inmiddels minder hulp nodig had.
We pasten mijn plan aan. Extra contact. Strakkere afspraken over onverwachte inkomsten. Meer drempels op mijn apparaten. Een lijst met mensen die ik kon bellen voordat ik ging zoeken.
Thuis veegde ik de oude kruisjes niet uit.
Onder de kalender schreef ik het bedrag dat ik zaterdag had verloren. Daarnaast: verteld op dezelfde dag.
Ik wilde beide blijven zien.
Hoofdstuk 6
Niet terug naar vroeger
In januari vroeg Noor of we konden praten zonder Isa erbij. We spraken af in een koffiezaak bij station Amersfoort Centraal.
Ik was twintig minuten te vroeg. Ik had een overhemd aangetrokken dat nog goed paste. Onderweg kocht ik bijna bloemen. Bij de kiosk bleef ik staan, met mijn hand al bij een bos tulpen.
Toen liep ik verder.
Noor kwam binnen met haar fietshelm onder haar arm. Ze bestelde thee. Ik begon over mijn werk, over de behandeling, over de schuldregeling waarvoor inmiddels afspraken werden uitgewerkt.
Ze liet me uitpraten.
‘Ik wil scheiden,’ zei ze.
Ik keek naar de suikerzakjes op tafel.
‘Omdat ik in november—’
‘Niet alleen daarom.’
Ik knikte, maar luisterde nog niet echt. Ik zocht een voorwaarde. Als ik langer niet gokte. Als ik weer een goede baan vond. Als ik alles terugbetaalde.
‘Ik wil niet meer jouw controleur zijn,’ zei ze. ‘Ik wil mijn telefoon niet pakken omdat ik bang ben voor onze rekening. En ik merk dat ik rustiger ben zonder jou in huis.’
Dat laatste bleef hangen.
‘Ik doe toch mijn best?’
‘Ja. Dat zie ik.’
‘Is dat dan niet genoeg?’
Ze zette haar kop neer.
‘Voor jouw herstel is het belangrijk. Het verplicht mij niet om terug te komen.’
Ik werd boos. Niet luid. Ik zei dat ze eerder duidelijk had moeten zijn. Dat ik maanden had gehoopt. Zodra ik het uitsprak, hoorde ik wat ik deed. Haar verantwoordelijk maken voor de pijn die ik zelf niet wilde voelen.
‘Dat was oneerlijk,’ zei ik.
Ze knikte. Ze hoefde me niet te helpen mijn excuses beter te formuleren.
We liepen apart naar buiten. Bij de fietsenstalling haalde ik mijn telefoon tevoorschijn. Mijn duim bleef boven de browser hangen.
Daarna belde ik Dennis.
‘Ze wil scheiden.’
‘Waar ben je?’
‘Bij het station.’
‘Kom hier eten.’
‘Ik ben geen gezellig bezoek.’
‘Dat was je de vorige keer ook niet.’
Ik lachte kort. Daarna begon ik te huilen, tussen mensen die hun fiets van het slot haalden.
Bij Dennis kreeg ik aardappels, sperziebonen en een gehaktbal. Zijn kinderen vroegen niets. Sanne zette na het eten thee neer en ging naast me zitten.
‘Je mag verdriet hebben,’ zei ze. ‘Maar niet doen alsof Noor dit veroorzaakt heeft.’
Ik vond haar hard. Later begreep ik hoeveel moeite ze deed om me niet te sparen op de verkeerde plek.
De scheiding werd geen nette montage van handtekeningen en redelijke gesprekken. We hadden ruzie over een rekening. Over wie welke meubels kreeg. Over een vakantie die ik niet kon betalen. Een mediator hielp ons afspraken te maken. Voor de financiële gevolgen en de schulden vroegen we afzonderlijk advies.
Soms ging ik naar een gesprek met een lijst vol redelijke punten en kwam er alleen gekrenkte trots uit mijn mond.
Dan moest het opnieuw.
Met Isa bouwde ik ondertussen iets op dat kleiner was dan vroeger, maar regelmatiger. Iedere woensdag. Om het weekend op zaterdag. Ik haalde haar op tijd op. Ik bracht haar op tijd terug. Als de trein vertraging had, meldde ik dat voordat Noor ernaar moest vragen.
We gingen naar de bibliotheek, maakten pannenkoeken bij Dennis en liepen door het bos bij Austerlitz. Isa wilde vaak dezelfde route. Ik vond dat eerst saai. Voor haar was het prettig dat niet alles steeds veranderde.
Op een middag vroeg ze waarom ik nooit meer over mijn telefoon heen keek als ze praatte.
‘Omdat ik beter wil luisteren.’
‘Dat deed je vroeger niet.’
‘Nee.’
Ze pakte een tak van de grond en liep verder.
Op het werk kreeg ik meer uren. Mijn leidinggevende, Petra, vroeg of ik nieuwe medewerkers wilde inwerken. Ik vertelde haar dat ik in behandeling was voor een gokprobleem. Niet alle details. Wel genoeg om afspraken te kunnen maken over mijn behandeluren.
‘Kun je je werk doen?’ vroeg ze.
‘Ja. En ik zeg het als dat verandert.’
‘Dan beginnen we daarmee.’
Mijn schuldregeling kwam tot stand. De voorwaarden waren streng. Ik moest wijzigingen in inkomen melden en me aan alle afspraken houden. Er stond geen magische datum waarop ik weer de oude Ruben zou worden.
Die wilde ik inmiddels ook niet meer zijn.
Ik wilde een vader zijn die kwam opdagen. Een broer die geen verhaal nodig had om geld te vragen. Een werknemer die werkelijk op de plek was waar zijn urenlijst zei dat hij was.
Dat klonk minder indrukwekkend dan opnieuw alles opbouwen.
Het was moeilijk genoeg.
Hoofdstuk 7
Een eigen sleutel
Ruim twee jaar na de ochtend met de deurwaarder kreeg ik een sleutel van een klein appartement in Soest. Geen cadeau. Geen wonder. Ik had lang gezocht, gereageerd en papieren aangeleverd. Uiteindelijk paste mijn inkomen bij een beschikbare woning.
Er was één slaapkamer. De woonkamer had een scheve muur en uitzicht op een parkeerplaats. In de keuken ontbrak een lade. Ik draaide alle kranen open en weer dicht. Oude gewoonte.
Dennis stond naast me met een doos.
‘Goedgekeurd, monteur?’
‘De afvoer loopt slecht.’
‘Dan heb je iets te doen.’
We verfden de muren op een zaterdag. Dennis had goede restverf meegenomen. Ik betaalde de rollers en het afdekplastic van geld dat ik ervoor had gespaard. Sanne bracht broodjes. Niemand hield een toespraak.
Voor Isa zette ik de slaapkamer klaar. Een tweedehands bed. Een bureau van een weggeefhoek. Ze koos zelf een groene lamp. Ik sliep op een slaapbank in de woonkamer als ze bleef overnachten.
De eerste keer dat Noor haar bracht, keek ze even rond. Niet zoekend naar een verborgen rekening, hoopte ik. Gewoon kijkend.
‘Het ziet er goed uit,’ zei ze.
‘Dank je.’
We stonden ongemakkelijk in de gang. Achter ons trok Isa een lade open.
‘Mag ik hier spullen laten?’ riep ze.
‘Natuurlijk,’ zei ik.
Noor glimlachte naar haar. Daarna spraken we de ophaaltijd af.
Er kwam geen omhelzing in de deuropening. Geen teken dat het misschien toch nog goed zou komen tussen ons. Dat was niet langer het doel van zo’n middag.
Mijn schuldregeling was inmiddels afgerond. Niet doordat ik alles eigenhandig had terugbetaald, maar doordat schuldeisers hadden ingestemd met een regeling en ik de voorwaarden had volgehouden. Daar had ik hulp bij gehad. Veel hulp. Ik hield het budgetbeheer voorlopig aan.
Schuldenvrij betekende niet dat alle schade weg was.
Noor kreeg haar armband niet terug. Dennis had maanden zonder buffer gezeten. Isa herinnerde zich de verhuisdozen. Mijn oude werkgever zou me niet zomaar opnieuw een bus en een klantenlijst geven.
Ik werkte nog steeds in het magazijn. Inmiddels met een vast contract. Soms miste ik het sleutelen. Daarom hielp ik onder begeleiding van een vrijwilliger bij een reparatiemiddag in het buurthuis. Een kapotte stekker vervangen. Een stofzuigerslang vrijmaken. Werk met een begin en een einde.
De trek om te gokken was niet verdwenen. Hij kwam minder vaak, maar soms onverwacht scherp.
Een keer stond ik na een slechte werkdag bij de supermarkt. Mijn pinbetaling werd geweigerd door een storing. Achter me zuchtte iemand. Ik voelde dezelfde hitte in mijn nek als vroeger. Schaamte, woede, de drang om onmiddellijk ergens anders te zijn.
In de auto dacht ik aan gokken.
Ik belde Jamal voordat ik naar huis reed.
‘Het is zo’n moment,’ zei ik.
We praatten tien minuten. Over die storing. Over eten. Over zijn nachtdienst. Daarna reed ik naar huis en warmde soep op. Dat was alles. Niemand zag aan mij dat er iets belangrijks niet was gebeurd.
Ik bleef naar een lotgenotengroep gaan. Minder vaak dan in het begin, volgens afspraken die ik met mijn behandelaar had gemaakt. Daar zat op een avond een man die zijn jas aanhield. Zijn vrouw wist sinds die middag van zijn schulden.
‘Ik ben alles kwijt,’ zei hij.
Ik herkende de manier waarop hij naar de deur keek. Alsof hij elk moment kon opstaan om ergens nog één ding te regelen.
Ik vertelde hem niet dat het goed zou komen.
‘Wie weet waar je vanavond bent?’ vroeg ik.
Hij haalde zijn telefoon uit zijn zak.
Die vrijdag bakten Isa en ik pannenkoeken in mijn nieuwe keuken. De eerste scheurde toen ik hem omdraaide.
‘Die is voor jou,’ zei ze.
‘Dat had ik verwacht.’
Ze stond op een kruk naast het aanrecht. Haar groene lamp brandde al in de slaapkamer, hoewel het nog licht was.
Na het eten vroeg ze of ze een vriendin mocht uitnodigen voor de volgende keer.
‘Dan moet ik wel weten wanneer,’ zei ik.
‘Ik zal het aan mama vragen.’
Ze zei het gewoon. Zonder spanning. Alsof volgende keer iets was waar je op kon rekenen.
Later lag ze in bed met een boek. Ik zette mijn telefoon in de keuken aan de oplader en ging op de slaapbank zitten. Op tafel lag post die ik die middag had geopend.
De huur was betaald. Er was genoeg voor boodschappen. Morgen zouden we fietsen als het droog bleef.
Ik miste nog veel. Ik had niet alles terug.
Maar ik hoefde die avond niets te verbergen.