Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

Het graf dat ik niet bezoek

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

De envelop

De envelop ligt onder de suikerpot. Mijn naam staat erop, in het handschrift van mijn schoonmoeder. Daan. Geen achternaam. Alsof er in dit huis nog iemand woont die haar post kan krijgen.

Ik maak hem niet open.

‘Oma heeft hem gisteren gebracht,’ zegt Lotte.

Ze zit aan de keukentafel met één schoen aan. De andere houdt ze ondersteboven. Er valt een steentje op de vloer.

‘Waarom geeft ze hem niet gewoon aan mij?’

‘Je was werken.’

Dat klopt. Ik werk in een bouwmarkt in Veenendaal. Sinds Eva dood is, neem ik alle late diensten aan die niemand wil. Op mijn werk heeft elk probleem een vaknummer. Een lekkende kraan. Een kapot scharnier. Een plank die drie millimeter te breed is. Daar kan ik iets mee.

Lotte trekt haar schoen aan.

‘Kom je vrijdag?’

‘Waarheen?’

Ze kijkt naar de envelop.

Ik schuif de suikerpot opzij. Er zit één vel papier in.

Vrijdag is Eva jarig. We willen om vier uur bloemen brengen. Lotte zou het fijn vinden als je meegaat. Ik ook. Ria.

Onderaan staat: Het wordt tijd, Daan.

Die laatste zin maakt iets los. Niet verdriet. Eerst woede.

‘Heeft oma dat met jou besproken?’

Lotte trekt haar jas dicht. ‘Wat?’

‘Dat jij het fijn zou vinden.’

‘Ik zou het ook fijn vinden.’

Ik leg het papier neer. Heel voorzichtig. Dat doe ik vaker als ik eigenlijk iets wil stukmaken.

‘Je weet dat ik daar niet kom.’

‘Daarom vraag ik het.’

Ze is twaalf. Sinds september zit ze op de middelbare school. Ze zegt soms dingen op een toon die niet van een kind lijkt. Daarna vergeet ze haar broodtrommel en moet ik achter haar aan rennen.

Deze ochtend vergeet ze niets.

‘We praten vanavond,’ zeg ik.

‘Ja. Dat zeg je altijd.’

De voordeur valt dicht.

Ik blijf bij de tafel staan. Buiten schuurt haar fiets langs de muur van de schuur. Dan hoor ik het tuinhek. Daarna niets meer.

Eva ligt op de gemeentelijke begraafplaats in Driebergen. Rij negen, nummer vierendertig. Ik weet het omdat het nummer op rekeningen staat. Niet omdat ik erheen ga.

Ik ben er één keer geweest. Op de dag dat we haar begroeven.

Twintig maanden geleden.

Er lag nat gras op mijn schoenen. Iemand had een groene mat over de aarde naast het graf gelegd. Lotte kneep in mijn hand toen de kist zakte. Ik kneep niet terug. Dat weet ik nog precies. Ik stond daar met een hand waar mijn dochter iets van nodig had. En ik deed niets.

Na afloop zei de uitvaartbegeleider dat ik rustig de tijd mocht nemen.

Ik liep naar de parkeerplaats.

Nu vouw ik Ria’s brief dubbel. Dan nog een keer. Hij past niet meer terug in de envelop.

Om halfnegen bel ik haar.

‘Je hebt mijn brief,’ zegt ze.

‘Je moet Lotte hier niet tussen zetten.’

‘Goedemorgen, Daan.’

‘Heb je haar gevraagd of ze mij wilde overhalen?’

‘Nee.’

‘Waarom staat haar naam er dan in?’

Aan de andere kant rinkelt een kopje. Ik zie haar keuken voor me. Het bruine aanrecht. De kalender met vogels. Eva die daar vroeger tegen de koelkast leunde en kaas uit het papiertje at.

‘Omdat ze haar vader mist bij het graf van haar moeder,’ zegt Ria.

Ik kijk naar de deur waar Lotte net doorheen ging.

‘Ik ga niet.’

‘Dat heb ik begrepen.’

‘Dan is het duidelijk.’

‘Niet voor haar.’

We zijn allebei stil. Ik hoor Ria ademhalen. Ze is achtenzestig. Vroeger belde ze om te vragen of we zondag kwamen eten. Nu bellen we over dingen die niemand wil bespreken.

‘Hoe vaak gaat Lotte met je mee?’ vraag ik.

‘Soms.’

‘Wat is soms?’

‘Daan, vraag het aan je dochter.’

‘Ik vraag het aan jou.’

‘Dan moet je niet boos worden als ik antwoord geef.’

Ik druk het gesprek weg.

Meteen schaam ik me. Ik bel niet terug.

Op het aanrecht ligt Lottes broodtrommel toch nog. Blauw, met een barst in het deksel. Ik pak hem op en zie daaronder een kassabon. Van een bloemenzaak in Driebergen. Twee witte gerbera’s. Vier euro.

Op de achterkant heeft Lotte iets geschreven.

Volgende keer doekje meenemen.

Ik ga zitten.

Mijn dochter maakt het graf van haar moeder schoon. Ik weet niet eens welke kleur de steen heeft.

Hoofdstuk 2

De witte steen

Die avond maak ik pasta. Het water kookt over terwijl ik in de la naar een kurkentrekker zoek. Niet om wijn te drinken. Om iets te doen met mijn handen. Ik leg hem terug als Lotte binnenkomt.

‘Hoe was school?’

‘Goed.’

‘Toets gehad?’

‘Gisteren.’

‘O ja.’

Ze zet haar tas bij de achterdeur. Op haar mouw zit een veeg blauwe verf.

Ik giet de pasta af. Een deel belandt in de gootsteen.

‘We kunnen ook brood eten,’ zegt ze.

‘Het lukt wel.’

We eten de slappe pasta met saus uit een pot. Eva maakte ook saus uit een pot. Na haar dood deden mensen alsof ze elke avond uitgebreid kookte. Ze vergaten de verbrande vissticks. De broodjes bij het tankstation. Ik mis juist die dingen. Het gewone, waar niemand op de uitvaart over begon.

‘Ik heb oma gebeld,’ zeg ik.

Lotte draait pasta om haar vork.

‘Was je boos?’

‘Een beetje.’

‘Op mij?’

‘Nee.’

‘Je klonk vanochtend wel boos op mij.’

Ik leg mijn vork neer. ‘Dat was niet eerlijk. Sorry.’

Ze haalt haar schouders op. Ik zou graag willen dat een excuus zichtbaar iets repareerde. Dat ze rechter ging zitten. Of weer begon te praten. Maar ze eet door.

‘Hoe vaak ga je naar mama?’ vraag ik.

‘Naar haar graf, bedoel je?’

‘Ja.’

‘Om de paar weken. Met oma.’

‘Waarom wist ik dat niet?’

Nu kijkt ze op.

‘Omdat je altijd weggaat als we erover beginnen.’

Ik wil zeggen dat dat niet waar is. Dan herinner ik me een zondag in juni. Ria had verteld dat de plantjes water nodig hadden. Ik was opgestaan om de vaatwasser uit te ruimen. Hij was nog niet klaar.

‘Hoe ziet het eruit?’ vraag ik.

Lotte pakt haar telefoon.

‘Wil je echt kijken?’

‘Ja.’

Ze schuift het toestel over tafel.

De steen is lichtgrijs. Bijna wit. Eva’s naam staat bovenaan. Daaronder haar geboortedatum en de dag waarop ze stierf. Rechts ligt een platte steen met een geschilderde merel. Er staan blauwe druifjes in een pot.

Het is een oude foto. Die bloemen bloeien niet in november.

‘Die vogel heb ik gemaakt,’ zegt Lotte. ‘Bij oma in de schuur.’

Ik knik.

Op de grafsteen staat ook: Onze lieve Eva.

Ik heb die woorden goedgekeurd. Ria had een proefdruk gestuurd. Ik had teruggeschreven: Prima. Daarna had ik de mail weggeklikt. Nu zie ik pas wat ik heb goedgekeurd.

Lotte veegt naar de volgende foto. Dezelfde steen. Andere bloemen. Een slak op de rand.

‘Die zat er steeds,’ zegt ze. ‘Ik denk natuurlijk niet echt dat het dezelfde was.’

Ze glimlacht even. Ik niet. Dat zie ik aan haar gezicht. Haar glimlach verdwijnt.

‘Pap, je hoeft niet zo te kijken.’

‘Hoe?’

‘Alsof ik je iets ergs laat zien.’

Ik schuif de telefoon terug.

‘Ik vind het moeilijk.’

‘Ik ook.’

De koelkast slaat aan. Boven schuift iets door de verwarmingsbuis.

‘Waarom kom je nooit?’ vraagt ze.

Ik heb antwoorden klaar. Dat Eva voor mij niet op die plek is. Dat iedereen anders rouwt. Dat ik haar nergens dichterbij voel dan hier.

Het zijn geen leugens. Maar ze zijn ook niet het hele antwoord.

‘Omdat ik bang ben dat ik daar niet meer wegkom,’ zeg ik.

Lotte fronst.

‘Je kunt toch gewoon naar de auto lopen?’

‘Ik bedoel in mijn hoofd.’

‘O.’

Ze kijkt naar haar bord. Ik heb haar een beeld gegeven waar ze niets mee kan. Misschien maakt het haar bang. Misschien moet ze nu bedenken hoe ze mij weer naar de auto krijgt.

‘Dat hoef jij niet op te lossen,’ voeg ik toe.

‘Maar wie dan wel?’

Ik heb geen antwoord.

Na het eten gaat ze naar boven. Ik ruim af. Haar telefoon ligt nog op tafel. Het scherm licht op met een bericht van Ria.

Ik lees alleen de eerste regel.

Heeft papa al iets gezegd over vrijdag?

Ik draai het toestel om. Daarna loop ik naar de trap.

‘Lot?’

‘Ja?’

‘Ik weet het nog niet. Van vrijdag.’

Haar deur gaat open.

‘Dat is niet hetzelfde als nee?’

‘Nee.’

Ze knikt. Ik zie de opluchting en weet meteen dat ik te veel heb gegeven. Geen belofte, zal ik later kunnen zeggen. Alleen een mogelijkheid.

Maar zij zal het verschil niet horen.

Die nacht lig ik wakker. Om kwart over twee zoek ik op mijn telefoon naar de openingstijden van de begraafplaats.

Hoofdstuk 3

De slagboom

Donderdag rijd ik na mijn vroege dienst naar Driebergen. Niemand weet dat ik ga. Ik heb mijn werkschoenen nog aan. Op de achterbank ligt een zak kattengrit die ik voor de buurvrouw zou meenemen.

Het voelt belangrijk dat er iets gewoons in de auto ligt.

Bij de begraafplaats is de parkeerplaats bijna leeg. Een witte bestelbus staat naast een hoop zand. Verderop stapt een vrouw uit een rode Toyota. Ze pakt een gieter uit de kofferbak.

Ik parkeer achteruit. Dan kan ik gemakkelijk weg.

De motor blijft lopen.

Door de voorruit zie ik de ingang. Een breed pad. Kale bomen. Een bord met regels dat ik vanaf hier niet kan lezen.

Ik zet de motor uit.

Meteen hoor ik de regen op het dak.

Eva stierf op een dinsdagavond. Niet op slag, zoals sommige mensen later zeiden. Een ambulanceverpleegkundige heeft bij haar in de auto gezeten. In het ziekenhuis hebben ze nog geopereerd.

Toen ik kwam, was ze al dood.

Dat verschil blijft belangrijk voor mij. Ik weet niet waarom. Misschien omdat er tussen de botsing en haar dood tijd zat. Tijd waarin ik thuis naar een voetbalwedstrijd keek zonder te zien wie er speelde.

We hadden ruzie gehad.

Niet over iets groots. Dat maakt het niet kleiner.

Eva werkte bij een verpleeghuis in Zeist. Ze wilde een opleiding doen. Meer verantwoordelijkheid. Andere diensten. Ik had meteen uitgerekend wat dat voor mij betekende. Vaker koken. Minder avonden beschikbaar voor mijn werk. Meer regelen rond Lotte.

‘Je hebt nog niet één keer gevraagd of ik er zin in heb,’ zei ze.

‘Je hebt het toch al besloten.’

‘Omdat jij nergens over wilt nadenken voordat het lastig voor je wordt.’

Toen zei ik dat ze misschien beter ergens anders kon gaan wonen als alles aan mij haar tegenstond.

Ik meende het niet. Ik wilde winnen.

Ze pakte haar autosleutels.

‘Ik ga naar mijn moeder. We praten morgen.’

Ik zei: ‘Doe vooral waar je zin in hebt.’

Dat waren mijn laatste woorden tegen haar.

Op de N225 raakte haar auto van de weg. Het had geregend. Er was geen tweede voertuig gevonden. Geen alcohol. Haar telefoon lag in haar tas. De politie kon niet vaststellen waarom ze de macht over het stuur verloor.

Ik heb dat gebrek aan antwoord gevuld met onze keuken.

Met mijn eigen stem.

Nu zit ik voor de begraafplaats en krijg ik geen volledige ademhaling meer naar binnen.

Ik open mijn portier. Zet één voet buiten.

De vrouw met de gieter loopt langs.

‘Gaat het?’ vraagt ze.

‘Ja.’

Ze blijft staan. Niet opdringerig. Gewoon lang genoeg om te laten merken dat ze me niet gelooft.

‘Wilt u dat ik iemand bel?’

‘Nee. Dank u.’

Ik stap uit om haar gerust te stellen. Meteen worden mijn knieën slap.

Naast de auto hurk ik neer. Alsof ik iets met mijn schoen doe. Mijn handen tintelen. Ik ben ervan overtuigd dat ik ga flauwvallen.

De vrouw zet haar gieter neer.

‘Ik blijf even hier,’ zegt ze.

Ik tel de bouten in mijn wiel. Vijf. Dan opnieuw vijf. Ik probeer de lucht niet naar binnen te trekken, maar eerst uit te blazen.

Dat heb ik ooit gelezen. Nu voelt het belachelijk dat een gelezen tip me overeind moet houden.

Toch wordt het langzaam minder.

‘Heeft u dit vaker?’ vraagt de vrouw.

‘Niet zo.’

‘Ga dan straks niet meteen rijden.’

Ik knik.

Ze loopt pas weg als ik weer op de bestuurdersstoel zit, met mijn benen buiten de auto.

Ik blijf nog een halfuur. Ik kom niet door de ingang.

Thuis bel ik de huisarts. De assistente vraagt waarvoor ik een afspraak wil.

‘Mijn vrouw is overleden.’

‘Wat naar. Wanneer?’

‘Bijna twee jaar geleden.’

Ik hoor mezelf verontschuldigend praten, alsof mijn probleem over de datum is.

‘En vandaag?’ vraagt ze.

Ik vertel het. Kort. Het parkeren. Het ademen. Mijn dochter.

Ze overlegt en geeft me een afspraak voor de volgende ochtend.

Als Lotte thuiskomt, zit ik aan tafel.

‘Ik ben er geweest,’ zeg ik.

Haar gezicht verandert.

‘Bij mama?’

‘Op de parkeerplaats. Verder lukte niet.’

‘Maar morgen dan?’

‘Ik kan het niet beloven.’

Ze zet haar tas neer.

‘Je had ook gewoon nee kunnen zeggen.’

Dan gaat ze naar boven. Dit keer loop ik niet achter haar aan.

Hoofdstuk 4

Niet thuis

Vrijdag zou Eva eenenveertig zijn geworden. Ik word wakker voordat de wekker gaat. Naast me ligt een stapel schone handdoeken die ik gisteravond niet heb opgeborgen.

Ik leg ze in de kast voordat Lotte binnen kan komen.

Aan het ontbijt vraag ik wat ze na school gaat doen.

‘Naar oma. Dat weet je.’

‘Ik bel haar straks.’

‘Waarom?’

‘Om af te spreken hoe laat je thuis bent.’

Ze drukt met haar duim een deuk in haar boterham.

‘Ik ben geen kleuter.’

‘Dat zeg ik niet.’

‘Je doet wel zo.’

Bij de huisarts zit ik tegenover dokter Smit. Ik ken haar van keelontstekingen en een ontstoken elleboog. Nu moet ik vertellen dat ik niet langs een slagboom kan lopen.

Ze vraagt naar slapen. Naar eten. Naar drank.

‘Twee glazen soms,’ zeg ik.

‘Hoe vaak is soms?’

Ik moet aan Ria denken.

‘Bijna elke avond.’

Ze knikt en schrijft iets op. Ik wil zien wat.

Dan vraagt ze of ik weleens denk dat ik niet meer wil leven.

‘Ik wil niet dood,’ zeg ik. ‘Ik wil alleen soms niet wakker hoeven zijn.’

We praten langer dan de afgesproken tien minuten. Ze vraagt door. Niet geschrokken. Dat helpt. We maken een afspraak met de praktijkondersteuner. Ze wil me zelf ook terugzien.

‘En dat graf?’ vraag ik.

‘Wat verwacht u dat ik daarover zeg?’

‘Dat ik moet gaan.’

‘Vandaag hoeft u niets te bewijzen. Wel lijkt het me belangrijk dat u hulp krijgt bij wat u tegenhoudt.’

Buiten bel ik Ria.

Ze neemt niet op. Ik spreek in dat ik niet meega. Dat ik begrijp dat het teleurstellend is. Het klinkt als een afmelding voor een etentje.

Daarna stuur ik Lotte een bericht.

Het lukt me vandaag niet. Het spijt me. We praten vanavond. Ik hou van je.

Ze leest het om elf over twaalf.

Er komt geen antwoord.

Om kwart voor vier belt Ria terug.

‘Ik lag in bed,’ zegt ze. Haar stem is schor. ‘Koorts. Ik heb Lotte gisteren al gezegd dat ik vandaag niet kon.’

Ik sta in de supermarkt met een pak melk in mijn hand.

‘Ze zou naar jou gaan.’

‘Niet vandaag.’

Ik zet de melk in een schap met ontbijtgranen.

‘Misschien heeft ze je verkeerd begrepen.’

Ria zegt niets. We weten allebei dat dat niet waarschijnlijk is.

Ik bel Lotte. Voicemail.

Nog een keer.

Bij de zelfscankassa zegt een medewerker dat ik mijn mandje laat staan. Ik loop terug, geef het aan hem en zeg iets over mijn dochter.

Buiten regent het hard.

Ik bel haar vriendin Noor. Dat nummer heb ik van een logeerpartij.

‘Ze ging meteen weg na school,’ zegt Noor. ‘Ze had bloemen in haar tas.’

‘Heeft ze gezegd waarheen?’

‘Naar haar moeder.’

Ik stap in de auto. Mijn eerste neiging is veel te hard wegrijden. Ik heb de sleutel al omgedraaid als ik mijn handen zie trillen.

Ik zet de motor weer uit.

‘Denk nou,’ zeg ik hardop.

Lotte kan op de fiets naar Driebergen zijn gegaan. Ze kent de route niet goed, maar ze heeft een telefoon. Het is ruim twintig kilometer. Ze kan er inmiddels zijn.

Ik bel Ria en vertel wat Noor zei.

‘Ik kan haar daar gaan zoeken,’ zegt ze.

‘Jij blijft thuis. Ik ga.’

Het komt eruit voordat ik begrijp wat ik zeg.

Ik stuur Lotte nog één bericht.

Oma heeft gebeld. Ik maak me zorgen. Laat weten waar je bent. Je hebt geen straf omdat je mama wilt bezoeken.

Dan rijd ik.

Bij elke afslag kijk ik of ik een gele regenjas zie. Lotte heeft geen gele regenjas. Ze draagt een zwarte. Ik weet het ineens niet meer zeker en dat maakt me misselijk.

Vlak voor Driebergen licht mijn telefoon op in de houder.

Ik sta voor rood. Het is een bericht van Lotte.

Ik ben hier. Band lek. Telefoon bijna leeg.

Ik bel meteen.

Ze neemt op.

‘Waar is hier?’ vraag ik.

Ik hoor wind langs de microfoon.

‘Bij mama.’

Mijn schouders zakken. Daarna word ik boos van opluchting.

‘Waarom nam je niet op?’

‘Hij stond stil.’

Ik slik de rest van mijn verwijt in.

‘Ga naar de ingang. Ik ben er over tien minuten.’

‘Kom jij niet hierheen?’

Het licht wordt groen. Achter me toetert iemand.

‘Lot, wacht bij de ingang. Alsjeblieft.’

Hoofdstuk 5

Onder het afdak

Lotte staat naast het gebouw bij de ingang. Onder een smal afdak. Haar fiets ligt op zijn kant. De achterband is helemaal leeg.

Ik parkeer scheef over twee vakken.

Ze kijkt op als ik uitstap. Haar haar plakt tegen haar wangen. De onderkant van haar spijkerbroek is donker van het water.

‘Ben je gevallen?’ vraag ik.

‘Nee.’

‘Heb je het koud?’

‘Ja.’

Ik trek haar tegen me aan. Ze houdt haar armen eerst langs haar lichaam. Dan grijpt ze mijn jas vast.

Ik had willen zeggen dat ze me dit nooit meer mocht aandoen. Dat ik gek werd van angst. Maar haar gezicht zit tegen mijn borst en ik voel hoe ze rilt.

‘Je bent er,’ zeg ik.

‘Ja, natuurlijk.’

Haar stem klinkt boos. Goed. Ze staat hier en is boos op me.

Ik haal de oude deken uit de auto. Die ligt er voor spullen die het interieur kunnen beschadigen. Nu sla ik hem om mijn dochter.

‘Ik dacht dat je bij oma was.’

‘Dat weet ik.’

‘Je hebt me laten denken dat je daar was.’

‘Anders mocht ik niet.’

‘Dat weet je niet.’

‘Nee. Want je zegt nooit duidelijk iets.’

Ik kijk naar haar fiets. Aan het stuur hangt een leeg plastic hoesje van bloemen.

‘Die band ging pas hier lek,’ zegt ze. ‘Ik had best terug gekund.’

‘Dat bespreken we thuis. Je moet eerst warm worden.’

Ze draait haar hoofd naar het pad.

‘Je bent nu zo dichtbij.’

Achter haar zie ik de bomen. Verder niets wat ik herken. Rij negen kan tien meter weg zijn. Of driehonderd.

Mijn hart begint opnieuw hard te slaan.

‘Ik weet het.’

‘Waarom kan het voor mij dan niet?’

Die vraag raakt harder dan Ria’s brief. Ik zou voor haar een brandend huis in willen rennen. Tenminste, dat vertel ik mezelf graag. Maar hier sta ik te onderhandelen met een grindpad.

‘Omdat er iets vastzit,’ zeg ik. ‘En ik hulp nodig heb om daar iets mee te doen.’

‘Je wilt gewoon niet aan mama denken.’

‘Ik denk de hele dag aan haar.’

‘Je zegt haar naam bijna nooit.’

Ik ga naast haar op de rand onder het raam zitten. De steen is nat. Het maakt me niet uit.

‘Dat klopt,’ zeg ik.

Een man met een kruiwagen komt voorbij. Hij knikt. Niemand vraagt wat we hier doen.

‘Ik hoor jullie nog,’ zegt Lotte.

Ik kijk naar haar.

‘Die avond. Ik lag niet te slapen.’

Mijn mond wordt droog.

‘Wat heb je gehoord?’

‘Dat mama ergens anders moest wonen.’

Ik trek aan een losse draad van de deken. Stop ermee.

‘Dat heb ik gezegd.’

‘Wilde je dat echt?’

‘Nee. Ik was kwaad en ik wilde haar pijn doen. Dat was verkeerd.’

Lotte veegt met de deken langs haar neus.

‘Ik was ook boos op haar.’

‘Waarom?’

‘Ze zou met mij schoenen kopen. Maar toen moest ze ineens werken. Ik zei dat ze altijd weg was.’

Ik herinner me die schoenen. Zwarte laarsjes met dikke zolen. Ze stonden na de begrafenis wekenlang ongebruikt in de gang. Ria had ze gekocht.

‘En toen ging ze dood,’ zegt Lotte.

‘Dat kwam niet door jou.’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Omdat iets boos zeggen geen auto van de weg laat raken.’

Ze kijkt me lang aan.

‘Maar jij denkt wel dat het door jou kwam.’

Ik wil ontkennen. Ik ben haar vader. Ik wil iets stevigs neerzetten waar ze tegenaan kan leunen.

‘Ja,’ zeg ik. ‘Dat denk ik vaak. Maar denken is niet hetzelfde als weten.’

‘Was ze aan het huilen in de auto?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Reed ze te hard?’

‘Dat konden ze niet vaststellen.’

‘Dus we weten eigenlijk niks.’

‘We weten dat het een ongeluk was. En dat niemand van ons wilde dat ze doodging.’

Lotte buigt voorover. Ze huilt zonder geluid. Ik leg mijn hand tussen haar schouderbladen. Dit keer laat ik hem daar.

Na een tijdje zegt ze: ‘Ik wil naar huis.’

Ik vouw de achterbank neer voor haar fiets. Het stuur blijft haken achter een gordel. Ik vloek. Lotte helpt me de gordel los te maken.

Voor we instappen, kijkt ze nog één keer om.

‘Ik heb rode tulpen gebracht. Die waren er gewoon al.’

‘Die vond ze mooi.’

‘Weet ik.’

Ik heb het graf nog steeds niet gezien.

Op de terugweg zet ik de verwarming hoog. Bij Maarn vraag ik of ze trek heeft.

‘Friet,’ zegt ze.

‘Goed.’

Na een paar minuten legt ze haar koude hand op mijn arm.

Hoofdstuk 6

Wat ik bewaarde

Maandag zit ik bij Saskia, de praktijkondersteuner. Haar kamer kijkt uit op fietsenrekken. Op tafel staat een doos tissues. Ik neem me voor die niet te gebruiken.

Ze vraagt niet eerst naar het graf. Ze vraagt hoe mijn dagen eruitzien.

Ik vertel over de bouwmarkt. Over Lotte. Over boodschappen, was en rekeningen. Het klinkt alsof ik alles goed geregeld heb.

‘En wanneer bent u niet bezig?’ vraagt ze.

Ik lach kort.

‘Dan ga ik iets doen.’

We praten over de ruzie. Ik vertel mijn laatste zin tegen Eva. Saskia maakt er geen betere zin van. Ze zegt niet dat Eva vast wist hoeveel ik van haar hield. Dat weet ze niet. Ik ben haar daar dankbaar voor.

‘U hebt iets gezegd waar u spijt van hebt,’ zegt ze. ‘En daarna is er iets verschrikkelijks gebeurd. Die twee dingen zitten bij u aan elkaar vast.’

‘Ze was zonder die ruzie niet weggegaan.’

‘Misschien niet.’

Ik kijk op.

‘Maar daarmee weet u nog niet waardoor haar auto van de weg raakte,’ zegt ze.

Dat verschil heb ik zelf ook tegen Lotte gemaakt. Ik kan het alleen moeilijk op mezelf toepassen.

Aan het einde is mijn hoofd zwaar. Er is niets opgelost. Wel heb ik een nieuwe afspraak. En ik heb de tissues toch gebruikt.

Die middag bel ik Ria. Niet vanuit de auto. Niet tussen twee dingen door. Ik ga aan tafel zitten.

‘Ik moet iets zeggen over vrijdag,’ begin ik.

‘Ik ook,’ zegt ze.

Ze vertelt dat ze kwaad was. Eerst omdat ik niet meeging. Daarna omdat Lotte alleen was gefietst. Toen vooral omdat ze zelf ziek in bed lag terwijl haar kleindochter bij het graf stond.

‘Ze had mij niet moeten missen,’ zegt ze.

‘Jij was ziek.’

‘Dat weet ik ook wel.’

We horen allebei hoe gemakkelijk we voor de ander zijn.

Ik vertel dat ik hulp heb gezocht.

‘Goed,’ zegt Ria.

Geen eindelijk. Daar had ik op gerekend.

‘Dat zinnetje in je brief,’ zeg ik. ‘Het wordt tijd.’

Ze zucht.

‘Ja.’

‘Dat hielp niet.’

‘Nee. Ik wilde jullie daar allemaal. Alsof het dan meer op haar verjaardag leek.’

Ik denk aan de slingers die Eva altijd liet hangen tot ik ze zelf weghaalde.

‘Ik mis haar ook als ik niet ga,’ zeg ik.

‘Dat weet ik, Daan.’

Voor het eerst klinkt het alsof ze het niet alleen zegt om het gesprek rustig te houden.

We spreken af dat Lotte met haar naar de begraafplaats kan blijven gaan. Openlijk. In de agenda. Niet via briefjes die voor mij verstopt lijken. Ik zeg ook dat ik niet weet of ik ooit meega.

Ria vindt dat moeilijk. Dat hoor ik. Toch zegt ze: ‘Goed.’

Op woensdag haal ik Eva’s blauwe trui uit de onderste la. Hij zit in een plastic zak. Ik heb hem er na haar dood in gestopt omdat ik haar geur wilde bewaren.

Nu ruikt hij naar plastic en een vochtige kast.

Ik ga op het bed zitten met de trui op mijn knieën. Het lukt me niet om hem terug te stoppen. Het lukt me ook niet om hem weg te leggen.

Zo vindt Lotte me.

‘Mag ik die?’ vraagt ze.

‘Hij is veel te groot.’

‘Dat is juist fijn.’

Ik wil nee zeggen. Deze trui is van mij geworden zonder dat Eva daar iets over kon zeggen. Een van de dingen die niemand mag aanraken.

Dan schuif ik hem naar Lotte.

‘Hij moet wel gewassen.’

Ze ruikt eraan en trekt een vies gezicht.

Ik begin te lachen. Meteen voel ik tranen. Het gebeurt tegelijk en het klinkt beroerd.

Lotte gaat naast me zitten.

‘Haar parfum stonk soms ook,’ zegt ze.

‘Die met dat gouden dopje?’

‘Ja. Alsof ze een hele winkel op zich had gespoten.’

We lachen opnieuw.

Daarna huilt zij ook.

We wassen de trui op dertig graden. Ik blijf niet voor de machine zitten, al wil ik dat wel.

Die avond spreken we af dat ze ook met iemand kan praten. Niet omdat er iets mis met haar is. Omdat ze te veel in haar eentje heeft gehouden. Via de huisarts zoeken we iemand die met kinderen na een verlies werkt.

‘Moet jij dan steeds mee naar binnen?’ vraagt ze.

‘Alleen als jij dat wilt en als jullie dat afspreken.’

Ze knikt.

Voor ze gaat slapen, hangt ze de trui over een stoel om verder te drogen.

Ik loop er drie keer langs. De vierde keer doe ik gewoon het licht uit.

Hoofdstuk 7

Bij de ingang

Vier maanden later rijd ik opnieuw naar Driebergen. Lotte zit naast me. Op de achterbank staat een pot met paarse viooltjes, klem tussen haar schooltas en mijn jas.

We hebben afgesproken wat er gaat gebeuren. Ria wacht bij de ingang. Lotte loopt met haar naar het graf. Ik blijf buiten. Daarna drinken we ergens iets.

Geen test. Geen verrassing. Niemand zal halverwege zeggen dat het nog maar een klein stukje is.

Dat was mijn voorwaarde.

‘Die pot lekt toch niet?’ vraag ik.

Lotte draait zich om.

‘Er zit een zak omheen, pap.’

‘Ik zie het.’

‘Waarom vraag je het dan?’

‘Omdat ik een vader ben.’

Ze rolt met haar ogen. Het is een vertrouwd gebaar geworden. Ze gebruikt het tegenwoordig weer vaker.

Het gaat niet ineens goed met ons. In januari heb ik drie nachten nauwelijks geslapen. Op de sterfdag van Eva meldde ik me ziek. Ik had bedacht dat werken afleiding zou geven. Bij het aantrekken van mijn werkschoenen begon ik over te geven.

Lotte heeft soms buikpijn voordat ze naar school moet. Ze praat met een vrouw die Marieke heet. Wat ze daar vertelt, weet ik meestal niet. Soms komt ze boos thuis. Soms wil ze pannenkoeken.

Ik probeer niet aan elke stemming af te lezen of het gesprek heeft geholpen.

Zelf praat ik nog met Saskia. We hebben ook verdere behandeling besproken voor de paniek en het steeds teruggaan naar die laatste avond. Er is een wachttijd. Ik sta op de lijst.

Intussen oefen ik met dingen waar ik voor wegloop. Niet allemaal tegelijk. Ik luister weer naar muziek in de auto. Ik open post op de dag dat die komt. Ik heb Eva’s laatste salarisstrook weggegooid.

Dat laatste kostte een hele middag.

Bij de parkeerplaats staat Ria al. Ze heeft een groene jas aan die ik niet ken. Ik parkeer, zet de motor uit en blijf even zitten.

Mijn hart klopt snel. Maar ik krijg lucht.

‘Gaat het?’ vraagt Lotte.

‘Het is moeilijk. Het gaat wel.’

Ze knikt. Ze hoeft niet te wachten tot ik me goed voel. Dat hebben we geoefend, ook thuis.

Ik til de bloemen uit de auto en geef ze aan Ria.

‘Zware pot,’ zegt ze.

‘Lotte heeft hem gekozen.’

‘Dan moet ik niet zeuren.’

Ze glimlachen naar elkaar.

Bij het hek blijft Lotte staan.

‘Wil je nog iets zeggen dat ik moet zeggen?’

Vroeger zou ik die vraag hebben afgewezen. Mama hoort je daar niet. Of: nee hoor, ga maar. Allebei om er snel vanaf te zijn.

Nu denk ik even na.

‘Nee. Vandaag niet. Maar dank je dat je het vraagt.’

Ze loopt met Ria het pad op. Ik kijk tot ze afslaan.

Daarna ga ik op het bankje naast de parkeerplaats zitten. Er zit vogelpoep op één kant. Ik neem de andere.

Ik pak mijn telefoon, maar stop hem weer weg. Ik hoef deze twintig minuten niet vol te maken met uitslagen, nieuws of aanbiedingen voor gereedschap.

Aan de overkant snoeit iemand een struik. Een busje piept bij het achteruitrijden. Ik denk aan Eva die altijd vond dat ik te dicht op andere auto’s parkeerde. Ze deed dan het portier maar een klein stukje open en wurmde zich er overdreven zuchtend uit.

‘Je kunt ook gewoon zeggen dat ik scheef sta,’ zei ik dan.

‘Dat heb ik al zes jaar gedaan.’

Ik glimlach. Daarna huil ik even. Niet lang. Er komt een man voorbij die zijn hond aan de lijn houdt. Ik veeg mijn gezicht af en groet hem.

Als Lotte en Ria terugkomen, vraagt niemand of ik alsnog wil gaan.

In een café bestelt Lotte warme chocolademelk. Ria neemt koffie. Ik ook. We praten over een docent die volgens Lotte toetsen nakijkt terwijl hij eet. Er zat saus op haar werkblad. Ze heeft fotografisch bewijs.

Thuis zetten we de waterkoker aan. Op de vensterbank staat sinds kort een foto van Eva in onze oude tent op Texel. Haar haar zit plat aan één kant. In haar hand houdt ze een gebroken tentharing omhoog.

Het was geen bijzondere vakantie. We hadden regen. Lotte kreeg oorontsteking. We gingen twee dagen eerder naar huis.

Toch is het de foto die we allebei wilden neerzetten.

Ik bezoek Eva’s graf nog steeds niet. Misschien verandert dat. Misschien ook niet. Ik wil het niet langer gebruiken om vast te stellen of ik een goede man voor haar was.

Ik was haar man. Soms lief. Soms gemakzuchtig. Die laatste avond gemeen. Het blijft allemaal waar.

Lotte zet twee mokken op tafel.

‘Ga je vrijdag mee schoenen kopen?’ vraagt ze.

Ik pak mijn telefoon en open de agenda.

‘Ja. Na school.’

‘Niet weer vergeten.’

‘Daarom zet ik het erin.’

Ze schuift een mok naar me toe. Ik blijf bij haar zitten.