Mantelzorg en ouder worden
Het huis van mijn ouders leeghalen
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
Het huis van mijn ouders leeghalen
De sleutel draaide niet. Ik zette mijn voet tegen de voordeur en duwde met mijn schouder. Achter het glas schoof iets om. Een klap. Daarna gerinkel.
‘Mam?’
Geen antwoord. Natuurlijk niet. Mijn moeder zat sinds dinsdag in een verpleeghuis in Zutphen. Toch riep ik opnieuw.
Ik duwde harder. De deur ging een handbreed open. Genoeg om mijn arm naar binnen te steken en de omgevallen paraplubak weg te schuiven.
Binnen rook het naar oud frituurvet. Op de kapstok hing mijn vaders blauwe jas. Ik voelde automatisch in de rechterzak. Pepermunt. Een kassabon. Het kleine meetlint dat hij overal mee naartoe nam.
Mijn vader was elf maanden dood.
Ik heet Marieke van Dalen. Ik was drieënvijftig en had die ochtend tegen mijn leidinggevende gezegd dat ik een dag nodig had voor wat regelwerk. Alsof ik een paspoort ging aanvragen.
Op de keukentafel lag de kalender open bij februari. Het was april. Naast de kalender stond een kopje met een vel schimmel op de koffie. Ik had er zondag nog schoongemaakt. Maandag was mijn moeder gevallen. Dinsdag had de arts gezegd dat terug naar huis niet meer verantwoord was.
Woensdag had ik de huur opgezegd.
Nu was het donderdag en wilde ik terug naar woensdag om mezelf tegen te houden.
Mijn telefoon trilde. Mijn broer Paul.
‘Ben je er al?’
‘Net binnen.’
‘Zet de goede spullen apart. Die kast is misschien nog iets waard.’
Ik keek naar de wandkast. Achter het glas stonden zes borrelglaasjes en een porseleinen herder zonder oor.
‘Welke goede spullen?’
‘Je begrijpt me wel. Ik kan zaterdag.’
‘We moeten over vier weken opleveren.’
‘Dat weet ik, Mariek.’
Hij zei mijn naam op de toon waarop je een hond vraagt te gaan liggen.
Paul woonde in Amersfoort. Ik woonde twaalf minuten fietsen verderop, aan de andere kant van Zutphen. Dat verschil had zich langzaam vertaald in boodschappen, wasgoed, gesprekken met de huisarts en nachten waarin mijn moeder belde omdat er een man in haar slaapkamer stond. Die man was meestal haar eigen spiegelbeeld in de donkere ruit.
‘Ik ga eerst naar mam,’ zei ik.
‘Je bent toch net daar?’
Ik verbrak de verbinding.
In de koelkast lagen drie geopende pakken ham. Achter de melk stond een bord met twee rauwe aardappels. In de bestekla vond ik de afstandsbediening. Ik legde hem op tafel, naast mijn sleutels. Toen trok ik hem weer naar me toe. Straks zocht ik hem ook nog in mijn eigen huis.
Onder de trap stond de boodschappentas die ik maandag had gebracht. Bananen. Yoghurt. Een zak mandarijnen.
Ik was die middag niet gebleven. Mijn moeder had gevraagd of ik een eitje wilde bakken. Ik had gezegd dat ik haast had. Om half negen belde de buurvrouw dat ze op de keukenvloer lag.
Ik pakte de mandarijnen en gooide ze zo hard in de afvalbak dat het deksel losschoot.
Bij het verpleeghuis moest ik aanbellen. Een verzorgende met rode gympen deed open.
‘U bent Marieke? Ik ben Saskia. Uw moeder zit bij het raam.’
Mijn moeder droeg haar beige vest. De knopen zaten verkeerd. Haar haar was aan één kant plat.
‘Daar ben je,’ zei ze. ‘Ik wacht al de hele morgen. We moeten naar huis.’
Ik ging zitten.
‘Je blijft voorlopig hier, mam.’
‘Dat heeft die vrouw ook al gezegd. Maar ik moet eten maken.’
‘Er wordt hier gekookt.’
Ze keek langs me heen naar Saskia.
‘Ik wil niet dat vreemde mensen aan mijn spullen zitten.’
Mijn mond werd droog.
‘Paul en ik gaan wat opruimen.’
Mijn moeder pakte mijn pols. Haar nagels drukten in mijn huid.
‘Niet in de naaidoos.’
‘Wat?’
‘Daar blijf je uit.’
Saskia zette thee neer. Mijn moeder liet los en vroeg of mijn vader ons kwam halen. Ik vertelde haar dat hij dood was. Haar gezicht trok samen. Ze had het opnieuw gehoord, voor de eerste keer.
Ik bleef tot de thee koud was. Daarna liep ik naar de parkeerplaats en belde de woningcorporatie. Ik wilde vragen of ik de opzegging kon terugdraaien.
Terwijl het toestel overging, zag ik de blauwe plek op mijn pols. Ik dacht aan de aardappels in de koelkast. Aan het gas dat vorige maand had aangestaan zonder pan erboven.
Ik hing op voordat iemand opnam.
Terug in het huis pakte ik de naaidoos van de vensterbank. Ik zette hem op tafel. Het deksel zat dicht met een elastiek.
Hoofdstuk 2
De naaidoos
Ik haalde het elastiek los, maar tilde het deksel niet op. In plaats daarvan zette ik koffie. Het water liep langs het filter omdat ik het scheef had gevouwen. Ik keek toe tot de eerste druppels over het aanrecht kwamen.
Toen begon ik te vloeken.
Niet zacht. Niet netjes. Ik schold tegen het koffiezetapparaat, tegen het huis en tegen Paul, die er niet was.
Er werd op het keukenraam getikt.
Buurvrouw Ria stond buiten met een ovenschaal.
‘De achterdeur zit op slot,’ riep ze.
Ik liet haar binnen. Ze keek naar de plas koffie en pakte zonder iets te vragen een doek.
‘Lasagne. Voor vanavond.’
‘Ik heb thuis eten.’
‘Dan voor morgen.’
Ria woonde al negenentwintig jaar naast mijn ouders. Ze had een reservesleutel en wist eerder dan ik wanneer mijn moeder weer in haar nachtjapon bij de vuilniscontainers had gestaan.
‘Hoe lag ze maandag?’ vroeg ik.
Ria stopte met vegen.
‘Marieke.’
‘Ik wil het weten.’
‘Naast de tafel. Ze was bij bewustzijn. Ze had pijn aan haar heup.’
‘Had ze daar lang gelegen?’
‘Dat weet niemand.’
Ik knikte alsof dat een bruikbaar antwoord was.
Ria keek naar de naaidoos.
‘Die mocht ik ook nooit aanraken.’
‘Weet jij waarom?’
‘Je moeder heeft liever dat mensen niets weten.’
Toen ze weg was, opende ik de doos. Bovenin lagen spelden, knopen en een centimeter. Onder het losse bakje zaten enveloppen. Een stapel. Sommige nog dicht.
Ik begon met de bovenste.
Een betalingsherinnering voor de energie. Daaronder een aanmaning van de zorgverzekeraar. Een brief over een mislukte automatische incasso. Op een geopende envelop had mijn moeder geschreven: Henk vragen.
Mijn vader heette Henk.
De brief was vier maanden na zijn overlijden verstuurd.
Ik ging zitten. Mijn moeder had altijd gezegd dat de bankzaken geregeld waren. Mijn vader had alles gedaan. Daarna zei ze dat ze het zelf wel kon. Als ik iets vroeg, werd ze boos.
‘Ik ben niet achterlijk,’ had ze gezegd.
Dus had ik haar bankzaken laten liggen. Ik deed al genoeg, vond ik. Boodschappen. Medicijnen. De douche controleren. En ik wilde haar tenminste ergens nog geloven.
Onder de brieven lag een klein rood schrift.
Er stonden bedragen in. Huur. Stroom. Begrafenis. Namen van instanties, met telefoonnummers erachter. Het handschrift veranderde na een paar bladzijden. Eerst recht en klein. Later groot, met woorden die waren doorgestreept.
Op de laatste beschreven bladzijde stond: Niet tegen Marieke. Heeft het druk.
Ik las die zin drie keer.
Mijn telefoon ging. Mijn dochter Lotte vroeg of ik zondag kwam eten.
‘Weet ik nog niet.’
‘Je zegt nu al drie zondagen dat je het niet weet.’
‘Ik ben het huis aan het leeghalen.’
‘Dat doe je zondag ook?’
‘Waarschijnlijk.’
Ze zweeg even.
‘Pap zegt dat je slecht slaapt.’
‘Pap moet niet alles doorvertellen.’
‘Ik vraag het toch gewoon?’
Ik kneep mijn ogen dicht. Mijn dochter was zesentwintig. Ze woonde in Deventer en werkte onregelmatige diensten. Ze hoefde mij niet ook nog te verzorgen.
‘Sorry,’ zei ik. ‘Ik slaap inderdaad slecht.’
‘Dan kom ik zaterdag helpen.’
‘Dat hoeft niet.’
‘Dat vroeg ik niet.’
Na het gesprek belde ik Paul.
‘Er liggen onbetaalde rekeningen.’
‘Hoeveel?’
‘Weet ik nog niet. Ik krijg niet overal overzicht in.’
‘Had jij dat niet in de gaten?’
Ik staarde naar de keukentegels. Op één tegel zat een gedroogde spat tomatensaus. Ik wist nog dat ik die had willen wegpoetsen.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik had dat niet in de gaten.’
‘Zo bedoel ik het niet.’
‘Hoe dan wel?’
Hij zuchtte.
Ik las de laatste zin uit het schrift voor. Daarna was het stil.
‘Ik kom morgenavond,’ zei hij.
‘Neem je laptop mee. En doe niet alsof je hier even orde komt scheppen.’
Om zes uur fietste ik naar huis. De lasagne hing in een tas aan mijn stuur. Mijn man Jeroen stond in de gang.
‘Hoe was het?’
Ik zette de tas neer.
‘Ik heb niets weggegooid.’
‘Dat vroeg ik niet.’
Ik wilde zeggen dat het goed ging. Dat morgen beter zou zijn. In plaats daarvan ging ik op de onderste traptrede zitten.
Jeroen kwam naast me zitten. Hij vroeg niets meer. Pas toen rook ik hoe sterk mijn jas naar het huis van mijn ouders rook.
Hoofdstuk 3
Wat Paul niet zag
Paul kwam vrijdag met lege dozen en een doos appelflappen. Hij droeg nette schoenen. Ik keek ernaar toen hij over het natte tuinpad liep.
‘Er staat water in de schuur,’ zei ik.
‘Dan begin ik binnen.’
Hij zette de appelflappen op tafel, precies op de stapel aanmaningen.
We hadden met zijn tweeën een volmacht voor mijn moeders bankzaken. Mijn vader had die jaren eerder geregeld. Ik had het papier wel eens gezien, maar nooit gebruikt. Paul vond de kopie tussen de verzekeringen. We maakten een lijst met telefoonnummers voor maandag. De bank moest ons eerst vertellen wat zij nodig hadden.
Een deel van de rekeningen bleek al betaald. Mijn moeder had de herinneringen bewaard, maar niet de bevestigingen. Andere bedragen stonden nog open. Geen rampzalige schuld. Wel genoeg om bang van te worden als je niet meer begreep wat er op papier stond.
‘Dit hadden we eerder moeten doen,’ zei Paul.
‘Ja.’
Hij keek op. Waarschijnlijk had hij verwacht dat ik zou gaan schreeuwen.
Dat deed ik pas later.
We begonnen in de woonkamer. Paul zette drie dozen neer. Bewaren. Weggeven. Weggooien.
‘Simpel houden,’ zei hij.
Hij pakte de porseleinen herder zonder oor en hield hem boven de derde doos.
‘Die is van oma,’ zei ik.
‘Wil je hem?’
‘Nee.’
‘Dan gaat hij weg.’
‘Wacht nou even.’
Hij zette het beeldje terug. Daarna haalde hij de boekenplank leeg. Reisgidsen uit de jaren tachtig. Een woordenboek. Handleidingen van apparaten die niet meer bestonden.
Uit een boek viel een foto. Mijn vader bij de Berkel, met Lotte op zijn schouders. Ze droeg rode laarsjes. Paul pakte de foto op.
‘Die wil ik wel scannen.’
‘Leg maar apart.’
‘Je kunt niet alles apart leggen.’
‘Ik zei toch dat je die foto apart moest leggen?’
Hij liet zijn handen zakken.
‘Wat wil je dan dat ik doe?’
Ik hoorde mijn eigen stem harder worden.
‘Misschien één keer kijken voordat je iets weggooit.’
‘Ik sta hier toch?’
‘Nu wel.’
Hij werd rood.
‘Daar gaan we.’
‘Ja, daar gaan we. Waar was je toen mam om drie uur ’s nachts naar het station wilde? Waar was je toen ik haar onderbroek uit de waterkoker haalde?’
Hij keek me aan.
‘Uit de wat?’
‘Precies. Dat weet jij niet eens.’
Ik had het hem niet verteld. Dat wist ik ook. Ik had steeds gezegd dat het wel ging. Of een bericht gestuurd met: Weer gedoe met mam. Daarop antwoordde hij meestal met een vraagteken. Dan had ik geen zin meer om het uit te leggen.
Toch kon ik niet stoppen.
‘Ik heb verlofdagen opgenomen. Ik heb afspraken afgezegd. Jeroen en ik zijn vorig jaar niet op vakantie geweest.’
‘Waarom heb je me niet gebeld?’
‘Omdat ik niet ook nog jouw agenda wilde beheren.’
Hij liep naar de keuken. Ik dacht dat hij zijn jas ging pakken. In plaats daarvan kwam hij terug met twee glazen water.
‘Ik heb te weinig gedaan,’ zei hij.
Ik nam het glas niet aan.
‘Maar jij zei ook steeds dat ik niet hoefde te komen.’
‘Omdat je dan maar twee uur had.’
‘Ja. En soms was ik blij dat je dat zei.’
Dat antwoord maakte me stil.
Hij zette mijn glas neer.
‘Ik vond haar eng geworden. Ze keek alsof ik iets van haar wilde stelen. Ik wist niet wat ik moest zeggen.’
Ik ging op de bank zitten. Onder het kussen kraakte een verpakking. Een halve beschuit in plastic.
Paul ging naast me zitten, niet te dichtbij.
‘Dat had ik moeten zeggen,’ zei hij.
‘Ja.’
We aten de appelflappen zonder bordjes. Het bladerdeeg viel op onze broeken.
Daarna verdeelden we het werk. Paul kreeg de bank, de openstaande rekeningen en de afspraken met de woningcorporatie. Ik hield contact met het verpleeghuis. Beslissingen over grote spullen namen we samen. Niet na elkaar, via boze berichten.
Toen Lotte zaterdagochtend kwam, plakten we een vierde briefje op een doos: Later beslissen. Eén doos. Als hij vol was, moesten we kiezen.
Lotte pakte de herder zonder oor.
‘Wie wil deze hond?’
‘Niemand,’ zei Paul.
Ik pakte hem aan. Draaide hem om. Op de onderkant stond in potlood de naam van mijn oma.
‘Ik maak er een foto van,’ zei ik. ‘Daarna mag hij weg.’
Het kostte me tien minuten om op de knop te drukken.
Hoofdstuk 4
De gele envelop
Op maandag belde Saskia terwijl ik met mijn armen in de linnenkast stond.
‘Uw moeder wil u spreken.’
Ik klemde de telefoon tussen mijn oor en schouder.
‘Marieke? Je moet onmiddellijk komen. Ze hebben mijn sleutel afgepakt.’
‘Welke sleutel, mam?’
‘Van mijn huis. Doe niet zo dom.’
Ik trok mijn armen uit de kast. Een stapel lakens viel op de grond.
‘Ik kom vanmiddag.’
‘Nu.’
Toen hoorde ik gerommel. Saskia nam het gesprek over.
‘Ze staat bij de deur met haar jas aan. We blijven bij haar. U hoeft niet te haasten.’
Ik haalde toch mijn jas.
In de auto reed ik twee keer dezelfde rotonde rond omdat ik de afslag miste. Toen zette ik de auto bij een supermarkt stil. Mijn handen trilden. Ik belde Jeroen.
‘Ik moet naar mam.’
‘Sta je stil?’
‘Ja.’
‘Goed. Blijf even staan.’
Hij bleef aan de lijn tot ik weer rustig kon ademhalen. Daarna reed ik verder, kwaad omdat zoiets eenvoudigs niet meer vanzelf ging.
Mijn moeder zat nog steeds met haar jas aan. Naast haar stond een boodschappentas met pantoffels en een wc-rol.
‘Eindelijk,’ zei ze.
Ik ging naast haar zitten.
‘Waar wil je heen?’
‘Naar Henk.’
Dit keer zei ik niet meteen dat hij dood was.
‘Je mist hem.’
‘Hij weet niet waar ik ben.’
‘Nee,’ zei ik, en verbeterde mezelf. ‘Dat lijkt me naar.’
Ze keek achterdochtig. Ik hoorde zelf hoe gemaakt het klonk.
‘Heb je gegeten?’ vroeg ik.
‘Ik ben geen kind.’
We zaten twintig minuten zonder gesprek. Toen vroeg ze ineens naar de gele envelop in de linnenkast.
‘Onder de winterdekens. Die is voor jullie.’
‘Wat zit erin?’
‘Papieren.’
‘Welke papieren?’
‘Moet je nou alles weten?’
Ze trok haar jas uit. Ik hielp met de mouw die vastzat aan haar horloge. Daarna liepen we naar de eetkamer. Ze ging zitten naast een vrouw die ze mevrouw De Groot noemde, hoewel ze anders heette.
Terug in het huis tilde ik de winterdekens op. De envelop lag precies waar ze had gezegd.
Er zat geen geld in. Geen geheim testament. Alleen een mapje van de notaris, een oude adreslijst en een dubbelgevouwen vel uit een schrijfblok.
Bovenaan stond: Voor als wij het zelf niet meer kunnen.
De datum was van zes jaar eerder.
Mijn vader had geschreven dat de papieren in de naaidoos lagen. Dat de uitvaartverzekering in de onderste lade zat. Dat Paul het gereedschap mocht uitzoeken en ik de eiken tafel, als we die wilden.
Daaronder stond in mijn moeders handschrift: Niet alles bewaren omdat het van ons is. Vooral die zware kast niet. Daar heb ik zelf al twintig jaar genoeg van.
Ik lachte hardop. Daarna huilde ik zo plotseling dat ik het papier nat maakte.
Die avond liet ik de brief aan Paul zien via een videogesprek.
‘Die kast moest dus al weg voordat wij volwassen waren,’ zei hij.
‘Ongeveer.’
‘Wil jij de tafel?’
Ik keek naar het ronde blad. Brandplek van een pan. Krassen van mijn huiswerk. Een donkere rand waar mijn vader altijd met zijn pols had geleund.
‘Hij past niet.’
‘Dat was de vraag niet.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik wil hem niet.’
Ik wachtte op schuldgevoel. Het kwam. Maar ik veranderde mijn antwoord niet.
Dinsdag besprak ik met Saskia wat we naar mijn moeders kamer konden brengen. Haar eigen stoel. Een kleine lamp. Foto’s met duidelijke namen erbij. Geen hele verzameling, want daar werd ze onrustig van.
‘Kunnen we haar meenemen om te kiezen?’ vroeg ik.
Saskia dacht even na.
‘Dat kan veel oproepen. Bespreek het eerst met het team en kijk hoe ze is. U hoeft haar niet door het hele lege huis te laten lopen om haar te betrekken.’
Ik maakte foto’s van twee dekbedden en drie schilderijtjes. Mijn moeder koos de bloemen, wees het schilderij van de haven af en vroeg waarom ik haar lelijke groene sprei fotografeerde.
‘Die heb je zelf gekocht.’
‘Dan had ik mijn bril zeker niet op.’
We lachten allebei. Even kon ik haar iets vragen zonder dat het over medicijnen, vallen of verhuizen ging.
Bij het weggaan vroeg ze opnieuw wanneer ze naar huis mocht.
De gele envelop veranderde daar niets aan.
Hoofdstuk 5
Niet vannacht
De man van de kringloop bleef in de deuropening van de woonkamer staan.
‘Die kast nemen we niet mee.’
Ik keek naar zijn werkbon.
‘Ik heb foto’s gestuurd.’
‘Te groot. En kijk, fineer los aan de onderkant.’
Hij wees met zijn schoen.
Ik had de kast de avond ervoor helemaal leeggehaald. Tot half twaalf. Mijn rug deed pijn van het tillen. Op tafel stonden de laatste glazen die ik niet had durven inpakken omdat ik bang was dat ze zouden breken.
‘Wat neemt u dan wel mee?’
De man keek rond.
‘De tafel. Twee stoelen. Misschien dat kastje in de gang.’
‘Misschien?’
Hij tilde zijn schouders op. Hij deed zijn werk. Dat maakte het niet makkelijker om vriendelijk te blijven.
Toen de bus weg was, leek de kamer niet leger. Alleen rommeliger. Overal stonden dingen die niemand wilde.
Ik belde Paul. Hij nam niet op. Ik stuurde een foto van de wandkast met drie uitroeptekens.
Daarna trok ik de onderste lade uit het dressoir. Die klemde. Ik gaf een ruk. De lade schoot los en raakte mijn scheenbeen.
Ik ging op de vloer zitten en bleef daar.
Om me heen lagen verlengsnoeren, garantiebewijzen en zes brillenkokers. Ik moest plassen, maar stond niet op. Mijn telefoon ging. Werk. Ik liet hem gaan.
Tien minuten later ging hij opnieuw. Het verpleeghuis.
Mijn moeder had pijn bij het plassen en was onrustiger dan anders. De arts zou haar beoordelen. Ze vroegen of ik bereikbaar bleef.
‘Moet ik komen?’
‘Niet per se,’ zei de verzorgende. ‘We bellen als er iets verandert.’
Ik hoorde alleen dat er iets kon veranderen.
Thuis zette ik mijn telefoon naast mijn bord. Bij ieder geluid keek ik.
‘Je hebt nog niets gegeten,’ zei Jeroen.
‘Geen trek.’
‘Marieke, dit gaat niet.’
‘Wat wil je dat ik doe? Mijn telefoon uitzetten?’
‘Ik wil dat je de aardappels opeet terwijl ze warm zijn.’
Ik schoof mijn bord weg. Hij pakte het niet op.
‘Ik mis je,’ zei hij.
Dat maakte me bozer dan wanneer hij had gezegd dat hij last van me had.
‘Ik zit tegenover je.’
‘Ja.’
We zwegen. Buiten reed een scooter langs. Ik luisterde tot het geluid weg was.
‘Ik weet niet hoe ik moet stoppen,’ zei ik.
Jeroen knikte. Hij kwam niet meteen met een oplossing. Pas later stelde hij voor dat ik de huisarts belde.
De volgende ochtend zat ik tegenover dokter Meijer. Ik vertelde over het huis. Over mijn moeder. Over de nachten waarin ik wakker werd en eerst moest bedenken waar zij was.
‘Hoeveel werkt u nu?’ vroeg hij.
‘Officieel achtentwintig uur.’
‘En daarnaast?’
Ik begon de afgelopen week op te sommen. Halverwege stopte hij me.
‘U hoeft niet te bewijzen dat het veel is.’
Hij onderzocht de hartkloppingen waar ik pas op het laatst over begon. We maakten een vervolgafspraak. Hij adviseerde rust en contact met de bedrijfsarts. Via de praktijk kon ik ook met iemand praten.
Buiten belde ik mijn leidinggevende. Ik zei niet dat ik nog wat regelwerk had.
‘Ik ben op,’ zei ik. ‘Het lukt niet.’
Ze vroeg wat er die dag echt niet kon wachten. Het bleken twee kleine dingen die een collega kon overnemen.
Die middag kwam Paul. Hij had mijn bericht gezien en een erkend ontruimingsbedrijf gebeld voor een offerte. We zouden het betalen van mijn moeders rekening, na samen naar de kosten te hebben gekeken.
‘We hadden dit niet allemaal zelf hoeven doen,’ zei hij.
Ik wilde zeggen dat het geld kostte. Toen dacht ik aan mijn middag op de vloer.
‘Laat ze komen.’
We verdeelden ook de bereikbaarheid. Paul werd voor een paar dagen het eerste aanspreekpunt bij het verpleeghuis. We gaven dat samen door. Als er echt iets ernstigs was, zou hij mij bellen.
Die nacht lag mijn telefoon beneden. Ik liep om kwart over twee naar de trap. Boven bleef ik staan.
Er was niets te horen.
Ik ging terug naar bed. Ik sliep niet meteen. Maar ik bleef liggen.
Hoofdstuk 6
De laatste ronde
Op de dag van de ontruiming regende het. Twee mannen stonden om acht uur voor de deur. Ahmed en Dennis. Ze legden beschermmatten in de gang en vroegen wat beslist moest blijven.
Ik wees naar de spullen met blauwe stickers.
‘Die stoel gaat naar mijn moeder. De lamp ook. De dozen bij het raam gaan met ons mee.’
Ahmed liep de kamers met me door. Hij vroeg bij elke kast of we de laden hadden gecontroleerd. Op zolder deed hij zelf nog een klein deurtje open dat ik al jaren niet had gezien.
Er lag alleen een rol behang.
Ik was opgelucht en teleurgesteld tegelijk.
Paul kwam met koffie. Lotte volgde met broodjes en werkhandschoenen die ze nauwelijks nodig had. Het zware werk werd gedaan. Wij stonden vooral in de weg.
Toen Dennis de wandkast uit elkaar schroefde, liep ik naar buiten.
Ria stond onder haar achterdeur.
‘Kom even zitten.’
In haar keuken zag ik ons huis door het raam. Ons huis, dacht ik nog steeds. De gordijnen waren al weg. Ik kon de mannen zien bewegen.
‘Toen we hier kwamen wonen, heeft je vader onze wasmachine aangesloten,’ zei Ria.
Ik glimlachte.
‘Dat deed hij bij iedereen.’
‘Hij had het verkeerd gedaan. De hele bijkeuken stond blank.’
Ik keek op.
‘Dat heeft hij nooit verteld.’
‘Nee, dat geloof ik best.’
We lachten. Het deed me goed dat mijn vader even geen overleden man was over wie alleen keurige dingen werden gezegd. Hij had ook geknoeid. Hij had gevloekt boven een afvoerslang en waarschijnlijk beweerd dat het aan het materiaal lag.
Toen ik terugkwam, stond de kast in losse platen tegen de muur.
Paul hield een klein metalen doosje vast.
‘Achter de plint.’
Er zaten melktanden in. Een haarlok. Twee ziekenhuisbandjes. Op het ene stond mijn geboortedatum, op het andere die van Paul.
‘Walgelijk,’ zei Lotte terwijl ze naar de tanden keek.
‘Jouw tanden liggen ook nog ergens,’ zei ik.
‘Gooi die alsjeblieft weg.’
Paul en ik verdeelden de bandjes. De haarlok zat in een envelop zonder naam. We wisten niet van wie hij was. Ik stopte hem in de doos voor later.
Die doos was bijna vol.
Rond twee uur vertrok de vrachtwagen. Bruikbare spullen gingen volgens afspraak naar hergebruik, de rest werd afgevoerd. Ik had eerst precies willen volgen waar elk ding terechtkwam. Nu tekende ik de werkbon en bedankte ik de mannen.
Er moest nog schoongemaakt worden. Plinten. Vensterbanken. De binnenkant van de koelkast. Gewoon werk, met een emmer en een doek. Dat ging me beter af.
In mijn oude slaapkamer vond ik onder het raam een rij krasjes in het kozijn. Lengtestreepjes. Mijn vader had er jaren bij geschreven. Paul was op zijn twaalfde al langer geweest dan ik op mijn vijftiende.
Ik maakte een foto met een liniaal ernaast.
‘Wil je het hout meenemen?’ vroeg Paul vanaf de deur.
‘Nee.’
Hij knikte. Hij wist inmiddels dat hij die vraag mocht stellen.
Vrijdag kwam de opzichter van de woningcorporatie. Hij controleerde de meterstanden, de sleutels en de gaten in de muren. Een paar kleine dingen hadden we na de voorinspectie hersteld. Over het vergeelde behang zei hij niets.
‘Netjes achtergelaten,’ zei hij.
Ik wilde vertellen dat mijn vader dat behang had geplakt toen mijn moeder vijftig werd. Dat er achter de verwarming waarschijnlijk nog een knikker lag. Dat mijn moeder hier vierendertig jaar had gewoond.
Ik zei alleen: ‘Dank u.’
Na zijn ronde kregen we nog een paar minuten. Paul ging alvast naar buiten. Ik liep van de keuken naar de woonkamer. Mijn schoenen klonken hard.
Bij de plek waar de tafel had gestaan, bleef ik staan. Ik dacht aan de laatste avond voor mijn vaders opname. Soep uit een pak. Mijn moeder die vond dat hij meer moest eten. Ik die hem ook had aangespoord, terwijl hij nauwelijks adem kreeg.
Ik had daar vaak spijt van. Ook nu.
In de gang trok ik de voordeur achter me dicht. Zonder kast, paraplubak en klemmend vloerkleed ging dat verrassend makkelijk.
Ik gaf de sleutel af.
Buiten pakte Paul mijn lege hand. Heel even maar. Daarna liepen we naar zijn auto.
Hoofdstuk 7
Een stoel bij het raam
Mijn moeder herkende haar stoel niet toen we hem brachten.
‘Die is van die mevrouw,’ zei ze.
‘Welke mevrouw?’ vroeg Paul.
Ze wees naar de gang.
Ik zag hem zoeken naar een antwoord. Ik schudde zacht mijn hoofd. We hoefden het niet op te lossen.
We zetten de stoel bij het raam. De lamp kwam op het kastje ernaast. Lotte hing twee foto’s op. Eén van mijn ouders in Scheveningen. Eén van ons vieren, gemaakt toen mijn moeder nog wist wie iedereen was.
Onderaan schreven we de namen.
Mijn moeder keek naar de foto van Scheveningen.
‘Dat is een rare broek.’
Mijn vader droeg een korte beige broek met hoge sokken.
‘Hij vond hem praktisch,’ zei ik.
‘Hij had nergens verstand van.’
Ze glimlachte. Daarna ging ze in haar stoel zitten zonder nog naar de andere mevrouw te vragen.
Ik had gehoopt dat dit moment iets zou afronden. Het huis leeg. De spullen op hun plek. Mijn moeder veilig.
Maar de dinsdag erna belde ze huilend dat niemand haar kwam halen. Donderdag wilde ze niet douchen. Een week later wist ze mijn naam niet en noemde ze me de vrouw van de administratie.
Ik huilde daarover in de auto. Daarna reed ik naar huis. Dat laatste was nieuw. Ik ging niet terug om te kijken of ze me alsnog herkende.
Met Saskia spraken Paul en ik af hoe we contact hielden. Geen dagelijks verslag van elk moeilijk moment. Wel bellen bij duidelijke veranderingen of zorgen. Ik schreef mijn vragen op voor een gesprek, in plaats van elke losse twijfel meteen door te geven.
Mijn moeder kreeg behandeling voor haar urineweginfectie. De extra onrust nam af. De dementie bleef. Soms kon ze helder zeggen dat ze haar eigen keuken miste. Soms dacht ze dat ze in een hotel werkte en wilde ze de tafels afruimen.
Ik leerde niet ineens om daar goed op te reageren. Ik zei nog steeds verkeerde dingen. Ik werd soms ongeduldig. Dan ging ik even koffie halen, ook als mijn kop nog halfvol was.
Paul kwam op zondag. Niet iedere zondag, maar vaak genoeg dat ik mijn planning erop kon maken. Hij belde zelf naar de afdeling als hij iets wilde weten. Ik hoefde niet meer alles door te vertellen.
We hadden nog ruzie over een rekening van het ontruimingsbedrijf. Er was meer afgevoerd dan begroot. Dit keer bleven we bij die rekening. We sleepten niet meteen de afgelopen drie jaar erbij.
Thuis stond de doos voor later onder de eettafel. Na twee weken zei Jeroen dat hij er steeds tegen schopte.
We maakten hem samen open.
Ik bewaarde het ziekenhuisbandje, de foto bij de Berkel, mijn moeders brief en mijn vaders meetlint. Een paar andere dingen gingen alsnog weg. De onbekende haarlok ook. Ik hoefde niet eerst uit te zoeken van wie ieder stukje van ons gezin was geweest.
De naaidoos hield ik. Niet vanwege de rekeningen. Die zaten inmiddels netjes in een map bij Paul. Ik gebruikte de doos voor knopen, spelden en de schaar die beter knipte dan de mijne.
Op mijn werk bouwde ik mijn uren weer op. Ik sprak een paar keer met de praktijkondersteuner. Niet om een betere dochter te worden. Ik wilde slapen zonder bij elk geluid overeind te schieten. Dat lukte vaker. Soms nog niet.
Begin juni fietste ik met Jeroen langs de IJssel. We hadden broodjes bij ons. Mijn telefoon zat in mijn fietstas.
Bij een bankje vroeg hij of we in september een paar dagen weg konden.
Ik wilde eerst zeggen dat we moesten afwachten hoe het met mam ging.
‘Laten we iets boekbaars met annulering zoeken,’ zei ik.
Hij pakte de broodjes uit. We maakten geen groot moment van mijn antwoord.
Die zaterdag bezocht ik mijn moeder. Ze zat bij het raam en wreef met haar duim over de armleuning.
‘Deze stoel zit goed,’ zei ze.
Ik ging naast haar zitten. Buiten reed iemand een kar met planten voorbij. Mijn moeder vroeg of ik ook een tuin had.
‘Een kleine.’
‘Dan moet je niet te veel potten nemen. Dat geeft alleen maar werk.’
‘Ik zal eraan denken.’
Na een uur stond ik op. Ze vroeg of ik bleef eten.
‘Vandaag niet, mam. Ik eet thuis met Jeroen.’
Ze trok aan haar vest. Ik wachtte even, maar ging niet weer zitten.
Bij de deur draaide ik me om. Saskia schoof een kopje thee binnen haar bereik. Mijn moeder keek naar buiten.
Ik liep naar mijn fiets. Thuis moest ik de planten nog water geven.