Identiteit en zelfacceptatie
Het jaar dat ik nee leerde zeggen
Hoofdstuk 1
De reservesleutel
Op 8 januari stond mijn moeder om kwart over zes in mijn slaapkamer. Ze hield een envelop vast. Mijn dekbed lag half op de grond. Naast me kwam Sara overeind.
‘Er brandde licht beneden,’ zei mijn moeder.
Dat was niet waar. De lamp in de hal ging aan zodra iemand binnenkwam.
‘Mam. Ga even naar de woonkamer.’
Ze keek naar Sara. Naar haar blote schouder. Toen naar mij.
‘Ik heb een brief van het ziekenhuis.’
‘Ik kom zo.’
Ze bleef staan.
‘Nu, mam.’
Pas toen liep ze weg.
Ik heet Noor van Dijk. Ik was drieëndertig en woonde boven een fietsenwinkel in Amersfoort. Mijn moeder had mijn reservesleutel voor noodgevallen. Een lekkage. Brand. Mij dood aantreffen naast mijn bed. Niet voor een afspraakbrief die ook om tien uur gelezen kon worden.
Toch trok ik mijn spijkerbroek aan.
Sara zat inmiddels op de rand van het bed.
‘Zal ik gaan?’ vroeg ze.
‘Nee. Natuurlijk niet.’
‘Je kijkt wel alsof dat makkelijker is.’
Daar had ik geen antwoord op.
We kenden elkaar vier maanden. Ze werkte bij een dierenarts in Soest en maakte grappen zonder eerst te controleren of iedereen ze begreep. Dat vond ik aantrekkelijk. En lastig. Sara nam ruimte in zonder zich ervoor te verontschuldigen.
Mijn moeder zat aan mijn keukentafel. Haar jas was nog dicht. Sinds haar beroerte, anderhalf jaar eerder, bleef haar linkerhand vaak half gesloten. Ze kon zelfstandig wonen. Ze liep naar de supermarkt. Maar brieven, afspraken en onverwachte veranderingen joegen haar schrik aan.
Ik had daar begrip voor.
Ik had bijna overal begrip voor.
‘Het is een controle,’ zei ik nadat ik de brief had gelezen. ‘Over zes weken.’
‘Op donderdag. Dan werk jij.’
‘Ik regel iets.’
Het kwam eruit voordat ik had nagedacht.
Sara verscheen in de deuropening, aangekleed, haar tas over haar schouder.
‘Ik ga naar huis.’
Mijn moeder bood haar koffie aan. Alsof zij de gastvrouw was.
Beneden bij de voordeur pakte ik Sara’s mouw.
‘Sorry. Ze is snel bang.’
‘Dat snap ik.’
‘Sinds die beroerte—’
‘Noor. Ik snap het.’
Ze maakte voorzichtig haar mouw los.
‘Maar jij zei dat ze nooit zomaar binnenkwam.’
‘Dat doet ze meestal ook niet.’
‘Meestal is niet nooit.’
Toen ze wegreed, bleef ik buiten staan. Op sokken. Het regende zacht. Boven hoorde ik mijn moeder een kastje opentrekken.
Om acht uur begon mijn dienst bij drukkerij De Kade op bedrijventerrein De Hoef. Ik werkte er elf jaar. Eerst aan de snijmachine, later als planner. Officieel stuurde ik niemand aan. In de praktijk kwamen alle vragen bij mij terecht.
Mijn baas, Henk, stond bij mijn bureau.
‘Goed dat je er bent. Peter is ziek. Kun jij zaterdag?’
Ik had zaterdag met Sara afgesproken. Een wandeling bij de Soesterduinen. Daarna eten bij haar thuis.
‘Ik kijk even,’ zei ik.
Henk knikte al. Voor hem was dat een ja.
Mijn collega Imane schoof een mok naar me toe.
‘Je ziet eruit alsof je in een bushokje hebt geslapen.’
Ik vertelde over mijn moeder. Niet over Sara’s gezicht. Niet over de opluchting die ik heel even had gevoeld toen ze vertrok. Eén iemand minder om teleur te stellen, dacht ik toen. Daarna schaamde ik me zo dat ik er misselijk van werd.
‘Vraag die sleutel terug,’ zei Imane.
‘Dat kan ik niet maken.’
‘Waarom niet?’
Ik opende een planning op mijn scherm.
Omdat mijn moeder me nodig had. Omdat mijn broer Daan in Rotterdam woonde. Omdat ik dichtbij woonde. Omdat ik het overzicht had. Omdat ik altijd degene was geweest die wist waar de verzekeringspapieren lagen.
Omdat ik niet wist wie ik was als ik niet hielp.
Dat laatste zei ik niet.
Die avond belde ik Sara. Ze nam pas bij de vierde keer overgaan op.
‘Zaterdag moet ik misschien werken,’ zei ik.
Het bleef stil.
‘Wil je eigenlijk wel iets met mij opbouwen?’ vroeg ze.
‘Ja.’
‘Waar dan? In de tijd die toevallig overblijft?’
Ik ging op de keukenvloer zitten. Mijn moeder had de ziekenhuisbrief laten liggen. Bovenaan stond mijn naam, door haar geschreven. Naast de afspraakdatum.
‘Ik weet niet hoe ik dit anders moet doen,’ zei ik.
Sara zuchtte.
‘Dat geloof ik. Maar ik kan het niet voor je oplossen.’
Nadat we hadden opgehangen, zette ik voor zaterdag toch een vinkje achter mijn naam.
Hoofdstuk 2
Mijn hand trilde
In februari sneed ik mijn wijsvinger open aan een metalen plaat. Geen groot ongeluk. Drie hechtingen. Wel genoeg bloed om mijn mouw nat te maken.
Het was vrijdagavond. Ik had die week al negen uur extra gewerkt. De order voor een congres moest maandagochtend klaar zijn. Henk had tegen de klant gezegd dat het geen probleem was.
Toen mijn hand uitschoot, stond Imane naast me.
‘Laat zien.’
‘Valt mee.’
Ze pakte mijn pols.
‘Je drupt op de vloer.’
Bij de huisartsenpost vroeg een arts hoe het was gebeurd. Ik gaf een technisch antwoord. Scherpe rand. Verkeerde beweging.
‘Was je moe?’ vroeg hij.
Ik lachte.
‘Wie niet?’
Hij lachte niet mee.
Thuis kreeg ik met één hand mijn jas niet uit. De voering bleef aan het verband hangen. Ik trok harder. Toen zat ik ineens te huilen in de gang, met één arm nog in mijn mouw.
Mijn telefoon ging. Mijn moeder.
Ik liet hem rinkelen.
Daarna belde ze opnieuw.
Ik nam op.
‘Waarom neem je niet op?’
‘Ik was even bezig.’
Ze vroeg of ik morgen langs de apotheek kon. Het was niet dringend. Ze had nog medicatie voor vier dagen.
‘Ja,’ zei ik.
Toen ik ophing, gooide ik mijn telefoon op de mat. Niet hard genoeg om hem kapot te maken. Zelfs woedend hield ik rekening met de kosten.
Maandag zat ik bij mijn eigen huisarts. Niet voor mijn vinger. De assistente had gevraagd waarvoor ik kwam en ik had gezegd: ‘Ik kan niet meer stoppen.’
‘Met wat?’
‘Met alles doen.’
Nu zat ik tegenover dokter Smit. Ze vroeg naar mijn slaap, mijn werk, mijn moeder. Ik vertelde dat anderen het veel zwaarder hadden.
‘Dat vroeg ik niet,’ zei ze.
Ik keek naar een scheur in de bekleding van haar stoel.
‘Ik ben bang dat mensen weggaan als ik lastig word.’
Ze schoof de doos tissues dichterbij. Ik vond dat irritant. Toen gebruikte ik er drie.
We maakten een afspraak bij de praktijkondersteuner. Geen snelle oplossing. Eerst uitzoeken wat er gebeurde voordat ik automatisch instemde. Dokter Smit adviseerde ook contact met de bedrijfsarts. Daar schrok ik van.
‘Ik ben niet ziek.’
‘Je hoeft niet eerst volledig uit te vallen om hulp te vragen.’
Die zin schreef ik thuis op een kassabon.
De praktijkondersteuner heette Farida. Ze vroeg me de week erna om drie dingen te noemen die ik zelf wilde.
‘Dat mijn moeder zich veilig voelt.’
‘Voor jezelf.’
‘Dat het op mijn werk rustiger wordt.’
‘Dat is iets wat moet veranderen. Waar verlang jij naar?’
Ik werd boos. Alsof ze een eenvoudige vraag stelde en ik expres moeilijk deed.
Uiteindelijk zei ik dat ik wilde leren boekbinden. Niet de snelle gelijmde boekjes die we op het werk maakten. Echt naaien. Katernen vouwen. Linnen om een kaft trekken.
‘Waarom doe je dat niet?’
‘Geen tijd.’
Ze wachtte.
‘Ik durf die tijd niet vast te leggen,’ zei ik toen.
Er bleek een cursus in Utrecht te zijn. Acht donderdagavonden. Ik had de website al zes keer bekeken.
Die middag schreef ik me in.
Daarna liep ik naar mijn moeder, die drie straten verder woonde. Ik had geoefend wat ik zou zeggen. Onderweg vergat ik alle woorden.
Ze stond aardappels te schillen. Langzaam, met een aangepast mes.
‘Ik wil mijn sleutel terug,’ zei ik.
Het kwam hard uit mijn mond.
Haar mes bleef boven de gootsteen hangen.
‘Wat heb ik gedaan?’
‘Ik wil niet dat je zomaar binnenkomt.’
‘Ik ben je moeder.’
‘Dat weet ik.’
‘Sinds die vrouw er is, doe je anders.’
Daar was het. Sara was niet haar probleem, zei ze altijd. Ze had alleen tijd nodig om eraan te wennen dat mijn vriendin echt mijn vriendin was.
‘Ze heet Sara. En dit vraag ik zelf.’
Mijn moeder legde het mes neer.
‘Als er iets met je gebeurt?’
‘Dan bellen we hulp. We kunnen afspreken wie een noodsleutel bewaart. Maar nu wil ik hem terug.’
Mijn hand trilde toen ze de sleutel op tafel legde.
Ik bleef nog thee drinken. Veel te lang. Ik bood aan de aardappels af te maken.
Op weg naar huis voelde ik geen overwinning. Alleen misselijkheid.
Toch hing die avond de sleutel weer aan mijn eigen ring.
Hoofdstuk 3
Een lege donderdag
De eerste cursusavond reed ik twee keer langs het pand in Utrecht. Een werkplaats achter een woonhuis in Zuilen. Er stonden fietsen onder een afdak. Binnen brandde fel licht.
Ik had nog kunnen omkeren.
Mijn moeder had die middag gebeld over een piepende rookmelder. Daan had mijn bericht niet beantwoord. Op mijn werk lag een offerte die Henk vrijdag vroeg nodig had.
Ik zette mijn fiets op slot.
Docent Els gaf me een vel papier en wees een plek aan een lange tafel. Er zaten zes andere cursisten. Niemand vroeg of ik ergens bij kon helpen.
‘Vouw maar dubbel,’ zei Els. ‘En kijk of de hoeken echt op elkaar liggen.’
Mijn eerste katern was scheef.
Ik probeerde het recht te trekken.
‘Opnieuw,’ zei ze.
‘Ik werk in een drukkerij.’
‘Dan kun je vast goed opnieuw beginnen.’
De man naast me grinnikte. Hij heette Joost en maakte een receptenboek voor zijn zoon. Ik voelde me betrapt. Alsof ik had gehoopt dat mijn beroep me vrijstelde van beginnersfouten.
Na een uur keek ik op mijn telefoon. Zes gemiste oproepen. Allemaal van mijn moeder.
Ik liep naar buiten en belde terug.
‘Hij piept nog steeds,’ zei ze.
‘De rookmelder?’
‘Wat anders?’
‘Heb je Daan gebeld?’
‘Die zit in Rotterdam.’
‘Hij kan ook iets regelen.’
‘Laat maar. Ik slaap wel niet.’
Ik pakte mijn fietssleutel al. Met mijn vrije hand duwde ik tegen het hek.
Door het raam zag ik Els een draad afmeten. De anderen bogen zich over hun papier. Mijn plek was leeg.
‘Ik kom vanavond niet,’ zei ik.
Mijn moeder ademde hoorbaar uit.
‘Dan vraag ik buurman Ben wel.’
‘Dat lijkt me goed.’
Ze hing op zonder afscheid.
Binnen was mijn thee koud. Els legde de steek nog een keer uit. Ze vroeg niet waarom ik weg was geweest. Ik was daar gewoon Noor, met een stompe naald en te veel draad.
Toen ik om half tien thuiskwam, had mijn moeder een bericht gestuurd. Ben had de batterij vervangen. Drie woorden daarna: Het is opgelost.
Ik las het bericht zeker tien keer.
Niet omdat ik opgelucht was. Omdat ik dacht aan alle avonden waarop het misschien ook zonder mij had gekund.
De volgende zaterdag kwam Daan naar Amersfoort. Ik had gezegd dat we moesten praten. Hij stelde een café voor. Ik wilde bij mijn moeder zitten. Geen afspraken over haar maken zonder haar erbij.
Hij arriveerde met bloemen en nam meteen een koekje.
‘Zo. Wat is het plan?’
Ik legde een lijst op tafel. Medicatie ophalen. Ziekenhuisafspraken. Administratie. Schoonmaken. Boodschappen als mijn moeder een slechte dag had.
‘Doe jij dit allemaal?’ vroeg hij.
Ik hoorde verwijt in zijn stem, hoewel hij verbaasd klonk.
‘Wat dacht je dan?’
‘Je zegt altijd dat het gaat.’
‘Omdat jij nooit vraagt.’
‘Ik vraag het iedere keer.’
Mijn moeder schoof de bloemen opzij.
‘Ik zit hier ook nog.’
We werden alle drie stil.
Ze wilde geen onbekende mensen over de vloer. Daan kon niet iedere week komen. Ik kon niet langer overal beschikbaar voor zijn. Geen van die dingen verdween omdat we ze uitspraken.
Na anderhalf uur hadden we iets kleins. Daan zou de administratie overnemen en één zaterdag per maand komen. Mijn moeder zou met mij informatie vragen bij het wijkteam. Voor vervoer naar controles zouden we ook andere mogelijkheden bekijken.
‘En donderdag ben ik niet beschikbaar,’ zei ik.
‘Ook niet als er iets is?’ vroeg mijn moeder.
‘Bij echte spoed bellen we de juiste hulp. Niet eerst rondbellen tot ik opneem.’
Daan keek naar zijn handen.
‘Dat is eigenlijk wel logisch.’
Ik wilde hem slaan. Niet echt. Maar het gemak waarmee hij dat zei, maakte me razend.
Die avond vertelde ik Sara over de cursus. We aten soep bij haar thuis. Het was onze eerste afspraak in drie weken.
‘Ben je nu trots op jezelf?’ vroeg ze.
‘Vooral boos.’
‘Op wie?’
‘Iedereen. Ook op mezelf.’
Ze schoof brood naar me toe.
‘Je hoeft er geen mooie versie van te maken.’
Ik vertelde hoe graag ik had gewild dat mijn moeder zou zeggen dat ik die cursus verdiende. Hoe kinderachtig ik dat vond.
Sara legde haar hand naast de mijne. Ze liet mij het laatste stukje afstand overbruggen.
Hoofdstuk 4
De gevallen stoel
In juni viel mijn moeder in haar keuken. Het was donderdagavond. Ik was in Utrecht en had mijn telefoon in mijn tas laten zitten.
Na de les zag ik negen oproepen. Twee van Daan. Eén van een onbekend nummer. De rest van mijn moeder.
Mijn benen werden slap.
Daan nam meteen op.
‘Ze is in het Meander. Ben is bij haar.’
‘Wat is er gebeurd?’
‘Van een krukje gevallen. Waarschijnlijk haar pols.’
‘Waarom stond ze op een krukje?’
‘Noor. Ik weet het niet.’
In de trein las ik haar berichten. Eerst had ze gevraagd of ik een schaal uit het bovenste keukenkastje kon pakken. Daarna: Laat maar, ik doe het zelf.
Het laatste bericht was alleen mijn naam.
Ik bleef ernaar kijken tot de letters vervaagden.
Op de spoedeisende hulp zat ze in een rolstoel. Haar rechterarm lag op een kussen. Naast haar stond Ben, in sandalen met sokken. Hij had zijn eigen bril niet meegenomen en hield een formulier ver van zich af.
‘Daar ben je,’ zei mijn moeder.
Ik knielde naast haar.
‘Sorry.’
Het woord was er meteen.
Ze had haar pols gebroken. Aan haar goede kant. De arts legde uit wat dat betekende voor wassen, aankleden en eten klaarmaken. Ik hoorde mezelf zeggen dat ik wel een paar dagen bij haar kon slapen.
Toen belde ik Henk. Vrijdag kwam ik niet.
Ik sliep zes nachten op haar bank.
Overdag hielp ik met haar kleding, maakte brood en regelde afspraken. Tijdelijke thuiszorg werd aangevraagd. Er moest beoordeeld worden welke ondersteuning nodig was. Niet alles kon dezelfde dag beginnen.
Mijn moeder wilde dat ik wachtte tot ze sliep. Daarna riep ze me weer. Een glas water. Een kussen. Haar oplader. Soms alleen om te vragen of ik er nog was.
De vierde nacht snauwde ik dat ze haar ogen dicht moest doen.
Ze begon te huilen.
Ik ook, maar pas in de badkamer.
De volgende ochtend belde ik mijn afspraak met Farida af. Zij belde terug.
‘Kun je tien minuten praten?’
Ik stond buiten bij de afvalcontainers, omdat mijn moeder anders alles kon horen.
‘Ik had moeten opnemen,’ zei ik.
‘Weet je zeker dat je daarmee de val had voorkomen?’
‘Ze wilde een schaal.’
‘En jij was in Utrecht.’
‘Ik had kunnen zeggen dat ze moest wachten.’
‘Had ze dan gewacht?’
Ik duwde met mijn schoen een steentje in een voeg.
Mijn moeder had vaker op dat krukje gestaan. Ik had er vaker iets van gezegd.
‘Ik weet het niet,’ zei ik.
‘Dat is een eerlijk antwoord.’
Ik vond haar op dat moment hard. Ik wilde dat ze me vrijsprak. Of straf gaf. Met onzekerheid kon ik niets.
Die middag kwam Daan. Ik had hem een bericht gestuurd dat hij nodig was, niet dat hij mocht komen als het uitkwam.
‘Ik kan tot vanavond blijven,’ zei hij.
‘Ik heb slaap nodig. Je moet langer blijven.’
‘Ik heb morgen een afspraak.’
‘Verzet hem.’
Mijn moeder keek van hem naar mij.
‘Jullie hoeven geen ruzie om me te maken.’
‘Dit gaat ook over mij,’ zei ik.
Mijn stem klonk zo hard dat ik zelf schrok.
Daan liep naar buiten om te bellen. Toen hij terugkwam, zei hij dat hij twee nachten bleef.
Ik pakte mijn tas voordat hij zich kon bedenken.
Thuis stond Sara voor de deur met eten. Ik had haar niet gevraagd te komen. Dat maakte me meteen boos.
‘Ik wil niet weer iemand die iets van me nodig heeft.’
Ze hield de papieren tas nog vast.
‘Ik kwam eten brengen.’
Ik keek weg.
‘Sorry.’
‘Je mag alleen willen zijn. Maar praat niet zo tegen me.’
Ze zette de tas in de hal en vertrok.
Ik sliep elf uur. Daarna belde ik haar. Geen uitleg over mijn moeder voordat ik mijn excuses aanbood. Geen verzoek om te zeggen dat het wel meeviel.
Later die week maakten we met de wijkverpleegkundige een tijdelijk zorgplan. Daan en ik verdeelden de overgebleven taken. Ben wilde best een noodsleutel bewaren, maar zei direct dat hij geen verzorgende was.
Mijn moeder knikte.
Ik keek naar hem. Hij had het gewoon gezegd. Zonder lijst met redenen. Niemand liep weg.
Hoofdstuk 5
Niet van mij
In augustus legde Henk een nieuwe functieomschrijving op mijn bureau. Bovenaan stond: meewerkend coördinator.
‘Je doet het eigenlijk al,’ zei hij.
Ik las de eerste pagina. Planning. Klantcontact. Aansturing. Eindcontrole. Bereikbaar bij verstoringen buiten werktijd.
‘Wat verandert er aan mijn salaris?’ vroeg ik.
‘We moeten eerst kijken hoe het loopt.’
Vroeger zou ik dankbaar zijn geweest. Voor de titel. Voor het bewijs dat hij me vertrouwde. Ik zou thuis hebben verteld dat ik promotie had gemaakt en het woord salaris hebben vermeden.
Nu schoof ik het papier terug.
‘Ik wil de taken, uren en vergoeding eerst bespreken.’
Henk ging op de hoek van mijn bureau zitten.
‘Je bent veranderd.’
‘Dat klopt.’
‘Niet alles hoeft een onderhandeling te zijn.’
‘Een nieuwe functie wel.’
Mijn hart bonsde. Ik klikte een map open op mijn computer om mijn handen iets te laten doen.
Hij nam het papier mee.
Twee dagen later ging er een order fout. Vierduizend brochures, met een oud rekeningnummer op de achterzijde. De klant had een nieuw bestand gestuurd. Henk had het doorgemaild terwijl ik vrij was. Daarna had hij telefonisch opdracht gegeven om te drukken.
Toch stond mijn naam in het vakje eindcontrole.
Imane zag het als eerste.
‘Heb jij deze goedgekeurd?’
Ik schudde mijn hoofd.
Henk riep me naar zijn kantoor. De deur bleef half open.
‘We moeten dit samen opvangen,’ zei hij.
‘Wie heeft mijn naam ingevuld?’
‘Dat doet het systeem soms automatisch.’
‘Dan moeten we dat corrigeren.’
Hij wreef over zijn voorhoofd.
‘De klant hoeft niet te weten hoe het hier intern loopt. Jij belt, zegt dat er bij de controle iets misging, en biedt herdruk aan.’
‘Ik wil de klant bellen. Maar ik zeg niet dat ik iets heb gecontroleerd wat ik niet heb gezien.’
Hij keek me lang aan.
‘Ik vraag je niet om een bekentenis bij de politie.’
‘Je vraagt me verantwoordelijkheid te nemen voor een besluit dat jij hebt genomen.’
Dat had ik niet geoefend. Het kwam helder uit mijn mond. Daarna durfde ik nauwelijks adem te halen.
Henk stond op en duwde de deur dicht.
‘Denk even na over je houding.’
Ik dacht aan mijn huur. Aan mijn spaargeld, dat genoeg was voor een kapotte wasmachine en niet voor maanden zonder loon. Ik dacht ook aan mijn vinger, waarvan het litteken nog trok als ik een vuist maakte.
‘Ik stuur je wat ik weet op de mail,’ zei ik.
Terug aan mijn bureau maakte ik een tijdlijn. Ik bewaarde de mails. Geen uitroeptekens. Geen beschuldigingen die ik niet kon onderbouwen. Daarna belde ik mijn vakbond voor advies over de functie en mijn verantwoordelijkheden.
Het werd geen groot rechtvaardig moment. Henk bood geen excuses aan. Hij belde uiteindelijk zelf de klant en klaagde daarna een week over de kosten.
Ik kreeg minder overleg en meer losse opdrachten. Als ik binnenkwam, vielen gesprekken soms stil. Misschien ging het niet altijd over mij. Toch voelde het zo.
Imane bleef naast me zitten tijdens de lunch.
‘Je had gelijk,’ zei ze.
‘Daar koop ik weinig voor.’
‘Nee. Maar het is wel zo.’
Thuis opende ik vacatures. Ik had elf jaar niet gesolliciteerd. Bij het vakje sterke eigenschappen typte ik: flexibel, loyaal, altijd bereid een stap extra te zetten.
Toen verwijderde ik alles.
Wat kon ik, behalve beschikbaar zijn?
Ik pakte een schrift van de cursus. Mijn eigen scheve eerste boekje. Ik schreef concrete dingen op. Planningen maken. Fouten in bestanden vinden. Rustig uitleg geven. Papier beoordelen. Een nieuwe collega inwerken zonder hem dom te laten voelen.
Dat was meer dan ik had gedacht.
Sara las later mijn eerste brief. Ze streepte drie keer het woord ‘graag’ door.
‘Je hoeft niet om toestemming te vragen om geschikt te zijn,’ zei ze.
Bij Farida vertelde ik dat ik me egoïstisch voelde.
‘Wat heb je iemand afgenomen?’ vroeg ze.
Ik dacht lang na.
Henk was mijn onbeperkte overwerk kwijt. Mijn moeder kon niet meer altijd direct bij mij terecht. Sara kreeg soms een eerlijk antwoord waar ze niet blij mee was.
‘Gemak,’ zei ik uiteindelijk.
‘En wat wil je behouden?’
‘Mijn betrokkenheid.’
Dat onderscheid lukte me nog niet iedere dag. Maar ik hoorde voor het eerst een versie van mezelf die ik zelf wilde blijven.
Hoofdstuk 6
De verkeerde Noor
In oktober werd ik afgewezen na een sollicitatiegesprek bij een kleine uitgeverij in Utrecht. Ze zochten iemand met meer ervaring in boekproductie. De vrouw aan de telefoon zei dat ik prettig had verteld.
Ik bedankte haar alsof ze me een cadeau gaf.
Daarna fietste ik naar huis en kocht onderweg twee kaasbroodjes. Ik at ze staand in de keuken. Mijn nette blouse zat nog in mijn broek.
Sara stuurde een bericht: Hoe ging het?
Ik antwoordde: Niet geworden.
Toen zette ik mijn telefoon uit.
Het jaar waarin ik grenzen stelde, had ook gewoon rekeningen. Mijn werk was ongemakkelijk. Mijn moeder belde minder, maar klonk soms ijzig. Mijn relatie voelde niet ineens veilig omdat ik beter kon zeggen wat ik nodig had.
En ik miste iets wat ik niet graag toegaf.
Ik miste onmisbaar zijn.
Toen Daan zonder mijn hulp een fout in de zorgverzekering van mijn moeder oploste, zocht ik naar iets wat hij vergeten was. Ik controleerde zijn mail. Ik wees hem op een datum die uiteindelijk niet relevant bleek.
‘Kun je me dit gewoon laten doen?’ vroeg hij.
Ik zei dat ik alleen wilde helpen.
Hij antwoordde niet.
Bij Farida vertelde ik het alsof het grappig was. Zij glimlachte niet.
‘Wat gebeurt er als hij het goed doet?’ vroeg ze.
‘Dan heb ik minder werk.’
‘En verder?’
Ik keek naar het raam. Buiten probeerde iemand een bakfiets te keren op een smalle stoep.
‘Dan blijkt dat ik niet nodig was.’
‘Niet voor deze taak,’ zei ze.
Ik wreef met mijn duim over mijn litteken.
Mijn vader was vertrokken toen ik vijftien was. Niet spoorloos. Hij woonde later in Zwolle en stuurde kaarten op verjaardagen. Maar thuis was ik degene geweest die de internetrekening betaalde met mijn moeders pas, omdat zij de enveloppen liet liggen.
Daan was elf. Ik maakte zijn brood klaar. Ik vertelde leraren dat het goed ging.
Ik had mezelf nooit gezien als iemand die controle wilde. Ik was toch juist degene die zich aanpaste?
Maar helpen gaf me invloed. Als ik alles regelde, hoefde ik niet af te wachten of iemand voor mij koos. Ik zorgde dat er zonder mij iets vastliep.
Die gedachte vond ik lelijk.
‘Ik klink als een manipulator,’ zei ik.
‘Je beschrijft gedrag dat je nu kunt onderzoeken. Je hoeft er niet meteen je hele naam van te maken.’
Die middag belde ik Daan.
‘Ik had jouw mail niet moeten controleren.’
‘Nee.’
Ik wachtte op verzachting. Die kwam niet.
‘Ik zal het niet weer doen.’
‘Dank je.’
Daarna vroeg hij of ik zondag mee ging naar een film. Gewoon wij tweeën. Geen bezoek aan onze moeder eromheen.
Ik moest even slikken voordat ik antwoord gaf.
Een week later at ik bij mijn moeder. Ze kon haar rechterhand weer gebruiken, al bleef haar pols stijf. De schalen stonden inmiddels in een lager kastje. Het krukje stond in de schuur.
‘Komt Sara met kerst?’ vroeg ze.
‘Dat weet ik nog niet.’
‘Ik moet het wel op tijd weten.’
‘Wij willen eerst samen bespreken wat we doen.’
Ze prikte in haar aardappels.
‘Vroeger was je makkelijker.’
Ik voelde mijn gezicht warm worden.
‘Voor jou wel.’
Ze keek op.
Ik wilde de zin terugpakken. Er een grap achteraan zetten. In plaats daarvan legde ik mijn vork neer.
‘Ik wil hier graag eten. Maar ik wil niet steeds horen dat de oude versie van mij beter was.’
Mijn moeder schoof haar bord een stukje van zich af.
‘Ik weet soms niet meer wat ik mag zeggen.’
‘Je mag veel zeggen. En ik mag reageren.’
We aten zwijgend verder. Het was geen prettig zwijgen. Ik ruimde alleen mijn eigen bord op en vroeg daarna of ze koffie wilde.
Bij de deur zei ze: ‘Ik moet ook wennen.’
‘Dat weet ik.’
Ik zei niet dat ze alle tijd van de wereld had.
Thuis belde Sara. Ze vertelde over een hond die een sok had opgegeten. Ik luisterde en lachte. Daarna vertelde ik dat ik bang was dat ik vooral een ingewikkeld mens aan het worden was.
‘Je was al ingewikkeld,’ zei ze. ‘Je zei alleen overal ja op.’
Hoofdstuk 7
Mijn eigen naam
Op 19 december sloot ik voor het laatst mijn computer bij De Kade af. Ik had een nieuwe baan gevonden bij een kleinere drukkerij in Leusden. Tweeëndertig uur. Planning en werkvoorbereiding. Geen leidinggevende titel. Wel duidelijke afspraken over bereikbaarheid en overwerk.
Bij het sollicitatiegesprek had ik daar expliciet naar gevraagd.
Mijn toekomstige leidinggevende had zijn agenda erbij gepakt.
‘In piekweken vragen we soms extra uren. Vooraf. En als je niet kunt, moeten we anders plannen.’
Ik had bijna gevraagd of hij dat echt meende. In plaats daarvan vroeg ik of het in de afspraken kon worden opgenomen.
Mijn uurloon ging iets omhoog. Mijn maandloon omlaag, omdat ik minder ging werken. Ik had drie avonden met een rekenmachine aan tafel gezeten. Minder bestellen. Vakantiegeld niet alvast uitgeven. De cursus kon blijven.
Het paste. Niet ruim, maar het paste.
Henk gaf me op mijn laatste dag een fles wijn.
‘Mocht je spijt krijgen, je weet ons te vinden.’
‘Dank je voor de afgelopen jaren,’ zei ik.
Dat meende ik gedeeltelijk. Ik had er een vak geleerd. Vrienden gemaakt. Veel gelachen. Dat hoefde niet onwaar te worden omdat ik vertrok.
Imane liep mee naar buiten.
‘Ga je nu eindelijk ergens werken waar je gewoon collega bent?’
‘Dat is het plan.’
‘Laat me weten of het bestaat.’
We omhelsden elkaar tussen twee geparkeerde busjes. Ik beloofde te bellen. Niet omdat het hoorde. Omdat ik haar zou missen.
Voor kerst had mijn moeder een groepsbericht gemaakt. Eerste kerstdag, vier uur. Daan met zijn vriendin. Sara en ik. Ze zou soep maken. Of ik het hoofdgerecht kon doen.
Ik stond in de supermarkt toen ik het las. Mijn eerste gedachte was hoeveel mensen er kwamen. Mijn tweede welke ovenschaal ik nodig had.
Toen keek ik naar mijn winkelmandje. Pasta. Tomaten. Tandpasta. Eten voor een gewone woensdag.
Ik schreef: Ik neem brood en iets voor bij de koffie mee. Het hoofdgerecht kan ik niet verzorgen.
Drie puntjes verschenen onder haar naam. Ze verdwenen. Kwamen terug.
Uiteindelijk schreef ze: Dan bestel ik iets.
Ik liep door naar de kassa.
Pas bij mijn fiets merkte ik dat ik glimlachte.
Het kerstdiner verliep niet zonder gedoe. De bezorging kwam te laat. Mijn moeder vroeg drie keer of Sara wel genoeg at. Daan maakte een grap over mijn ‘nieuwe beleid’ en ik zei dat ik die grap niet leuk vond.
‘Oké,’ zei hij. ‘Sorry.’
Daarna vroeg hij Sara naar haar werk.
Niemand gooide zijn servet neer. Niemand verliet boos de tafel. Mijn reactie werd een klein moment in een avond, niet het einde ervan.
Om half negen stonden Sara en ik op. We hadden afgesproken naar huis te gaan, met z’n tweeën.
‘Nu al?’ vroeg mijn moeder.
‘Ja.’
Ze keek naar de borden.
Daan stond op en pakte er twee.
‘Ik help nog even.’
Mijn moeder omhelsde me bij de deur. Daarna Sara. Onhandig, met één arm half tussen hen in.
‘Fijn dat je er was,’ zei ze tegen haar.
Op straat pakte Sara mijn hand.
‘Hoe gaat het?’ vroeg ze.
Ik luisterde naar mezelf voordat ik antwoord gaf.
‘Goed. En ik voel me schuldig.’
‘Allebei?’
‘Ja.’
We liepen verder.
Een week later zat ik aan mijn keukentafel met een stapel gevouwen katernen. Ik maakte een boek voor mezelf. Geen cadeau voor iemand die het verdiende. Geen bestelling. Gewoon een stevig schrift met donkerblauw linnen.
De rug was niet helemaal recht. Ik liet hem zo.
Mijn telefoon trilde. Mijn moeder vroeg of ik de volgende ochtend mee kon naar de markt. Ik had niets gepland. Vroeger was dat voldoende reden geweest om ja te zeggen.
Nu keek ik naar het boek. Naar de lijm die nog moest drogen. Naar mijn wandelschoenen bij de deur.
Ik wilde alleen zijn. Naar buiten. Misschien later verder werken.
Ik typte: Morgen niet. Zondag wil ik wel koffie komen drinken.
Daarna schreef ik op de eerste bladzijde mijn naam.
Noor van Dijk.
Ik ben nog steeds behulpzaam. Ik neem soms te snel op. Ik kan een afwijzing drie nachten opnieuw beleven. Sara en ik maken ruzie, ook over dingen die niets met mijn moeder te maken hebben. Mijn nieuwe baan moet nog beginnen.
Er is dus genoeg wat ik niet weet.
Maar dat schrift was van mij. Die ochtend ook.
Toen mijn telefoon opnieuw trilde, maakte ik eerst de letter af.