Verlies en rouw
Het kinderkamertje bleef leeg
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
Het kinderkamertje bleef leeg — 1. De stille monitor
Om kwart over zes schopte ik tegen het keukenkastje. Niet hard. Genoeg om Bram wakker te maken.
‘Wat is er?’ vroeg hij vanuit de gang.
‘Ze beweegt niet.’
Hij bleef staan in zijn onderbroek. Achter hem piepte de rookmelder. De batterij moest al dagen vervangen worden.
‘Heb je iets kouds gedronken?’
‘Bram. Ik ben al een uur bezig.’
Ik heette Noor van Dijk, was vierendertig en vijfendertig weken zwanger. Tot die ochtend kende ik mijn dochter vooral als een voet onder mijn rechterrib. Een harde bobbel die verschoof zodra ik ging liggen. Nu lag ik op de bank met mijn handen op mijn buik. Er gebeurde niets.
Bram pakte mijn telefoon. Ik belde zelf de verloskundige.
‘Kom meteen naar het ziekenhuis,’ zei ze. ‘Ik bel dat jullie eraan komen.’
Onderweg naar het Diakonessenhuis in Utrecht praatte Bram over parkeren. Welke ingang open zou zijn. Of hij mijn tas daarna uit de auto kon halen. Ik keek naar een vuilniswagen op de Waterlinieweg. Twee mannen stonden achterop. Een van hen at een boterham.
Dat beeld maakte me woedend. Er kon toch niemand rustig ontbijten terwijl dit gebeurde?
Bij de afdeling verloskunde vroeg een verpleegkundige mijn geboortedatum. Ik gaf die van Bram. Daarna de mijne. Ze deed alsof ze het niet merkte.
Op een bed trok ik mijn trui omhoog. De gel was koud. De verpleegkundige schoof een ronde sensor over mijn buik. Eerst rustig. Daarna sneller.
Er klonk geruis. Een kort gebonk.
‘Dat is jouw hartslag,’ zei ze.
Bram kneep in mijn hand.
Er kwam een arts. Ze stelde zich voor als dokter Van Leeuwen. Ik weet dat nog omdat haar achternaam op een scheef naamkaartje stond. Ze zette het echoapparaat naast het bed en keek naar het scherm.
Niemand sprak.
Ik kende dat scherm. Ik had er een neus op gezien. Een hand. Iets wat volgens Bram onmiskenbaar zijn grote voeten waren.
‘Draai het naar me toe,’ zei ik.
De arts keek me aan.
‘Het spijt me. Ik zie geen hartactie. Jullie dochter is overleden.’
‘Kijk nog een keer.’
Ze keek opnieuw. Ze wees aan waar het hart zat. Het bleef stil op het scherm.
Bram zei: ‘Nee.’ Daarna nog een keer. Zachter.
Ik vroeg of ze haar eruit konden halen.
‘Misschien kunnen jullie dan iets doen.’
De arts schoof haar stoel dichterbij. Ze legde uit dat onze dochter niet meer geholpen kon worden. Dat ik nog wel moest bevallen. Ze zou een collega vragen de bevinding te bevestigen.
Bij dat woord ging ik overeind zitten.
‘Bevallen? Waarvoor?’
Niemand gaf meteen antwoord.
Ik keek naar mijn buik. Hij was even groot als gisteren. Mijn navel stond nog steeds naar buiten. Op mijn linkerzij zat een rood striemetje van mijn pyjamabroek. Mijn lichaam zag er niet uit alsof er iets definitiefs was gebeurd.
‘Heb ik te lang gewacht?’ vroeg ik.
‘Daar hebben we nu geen aanwijzing voor,’ zei de arts. ‘We gaan zorgvuldig onderzoeken wat er is gebeurd. Soms vinden we helaas geen duidelijke oorzaak.’
Ik hoorde alleen het woord soms.
Mijn moeder belde terwijl de tweede arts binnenkwam. Op het scherm stond een foto van haar tussen de hortensia’s. Ik drukte haar weg. Ze belde opnieuw.
Bram ging naar de gang. Door de deur hoorde ik hem zeggen: ‘Mam, je moet even gaan zitten.’
Zijn moeder was al jaren dood. Hij belde de mijne.
Ik begon te huilen om die vergissing. Niet om de woorden van de arts. Die waren nog te groot.
De verpleegkundige kwam terug met water. Ze heette Fatima. Ze vroeg of we al een naam hadden.
‘Lotte,’ zei ik.
Het was de eerste keer dat ik haar naam hardop tegen een vreemde zei.
Fatima zette het glas neer.
‘Dan noemen we haar Lotte.’
Later kregen we een kamer aan het einde van de gang. Buiten reed een schoonmaakkar voorbij. In de kamer naast ons huilde een baby.
Ik drukte mijn handen tegen mijn oren.
Bram deed de deur dicht. Toen schoof hij naast me op het smalle bed. Zijn schoenen hingen over de rand.
‘We gaan niet naar huis zonder haar,’ zei ik.
Hij streek over mijn arm.
Hij beloofde het niet.
Hoofdstuk 2
Haar gewicht
De bevalling begon de volgende middag, nadat ik medicijnen had gekregen. Eerst dacht ik dat mijn darmen rommelden. Daarna kwam er een pijn die ik herkende van de cursus. Alleen ontbrak alles waarvoor ik daar had geoefend.
In mijn tas zaten druivensuiker, dikke sokken en een mutsje. Mijn moeder had het mutsje gebreid. Op de cursus had iemand gezegd dat je een playlist moest maken. Bram en ik hadden ruzie gekregen over een nummer van Bruce Springsteen.
Nu vroeg ik hem de telefoon uit te zetten.
Fatima had weer dienst. Ze vertelde telkens wat ze ging doen voordat ze me aanraakte. Mijn bloeddruk meten. Het bed verstellen. Kijken hoe ver de bevalling was.
‘Ik wil haar niet zien,’ zei ik tussen twee weeën.
‘Dat hoeft niet,’ antwoordde ze. ‘En als je straks anders wilt, mag dat ook.’
Bram zat naast het bed met zijn ellebogen op zijn knieën. Hij had een ziekenhuisboterham gegeten boven de prullenbak. Ik had tegen hem geschreeuwd omdat ik het kauwen hoorde.
‘Sorry,’ zei ik.
‘Niet doen.’
‘Je moet niet steeds zeggen dat ik niets hoef.’
Hij knikte. Daarna zei hij helemaal niets meer.
Mijn moeder kwam om zes uur. Ze droeg dezelfde jas als de vorige ochtend. Toen ze haar tas neerzette, zag ik een pak beschuit met muisjes. Ze duwde het dieper weg.
Ik wees naar de deur.
‘Dat moet eruit.’
Ze pakte haar tas weer op.
‘Niet jij. Alleen dat pak.’
Ze ging naar de gang. Toen ze terugkwam, waren haar handen leeg.
Tegen middernacht kreeg ik meer pijnstilling. Ik sliep steeds een paar minuten en schrok wakker zodra een wee begon. Bram hield een nat washandje tegen mijn voorhoofd. Mijn moeder zat bij het raam.
Er werd niet afgeteld. Niemand zei dat ik straks iets moois in mijn armen zou hebben. De verloskundige zei alleen wat ik moest doen.
Om drie uur zeventien werd Lotte geboren.
Ik wachtte op geluid. Ondanks alles wachtte ik.
‘Wil je haar zien?’ vroeg Fatima.
‘Ja. Meteen.’
Ze legde haar op mijn borst.
Lotte was warm van mijn lichaam. Ze had donker haar dat plat tegen haar hoofd lag. Haar mond stond een beetje open. Op haar bovenlip zat een klein bobbeltje. Ik streek er met mijn duim langs.
‘Ze heeft jouw oren,’ zei Bram.
Ik keek naar hem. Hij huilde zonder zijn gezicht te verbergen. Dat had ik nog nooit gezien.
Lotte woog ruim twee kilo. Ik weet haar precieze gewicht nog, maar in die eerste minuten telde alleen dat ik mijn armen moest aanspannen om haar vast te houden. Ze was geen echo meer. Geen schop. Ze lag werkelijk bij me.
Mijn moeder vroeg of ze dichterbij mocht komen.
‘Kijk,’ zei ik. ‘Dit is je kleindochter.’
Ze bukte en raakte voorzichtig Lottes hand aan.
Later waste Fatima haar samen met ons. Ik durfde eerst niet. Haar huid zag er kwetsbaar uit. Fatima liet zien hoe ik haar kon ondersteunen. Bram trok haar het pakje aan dat we in een winkel aan de Oudegracht hadden gekocht. Bij de tweede mouw liep hij vast.
‘Ik doe het verkeerd.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Dat ding is gewoon onhandig.’
Het was bijna een gewone zin.
Er kwam een fotograaf die ervaring had met overleden kinderen. Ik vond het idee eerst afschuwelijk. Toch liet ik hem binnen. Hij vroeg steeds toestemming. Onze handen naast die van Lotte. Bram met haar op zijn onderarm. Mijn moeder bij het bed.
De foto’s hoefde ik voorlopig niet te bekijken. Dat stelde me gerust.
Een arts besprak onderzoek naar de oorzaak. De placenta kon onderzocht worden. Er waren ook mogelijkheden voor onderzoek bij Lotte. We kregen uitleg en tijd om te beslissen. Ik bleef vragen of ze er iets van zou voelen, terwijl ik het antwoord kende.
Voor vertrek kwam er een uitvaartverzorger. Eva. Ze had geen plechtige stem. Ze zei dat Lotte mee naar huis kon, met geschikte koeling en begeleiding.
Bram keek naar mij.
Ik dacht aan het kamertje. De gele muur. Het bed dat hij twee keer in elkaar had gezet omdat een plank verkeerd om zat.
‘Ja,’ zei ik.
Toen we het ziekenhuis verlieten, droeg Bram haar naar de auto. Niet in het autostoeltje dat achterin klaarstond. In het kleine draagmandje dat Eva had gebracht.
Ik ging naast haar zitten.
Bij ieder verkeerslicht keek ik of haar borstkas bewoog.
Hoofdstuk 3
Vier dagen thuis
We zetten Lotte beneden neer. Niet in het kinderkamertje.
Dat besloot ik pas toen we binnen waren. Bram stond met het mandje bij de trap. Hij keek omhoog, naar de open deur op de overloop.
‘Hier,’ zei ik. ‘Ik wil haar hier.’
We schoven de salontafel weg. Eva hielp met de koeling en legde uit wat we konden verwachten. Ze zou iedere dag komen. Als er iets was, mochten we bellen.
Daarna ging ze weg en zaten we met onze dochter in de woonkamer.
De eerste bezoeker was mijn zus Sanne. Ze had lasagne meegenomen in een glazen schaal. Bij de deur begon ze te huilen.
‘Doe maar,’ zei ik. ‘Maar kom wel binnen.’
Ze ging naast het mandje zitten. Langzaam boog ze voorover.
‘Dag Lotte. Ik ben je tante.’
Daarna praatte ze over de kat die onder onze auto had gelegen. Over de omleiding bij de Amsterdamsestraatweg. Ze praatte tegen Lotte zoals ze tegen iedere baby praatte. Ik was haar daar zo dankbaar voor dat ik haar niet kon aankijken.
Bram maakte koffie. Hij bleef koffie maken. Ook toen iedereen al een volle mok had.
Op de tweede dag kwam zijn vader, Henk, uit Amersfoort. Hij bleef bij de kapstok staan. Zijn pet hield hij met twee handen vast.
‘Ik weet niet of ik dit kan,’ zei hij.
Bram zette de koffiepot hard neer.
‘Ik ook niet.’
Henk knikte. Hij liep naar het mandje en bleef daar lang staan. Later vroeg hij of hij een foto mocht maken voor thuis. Bram ging naast hem zitten om samen een goede uit te kiezen.
Mijn lichaam deed ondertussen alsof er een baby verzorgd moest worden. Mijn borsten werden hard en pijnlijk. Mijn buik trok samen. Ik verloor bloed. De kraamverzorgende, Ellen, kwam voor mij. Dat vond ik eerst verkeerd. Er was toch niemand om voor te zorgen?
Ze legde een schone handdoek op bed en vroeg naar mijn pijn.
‘Jij bent er ook,’ zei ze.
Ze hielp me douchen. In de badkamer keek ik naar het litteken van mijn navelpiercing en begon te lachen. Ik had me maanden druk gemaakt of dat gaatje lelijk zou worden.
Ellen bleef bij de deur staan tot ik weer rustig ademde.
Op de derde dag moesten we kiezen hoe Lotte begraven zou worden. We gingen naar Daelwijck. Mijn moeder bleef bij haar.
Bij het kindergedeelte zag ik houten vlinders, speelgoedauto’s en namen op kleine stenen. Sommige jaartallen lagen vlak bij elkaar. Andere waren hetzelfde.
Ik ging op een bankje zitten.
‘Hier dus,’ zei ik.
Bram bleef staan. Hij had zijn handen diep in zijn jaszakken.
‘We kunnen nog nadenken.’
‘Waarover?’
Hij keek naar de grond.
Ik wist dat ik gemeen klonk. Toch kon ik niet ophouden.
‘Wil je nog drie begraafplaatsen bekijken? Een lijst maken?’
‘Ik probeer iets goed te doen, Noor.’
Ik trok aan zijn mouw. Hij ging naast me zitten, maar hield zijn jas dicht en zijn handen weg.
Die avond schreven we een kaart. Geen versje. Haar naam, haar geboortedatum, onze namen. Dat ze zo welkom was geweest. Ik schrapte het woord geweest. Bram zette het terug. Daarna schrapte hij het zelf.
Op de vierde dag veranderde haar gezicht. Eva had ons voorbereid. Toch schrok ik. Ik wilde de koeling harder zetten, het raam openen, alles terugdraaien naar de eerste nacht.
‘Ik ben nog niet klaar,’ zei ik.
Eva ging naast me zitten.
‘Wat wil je nog doen?’
Ik wilde haar opnieuw vasthouden. Zonder bezoek. Zonder camera. Alleen wij drieën.
Bram sloot de gordijnen. We zaten op de bank met Lotte tussen ons in. Ik vertelde haar over het huis. Over de buurman die op zondag boorde. Over het park waar ik met haar naartoe had gewild.
Bram vertelde dat hij niet kon zingen, maar het wel van plan was geweest.
De volgende ochtend sloten we het kistje. Mijn hand bleef op het deksel liggen.
Bij het graf las Bram de namen voor van iedereen die van haar hield. Halverwege nam ik het over.
Na afloop gingen we naar huis. Er stonden zes mokken naast de gootsteen. Op de bank lag haar dekentje.
Boven bleef het bedje onaangeraakt.
Hoofdstuk 4
Achter de deur
Twee weken na de begrafenis stopte er een bestelbus voor ons huis. Ik zag hem vanuit de woonkamer. De bezorger trok een grote doos naar de rand van de laadruimte.
De kinderwagen.
Ik had de levering willen uitstellen tot na de bevalling. Dat leek me praktisch. Minder spullen in huis.
Ik deed niet open.
Hij belde opnieuw. Daarna tikte hij tegen het raam. Hij kon me zien zitten.
Bram kwam uit de keuken, liep naar buiten en sloot de deur achter zich. Ik hoorde flarden.
‘Niet meer nodig.’
‘Retour aanmelden.’
‘Nee, luister nou even.’
Toen Bram terugkwam, was zijn nek rood.
‘Hij neemt hem mee.’
‘Wat heb je gezegd?’
‘Dat onze dochter dood is.’
Hij ging op de onderste traptrede zitten. Ik bleef op de bank. Er zat nog geen drie meter tussen ons.
De dagen hadden geen duidelijke volgorde meer. Ik sliep om elf uur ’s ochtends. Ik at crackers boven de gootsteen. Soms zette ik thee en vond ik uren later de droge zak naast een lege mok.
Mensen stuurden berichten. In het begin iedere dag. Daarna minder. Ik begreep dat. Ik nam het ze toch kwalijk.
Een collega schreef dat ik nog jong was. Een buurvrouw vertelde over haar miskraam en zei dat alles uiteindelijk een reden had. Ik vroeg haar te vertrekken. Daarna huilde ik omdat zij geschrokken had gekeken.
Bram ging na drie weken weer een paar ochtenden naar zijn werk. Hij was werkvoorbereider bij een bouwbedrijf in Nieuwegein. Hij wilde iets doen waarvan vaststond wanneer het af was.
‘Dus daar kun je wel zijn,’ zei ik.
Hij stond bij de voordeur met zijn laptop onder zijn arm.
‘Ik kan hier ook nauwelijks zijn.’
Ik hoorde alleen dat hij wegging.
Zodra de deur dichtviel, liep ik naar boven. Ik ging op de grond van het kinderkamertje zitten. Er lagen boekjes in een mand. In de kast hingen vijf jurkjes die mijn zus tweedehands had gekocht. Op de commode stond een ongeopend pak luiers.
Ik pakte er een uit. Zo klein dat ik begon te kokhalzen.
Die middag vond Bram me naast de kast.
‘Je hebt niet gegeten.’
‘Dat weet jij niet.’
Hij keek naar het bord dat hij ’s ochtends had klaargezet. De kaas was uitgedroogd.
‘Kom beneden.’
‘Laat me.’
Hij bleef in de deuropening staan. Toen liep hij weg.
Dat was erger dan wanneer hij had aangedrongen.
We begonnen langs elkaar heen te leven. Hij keek naar wielrennen met het geluid zacht. Ik zocht op mijn telefoon naar oorzaken van doodgeboorte. Uren achter elkaar. Ik las over placenta’s, infecties, stolling en zeldzame afwijkingen. Ik controleerde alles wat ik gegeten had in de laatste week.
Op een nacht maakte ik hem wakker.
‘Ik had dinsdag moeten bellen.’
‘Dat weet je niet.’
‘Ze was toen ook rustiger.’
‘We hebben het hier al over gehad.’
Ik schrok van zijn toon. Hij ook.
‘Sorry,’ zei hij. ‘Ik ben zo moe.’
‘Ik ook. Maar ik kan er niet uit.’
Hij draaide het lampje aan. We zaten rechtop tegen het hoofdbord. Zijn ogen waren rood.
‘Ik weet niet meer wat ik moet zeggen,’ zei hij.
‘Zeg dat je haar mist.’
Hij keek naar mijn handen.
‘Iedere keer dat ik thuiskom.’
Een paar dagen later kwam mijn huisarts. Ik had een afspraak op de praktijk afgezegd. Twee keer. Dokter Smit ging op een keukenstoel zitten en vroeg hoe de nachten waren.
Ik vertelde over het zoeken. Over het schuldgevoel. Dat ik soms wenste dat ik niet wakker hoefde te worden.
Ze vroeg rustig door. Of ik mezelf iets wilde aandoen. Of ik plannen had. Ik zei nee. Ik wilde niet dood. Ik wist alleen niet hoe ik deze dagen moest blijven meemaken.
We maakten afspraken voor steun en contact. Ze zou helpen zoeken naar passende begeleiding. Bram zat erbij, voor het eerst zonder te proberen mijn zinnen af te maken.
Toen ze weg was, legde hij twee boterhammen op een bord.
‘Een halve?’ vroeg hij.
Ik schoof mijn stoel aan.
Het was geen verbetering die iemand kon zien. Maar ik bleef zitten.
Hoofdstuk 5
Geen schuldige
Zeven weken na Lottes geboorte gingen we terug naar het ziekenhuis voor de onderzoeksuitslagen. Ik droeg dezelfde jas als die eerste ochtend. In de zak zat nog het parkeerkaartje.
Ik had een schrift meegenomen. Op de eerste pagina stonden zeventien vragen. Sommige had ik onderstreept. Had ik eerder moeten bellen? Had ze geleden? Kon dit weer gebeuren?
Bram parkeerde in een ander vak. Ik zag dat hij daar moeite voor deed.
In de wachtkamer zat een zwangere vrouw met een plastic map op schoot. Haar partner aaide afwezig over haar buik. Ik draaide mijn stoel een stukje weg.
Dokter Van Leeuwen haalde ons zelf op. Ze vroeg eerst hoe het thuis ging.
‘Wat was de oorzaak?’ vroeg ik.
Ze schoof de papieren niet meteen naar voren.
‘We hebben geen duidelijke verklaring gevonden voor Lottes overlijden.’
Ik keek naar het schrift.
‘Er moet toch iets zijn?’
Ze vertelde wat onderzocht was. Er waren geen bevindingen die overtuigend verklaarden waarom Lottes hart was gestopt. Dat betekende niet dat er niets was gebeurd. Alleen dat het onderzoek ons geen sluitend antwoord gaf.
‘Dus ze is zomaar doodgegaan.’
‘Ik begrijp dat het zo voelt. Maar ik kan jullie geen oorzaak geven die we niet hebben gevonden.’
Ik haatte haar om dat eerlijke antwoord.
Ik noemde de fietstocht naar mijn werk. De doos met boeken die ik had verplaatst. Een stuk kaas waarvan ik het etiket niet had gelezen.
Ze luisterde naar alles.
‘Er is geen aanwijzing dat jij dit hebt veroorzaakt, Noor.’
‘Maar u weet niet wat het wél was.’
‘Dat klopt.’
Ik sloeg mijn schrift dicht. Daarna opende ik het weer. We namen alle vragen door. Bij sommige antwoorden schreef ik niets op. Die had ik niet willen horen. Ook een volgende zwangerschap zou niemand zonder risico kunnen beloven. Wel konden we vooraf een gesprek krijgen en zouden de controles worden afgestemd op onze situatie.
‘We zijn niet bezig met een volgende,’ zei Bram.
Ik keek naar hem. Ik wist niet of dat waar was. Ik dacht er voortdurend aan en wilde er tegelijk niets van weten.
In de auto kregen we ruzie.
‘Je moet niet voor mij praten.’
‘Ik bedoelde dat we nu voor Lotte kwamen.’
‘Je zei we.’
Hij sloeg met zijn hand op het stuur. De motor stond nog uit.
‘Ik ben ook bang, Noor.’
Ik zweeg.
‘Ik zag jou daar liggen. Ik dacht dat ik jullie allebei kwijt zou raken. Ik wist niet wat normaal was. Al dat bloed. Al die mensen.’
‘Waarom heb je dat nooit gezegd?’
‘Wanneer?’
Het was geen verwijtende vraag. Dat maakte hem pijnlijker.
We reden naar een parkeerplaats bij Amelisweerd. Het regende. We bleven in de auto en aten broodjes die mijn moeder had meegegeven. Bram had geen honger. Ik at toch het mijne, uit boosheid op alles wat niet meer vanzelf ging.
Een week later ging ik naar een lotgenotenavond in een buurthuis in Utrecht. De begeleider had vooraf gebeld. Ik mocht alleen luisteren. Ik mocht ook weer weg.
Bij de ingang wilde ik omkeren. Door het raam zag ik een kring stoelen. Een doos tissues. Ik kon geen doos tissues meer verdragen.
Een vrouw kwam naast me staan.
‘Eerste keer?’
Ik knikte.
‘Ik ben Yasmin. Ik heb vorige maand twintig minuten op de stoep gestaan.’
‘En toen?’
‘Ben ik naar huis gegaan. Vanavond probeer ik het weer.’
We gingen samen naar binnen.
Er zaten zeven mensen. Niemand vroeg hoeveel weken ik zwanger was geweest om daarna opgelucht te kijken. Niemand zei dat ik gelukkig nog geen herinneringen met haar had kunnen maken.
Toen ik over de kinderwagen vertelde, knikte een man aan de overkant.
‘Bij ons kwam de box nog.’
Meer zei hij niet. Het was genoeg om verder te kunnen praten.
Na afloop stonden Yasmin en ik bij onze fietsen. Haar zoon heette Adam. Hij was drie maanden eerder overleden, vlak voor de uitgerekende datum.
‘Wil je een keer lopen?’ vroeg ze.
‘Ik ben niet gezellig.’
‘Ik ook niet altijd.’
We wisselden nummers uit.
Thuis zat Bram aan tafel. Voor hem lag een afdruk van Lottes voetjes.
‘Hoe was het?’ vroeg hij.
Ik hing mijn jas op.
‘Ik hoefde niets kleiner te maken.’
Hij schoof een stoel naar achteren. Ik ging naast hem zitten en vertelde over alle zeven mensen.
Hoofdstuk 6
De gele muur
In januari ging ik weer naar mijn werk. Twee uur op dinsdagochtend. Ik werkte op de administratie van een middelbare school in Leidsche Rijn. Normaal hield ik van het lawaai bij de balie. Nu schrok ik van iedere dichtslaande deur.
Mijn leidinggevende, Judith, wachtte bij de ingang.
‘Wil je eerst naar mijn kamer?’
‘Ik wil gewoon mijn computer aanzetten.’
Ze knikte en liep mee.
Op mijn bureau stond geen bos bloemen. Dat hadden we afgesproken. Wel lag er een briefje van mijn directe collega: Fijn dat je er bent. Je hoeft niet te antwoorden.
Ik logde in. Mijn wachtwoord was verlopen.
Van alle dingen begon ik daarom te huilen.
Judith bracht water. Ze bleef niet naast me staan kijken. Na een kwartier lukte het om de helpdesk te bellen.
Een leerling kwam een verloren sleutel ophalen. Hij was vijftien, droeg een jas die naar regen rook en vroeg of ik lang ziek was geweest.
‘Mijn baby is overleden,’ zei ik.
Hij keek naar zijn schoenen.
‘Dat is echt kut.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat is het.’
Hij nam zijn sleutel mee. Ik werkte daarna nog twintig minuten.
Thuis vertelde ik Bram voor het eerst sinds maanden iets over een werkdag. Hij lachte even om het verlopen wachtwoord. Ik ook. Daarna schrok ik van mezelf.
Die avond bekeek ik Lottes foto’s, alsof ik moest bewijzen dat ik haar niet vergeten was.
Tijdens de gesprekken die Bram en ik inmiddels samen hadden, vertelde ik dat. Onze begeleider, Marieke, vroeg wat ik dacht dat er zou gebeuren als ik een middag niet aan Lotte dacht.
‘Dan heeft ze niemand,’ zei ik.
Bram zat heel stil naast me.
‘Ze heeft mij ook.’
Ik keek naar hem. Het kwam hard aan. Niet omdat hij boos klonk, maar omdat ik besefte hoe weinig ruimte ik hem had gelaten.
Later vertelde hij dat hij op weg naar zijn werk vaak langs Daelwijck reed. Soms ging hij naar binnen. Soms lukte dat niet.
‘Waarom wist ik dat niet?’
‘Je vroeg het niet.’
We maakten geen grote afspraken. Alleen dat we elkaar niet meer zouden laten raden. Als ik naar het graf ging, zei ik dat. Als hij een slechte dag had, probeerde hij meer te zeggen dan dat hij moe was.
Yasmin en ik liepen op woensdag in het Julianapark. Soms spraken we over onze kinderen. Soms over haar lastige bovenbuurman. Een keer vertelde ze dat haar zus zwanger was.
‘Ik heb gefeliciteerd gezegd en daarna de badkamerdeur op slot gedaan.’
‘Ik zou niet eens gefeliciteerd hebben gezegd.’
‘Jawel. En daarna had je er spijt van gehad.’
Ik moest lachen. Ze keek niet geschrokken.
In maart kwam Sanne helpen met het kinderkamertje. Ik had haar zelf gevraagd. De deur stond meestal dicht. Niet omdat ik Lotte niet wilde herinneren. Omdat ik iedere keer vastliep zodra ik iets schoons in onze eigen kast wilde leggen en langs haar kamer kwam.
We zetten drie dozen op de vloer. Bewaren. Weggeven. Nog niet.
De eerste twee bleven lang leeg.
Bram pakte het ongeopende pak luiers op.
‘Deze kunnen weg.’
Ik knikte. Toen hij ze in de doos legde, pakte ik ze terug.
Sanne zei niets.
Uiteindelijk gaf ik ze aan haar. Ze zou spullen naar een organisatie brengen die jonge gezinnen ondersteunde. Niet naar iemand die ik kende. Ik wilde de jurkjes niet onverwacht op een foto terugzien.
Het pakje dat Lotte had gedragen, bleef bij ons. Het mutsje ook. De afdrukken, de kaarten en een lokje haar gingen in een stevige doos.
Aan het bed kwamen we die middag niet toe.
Een week later schroefde Bram het uit elkaar. Ik zat op de overloop. Bij iedere plank vroeg hij of het nog ging. Na de derde keer vroeg ik hem daarmee te stoppen.
Toen het bed weg was, zag ik de afdrukken in het tapijt.
Ik ging op mijn knieën zitten en streek eroverheen.
De muur bleef geel. We besloten nog niets over verf, een bureau of logeerbed. De kamer mocht een tijd halfleeg zijn.
Die avond aten we aan tafel in plaats van op de bank. Bram vertelde dat hij weer wilde gaan fietsen met zijn vrienden.
‘Ga maar,’ zei ik.
Hij keek onderzoekend naar me.
‘Ik meen het.’
Zaterdag vertrok hij om negen uur. Ik zwaaide vanuit de keuken en belde daarna Yasmin voor koffie.
Hoofdstuk 7
Haar naam hardop
Op de ochtend van Lottes eerste verjaardag werd ik om drie uur twaalf wakker. Vijf minuten voor haar geboortetijd. Ik had geen wekker gezet.
Bram lag op zijn rug. Zijn ogen waren open.
‘Jij ook?’ vroeg ik.
Hij knikte.
Beneden maakten we thee. Ik legde de foto op tafel waarop Lotte bij hem op zijn arm lag. We hadden hem inmiddels ingelijst. Meestal stond hij op de kast, naast een vakantiefoto uit Vlieland.
Om drie uur zeventien keek ik naar de klok op de oven.
Er gebeurde niets. Geen bijzonder gevoel. Geen rust. Ik miste haar en was boos dat ik haar alleen in foto’s ouder kon laten worden door zelf ouder te worden.
‘Ik weet niet hoe ze zou klinken,’ zei ik.
Bram schoof zijn stoel dichterbij.
‘Ik ook niet.’
We bleven zitten tot de thee koud was.
Voor deze dag hadden we een plan gemaakt. Niet omdat dat de pijn minder zou maken. Omdat we niet opnieuw wilden ontdekken dat we allebei iets anders verwachtten en daar pas achter kwamen als het misging.
Om tien uur kwamen mijn moeder en Sanne. Henk bracht bloemen uit Amersfoort. Geen groot stuk. Een klein bosje dat in de vaas bij het graf paste.
Mijn moeder had broodjes meegenomen. Geen taart. Ik had niet geweten of ik taart wilde en zij had het gewoon gevraagd.
Bij Daelwijck was het nat. Sanne droeg laarzen en kreeg toch modder op haar broek. We maakten de steen schoon. Bram haalde wat blad weg bij de letters.
Lotte van Dijk.
Daaronder stond haar datum.
Henk bukte langzaam en legde zijn hand op de steen. Hij zei niets. Ik hoefde niet meer dat iedereen woorden vond.
Mijn moeder noemde haar naam wel.
‘Dag Lotte.’
Daarna vertelde ze dat er thuis een foto van haar in de boekenkast stond. Ze praatte alsof Lotte dat nog niet wist. Ik liet haar.
We bleven niet lang. Ik had vroeger gedacht dat langer blijven betekende dat je meer van iemand hield. Inmiddels wist ik hoe vaak ik na tien minuten niets meer kon opnemen. Dan stond ik alleen nog kou te lijden en mezelf te bewijzen dat ik een moeder was.
Thuis aten we de broodjes. Sanne vroeg of we de foto’s wilden bekijken. Een deel wel. Niet de hele reeks.
Op een foto stond Bram met een kartonnen beker koffie in zijn hand. Zijn haar zat plat aan één kant. Ik herinnerde me ineens hoe hij die nacht tegen de deurpost was gelopen.
‘Je vloekte zo hard,’ zei ik.
‘Fatima schrok meer van mij dan van de bevalling.’
We lachten. Mijn moeder ook. Dit keer ging ik niet meteen zoeken naar schuld.
Toen iedereen weg was, liepen Bram en ik naar de winkel. We hadden geen melk meer. Ik vond het prettig dat er een reden was om naar buiten te gaan die niets met rouw te maken had.
Bij de kassa stond een vrouw met een meisje van ongeveer één. Het kind sloeg met een pak rijstwafels tegen de rand van de wagen.
Ik keek. Niet lang. Maar ik hoefde de winkel niet uit.
Op de terugweg vroeg Bram of ik nog steeds naar zee wilde in het weekend.
‘Ja. Maar als het niet gaat, wil ik naar huis kunnen.’
‘Dan gaan we naar huis.’
We praatten soms over nog een kind. We hadden een afspraak gemaakt voor een gesprek in het ziekenhuis. Er was nog geen besluit. Ik was niet zwanger. Ik wist niet of ik de angst opnieuw aandurfde. Bram wist het ook niet.
Die onzekerheid hoefden we die middag niet op te lossen.
Boven stond nu een eenvoudige tafel in het kamertje. Ik gebruikte die om te tekenen. Niet iedere dag. Soms lagen de potloden weken onaangeraakt. De muur was nog geel. In de kast stond Lottes doos op een plank waar ik zonder trapje bij kon.
Haar bedje stond er niet meer. Er had nooit een slapend kind in gelegen. Dat bleef een feit waar ik geen betere woorden voor had.
Voordat we gingen koken, zette ik het raam een stukje open. Buiten riep een buurjongen om zijn fiets. Beneden vroeg Bram of ik rijst wilde of aardappels.
‘Rijst,’ riep ik.
Ik bleef nog even staan. Toen deed ik het licht uit en liep naar beneden. De deur liet ik open.