Verlies en rouw
Het laatste bericht in mijn telefoon
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De slagboom
De slagboom van het St. Antonius ging niet omhoog. Ik drukte mijn pinpas tegen het apparaat. Nog een keer. Achter me toeterde iemand.
‘Pak eerst een kaartje,’ zei een stem door de intercom.
Ik keek naar de knop. Groot. Groen. Ik had hem niet gezien.
Tien minuten eerder had een arts gebeld. Mijn man Thomas was aangereden op de Europalaan in Utrecht. Hij was naar Nieuwegein gebracht. Ik moest komen. Liefst niet alleen.
Ik was toch alleen gegaan.
Mijn naam is Iris van Dalen. Ik was achtendertig. Thomas veertig. We woonden in een bovenwoning in Lombok, boven een kapper die elke ochtend om negen uur dezelfde radiozender aanzette.
Die middag had ik nog geklaagd over de muziek.
Bij de receptie zei ik zijn naam. De vrouw achter de balie keek op haar scherm. Daarna keek ze niet meer naar mij, maar naar een collega.
‘Loopt u even mee.’
In de gang probeerde ik Thomas te bellen. Ik wist dat het onzin was. Toch drukte ik op het groene telefoontje. Zijn telefoon ging over.
Een verpleegkundige hield een deur voor me open. Er stonden drie stoelen. Een doos tissues. Geen bed.
Ik bleef staan.
‘Waar is hij?’
De arts stelde zich voor. Zijn naam bleef niet hangen. Hij zei dat Thomas ernstig gewond was geraakt. Dat ze hem hadden geopereerd. Dat zijn hart opnieuw was gestopt.
‘We hebben hem niet kunnen redden.’
Ik keek naar zijn schoenen. Donkerblauwe klompen, met een vlek op de linkerneus.
‘Maar ik ben er nu.’
Hij knikte langzaam.
‘Ik begrijp het.’
Dat vond ik een belachelijk antwoord. Als hij het begreep, waarom stond hij dan stil?
Ik wilde langs hem heen. De verpleegkundige raakte mijn onderarm aan. Niet hard. Net genoeg om me tegen te houden.
‘U mag zo naar hem toe.’
‘Nu.’
Er viel een stilte.
‘Goed,’ zei ze. ‘Nu.’
Thomas lag onder een witte deken. Zijn gezicht zag er bijna gewoon uit. Er zat een schaafplek naast zijn wenkbrauw. Zijn haar was aan één kant plat. Ik streek het omhoog, zoals ik thuis deed als hij met nat haar was gaan slapen.
Zijn huid was nog warm.
Dat maakte alles erger.
Ik pakte zijn hand. Aan zijn ringvinger zat een lichte afdruk, maar geen ring. Ik vroeg waar die was. De verpleegkundige wees op een plastic zak met zijn spullen.
‘Die krijgt u mee.’
Alsof we een jas bij de garderobe ophaalden.
Mijn telefoon trilde. Mijn zus Eva.
‘Waar blijf je? Je stuurde alleen ziekenhuis.’
Ik wilde vertellen wat er was gebeurd. Mijn mond kreeg zijn naam niet gemaakt.
‘Iris?’
‘Hij doet het niet meer,’ zei ik.
Eva zei niets. Toen hoorde ik een stoel schuiven.
‘Ik kom.’
Terwijl ik wachtte, opende ik mijn berichten. Het laatste bericht van Thomas stond bovenaan.
17.42 uur.
Ben iets later. Eet maar vast.
Ik had het om 17.44 gelezen. Ik had niet geantwoord.
We hadden die ochtend ruzie gehad. Over zijn moeder. Over onze vrije zaterdag. Over het feit dat hij steeds toezegde dat wij zouden helpen, zonder het mij te vragen.
‘Je kunt ook eens zelf nee zeggen,’ had hij gezegd.
‘Jij kunt ook eens overleggen.’
Dat was ons afscheid geweest. Geen kus. Hij had zijn fietssleutel van het haakje gepakt. Ik had de afwasmachine dichtgeduwd.
Nu lag zijn sleutel in een doorzichtige zak.
Eva kwam met haar jas nog open. Ze sloeg haar armen om me heen. Ik duwde haar eerst weg. Daarna trok ik haar zo hard naar me toe dat ze haar evenwicht verloor.
We bleven lang bij hem. Ik weet niet hoe lang. Op een bepaald moment vroeg iemand of we nog iets wilden doen.
‘Hem meenemen,’ zei ik.
Niemand antwoordde meteen.
Later liep Eva naast me naar de parkeerplaats. Zij droeg de zak. Ik droeg niets. Bij mijn auto kon ik niet bedenken hoe de deur openging.
‘Geef mij je sleutel,’ zei ze.
Thuis stond de pan rijst nog op het fornuis. De deksel was beslagen. Op zijn plek lag een vork die ik voor hem had neergelegd.
Ik ging zitten en opende zijn bericht opnieuw.
Ben iets later.
Ik keek naar de voordeur.
Hoofdstuk 2
Zijn schoenen
De volgende ochtend stond er iemand beneden op de bel te drukken. Ik had niet geslapen. Eva lag op de bank, met haar voeten onder Thomas’ vest.
‘Niet opendoen,’ zei ik.
Ze keek door het raam.
‘Het is zijn moeder.’
Marijke kwam de trap op met een boodschappentas. Ze had yoghurt gekocht. Mandarijnen. Een zak krentenbollen.
‘Je moet toch eten,’ zei ze.
Toen zag ze zijn schoenen onder de kapstok. Zijn oude sportschoenen, met de losse zool.
Ze liet de tas vallen. Een mandarijn rolde tot onder de verwarming.
Ik had haar nog nooit op de grond zien zitten. Nu zat ze daar ineens, naast zijn schoenen. Ze hield er één tegen haar borst.
Ik ging naast haar zitten. De vloer was koud door mijn pyjamabroek.
‘Hij zou zaterdag komen,’ zei ze.
Ik keek naar Eva.
Zij wist van onze ruzie. Ik had haar de ochtend ervoor een kwaad bericht gestuurd. Weer mijn hele weekend weg. Ze had teruggestuurd dat ik het met Thomas moest bespreken, niet met haar.
Marijke hoefde dat niet te weten. Niet toen.
Om elf uur kwam de uitvaartverzorger. Hij heette Bas en vroeg of hij aan de keukentafel mocht zitten. Hij legde geen folders neer voordat ik erom vroeg. Dat vond ik prettig.
‘Was er iets besproken?’
‘We zouden oud worden,’ zei ik.
Hij knikte en wachtte.
Er was niets besproken. Niet serieus. Thomas had eens gezegd dat we hem bij het grofvuil mochten zetten. Daar had ik om gelachen. Nu moest ik kiezen tussen kisten met namen als Duin en Horizon.
‘Heeft u ook gewoon een houten?’
Bas draaide een blad om.
We kozen een crematie in Utrecht. Geen toespraken van mensen die hem nauwelijks kenden. Geen muziek die hij verschrikkelijk zou hebben gevonden. Marijke wilde een lied dat vroeger bij hen thuis vaak opstond. Ik vond het afschuwelijk, maar ik zei ja.
Bij zijn kleding liep ik vast.
Ik trok de kast open. Zijn overhemden hingen op kleur. Niet omdat hij netjes was. Ik had ze zo gehangen na een opruimbui. Onderin lagen sokken, een lege verpakking van oordopjes en een rekening voor zijn fiets.
Ik pakte zijn blauwe trui.
‘Die had hij maandag aan,’ zei ik.
Eva stond in de deuropening.
‘Is dat goed of niet goed?’
‘Dat weet ik niet.’
Ik drukte de stof tegen mijn neus. Wasmiddel. Een beetje zweet bij de hals. Ik legde hem terug.
Die trui ging niet mee.
Uiteindelijk kreeg hij een overhemd aan waarin hij op verjaardagen klaagde over de strakke kraag. Ik vond het laf van mezelf. Ik wilde zijn gewone kleren houden. De dingen die echt naar hem roken.
De dagen werden gevuld door andere mensen. Er kwamen bloemen. Lasagnes. Berichten met hartjes. Een collega stuurde dat ze geen woorden had en schreef daarna vier alinea’s.
Ik bedankte iedereen met hetzelfde zinnetje. Lief van je.
Mijn telefoon werd een taak. Behalve zijn gesprek. Daar ging ik steeds naartoe als ik even niets hoefde.
Ben iets later. Eet maar vast.
Op de dag van de crematie wilde ik mijn telefoon in mijn hand houden. Eva stelde voor hem in mijn tas te doen.
‘Voor als hij belt?’ vroeg ik.
Ze schrok. Ik hoorde zelf hoe scherp het klonk.
‘Sorry.’
‘Geeft niet.’
Ik legde hem met het scherm naar beneden op mijn schoot.
Tijdens mijn stukje vertelde ik hoe Thomas bij de Albert Heijn altijd de verkeerde koffie kocht. Dat hij precies wist welk merk we hadden, maar telkens thuiskwam met iets dat volgens hem vrijwel hetzelfde was.
Er werd gelachen.
Ik werd daar boos van, terwijl ik het zelf had uitgelokt.
Daarna vertelde ik dat hij mijn fietsbanden oppompte zonder iets te zeggen. Dat ik daar meestal pas achter kwam als ik al onderweg was.
Verder kwam ik niet.
Bas stond op, maar ik stak mijn hand uit. Ik wilde blijven staan tot ik weer kon ademen. Niemand hoefde die paar minuten voor mij op te vullen.
Na afloop kreeg ik handen, kussen en adviezen. Iemand zei dat ik jong genoeg was om opnieuw te beginnen.
Eva trok die vrouw bij mij weg.
Thuis zette ik zijn sportschoenen recht onder de kapstok. Marijke had ze scheef achtergelaten.
Toen deed ik voor het eerst de deur op de nachtsluiting.
Thomas kon toch niet meer binnenkomen.
Hoofdstuk 3
Zeven minuten
Drie weken na de crematie kwamen twee politiemensen langs. Een vrouw met kort grijs haar en een jonge man die zijn jas aanhield tot ik vroeg of hij koffie wilde.
De vrouw heette De Groot. Zij deed het woord.
‘We kunnen u vertellen wat we nu weten.’
Ik ging rechtop zitten. Op tafel lag mijn schrift. Ik had vragen opgeschreven omdat ik steeds vergat wat ik wilde vragen zodra iemand antwoord gaf.
Waar precies?
Was hij alleen?
Heeft hij pijn gehad?
Had hij zijn telefoon vast?
Die laatste vraag had ik drie keer onderstreept.
Een bestelbus was rechts afgeslagen. Thomas fietste naast de weg. De bestuurder had hem naar eigen zeggen niet gezien. Er waren getuigen gehoord. Camerabeelden opgevraagd.
‘Hoe laat?’ vroeg ik.
‘De eerste melding kwam om 17.49 binnen.’
Zeven minuten na zijn bericht.
Ik schreef 17.49 op. Daaronder 17.42. Ik zette er een streep tussen.
‘Als ik hem had gebeld, had hij misschien gestopt.’
De Groot keek naar mijn schrift.
‘Dat kunnen we niet weten.’
‘Hij nam meestal niet op tijdens het fietsen.’
‘Dan had hij misschien doorgefietst.’
Ik vond het vervelend dat ze een antwoord had. Ik wilde dat ze begreep dat er een moment was geweest waarop ik iets had kunnen veranderen.
De jonge agent schoof zijn kopje opzij.
‘U heeft die bestelbus niet bestuurd, mevrouw Van Dalen.’
‘Dat zeg ik ook niet.’
Het kwam harder uit mijn mond dan bedoeld.
Ze vertelden nog meer. Over het onderzoek. Over de fiets die nog niet kon worden vrijgegeven. Over zijn telefoon, die beschadigd was. Ik hoorde losse woorden en schreef bijna niets meer op.
Na hun vertrek belde ik mijn werk. Ik was administratief medewerker bij een installatiebedrijf in Houten. Mijn leidinggevende, Sander, had gezegd dat ik alle tijd mocht nemen.
‘Ik kom maandag,’ zei ik.
‘Weet je het zeker?’
‘Nee.’
We spraken twee uur af. Geen klanten. Geen telefoon.
Ik hield het zevenendertig minuten vol.
Een collega vroeg waar een factuur stond. Ik kende het systeem al negen jaar. Toch kreeg ik het bestand niet gevonden. Toen verscheen er een melding van de gedeelde agenda.
Tandarts Thomas, donderdag 08.10.
Ik liep naar het toilet en deed de deur op slot.
Sander kwam niet kloppen. Hij stuurde een bericht. Je jas ligt bij de receptie. Je mag gewoon weggaan.
Daar was ik hem dankbaar voor.
Die middag fietste ik naar de Europalaan. Ik had Eva beloofd dat niet alleen te doen. Ik vertelde mezelf dat ik alleen maar ging kijken waar het was. Niet naar de plek zelf.
Maar natuurlijk stapte ik daar af.
Auto’s reden voorbij. Een jongen op een bezorgfiets keek op zijn telefoon. Verderop schudde iemand een kleed uit op een balkon. Ik zocht naar iets op het asfalt. Een kras. Een markering. Iets wat bewees dat hier meer was gebeurd dan een verkeersopstopping.
Bij een paal lag een nat bosje bloemen.
Ik hurkte en las het kaartje.
Voor de fietser. We denken aan je familie.
Geen naam.
Ik belde Eva.
‘Ik ben hier.’
‘Waar?’
Ik hoefde het niet te zeggen.
‘Blijf staan. Ik kom.’
Terwijl ik wachtte, opende ik het gesprek met Thomas. Boven zijn laatste bericht stonden mijn antwoorden van de dag ervoor. Een boodschappenlijst. Een foto van een lekkende kraan. Een grap over onze buurman.
Daaronder mijn stilte.
Toen Eva aankwam, vertelde ik eindelijk de hele ruzie. Ook het deel dat ik tot dan toe had weggelaten.
‘Ik was blij dat hij later kwam,’ zei ik. ‘Toen ik dat bericht las, dacht ik: mooi. Nog even rust.’
Eva zette haar fiets tegen de paal.
‘Dat mag toch?’
‘Niet als dit daarna gebeurt.’
‘Je wist niet dat dit daarna gebeurde.’
Ik werd kwaad op haar. Ze bleef dezelfde soort dingen zeggen als de agenten. Verstandige dingen waar ik niets aan had.
‘Ik heb hem laten gaan zonder kus.’
Eva keek me aan.
‘Dat hebben jullie vast vaker gedaan.’
Ik knikte tegen mijn zin.
‘En al die keren kwam hij thuis.’
We stonden nog een tijdje bij de bloemen. Daarna liepen we met onze fietsen naar de tramhalte. Ik kon mijn benen niet vertrouwen.
Thuis schreef ik onder de tijden één zin.
Ik wist het niet.
Ik geloofde hem nog niet. Ik liet hem wel staan.
Hoofdstuk 4
Zwart scherm
Mijn telefoon viel uit in de rij bij de bakker. Het scherm werd zwart terwijl ik mijn bankpas zocht.
Ik drukte op de zijknop. Niets.
‘Kan ik u helpen?’ vroeg het meisje achter de toonbank.
Ik legde het brood terug.
Buiten probeerde ik opnieuw op te starten. Mijn vingers werden nat van de regen. Ik veegde ze af aan mijn broek en hield twee knoppen tegelijk ingedrukt. Het scherm bleef zwart.
In de Voorstraat zat een reparatiewinkel. Ik was er vaker langsgefietst. Nu rende ik het laatste stuk.
De man achter de balie heette Amir. Dat stond op het kaartje naast de kassa.
‘Wat doet hij niet?’
‘Alles.’
Hij sloot een kabel aan. Ik boog over de balie heen.
‘Er staat iets op wat niet weg mag.’
‘We gaan eerst kijken.’
‘U mag hem niet leegmaken.’
‘Dat ga ik niet zomaar doen.’
Hij vroeg om mijn toegangscode. Ik gaf hem. Daarna vroeg hij of ik een reservekopie had.
Ik wist het niet.
Thomas regelde dat soort dingen. Dat wilde ik zeggen. In plaats daarvan begon ik te huilen. Niet netjes. Ik kreeg geen lucht door mijn neus. Amir schoof een kruk naar voren en draaide het bordje op de deur om.
‘Ik moet dat bericht houden,’ zei ik.
Hij knikte, maar beloofde niets.
Dat was moeilijker en beter dan zeggen dat het vast goed zou komen.
Eva kwam naar de winkel. Ze had mijn bericht niet kunnen krijgen, want mijn telefoon was kapot. Amir had haar voor me gebeld. Ik kende haar nummer nog uit mijn hoofd. Dat verbaasde me.
We wachtten in een lunchzaak aan de overkant. Ik bestelde thee en liet die koud worden.
‘We hadden er een foto van moeten maken,’ zei ik.
‘Dat doen we straks.’
‘Als het straks nog kan.’
Ik haatte haar geruststellende stem. Ik haatte ook dat ze ermee stopte zodra ik dat zei. Ik wist niet wat ik van haar nodig had.
Na twee uur mochten we terugkomen. Amir had een defecte accu vervangen. Mijn berichten stonden er nog.
Ik pakte de telefoon met twee handen aan.
Daar was hij.
Ben iets later. Eet maar vast.
Ik las het terwijl Amir uitlegde hoe ik een reservekopie kon maken. Eva luisterde en schreef mee. Thuis maakten we schermafbeeldingen. We exporteerden het gesprek. We zetten kopieën op mijn laptop en op een losse schijf.
Ik printte zijn laatste bericht uit.
Op papier leek het kleiner. Alsof iemand anders hetzelfde had kunnen schrijven.
De volgende ochtend belde ik de huisarts. Niet omdat ik ineens vond dat ik hulp nodig had. Omdat ik bang was voor wat er met me gebeurde als een stuk elektronica kapotging.
Ze liet me vertellen. Ze vroeg naar slapen, eten en alcohol. Ik zei dat ik elke avond twee glazen wijn dronk. Soms drie.
‘Om slaperig te worden?’
‘Om even minder op te letten.’
We maakten een afspraak voor de week erna. Ze gaf me ook een nummer van een rouwgroep in Utrecht.
Ik legde het briefje drie dagen onder de fruitschaal.
Toen belde ik.
De groep kwam samen in een buurthuis. Zes mensen rond een tafel. Een vrouw die haar dochter had verloren. Een man wiens partner ziek was geweest. Een jonge vrouw die telkens aan haar ring draaide.
Ik wilde meteen weg. Hun verdriet was echt en groot. Ik had geen ruimte over om ernaar te luisteren.
De begeleider, Ellen, vroeg alleen mijn naam.
‘Iris.’
‘Wil je iets vertellen?’
‘Mijn man is dood. Acht weken geleden. Ik weet niet wat ik hier moet.’
De man tegenover me knikte.
‘Dat wist ik ook niet.’
Hij heette Henk. Zijn vrouw was veertien maanden dood. Veertien maanden leek me een ondraaglijke afstand.
Tijdens de pauze vertelde ik over mijn telefoon.
‘Ik heb haar laatste voicemail op vier plekken,’ zei hij. ‘Ik luister er bijna nooit naar. Maar hij moet er zijn.’
Voor het eerst hoefde ik niet uit te leggen waarom.
Aan het einde vroeg Ellen of ik nog eens wilde komen.
‘Misschien.’
Buiten bleef ik even onder het afdak staan. Ik had de telefoon de hele bijeenkomst in mijn tas gelaten. Nu haalde ik hem eruit.
Niet om Thomas’ bericht te lezen.
Ik stuurde Eva dat ik onderweg was.
Hoofdstuk 5
De verkeerde taart
Thomas zou op 12 maart eenenveertig worden. Ik had bedacht dat ik die dag alleen wilde zijn. Dat vertelde ik aan iedereen, tot niemand meer voorstelde om langs te komen.
Toen werd ik kwaad omdat niemand kwam.
Om negen uur stond ik bij de HEMA op de Steenweg. Ik kocht twee punten mokkataart. Thomas hield niet van mokka. Hij nam altijd appeltaart.
Ik wist dat pas weer toen ik buiten stond.
Teruggaan lukte niet. Ik liep naar huis met het doosje strak tegen mijn buik.
Op tafel zette ik twee borden. Daarna pakte ik er één weg. Toen zette ik het terug.
Ik hoorde mezelf hardop zeggen: ‘Doe eens normaal.’
Daarna was het stil.
Mijn eerste verjaardag zonder hem had me bang gemaakt. Zijn verjaardag maakte me woedend. Hij hoefde niets. Hij hoefde niet te kiezen wat er met zijn boeken moest gebeuren. Hij hoefde zijn moeder niet terug te bellen. Hij hoefde niet te leren slapen op een matras dat ineens te breed was.
Ik pakte zijn blauwe trui uit de kast en gooide hem tegen de muur.
Dat gaf zo weinig geluid dat ik er nog bozer van werd.
Om elf uur belde Marijke. Ik liet de telefoon gaan. Ze belde opnieuw.
‘Ik wil vandaag niemand spreken,’ zei ik toen ik opnam.
‘Ik ben zijn moeder.’
‘Dat weet ik.’
‘Ik ook niet,’ zei ze.
Ik begreep eerst niet wat ze bedoelde. Toen hoorde ik haar adem schokken.
We bleven aan de telefoon zonder veel te zeggen. Uiteindelijk vroeg ze of ik iets had gegeten.
‘Verkeerde taart.’
Ze lachte kort. Daarna huilde ze weer.
Een uur later zat ze tegenover me. Ze had fotoalbums meegenomen. Ik wilde ze niet zien, maar ik zei het niet. We aten de mokkataart met gebaksvorkjes die ik nog nooit eerder had gebruikt.
Marijke bladerde naar een foto van Thomas op een camping in Zeeland. Hij was een jaar of twaalf en hield een lek luchtbed boven zijn hoofd.
‘Hij zei dat zijn broer het had gedaan.’
‘Had die het gedaan?’
‘Nee. Thomas had het over een hek getrokken.’
Ik glimlachte. Dat kon ik me voorstellen. Ook hoe hij zijn verhaal zou volhouden terwijl iedereen het gat aanwees.
Marijke keek naar de trui op de grond.
‘Mag ik die?’
‘Nee.’
Het antwoord kwam meteen.
Ze trok haar hand terug, hoewel ze er niet eens naar had gereikt.
‘Sorry,’ zei ik. ‘Die niet.’
‘Ik heb bijna niets van hem.’
Ik wilde zeggen dat zij veertig jaar had gehad. Ik hoorde de zin al in mijn hoofd en schrok ervan.
In plaats daarvan liep ik naar de kast. Daar lag zijn rode sjaal. Een sjaal die zij voor hem had gekocht en die hij vaak droeg.
‘Deze misschien?’
Ze pakte hem aan en streek over het uiteinde.
‘Dank je.’
Na haar vertrek dronk ik wijn. Eerst bij het koken. Toen in plaats van koken. Om acht uur was de fles leeg en had ik alleen taart gegeten.
Ik opende het gesprek met Thomas. Mijn duim bleef boven het belsymbool hangen.
Ik wist dat zijn nummer was afgesloten. Ik drukte toch.
De opgenomen stem die ik kreeg, maakte me misselijk. Ik gooide mijn telefoon op de bank en liep naar de badkamer. Daar zat ik een tijd op de rand van het bad.
Ik wilde niet dood. Ik wilde die avond niet meer meemaken. Dat verschil was belangrijk, maar het maakte me ook bang.
Ik belde Eva.
‘Kun je komen? Ik doe raar.’
‘Heb je iets genomen?’
‘Alleen wijn. Te veel.’
‘Ik kom. Drink wat water. Blijf binnen.’
Ze bracht brood en kaas mee. Ze zette de tv aan zonder te vragen wat ik wilde zien. Ik at op de bank terwijl zij de glazen uit de kamer haalde.
De volgende dag vertelde ik het aan de huisarts. Ook het bellen. Ook de fles.
We spraken af dat ik voorlopig geen alcohol in huis zou halen. Ik kreeg gesprekken met de praktijkondersteuner. Geen belofte dat het snel beter werd. Wel een afspraak in mijn agenda.
Bij de volgende rouwgroep vertelde ik over de mokkataart.
Henk vroeg niet waarom ik zoiets had gekocht.
Hij zei: ‘Verjaardagen zijn beroerde dagen om boodschappen te doen.’
Ik lachte. Daarna huilde ik.
Ik kon die avond allebei.
Hoofdstuk 6
Wat vaststaat
In mei kreeg ik bericht over het onderzoek. Er zou geen strafzaak komen. Volgens het Openbaar Ministerie was er onvoldoende bewijs om de bestuurder strafrechtelijk te vervolgen.
Ik las de brief drie keer. Bij de derde keer scheurde ik bijna het papier kapot omdat ik het zo stevig vasthield.
Onvoldoende bewijs.
Er was een dode man. Er was een bestelbus. Hoe kon er dan onvoldoende zijn?
De Groot regelde een gesprek. Eva ging mee. In een kantoor met uitzicht op een fietsenstalling werd uitgelegd welke verklaringen er waren. Wat de camerabeelden niet lieten zien. Waarom sommige vragen niet meer te beantwoorden waren.
Ik had verwacht dat meer informatie alles duidelijker zou maken. In werkelijkheid kreeg elk antwoord een voorbehoud.
‘Dus niemand heeft iets verkeerd gedaan?’ vroeg ik.
‘Dat is niet wat deze beslissing betekent,’ zei de medewerker tegenover me.
‘Maar hij gaat gewoon verder.’
Ze zweeg even.
‘Ik begrijp dat dit voor u heel moeilijk is.’
Ik keek naar Eva. Ze hield mijn schrift open. Onder mijn vragen stonden haar kleine, nette letters.
Via Slachtofferhulp besprak ik later wat mijn mogelijkheden waren, ook om tegen de beslissing op te komen. Ik hoefde dat niet diezelfde dag te bepalen. Dat hielp. Niet alles hoefde meteen, al voelde mijn lichaam dat anders.
De bestuurder had gevraagd of hij een brief mocht sturen. Ik zei eerst nee. Een week later veranderde ik van gedachten.
Hij heette Koen. Hij schreef op gewoon wit papier. Geen kaart met bloemen. Hij beschreef niet zijn eigen slapeloze nachten. Daar was ik blij om.
Hij schreef dat hij Thomas niet had gezien. Dat hij na de botsing was uitgestapt. Dat hij bij hem was gebleven tot de hulpdiensten er waren. Dat hij wist dat dit niets herstelde.
Onderaan stond zijn handtekening.
Ik legde de brief in een la.
Ik vergaf hem niet. Ik schreef ook niets terug. Ik moest lang wennen aan het idee dat ik daar geen besluit over hoefde te nemen.
Een paar dagen later mocht ik Thomas’ fiets ophalen. Eva vroeg of we dat moesten doen.
‘Ik wil weten hoe hij eruitziet.’
De medewerker bij de opslag waarschuwde me voordat hij de deur opende. Het voorwiel stond scheef. Het stuur was verdraaid. De bagagedrager zag er nog goed uit. Juist dat gewone stukje fiets trok mijn aandacht.
Daar had ik soms op gezeten als we laat naar huis gingen en mijn eigen fiets ergens anders stond.
Ik raakte het zadel aan.
‘Ik wil hem toch niet meenemen,’ zei ik.
De medewerker knikte. Hij vertelde wat er geregeld kon worden. Ik luisterde tot het einde en tekende waar hij aanwees.
Buiten gaf ik over naast een struik.
Eva hield mijn haar vast. Daarna haalde ze water uit de auto. We reden naar huis met de ramen een stukje open.
Die avond pakte ik mijn schrift. De eerste pagina stond nog vol tijden. 17.42. 17.49. Mijn berekeningen hadden zich over meer bladzijden verspreid. Hoe lang hij normaal fietste. Waar hij had kunnen stoppen. Wat één telefoontje had kunnen doen.
Ik sloeg een lege pagina open.
Bovenaan schreef ik: Wat vaststaat.
Thomas stuurde een bericht.
Ik las het.
Ik wist niet dat hij een ongeluk zou krijgen.
Wij hadden ruzie.
Wij hadden ook elf jaar samen.
Die laatste zin kostte me moeite. De ruzie was zo groot geworden dat er bijna niets meer naast paste. Alsof onze hele relatie bestond uit een klap van de afwasmachine en zijn hand om een fietssleutel.
Ik zocht een ouder gesprek op. Niet zijn laatste dag, maar een willekeurige dinsdag in november.
Hij had gevraagd of we patat zouden eten.
Ik had ja gezegd.
Hij had daarna zes berichten gestuurd over welke saus ik wilde, omdat hij voor de zoveelste keer twijfelde.
Ik moest lachen om mijn eigen geïrriteerde antwoord.
Toen las ik verder terug. Een afspraak bij de dierenarts voor de kat die inmiddels ook dood was. Een foto van een kromme komkommer. Een bericht waarin hij schreef dat hij trots op me was, na een moeilijk gesprek op mijn werk.
Ik bleef bijna een uur zitten.
Zijn laatste bericht veranderde niet. Maar het stond niet meer alleen.
De volgende ochtend bracht ik twee dozen kleding naar de kringloop. De blauwe trui bleef thuis. Zijn sportschoenen ook.
Ik ruimde niet zijn hele leven op.
Ik maakte één plank vrij.
Hoofdstuk 7
Eet maar vast
Zeventien maanden na het ongeluk ging mijn wekker op een maandag om zeven uur. Ik drukte hem uit, stond op en zette koffie.
Pas toen het apparaat begon te pruttelen, dacht ik aan Thomas.
Dat was later dan anders.
Ik voelde me er schuldig over. Daarna brandde ik mijn hand aan de melkpan en moest ik op zoek naar een schone theedoek. De ochtend ging verder zonder dat ik eerst toestemming had gegeven.
Ik werkte inmiddels vier dagen. Nog niet zoals vroeger. Ik schreef meer op. Bij drukte vergat ik dingen en aan het einde van de middag kon ik weinig verdragen. Sander wist dat hij me niet tegelijk drie vragen moest stellen.
Sommige collega’s deden weer gewoon tegen me. Anderen vroegen nog steeds met een zachte stem hoe het ging. Ik gaf meestal een kort antwoord. Niet omdat ik loog. Omdat ik niet op elke dinsdag bij de printer mijn hele leven wilde uitleggen.
Met Marijke at ik om de week. Soms praatten we over Thomas. Soms over haar buren, die hun schutting groen hadden geverfd zonder overleg. Ik merkte dat ik oprecht kwaad kon worden over die schutting. Er kwam weer ruimte voor kleine ergernissen.
Zijn geboortedag bleef moeilijk. De dag van het ongeluk ook. En een willekeurige donderdag waarop ik in de supermarkt iemand zag met dezelfde houding.
Ik liep die man twee gangpaden achterna voordat ik stopte.
Ik vertelde het die avond aan Eva. Ze zei niet dat ik achteruitging. Ze vroeg of ik daarna mijn boodschappen nog had gedaan.
‘Ja. Alleen de melk vergeten.’
‘Dat deed je vroeger ook.’
In juni kocht ik een nieuwe telefoon. De oude accu deed het nog, maar het toestel liep voortdurend vast. Ik stelde de aankoop weken uit.
Uiteindelijk ging ik weer naar Amir.
‘Alles moet mee,’ zei ik.
‘We controleren het samen.’
Dat deden we. Foto’s. Contacten. Gesprekken. Thomas stond nog tussen mijn favorieten. Ik liet hem daar staan.
De oude telefoon ging thuis in een lade. Niet als enige bewaarplek. De kopieën stonden nog steeds op andere plaatsen. Ik had geleerd hoe ik ze zelf kon controleren.
Ik opende zijn laatste bericht die avond. Ik kende ieder woord. Toch las ik langzaam.
Ben iets later. Eet maar vast.
Lang had ik vooral het eerste deel gezien. Alsof hij een afspraak had gemaakt die hij nog moest nakomen.
Nu zag ik ook het tweede deel.
Ik maakte er geen opdracht van hem van. Hij had gewoon gedacht dat ik honger zou hebben. Waarschijnlijk had hij onderweg niet eens lang nagedacht over wat hij schreef.
Dat gewone miste ik nog het meest. Iemand die wist dat ik om zes uur vervelend werd als ik niet had gegeten.
Op zaterdag kwam Eva helpen met mijn balkon. De dode planten stonden er nog van de vorige zomer. We gooiden de uitgedroogde wortels in een vuilniszak en reden naar een tuincentrum buiten Utrecht.
Ik kocht kruiden, twee geraniums en een veel te dure pot.
‘Thomas zou die lelijk vinden,’ zei Eva.
‘Thomas vond onze oranje lamp mooi.’
‘Goed punt.’
We lachten tussen de winkelwagens. Het deed geen pijn op dat moment. Pas in de auto voelde ik hoe graag ik hem wilde vertellen wat we over hem hadden gezegd.
Thuis zette ik de nieuwe pot bij de balkondeur. Eva bleef eten. Ik sneed tomaten terwijl zij in een pan roerde. Ze vertelde over een probleem op haar werk. Ik luisterde zonder af te dwalen.
Toen haar telefoon ging, liep ze even naar de slaapkamer.
Ik bleef in de keuken staan.
Op tafel lagen twee vorken. Twee glazen. Er stond geen derde bord klaar. Dat zag ik en ik hoefde niets te veranderen.
Later, toen Eva weg was, liep ik een rondje langs het Merwedekanaal. Op de terugweg kocht ik een brood voor de volgende ochtend. Ik had plannen. Niets groots. Ontbijten. De planten water geven. Naar Marijke fietsen.
Thuis legde ik mijn telefoon aan de oplader. Ik opende Thomas’ gesprek niet meer.
Dat kon morgen weer. Of volgende week.
Ik miste hem nog steeds. Ik verwacht niet dat dat verdwijnt. Maar ik hoefde die avond niet naast zijn laatste woorden te blijven zitten.
Ik deed het licht in de keuken uit en ging naar bed.
De wekker stond op acht uur.