Mantelzorg en ouder worden
Het laatste jaar met opa
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
Het laatste jaar met opa
De pan stond droog op het vuur. Opa zat aan de keukentafel met zijn winterjas aan. Uit zijn neus liep bloed. Toen ik het gas uitdraaide, sloeg hij met zijn vlakke hand op tafel.
‘Daar zaten aardappels in.’
‘Die zitten er nog steeds in.’
Ik zette de pan in de gootsteen. De bodem was zwart. Het rook alsof iemand een kabel had verbrand.
‘Waar ga je heen?’ vroeg ik.
‘Je oma ophalen.’
Oma was al zes jaar dood.
Ik heet Noor van Dijk. Ik was zevenendertig en dacht tot die dinsdag in januari dat mantelzorg betekende dat je boodschappen meenam. Misschien een keer meeging naar het ziekenhuis. Ik wist nog niet hoe snel je iemands reservesleutel dagelijks nodig kon hebben.
Opa Henk woonde in Fokkesteeg, in Nieuwegein. Een rijtjeshuis met een schuurtje en een perenboom die nauwelijks nog peren gaf. Hij was vierentachtig. Tot kort daarvoor fietste hij naar de markt. Hij stuurde me berichten zonder spaties. KOMJEZONDAGKOFFIE. Ik vond dat grappig. Nu zag ik vijf ongeopende brieven op de mat liggen.
Ik pakte keukenpapier en ging naast hem zitten.
‘Je neus bloedt.’
Hij voelde onder zijn neus en keek verbaasd naar zijn vingers.
‘Zal wel van het snuiten zijn.’
Op zijn slaap zat een blauwe plek.
‘Ben je gevallen?’
‘Niet dat ik weet.’
Ik belde de huisarts. De assistente vroeg of hij bloedverdunners gebruikte. Ik trok een keukenla open. Elastiekjes, batterijen, een oude bril. In de volgende la lagen doosjes medicijnen. Sommige waren nog dicht. Andere leeg. Ik las namen voor die ik niet kende.
Een uur later zat huisarts De Bruin tegenover hem. Ze onderzocht zijn hoofd, stelde vragen en liet hem een paar passen lopen. Opa maakte grappen. Hij wist welke dag het was, op één dag na. Hij wist wie de koning was. Hij zei dat hij gewoon was uitgegleden.
‘Mijn kleindochter maakt zich snel zorgen.’
Ik stond achter hem met de verbrande pan in mijn handen. Dat voelde belachelijk. Alsof ik bewijs moest aanvoeren tegen iemand van wie ik hield.
Vanwege de mogelijke val en zijn bloedverdunners moest hij naar het ziekenhuis. Ik reed achter het patiëntenvervoer aan naar het St. Antonius. In de wachtkamer vroeg hij drie keer waarom we er waren.
Er was geen bloeding te zien op de scan. Wel was hij uitgedroogd. Zijn nierwaarden waren niet goed. Na onderzoek en vocht mocht hij die avond mee naar huis, met afspraken voor controle.
‘Niet alleen laten vannacht,’ zei de arts.
Dat zei ze tegen mij. Niemand vroeg of er iemand anders was.
Ik belde mijn vader vanaf de parkeerplaats.
‘Ik moet morgen vroeg naar een klant,’ zei hij.
‘Ik ook.’
‘Jij woont dichterbij.’
Mijn vader woonde in Apeldoorn. Ik in Utrecht, met mijn vriendin Lotte. Negentien minuten rijden als het rustig was. Die negentien minuten zouden de komende maanden steeds vaker als argument worden gebruikt.
Ik sliep op opa’s bank. Hij liep die nacht vier keer naar het toilet. Iedere keer hield ik mijn adem in tot hij terugkwam. Om kwart over vier hoorde ik de voordeur.
Hij stond op zijn sokken in de gang.
‘De vuilniswagen komt zo.’
‘Het is woensdag. Ze komen vrijdag.’
Hij keek naar de ketting op de deur. Ik had die erop gedaan.
‘Heb jij mij opgesloten?’
Ik wilde meteen nee zeggen. Maar dat was niet helemaal waar.
De volgende ochtend kwam buurvrouw Ria een ovenschaal terugbrengen. Ze bleef in de deuropening staan toen ze mij zag.
‘Is het weer mis?’
‘Weer?’
Ze trok haar sjaal los. Opa was twee weken eerder zijn straat kwijtgeraakt. Ria had hem bij de bushalte gevonden. Een andere keer had hij midden in de nacht aangebeld omdat de televisie niet uitging.
‘Hij wilde niet dat ik belde.’
Ik werd boos op haar. Dat was makkelijker dan bang zijn.
‘Je had het toch moeten doen.’
‘Ja,’ zei ze. ‘Dat denk ik nu ook.’
In de keuken smeerde opa rustig een boterham. Hij sneed de korsten eraf, precies zoals hij vroeger voor mij deed.
‘Blijf je eten, Noor?’
Ik keek naar mijn telefoon. Elf berichten van mijn werk. Drie van Lotte.
‘Ik blijf nog even.’
Opa schoof een bord naar me toe. Ik ging zitten, zonder te weten wat ik voor die middag, die nacht of de volgende dag moest regelen.
Hoofdstuk 2
De map
In februari kocht ik een blauwe map bij de HEMA. Ik stopte er afspraken in, medicatielijsten en telefoonnummers. Op de voorkant schreef ik HENK VAN DIJK. Met zwarte stift, in grote letters. Alsof een duidelijke kaft de rest overzichtelijk zou maken.
De huisarts verwees opa naar de geheugenpoli. Er volgden gesprekken, tests en een scan. Ik ging mee. Opa wilde niet dat ik tijdens de afspraak naast hem zat.
‘Dan ga jij antwoorden.’
Ik wachtte op de gang. Door een open raam hoorde ik iemand beneden een rolcontainer over de tegels trekken. Ik beantwoordde werkmail op mijn telefoon. Toen de verpleegkundige me kwam halen, stond er nog een halve zin op mijn scherm.
De geriater legde uit dat er sprake was van dementie. Waarschijnlijk een combinatie van verschillende oorzaken. Zijn geheugenproblemen waren niet alleen door de uitdroging gekomen. Ook zijn zwakke hart en de schade aan zijn bloedvaten speelden mee.
Opa keek naar een poster met een doorsnede van een oor.
‘Wanneer mag ik weer autorijden?’
Hij had zijn auto twee jaar eerder verkocht.
Ik voelde de woorden in mijn mond klaarstaan. Dat heb je toch al gedaan. Ik slikte ze in.
Op de terugweg wilde hij een kroket. We stopten bij een snackbar aan de rand van Nieuwegein. Hij knoeide mosterd op zijn broek en schold zacht.
‘Ze denken dat ik niks meer kan.’
‘Dat zei ze niet.’
‘Jij zat erbij.’
Ik had hem kunnen uitleggen wat de arts wel had gezegd. Over ondersteuning. Over veiligheid. Maar hij beet in zijn kroket en keek naar buiten. Ik liet hem.
Er kwam een casemanager dementie. Ze heette Saskia en zette bij haar eerste bezoek zelf haar schoenen recht naast de deur. Opa zag het.
‘U bent zeker streng.’
‘Alleen over koffie,’ zei ze. ‘Geen suiker.’
Hij lachte. Bij mij had hij die ochtend nog geweigerd zijn overhemd te verschonen.
We regelden wijkverpleging voor de medicijnen. Een maaltijdendienst voor drie dagen per week. Een aanvraag bij de gemeente voor hulp in huis. Saskia vroeg wat ik zelf deed.
‘Boodschappen. Afspraken. Administratie. Een beetje schoonmaken.’
‘Hoe vaak ben je hier?’
‘Bijna dagelijks.’
‘En telefonisch?’
Ik keek op mijn scherm. De dag ervoor had opa zeventien keer gebeld.
Saskia schreef niets op. Ze keek alleen naar mij.
‘Dit moet ook voor jou uitvoerbaar blijven.’
Ik vond dat een aardige zin. Ik wist niet wat ik ermee moest.
De wijkverpleegkundige trof de eerste ochtend een dichte deur. Opa liet geen vreemden binnen. Ik reed vanuit Utrecht naar hem toe, liet haar binnen en kwam een uur te laat op mijn werk bij een drukkerij in Overvecht.
Mijn leidinggevende, Erwin, schoof mijn eerste afspraak door.
‘Regel het vandaag maar,’ zei hij.
Vandaag. Dat woord klonk nog haalbaar.
Met toestemming van opa kwam er een sleutelkluisje. De verpleegkundigen noteerden wanneer hij zijn medicijnen innam. Toch vond ik een paar weken later tabletten in een bloempot.
‘Die zijn niet van mij,’ zei hij.
‘Er groeit anders weinig paracetamol op je vensterbank.’
Hij lachte niet.
Ik belde de wijkverpleging. We pasten het plan aan. Niet alleen klaarleggen, maar erbij blijven. Iedere oplossing bracht een nieuwe afspraak mee, een extra telefoontje, iemand die het moest weten.
Op zondag kwam mijn vader. Hij nam een appeltaart mee en zei dat opa er goed uitzag.
Dat deed hij ook. Ik had hem geschoren. De schone broek had een uur discussie gekost. De gebruikte handdoeken lagen boven in een wasmand die ik straks mee naar huis zou nemen.
‘Misschien maken jullie het ook wat groot,’ zei mijn vader toen opa naar het toilet was.
Ik legde de blauwe map op tafel.
‘Lees maar.’
Hij bladerde door drie pagina’s.
‘Ik ben niet zo van de formulieren.’
‘Ik ook niet, pap.’
In de auto naar huis begon ik te huilen. Niet zacht. Ik moest bij een tankstation stoppen omdat ik de weg niet meer zag.
Lotte nam direct op.
‘Waar ben je?’
‘Bij de pomp.’
‘Blijf daar. Ik kom.’
‘Dat hoeft niet.’
Ze zei even niets.
‘Noor. Laat mij nou gewoon komen.’
Ik zette de motor uit. Voor het eerst die maand hoefde ik nergens heen.
Hoofdstuk 3
Een lege stoel
Opa verdween op een donderdag in april. Ik was net met een klant bezig toen Ria belde.
‘Zijn achterdeur staat open.’
‘Misschien zit hij in de tuin.’
‘Daar heb ik gekeken.’
Ik vroeg haar of zijn jas weg was. Zijn schoenen. Zijn sleutels. Het klonk alsof ik wist wat ik deed. Ondertussen had ik de pen in mijn hand zo hard vast dat hij brak.
Ik reed naar Nieuwegein. Op de keukentafel stond een kop koude koffie. De stoel was naar achteren geschoven. Zijn rollator stond in de gang.
Ik riep boven, in de schuur, bij de buren. Daarna belde ik de politie. Ik vertelde over zijn dementie, zijn hartproblemen en dat we niet wisten hoelang hij weg was. De medewerker vroeg naar zijn kleding.
Ik wist het niet.
Ik wist zijn medicijndoseringen. Zijn burgerservicenummer stond in mijn telefoon. Maar ik wist niet welke trui hij die ochtend had aangetrokken.
Ria wist het wel. Donkerblauw. Een beige jas.
Mijn vader stapte in Apeldoorn in de auto. Lotte ging naar de tramhalte. Ik liep richting het winkelcentrum en liet mensen een foto zien waarop opa een haring at.
‘Heeft u deze man gezien?’
Een jongen met oortjes keek nauwelijks. Een vrouw met een kinderwagen bleef staan en bestudeerde de foto zorgvuldig. Niemand wist iets.
Ik dacht aan het water. Daar schaamde ik me later voor, alsof die gedachte hem dichter bij de rand kon brengen. Toch bleef ik naar de sloten kijken.
Na ruim een uur belde een agent. Opa was gevonden bij een fietsenzaak in Jutphaas. Hij had daar gevraagd of zijn brommer klaar was. De eigenaar vond zijn verhaal vreemd en had hem binnen laten wachten.
Toen ik aankwam, zat opa op een kruk naast een rek fietsbellen. Hij dronk koffie uit een kartonnen beker.
‘Daar ben je eindelijk.’
Ik greep zijn schouders.
‘Waar was je nou?’
Hij kromp een beetje in elkaar.
‘Rustig maar,’ zei de fietsenmaker.
Niet tegen opa. Tegen mij.
Ik liet hem los. Zijn jas stond open. Hij droeg twee verschillende schoenen.
In de auto zei ik niets. Opa begon over de prijs van fietsbanden. Bij een stoplicht sloeg ik op het stuur.
‘Je had dood kunnen zijn.’
Hij keek me aan, geschrokken en boos.
‘Ik ben niet gek.’
De rest van de rit hoorde ik alleen zijn ademhaling.
Saskia kwam die middag. Ze praatte met hem over naar buiten gaan. Over verdwalen. Over een klein apparaatje dat zijn locatie kon doorgeven. Opa wilde er niets van weten.
‘Een halsband zeker.’
Uiteindelijk stemde hij in met een eenvoudig horloge. Niet omdat ik het vroeg, maar omdat Saskia zei dat we hem dan makkelijker konden helpen als hij de weg kwijt was. We spraken ook af dat ik via een deursensor een melding kreeg als de achterdeur ’s nachts openging. Dat was ondersteuning, zei ze nadrukkelijk. Geen vervanging voor toezicht.
Die avond meldde ik me aan voor een bijeenkomst voor mantelzorgers in een buurthuis in Utrecht. Ik klikte bijna weg toen ik het woord lotgenoten las. Het klonk alsof ik ergens lid van moest worden.
Ik ging toch.
Aan tafel zat een vrouw die haar man verzorgde. Ze heette Farida. Ze vertelde dat ze soms expres langer in de supermarkt bleef.
‘Bij de diepvries. Daar belt niemand je voor een boterham.’
Een paar mensen lachten. Ik ook.
Toen ik over mijn uitbarsting in de auto vertelde, keek niemand geschokt.
‘Ben je weer naar hem toe gegaan?’ vroeg Farida.
‘Ja.’
‘Heb je gezegd dat het je speet?’
‘Nog niet.’
De volgende ochtend deed ik dat. Opa stond bij de perenboom. Er zaten kleine witte bloemen aan.
‘Ik had niet zo tegen je moeten schreeuwen.’
Hij kneep een dor takje af.
‘Wanneer?’
‘Gisteren. In de auto.’
‘O.’
Ik wachtte op iets. Vergeving misschien. Een gesprek waarin hij begreep hoe bang ik was geweest.
Hij wees naar de boom.
‘Die moet gesnoeid worden.’
Ik haalde de snoeischaar uit de schuur. We werkten tien minuten samen. Hij vertelde bij iedere tak precies waar ik moest knippen. Voor die ochtend was dat genoeg.
Hoofdstuk 4
Niet nog een nacht
In juni sliep ik met mijn telefoon onder mijn kussen. Het deursignaal had één keer terecht alarm gegeven. Opa wilde om halfdrie naar de markt. Daarna controleerde ik ook bij meldingen over updates, lege batterijen en verbroken verbindingen het scherm.
Lotte vroeg of het geluid zachter kon.
‘Dan hoor ik hem niet.’
‘Ik hoor hem wel. Iedere nacht.’
We lagen in het donker. Ik voelde me aangevallen voordat ze uitgesproken was.
‘Wat wil je dan? Dat ik hem laat lopen?’
‘Ik wil dat we slapen.’
De volgende ochtend stond haar kop koffie onaangeroerd op het aanrecht. Ze was eerder naar haar werk vertrokken.
Op de drukkerij stuurde ik een verkeerde versie van een folder naar productie. Tweeduizend exemplaren met een oud adres. Erwin riep me apart. Hij schold niet. Dat maakte het erger.
‘Je hebt ruimte nodig. Maar we moeten afspreken welke ruimte. Zo kan het niet blijven.’
We bekeken mijn verlofmogelijkheden. Ik ging tijdelijk minder uren werken en sprak vaste momenten af waarop een collega mijn klanten overnam. Het hielp. Het loste de nachten niet op.
Saskia regelde dat opa twee dagen per week naar een dagbesteding kon. De eerste ochtend weigerde hij zijn jas aan te trekken.
‘Ik ga niet knutselen.’
‘Je hoeft niet te knutselen.’
‘Waarom moet ik er dan heen?’
Ik wilde zeggen dat het voor hem goed was. Dat er mensen waren. Dat hij er warm kon eten. Allemaal waar.
‘Omdat ik vandaag moet werken,’ zei ik.
Hij keek naar mijn tas.
‘Ga dan.’
De chauffeur wachtte geduldig bij de voordeur. Uiteindelijk stapte opa in. Ik huilde toen het busje wegreed. Om vier uur kwam hij terug met een bakje zelfgemaakte kippensoep.
‘Ze hebben daar waardeloze dominostenen,’ zei hij. ‘Veel te klein.’
De week erna ging hij zonder discussie mee.
Toch bleef er te veel over. Op een zaterdag vond ik ontlasting in de badkamer. Op de vloer, tegen de rand van het toilet en in een handdoek. Opa zat op bed zonder broek.
‘Ik kon het niet ophouden.’
‘Geeft niet.’
Het gaf wel. Niet dat hij een ongelukje had. Wel dat ik meteen wist wat ik moest doen. Handschoenen zoeken. Douche aan. Was apart houden. Mijn lunch afzeggen.
Hij verzette zich toen ik hem wilde helpen wassen.
‘Blijf van me af.’
‘Dan moet je het zelf doen.’
Dat kon hij op dat moment niet. Ik wist het en zei het toch.
Ik ging de gang op. Daar belde ik de wijkverpleging. Een verzorgende kon later komen. Tot die tijd gaf ik opa een schone handdoek en bleef ik beneden zitten. Mijn handen trilden.
Die avond belde ik mijn vader.
‘Ik doe geen nachten meer.’
‘Wat bedoel je?’
‘Precies wat ik zeg.’
‘Hij heeft jou nodig.’
‘En jou.’
Het bleef stil.
‘Kom morgen. Tien uur. Dan maken we een verdeling.’
Hij kwam om kwart over tien. Ik had geen taart gehaald.
We schreven taken op. Niet “meer helpen”, maar dinsdagmiddag boodschappen. Donderdag mee naar de cardioloog. Om de week een heel weekend aanwezig. Mijn vader maakte bezwaar tegen de reistijd.
Ik schoof mijn huissleutel naar hem toe.
‘Je mag bij ons slapen als dat scheelt.’
Toen vertelde hij dat hij het moeilijk vond om alleen bij opa te zijn. Dat zijn vader vroeger driftig kon zijn. Dat hij bij diezelfde keukentafel nog steeds oplette wat hij zei.
Ik kende vooral de opa die mijn lekke banden plakte en mij vroeger van school haalde. Ik kende zijn vader nauwelijks.
‘Dat wist ik niet,’ zei ik.
‘Nee.’
We zaten een tijd zonder te praten.
Daarna pakte hij de pen. Hij zette zijn naam achter de donderdag en de weekenden. Voor een deel van de andere nachten onderzochten we tijdelijke opvang en extra hulp. Er was niet direct plaats. Er waren wachtlijsten en indicaties. Maar ik was niet langer de enige die daarover belde.
Thuis legde ik mijn telefoon op het aanrecht.
‘Pap blijft vannacht,’ zei ik tegen Lotte.
Ze schoof op de bank een stuk op. Ik ging naast haar zitten. We praatten niet over opa. We keken naar een slecht programma en vielen voor het einde allebei in slaap.
Hoofdstuk 5
De tas bij de deur
De val kwam in augustus. Niet ’s nachts, toen ik ervoor waakte. Niet op een dag dat er niemand was. Opa stond op uit zijn stoel terwijl mijn vader twee mokken afwaste. Hij verloor zijn evenwicht, greep naast de tafel en kwam hard op zijn zij terecht.
Mijn vader belde me vanuit de ambulance.
‘Hij praat nog.’
Dat waren zijn eerste woorden. Ik hoorde meteen hoe bang hij was.
Opa had zijn heup gebroken. Na overleg met de artsen werd hij geopereerd. De operatie ging goed. De dagen erna niet.
Hij raakte ernstig verward. Hij zag kinderen onder zijn bed en trok aan het infuus. Een verpleegkundige legde uit dat het een delier was. Pijn, de operatie, de vreemde omgeving: het kon allemaal meespelen. Zijn dementie maakte hem extra kwetsbaar.
Ik zat naast hem terwijl hij naar de deur wees.
‘Ze hebben mijn portemonnee.’
‘Die zit in je kastje.’
‘Niet jij. Die mannen.’
Ik keek niet meer iedere keer om. Ik zei dat ik bij hem bleef. Soms hielp dat. Soms probeerde hij uit bed te klimmen en moest ik de verpleegkundige roepen.
Mijn vader nam de avonduren. Hij las de sportpagina voor. Opa luisterde niet altijd, maar mijn vader bleef lezen. Ik zag hem langzaam minder gespannen naast het bed zitten.
Na het ziekenhuis ging opa naar een afdeling voor geriatrische revalidatie in Utrecht. Het doel was weer kunnen lopen en, als dat veilig lukte, naar huis. Ik hing die laatste woorden boven alles wat de behandelaars zeiden.
Hij oefende tussen twee brugleuningen. Vier stappen. Rusten. Zes stappen. Hij kneep zijn mond dicht tegen de pijn.
‘Goed zo, Henk,’ zei de fysiotherapeut.
‘Ik ben geen kleuter.’
‘Dan zeg ik het niet meer.’
Bij de volgende poging zei opa zelf: ‘Dat ging goed, hè?’
We lachten alle drie.
Maar hij vergat steeds dat hij hulp nodig had bij het opstaan. Hij drukte niet op de bel. Hij kon instructies niet vasthouden. En zijn hartfalen zorgde ervoor dat hij snel buiten adem raakte.
Tijdens het familiegesprek zat ik met mijn blauwe map op schoot. De specialist ouderengeneeskunde zei dat terugkeer naar huis niet meer verantwoord leek zonder voortdurend toezicht en zorg dichtbij.
‘We kunnen toch uitbreiden?’ vroeg ik.
Saskia zat naast me. Ze had op mijn verzoek aangesloten.
‘Vertel eens hoe een nacht thuis eruit zou zien,’ zei ze.
Ik begon over een bed beneden. Een toiletstoel. Extra thuiszorg. Halverwege stopte ik. Tussen alle geplande bezoeken zaten nog steeds uren waarin hij alleen zou zijn.
De arts besprak langdurige zorg. Saskia hielp met de aanvraag bij het CIZ. Daarna zochten we een passende woonplek. Opa stond niet ineens bovenaan een lijst omdat wij uitgeput waren. We belden locaties, bezochten kamers en wachtten.
Ik nam foto’s van een kleinschalige woonafdeling mee naar hem. Een eigen kamer. Een gezamenlijke keuken. Een afgesloten tuin waar bewoners vrij konden rondlopen.
‘En wanneer ga ik dan echt naar huis?’ vroeg hij.
Ik vouwde mijn handen om de telefoon.
‘We denken dat je daar blijft wonen.’
‘Wie is we?’
Ik noemde onszelf, de arts, de verzorging. Hij draaide zijn hoofd weg.
‘Jij had het beloofd.’
Ik had gezegd dat ik hem zou helpen zo lang mogelijk thuis te blijven. Toch voelde zijn beschuldiging terecht.
Toen er in september een kamer vrijkwam in Nieuwegein, bracht ik zijn stoel, de radio en een foto van oma. Ik legde zijn onderbroeken in de bovenste la, zoals thuis. De verzorgende, Amina, vroeg hoe hij zijn koffie dronk en wat hij vroeger voor werk deed.
‘Buschauffeur,’ zei ik.
‘Dat kan ik zelf wel vertellen,’ zei opa.
Amina draaide zich naar hem toe.
‘Welke lijnen?’
Hij begon meteen te praten.
Bij mijn vertrek stond zijn weekendtas bij de deur. Hij had zijn sokken, de foto en een lege koekjestrommel ingepakt.
‘Ik ben klaar.’
Ik zakte naast hem door mijn knieën.
‘Je blijft hier slapen, opa.’
Hij pakte het hengsel steviger vast.
Amina kwam erbij en vroeg of hij wilde helpen de broodmanden klaar te zetten. Ik ging pas weg toen hij met haar meeliep. Buiten bleef ik bij mijn auto staan. Mijn vader belde.
‘Zal ik morgenochtend gaan?’
‘Ja,’ zei ik. ‘Graag.’
Hoofdstuk 6
Weer kleindochter
De eerste weken op de woonafdeling ging ik iedere dag. Ik controleerde of opa schone kleren aanhad. Of zijn bril schoon was. Of hij genoeg dronk. Ik vroeg naar zijn ontlasting en naar de zwelling in zijn benen.
Amina beantwoordde mijn vragen. Op een middag schoof ze een stoel bij het raam.
‘Hij zit al twintig minuten op je te wachten.’
Opa had twee bekers koffie voor zich. De mijne was koud.
Ik ging zitten.
‘Je bent druk,’ zei hij.
‘Ja.’
‘Op je werk?’
Ik had hem kunnen vertellen dat ik vooral druk was met hem. In plaats daarvan vertelde ik over een klant die een foto van een hond op drieduizend enveloppen wilde. Opa luisterde aandachtig.
‘Wat voor hond?’
‘Een teckel.’
‘Dan past het tenminste.’
Ik lachte zo hard dat hij begon mee te lachen, al wist hij waarschijnlijk niet meer waarom.
Niet alles ging goed. Een keer vond ik zijn gehoorapparaat tussen het beddengoed. Een andere keer had hij lang op hulp gewacht bij het toilet en was zijn broek nat geworden. Ik meldde het. De teamleider besprak wat er was gebeurd en paste afspraken aan. Ik leerde verschil maken tussen iets dat beter moest en iets dat ik alleen anders zou hebben gedaan.
Dat lukte niet altijd. Ik kon nog steeds woedend worden van een zoekgeraakte trui.
Saskia vroeg tijdens ons laatste uitgebreide gesprek hoeveel keer per week ik wilde gaan als schuldgevoel niet mocht meebeslissen.
‘Drie keer,’ zei ik meteen.
Dat antwoord verraste me.
Ik maakte een rooster met mijn vader. Ria kwam op vrijdagmiddag. Ik bleef op dinsdag, donderdag en zondag gaan. Soms extra, omdat ik daar zin in had. Niet omdat ik onderweg naar huis de afslag niet durfde voorbij te rijden.
Lotte en ik boekten twee nachten op Texel. Bij de boot stond ik op het punt te zeggen dat ik liever terugging. Mijn vader stuurde een foto. Opa zat met een bord macaroni voor zich. Zijn duim was opgestoken.
Ik stopte mijn telefoon in mijn tas.
De eerste nacht sliep ik tien uur.
In november werd opa benauwder. Zijn schoenen pasten niet meer door het vocht. De arts paste zijn medicijnen aan. Dat gaf tijdelijk verlichting, maar zijn krachten namen af. Lopen naar de huiskamer werd te veel. Soms viel hij tijdens het eten in slaap.
We spraken over wat hij nog wilde als het verder verslechterde. De arts stelde korte vragen, op een ochtend waarop hij helder was. Hij wilde geen zware behandeling meer en zo min mogelijk naar het ziekenhuis.
‘Hier kennen ze mijn koffie,’ zei hij.
Dat was niet het hele gesprek. Ze legde uit wat behandelen op de afdeling wel en niet kon betekenen. Ze besprak ook reanimatie. Zijn wensen werden vastgelegd, samen met het medisch beleid. Mijn vader en ik konden vragen stellen.
Na afloop bleef mijn vader bij het raam staan.
‘Het voelt alsof we stoppen.’
De arts schoof haar stoel terug naar de tafel.
‘We blijven behandelen. Alleen verandert wat we met die behandeling willen bereiken.’
Ik was opgelucht en verdrietig tegelijk. Ik wilde niet nog een ziekenhuisnacht waarin opa vocht tegen slangen die hij niet begreep. Maar ik wilde hem ook niet kwijtraken.
Een week later nam ik hem mee naar de tuin. Hij zat in een rolstoel met een deken over zijn benen. Bij de uitgang groeide rozemarijn in een grote bak. Hij wreef een takje tussen zijn vingers.
‘Voor de aardappels,’ zei hij.
Ik dacht aan de zwarte pan in januari.
‘Ja.’
‘Bak jij nog weleens?’
‘Lotte meestal.’
Hij knikte goedkeurend. Daarna vroeg hij of ik gelukkig was.
Ik keek opzij. Zijn gezicht was dun geworden. Op zijn wang zat een stukje scheerschuim dat niemand had gezien.
‘Niet iedere dag.’
‘Dat vroeg ik niet.’
Ik moest even nadenken.
‘Ja. Ik denk het wel.’
Hij drukte het takje in mijn hand en wilde naar binnen. Er was voetbal op televisie.
Ik waste die avond zijn vest en vergat de rozemarijn uit mijn broekzak te halen. Na het wassen vond ik losse naaldjes in de rubberen rand van de machine. Ik haalde ze er één voor één uit.
Hoofdstuk 7
De volgende ochtend
Op 18 december belde Amina om zes uur ’s ochtends. Opa was erg benauwd. De arts was gewaarschuwd. Of ik wilde komen.
Ik vroeg niet hoe snel.
Lotte reed. Ik trok in de auto mijn sokken recht. De kerstverlichting boven het winkelcentrum brandde nog. Bij de ingang van de woonafdeling stond een bezorger met kratten brood.
Opa zat half rechtop in bed. Zijn mond stond open. Bij iedere ademhaling trokken de spieren in zijn hals strak. Ik pakte zijn hand. Die was warm.
‘Ik ben er.’
Hij keek naar me, maar ik wist niet of hij me herkende.
De arts onderzocht hem. Zijn hartfalen was verder verslechterd. Ze overlegde met ons over de behandeling en gaf medicijnen tegen de benauwdheid. Amina bleef dichtbij en keek steeds opnieuw of hij comfortabeler werd. Na een tijdje zakten zijn schouders. Zijn ademhaling bleef onregelmatig, maar hij vocht er minder tegen.
Mijn vader kwam met nat haar. Hij had halverwege het douchen zijn telefoon opgenomen en was direct vertrokken.
We zaten aan weerszijden van het bed. Lotte haalde koffie. Niemand dronk hem op.
Af en toe werd opa wakker. Dan bewoog hij zijn lippen. Ik boog naar hem toe.
‘Moet je iets?’
Ik verstond hem niet. Ik vroeg het nog een keer. Hij fronste, uitgeput door de moeite.
Amina raakte mijn arm aan.
‘Je hoeft niet alles op te lossen.’
Ik ging weer zitten. Dat was het moeilijkste wat ik die ochtend deed.
In de middag leek hij even op te knappen. Hij opende zijn ogen en vroeg naar mijn vader, die naast hem zat.
‘Ik ben hier, pa.’
Opa draaide zijn hoofd.
‘Moet je niet werken?’
‘Vandaag niet.’
‘Goed.’
Mijn vader boog voorover en legde zijn hand op opa’s arm. Zo bleven ze zitten. Ik keek weg, niet omdat ik het niet wilde zien, maar omdat het even niet van mij was.
Er kwam geen laatste toespraak. Opa vertelde geen geheim. Hij zei niet dat alles goed was geweest. Tegen de avond sliep hij vrijwel steeds. We maakten zijn mond vochtig en zetten de radio zacht aan. Toen een presentator luid begon te lachen, deed mijn vader hem weer uit.
Opa overleed om kwart over elf. Ik had zijn hand vast. Er zat een lange pauze tussen twee ademhalingen. Ik wachtte op de volgende. Die kwam niet.
Ik drukte op de bel.
Amina kwam binnen, keek naar hem en bleef bij ons. Later kwam de arts. Er werden dingen gezegd die ik die nacht begreep en de volgende ochtend niet meer kon navertellen.
Mijn vader huilde met zijn jas nog aan.
Ik voelde verdriet. En opluchting. Meteen daarna schaamte over die opluchting.
Toen ik dat dagen later tegen Farida zei, knikte ze.
‘Je wilde dat het zorgen ophield. Dat is niet hetzelfde als hem niet meer willen.’
Ik had die zin nodig. Ik ben hem niet vergeten.
We namen afscheid in Nieuwegein. Ria vertelde hoe opa vroeger voor de hele straat sneeuw ruimde, maar nooit het stukje voor de buurman met wie hij ruzie had. Er werd gelachen. Mijn vader sprak kort. Ik vertelde over de fietsenmaker en liet het deel waarin ik had geschreeuwd niet weg.
Na de uitvaart gingen we naar opa’s huis. De perenboom was kaal. In de keuken lag nog een doosje koffiefilters. Ik had gedacht dat ik meteen zou beginnen met opruimen. In plaats daarvan gingen mijn vader en ik aan tafel zitten. Lotte zette koffie in het oude apparaat.
In januari bracht ik de blauwe map naar de papierbak. De belangrijke documenten had ik apart gelegd. Ik bleef nog even bladeren door afsprakenschema’s en oude medicatielijsten. Daarna scheurde ik de vellen met persoonsgegevens klein.
Ik slaap weer met mijn telefoon op het nachtkastje. Het geluid staat meestal uit. Soms schrik ik wakker en denk ik dat ik ergens heen moet. Dan luister ik naar Lotte naast me en wacht tot mijn hart rustiger wordt.
Ik werk weer mijn gewone uren. Op donderdag eet ik bij mijn vader. We zijn daar na opa’s dood mee begonnen. De eerste keer praatten we vooral over regelwerk. Inmiddels ook over andere dingen.
Volgende maand ga ik weer naar de mantelzorggroep. Niet omdat ik nog zorgtaken heb. Wel omdat ik weet hoe iemand kan kijken als die voor het eerst binnenkomt.
Dan schuif ik een stoel bij.