Tegenslag en opnieuw beginnen
Hoe ik uit de schulden kwam
Hoofdstuk 1
De brief op de mat
De deurwaarder kwam op een dinsdag. Ik stond achter de voordeur met een boterham in mijn hand. Kaas, zonder boter. Mijn dochter Noor zat aan de keukentafel. Ze moest over twintig minuten op school zijn.
‘Meneer Van Dijk?’
Ik hield mijn adem in.
‘Ik hoor dat u thuis bent.’
Noor keek op. Ze was acht. Oud genoeg om te begrijpen dat volwassenen soms deden alsof ze er niet waren.
‘Is dat voor jou, papa?’
Ik legde de boterham op de kapstok en deed open.
De man droeg een donkerblauwe jas. Geen dreigende kop. Gewoon een man met natte schoenen en een map. Dat maakte het erger. Hij zag eruit alsof hij hierna brood ging halen.
‘Bram van Dijk?’
Ik knikte.
Hij gaf me een officieel stuk. Er stond een bedrag op dat ik herkende, met kosten die ik niet herkende. Een oude lening. Een uitspraak van de rechter. Die rechtszaak had ik gemist omdat de oproep ergens tussen andere ongeopende brieven lag.
‘Wat gebeurt er nu?’ vroeg ik.
Hij wees naar een telefoonnummer.
‘Neem contact op. Vandaag nog. Niets doen maakt het niet beter.’
Toen keek hij langs me heen. Noor trok haar schoenen aan. Hij verlaagde zijn stem, maar zij hoorde hem toch.
Na zijn vertrek wilde ik de brief onder een stapel folders schuiven.
‘Niet weer daar,’ zei Noor.
Ik bleef met mijn hand boven de stapel hangen.
We woonden in een portiekflat in Arnhem, in Presikhaaf. Twee slaapkamers, een balkon met een kapotte tuinstoel en een keuken waarin de koelkast altijd bromde. Ik was zesendertig. Tot anderhalf jaar eerder had ik mezelf een redelijk betrouwbare man gevonden. Ik werkte in een magazijn in Duiven. Ik betaalde mijn huur. Ik kocht schoenen wanneer de oude versleten waren.
Nu wist mijn dochter waar ik mijn brieven verstopte.
Onderweg naar school praatte ze over een spreekbeurt. Ze wilde die over egels houden. Ik zei drie keer ‘leuk’ zonder te luisteren.
Bij het hek trok ze aan mijn mouw.
‘Mag mama de brief zien?’
Haar moeder heette Elise. We waren twee jaar uit elkaar. Geen schreeuwende ruzies meer, maar ook geen ontspannen gesprekken. Alles ging over tijden, schoolspullen en wie welke rekening betaalde.
‘Dat regel ik,’ zei ik.
Noor keek naar mijn schoenen.
‘Dat zeg je altijd.’
Ze liep het plein op voordat ik iets kon terugzeggen.
Thuis legde ik de brief op tafel. Daarnaast zette ik een schoenendoos. Ik haalde de post uit de la, van de koelkast en uit het vak achter de bank. Daar lagen ook drie enveloppen die ik me niet herinnerde.
Ik maakte de eerste open met een aardappelschilmesje. Daarna de tweede. Bij de vijfde moest ik naar de wc. Mijn buik trok samen alsof ik bedorven eten had gegeten.
Huurachterstand. Zorgpremie. Energie. Een webwinkel. De lening. Een terugvordering omdat mijn inkomen anders was uitgekomen dan ik had opgegeven. Overal stonden andere nummers. Sommige bedragen hoorden bij elkaar. Andere waren inmiddels verhoogd.
Ik begon op een kassabon op te tellen. Toen op de achterkant van een tekening. Bij twintigduizend stopte ik. Niet omdat ik klaar was. Omdat ik niet verder durfde.
Mijn telefoon trilde. Een onbekend nummer.
Ik drukte weg.
Daarna belde ik Elise.
‘Kan Noor vrijdag ook bij jou slapen?’ vroeg ik.
‘Waarom?’
‘Er speelt iets.’
‘Wat dan?’
Ik keek naar de boterham op de kapstok. De rand van de kaas was donker geworden.
‘Ik heb schulden.’
Het bleef stil.
‘Hoeveel?’
‘Ik weet het niet precies.’
‘Bram.’
‘Meer dan twintigduizend.’
Ze vloekte zacht. Niet tegen mij, dacht ik. Misschien toch.
‘Heeft Noor genoeg te eten als ze bij jou is?’
Die vraag deed meer pijn dan het bedrag op tafel.
‘Ja.’
Dat was waar. Ik at zelf minder als zij kwam. Maar er zat nog maar elf euro op mijn rekening en vrijdag duurde nog drie dagen.
Elise haalde adem.
‘Bel de gemeente. Nu. Daarna bel je mij terug. Niet morgen.’
Ik zocht het nummer op. Mijn duim bleef boven het scherm hangen. Ik wilde eerst opruimen. Douchen. Koffiezetten. Iets doen waarbij niemand vragen stelde.
Toen zag ik Noors tekening onder de rekeningen.
Ik drukte op bellen.
‘Goedemorgen,’ zei een vrouw.
Mijn naam kwam er pas bij de tweede poging uit.
‘Ik ben Bram van Dijk. Ik krijg mijn schulden niet meer betaald.’
Hoofdstuk 2
Waar het begon
Drie dagen later zat ik tegenover Samira, een schuldhulpverlener. Haar kantoor had een ronde tafel en een raam dat niet open kon. Ik had de schoenendoos meegenomen in een boodschappentas.
‘Je hoeft het niet netjes aan te leveren,’ zei ze.
‘Mooi. Dat is gelukt.’
Ze glimlachte even. Ik niet.
Ze vroeg eerst naar de huur, mijn inkomen en of er afsluiting van energie dreigde. Daarna wilde ze weten hoe het zover was gekomen.
Ik had een verhaal voorbereid. Mijn rug. Mijn baan. De scheiding. Allemaal waar. Toch hoorde ik mezelf praten alsof ik een ongeluk beschreef waarbij ik toevallig langs de weg had gestaan.
‘En wat deed jij toen de eerste tekorten kwamen?’ vroeg ze.
Ik wreef over een scheurtje in de tafelrand.
‘Lenen.’
Het begon met mijn rug, in het magazijn. Een doos gleed van een pallet. Ik draaide te snel en voelde iets schieten. Geen spectaculair ongeluk. Niemand belde een ambulance. Ik maakte mijn dienst af met pijnstillers.
Daarna volgden weken waarin ik mijn sokken niet zelf kon aantrekken.
Mijn tijdelijke contract liep af. Het werd niet verlengd. Ik kreeg een uitkering, later tijdelijk ander werk. Mijn inkomen ging op en neer. De vaste lasten bleven keurig op dezelfde datum komen.
Elise en ik waren toen net uit elkaar. Ik had een andere woning gevonden. De vloer lag er kaal bij. Noor had nog geen bed. Mijn broer Jeroen bood zijn busje aan en een collega had een tafel over.
Toch kocht ik nieuwe spullen op afbetaling.
Niet alles. Wel te veel.
Een wasmachine. Een matras. Een televisie die ik niet nodig had. Ik wilde dat Noor bij mij een echt huis kreeg. In mijn hoofd hoorde daar een scherm bij waarop we samen films konden kijken. Het klonk redelijk zolang ik het maandbedrag gebruikte en niet de totale prijs.
‘Negenentwintig euro,’ zei ik destijds tegen Elise.
‘Hoeveel maanden?’ vroeg zij.
Daar werd ik boos om.
Bij Samira schaamde ik me opnieuw voor die boosheid.
‘Daarna nam ik een lening,’ zei ik. ‘Om alles samen te voegen.’
‘En werden de andere mogelijkheden om te kopen op krediet afgesloten?’
Ik schudde mijn hoofd.
Ze schreef iets op.
De lening gaf twee maanden rust. Daarna kwam een naheffing voor energie. Mijn oude auto moest door de keuring. Zonder auto, vond ik, kon ik geen magazijnwerk buiten Arnhem aannemen.
Dus gebruikte ik opnieuw krediet.
Ik zei steeds dat het tijdelijk was. Na mijn herstel. Na de volgende baan. Na het vakantiegeld. Ik maakte afspraken met geld dat nog niet bestond.
Het meest beschamende was niet eens de televisie. Het was een zondagmiddag bij de supermarkt aan het winkelcentrum. Noor wilde aardbeien. Ze waren duur. Ik zei dat ze niet lekker waren, terwijl er een bakje openstond om te proeven.
Ze proefde er één.
‘Deze wel.’
Ik kocht ze. Daarna betaalde ik een rekening niet.
Op zichzelf waren die aardbeien het probleem niet. Maar ik kon geen nee zeggen zonder het gevoel te krijgen dat ik als vader afviel.
‘Heb je gegokt?’ vroeg Samira.
‘Nee.’
‘Drank? Middelen? Boetes?’
‘Een paar parkeerboetes. Geen drankprobleem.’
‘Ik vraag dit niet om je ergens op te betrappen. We moeten weten wat blijft terugkomen.’
Ik keek naar de doos.
‘Niet kijken,’ zei ik. ‘Dat blijft terugkomen.’
Ze legde haar pen neer.
‘Daar kunnen we aan werken. Maar ik kan geen brieven voor je beantwoorden die ik niet krijg.’
We maakten een eerste overzicht. Nog geen eindbedrag. Daarvoor moesten schuldeisers informatie sturen. Wel stond vast dat mijn maandelijkse afspraken samen hoger waren dan wat ik na de huur overhield.
‘Dus harder mijn best doen heeft geen zin?’ vroeg ik.
‘Niet op deze manier. Je betaalt nu degene die het hardst belt. Daardoor ontstaat ergens anders weer een gat.’
Ze hielp me die middag contact op te nemen over de huurachterstand. Ze kon niets wegtoveren. Wel legde ze uit dat ik hulp had gezocht en vroeg ze welke stappen de verhuurder voorbereidde.
Ik luisterde terwijl ze mijn naam noemde zonder haar stem te veranderen.
Voor mijn vertrek kreeg ik een korte lijst. Bankafschriften. Loonstroken. Mijn huurcontract. De actuele brieven. Ook bespraken we budgetbeheer: mijn vaste lasten zouden dan vanuit één beheerde rekening worden betaald.
Buiten regende het. Ik stond onder het afdak en belde Jeroen.
‘Kun je zaterdag komen?’ vroeg ik.
‘Verhuizen?’
‘Nee. Post openen.’
Hij vroeg niet waarom dat met twee mensen moest.
‘Tien uur,’ zei hij. ‘Ik neem koffie mee.’
Hoofdstuk 3
Alles op tafel
Jeroen kwam om kwart voor tien. Met koffie, broodjes en een blauwe ordner. Mijn broer was loodgieter. Hij hield van spullen waar je een gat mee kon dichten. Voor mijn probleem had hij tabbladen gekocht.
We gingen aan de keukentafel zitten.
‘Zeg maar wat ik moet doen,’ zei hij.
‘Niet kwaad worden.’
Hij keek me aan.
‘Dat kan ik niet beloven. Blijven zitten wel.’
We sorteerden op afzender. Jeroen las de data voor. Ik zocht bedragen op. Eén rekening had ik twee keer geteld. Een andere was veel hoger geworden. Bij sommige brieven stond ik nog op mijn oude adres geregistreerd. Ik had wel mijn verhuizing doorgegeven, maar niet overal apart gecontroleerd of die verwerkt was.
Rond twaalf uur vond Jeroen een brief over een betaalafspraak die ik drie maanden eerder had gemaakt.
‘Heb je hier ooit iets op betaald?’
‘Eén keer.’
‘Waarom spreek je het dan af?’
‘Omdat die man bleef bellen.’
Jeroen schoof zijn stoel achteruit. Ik dacht dat hij vertrok. Hij liep naar het aanrecht en vulde twee glazen water.
‘Ik wil je nu honderd oplossingen geven,’ zei hij. ‘Maar volgens mij heb je daar niks aan.’
‘Nee.’
Hij zette een glas naast me.
‘Dan doen we deze stapel.’
Een week later kwam het voorlopige totaal: 31.846 euro. Verdeeld over elf schuldeisers. Ik schreef het bedrag op een vel papier. Niet omdat Samira dat vroeg. Ik wilde het kunnen zien zonder telkens de envelop opnieuw open te maken.
Bij onze volgende afspraak legde ze uit welke route ze wilde onderzoeken. Een minnelijke schuldregeling. Alle schuldeisers moesten instemmen met het voorstel. Mogelijk kon er een saneringskrediet worden ingezet. Dan zou ik daarna één aflossing hebben bij de kredietbank, volgens de afgesproken voorwaarden.
‘En als iemand nee zegt?’ vroeg ik.
‘Dan bekijken we wat mogelijk is. Soms volgt nog overleg. Soms een verzoek aan de rechter. Maar zover zijn we niet.’
Ik wilde een einddatum. Ze gaf me werk voor de komende week.
We startten budgetbeheer. Mijn inkomen ging voortaan naar een rekening waarvan de vaste lasten werden betaald. Ik kreeg leefgeld op mijn eigen rekening. Het bedrag was doorgerekend, met rekening voor de dagen dat Noor bij mij was. Toch schrok ik toen ik zag wat er voor boodschappen en dagelijkse uitgaven beschikbaar bleef.
‘Daar kan ik toch niet van leven?’
Samira draaide het overzicht naar me toe.
‘Welke uitgave ontbreekt?’
Ik zocht. Er ontbrak niet direct iets. Ik was vooral gewend geraakt aan geld uitgeven dat van iemand anders kwam.
De auto moest weg. De verzekering, belasting en reparaties pasten niet meer. Ik verkocht hem aan een handelaar in Huissen. Hij wees op roest die ik nooit had gezien en bood minder dan ik hoopte.
Toen hij wegreed, stond ik met de vrijwaring in mijn hand naast een lege parkeerplek. Ik voelde me beroofd, terwijl ik zelf had getekend.
De opbrengst werd in overleg verwerkt. Voor mijn reizen zocht ik busroutes uit. Jeroen gaf me zijn oude fiets. Het achterlicht deed het alleen als je tegen het spatbord tikte.
Het moeilijkste gesprek was met Elise.
We zaten in haar keuken. Noor speelde boven. Ik liet Elise het overzicht zien en vertelde over de regeling die nog niet zeker was.
‘Ik heb je maanden gevraagd of het ging,’ zei ze.
‘Ik weet het.’
‘En elke keer liet je mij voelen alsof ik me ermee bemoeide.’
Ik wilde over mijn rug beginnen. Over het contract. Ik liet het.
‘Dat heb ik gedaan. Het spijt me.’
Ze schoof het papier terug.
‘Ik ga dit niet voor je betalen.’
‘Dat vraag ik niet.’
‘En Noor gaat geen boodschappen tussen ons overbrengen.’
Daar had ik niet aan gedacht. Zij wel.
Samen vertelden we Noor dat ik te veel rekeningen had en hulp kreeg om die te betalen. Ze hoefde niets op te lossen. Haar bed bleef bij mij staan. Ik bleef haar ophalen.
‘Moet mijn fiets weg?’ vroeg ze.
‘Nee,’ zei ik meteen.
‘Jouw auto wel.’
‘Die kostte elke maand geld. Je fiets niet.’
Ze dacht even na.
‘Dan kunnen we samen fietsen.’
Ik knikte. Het was geen ontroerend slot van een gesprek. Ze wilde daarna weten of er nog yoghurt was.
Die avond hing ik mijn weekschema op de koelkast. Werk zoeken. Fysio. Post openen. Boodschappen.
Vrijdag stond er: Noor ophalen.
Dat bleef staan.
Hoofdstuk 4
De verkeerde betaling
De eerste maand met leefgeld ging redelijk. De tweede niet.
Ik had een schrift gekocht voor negenenzeventig cent. Daarin schreef ik alles op. Brood. Wasmiddel. Een losse fietsband. Het zag er beheerst uit, tot er binnen vier dagen drie dingen tegelijk kwamen.
Mijn schoenen scheurden bij de zool. Noor kreeg hoofdluis. En mijn telefoon viel op de keukenvloer.
Ik had die telefoon nodig voor berichten over werk. Het scherm bleef zwart. Bij een reparatiewinkel in de binnenstad zei een jongen dat repareren bijna even duur zou zijn als een eenvoudig tweedehands toestel.
‘We hebben er één voor vijfentachtig.’
Ik had zevenentwintig euro.
Op weg naar huis kwam ik langs een winkel waar je in termijnen kon betalen. Ik bleef voor het raam staan. Een klein maandbedrag. Het oude argument stond al klaar in mijn hoofd.
Ik liep door. Thuis gebruikte ik een oude telefoon van Jeroen. De batterij hield het een halve dag vol. Hij deed het wel.
Daar had ik trots op kunnen zijn. Maar twee dagen later maakte ik alsnog een fout.
Een incassomedewerker belde tijdens het koken. Hij had mijn mobiele nummer en een stem die geen pauzes liet vallen.
‘U heeft al eerder toezeggingen gedaan, meneer Van Dijk.’
‘Mijn schuldhulpverlener heeft contact opgenomen.’
‘Dat betekent niet dat uw verplichting verdwijnt.’
Dat klopte. Juist daarom raakte ik in paniek.
Hij vroeg of ik die dag een bedrag kon betalen. Dan zou hij noteren dat ik meewerkte. Ik hoorde Noor in de woonkamer lachen om een filmpje. Ik wilde dat hij ophield voordat zij de keuken in kwam.
Ik maakte zestig euro over. Geld dat ik nodig had voor de rest van de week.
Daarna liet ik de pasta aanbranden.
Toen Samira het bij de controle van mijn afschriften zag, vroeg ze wat er was gebeurd.
‘Ik wilde laten zien dat ik het serieus nam.’
‘Aan wie?’
Ik antwoordde niet.
Ze werd niet kwaad. Dat maakte het niet makkelijker.
‘We moeten alle schuldeisers volgens het plan behandelen. Een losse betaling uit je leefgeld kan problemen geven. En nu kom jij tekort.’
‘Kun je het terughalen?’
‘Dat kan ik vragen. Ik kan het niet beloven.’
Het geld kwam die week niet terug.
Ik kon bij Jeroen eten. Voor de dagen met Noor hielp Elise met een tas boodschappen. Ze zette die bij mijn deur neer omdat ze door moest naar haar werk. Bananen, melk, pasta, brood. Bovenop lag luizenshampoo.
Ik appte bedankt. Daarna zat ik twintig minuten op de grond naast de tas.
Diezelfde week begon ik via een uitzendbureau bij een groothandel in Elst. Vier ochtenden. Retouren controleren en lichte orders verwerken. De werkzaamheden waren vooraf besproken vanwege mijn rug. Ik wilde weer inkomen, maar ook ergens zijn waar niemand mijn schulden kende.
Mijn voorman heette Dennis. Hij praatte hard en liep snel.
Op mijn derde ochtend wees hij naar een pallet met dozen.
‘Kun jij die even verzetten?’
Ik keek naar het gewicht op de verpakking.
‘Niet tillen. Daar zijn afspraken over gemaakt.’
Hij zuchtte.
‘Iedereen heeft tegenwoordig wat.’
Ik voelde mijn gezicht heet worden. Mijn eerste neiging was de doos toch te pakken. Bewijzen dat ik geen lastpak was. Ik had dat eerder gedaan. Daarna had ik weken met pijn gezeten.
‘Met een pompwagen wel,’ zei ik. ‘Met mijn handen niet.’
Dennis keek me aan en wees toen naar de hoek.
‘Daar staat er één.’
Het liep goed af. Toch trilden mijn handen toen ik koffie nam.
Langzaam kreeg de week vaste randen. Om half zeven de deur uit. Bus, werk, bus terug. ’s Middags oefeningen voor mijn rug. Woensdag kwam Noor eten. Zondag kookte ik voor meerdere dagen.
Ik belde schuldeisers niet meer alleen wanneer ik al in paniek was. Met Samira schreef ik een zin op die naast mijn telefoon lag: mijn schuldregeling loopt via mijn hulpverlener; stuur uw bericht ook aan haar.
Dat maakte de schuld niet onschadelijk. Het gaf me wel iets om te zeggen.
Aan het eind van de maand bleef vier euro en dertig cent over.
Ik liet het staan.
De volgende ochtend controleerde ik of het er nog was. Daarna nog eens. Zo weinig vertrouwen had ik in een bedrag dat niet meteen verdween.
Hoofdstuk 5
Nog één nee
In november ging bijna iedereen akkoord met het voorstel. Bijna.
Samira belde me op een donderdag, vlak na mijn dienst.
‘Eén schuldeiser heeft nog niet ingestemd.’
Ik stond bij de bushalte in Elst. Een vrachtwagen reed door een plas. Mijn broek werd nat tot boven mijn knie.
‘Welke?’
Het was de verstrekker van de lening. De grootste schuld. Ze wilden meer informatie over mijn mogelijkheden om extra te werken en over mijn inkomen in de komende periode.
‘Maar jullie hebben alles toch al?’
‘Veel wel. We gaan precies na wat er nog gevraagd wordt.’
‘En als het nee blijft?’
‘Dan bespreken we de volgende stap. Niet hierop vooruitlopen, Bram.’
Ik had de weken ervoor al in mijn hoofd afgeteld naar een beginpunt. Alsof akkoord betekende dat ik weer normaal kon ademen. Nu schoof dat punt weg.
Thuis zette ik de verwarming niet aan. Ik hield mijn natte broek aan en ging op de bank zitten. Om zes uur belde Elise. Ik moest Noor ophalen bij de naschoolse opvang.
Ik was het vergeten.
‘Waar ben je?’ vroeg ze.
Ik sprong overeind.
‘Ik ga nu.’
‘Ik ben er al. Ze hebben mij gebeld.’
Er zat geen woede in haar stem. Alleen vermoeidheid. Dat was erger.
Noor kwam die avond toch. Elise bracht haar. Bij de deur zei ze zacht dat ze niet alles kon opvangen.
‘Ik weet het.’
‘Nee. Maak er iets voor. Een alarm. Een lijst. Iets dat niet van jouw hoofd afhangt.’
Ik zette drie vaste meldingen in mijn telefoon.
Noor trok binnen haar jas niet uit.
‘Was je mij vergeten?’
Ik hurkte, voorzichtig vanwege mijn rug.
‘Ik was de tijd vergeten. Dat had niet mogen gebeuren.’
‘Door de rekeningen?’
‘Ik dacht eraan. Maar dat is niet jouw schuld.’
Ze bleef staan.
‘Ik dacht dat je niet kwam.’
Ik wilde zeggen dat ik altijd kwam. Maar die middag was ik niet gekomen.
‘Vanaf nu gaat er een alarm. En als er iets misloopt, bellen mama en ik elkaar. Jij hoeft niet te wachten zonder te weten waar we zijn.’
Pas toen deed ze haar jas uit.
De volgende weken leverde ik meer stukken aan. Informatie over mijn werk, mijn contract en mijn belastbaarheid. Samira rekende opnieuw. Er werd gekeken naar wat ik daadwerkelijk kon aflossen, niet naar wat ik uit schaamte bereid was te beloven.
Ondertussen bood Dennis me extra uren aan in december.
‘Alleen controlewerk,’ zei hij. ‘Je hoeft niet bij de zware spullen.’
Ik overlegde met het uitzendbureau en gaf de wijziging door aan budgetbeheer. Vroeger zou ik het extra geld al hebben uitgegeven voordat het binnenkwam. Nu wilde ik weten wat het betekende voor mijn budget en het voorstel.
Ik vond die voorzichtigheid vernederend. Alsof ik toestemming nodig had om beter mijn best te doen.
‘Je vraagt geen toestemming om te werken,’ zei Samira. ‘We zorgen dat de cijfers kloppen.’
Half december belde Jeroen. Zijn ketel was kapot. Niet iets kleins. Hij vertelde het tussen twee andere zinnen door, maar ik hoorde dat hij bezorgd was.
Ik bood hem mijn laatste dertig euro aan.
‘Hou op,’ zei hij.
‘Jij helpt mij ook.’
‘Dan kom je zaterdag helpen opruimen. Geen geld.’
Die zaterdag droeg ik lichte onderdelen naar zijn bus en veegde ik zijn schuur. Hij zette koffie. We spraken nauwelijks over schulden. Ik kwam thuis met vuile handen en het prettige gevoel dat ik iets had gedaan wat hij echt nodig had.
In januari veranderde de laatste schuldeiser van standpunt. Na aanvullende informatie en overleg kwam er alsnog akkoord. Er hoefde geen rechter aan te pas te komen.
Samira vertelde het rustig.
Ik vroeg haar het nog een keer te zeggen.
‘Alle betrokken schuldeisers zijn akkoord met het voorstel.’
We bespraken de papieren, de voorwaarden en de looptijd van achttien maanden die voor mijn regeling gold. Daarna zou de kredietbank de afgesproken bedragen aan de schuldeisers betalen. Ik zou het saneringskrediet aflossen. Pas toen alles definitief was verwerkt, begon ik werkelijk te geloven dat er één duidelijk traject lag.
Buiten belde ik Elise.
‘Het gaat door.’
Ze zei even niets.
‘Goed, Bram.’
Geen gejuich. Geen vergeving voor alles.
Die avond aten Noor en ik gebakken aardappels met doperwten. Ze vertelde over ruzie tussen twee meisjes uit haar klas. Ik luisterde en stelde een vraag.
Pas toen ze al in bed lag, besefte ik dat ik tijdens het eten niet één keer aan een rekening had gedacht.
Hoofdstuk 6
Achttien maanden
Ik dacht dat de zwaarste tijd voorbij was toen de regeling begon. Dat was niet zo. Het wachten op akkoord had een duidelijke vijand gehad. Een telefoon die kon gaan. Een brief die nog ontbrak. De maanden daarna bestonden vooral uit herhaling.
Werken. Boodschappen. Geen aankoop doen. Nog een maand.
De aflossing werd via het budgetbeheer betaald. Ik hield me aan de afspraken en gaf veranderingen in mijn inkomen door. De oude schuldeisers kregen hun afgesproken deel uit het saneringskrediet. Daardoor werd de post rustiger. Mijn hoofd niet meteen.
Bij elke onbekende envelop kneep mijn maag samen. Soms lag er alleen reclame in. Dan werd ik boos op een brillenwinkel die nergens van wist.
In de vierde maand ging de wasmachine kapot.
Hij stopte midden in een programma. Achter het raampje lag Noors favoriete trui in grijs water. Ik trok de stekker eruit en belde Jeroen.
‘Kan een pomp zijn,’ zei hij. ‘Ik kom kijken.’
Het werd geen kleine reparatie. De machine was oud en er was meer mis dan de pomp. Mijn eerste gedachte was dezelfde als vroeger: ergens kopen en later betalen.
Ik zocht het zelfs op.
Toen klapte ik de laptop dicht en stuurde een bericht naar mijn budgetbeheerder. Welke reserve was er? Wat kon er verantwoord worden uitgegeven?
Er bleek ruimte voor een eenvoudige gebruikte machine, maar niet voor de aanbieding waarop ik had gehoopt. Jeroen kende een witgoedwinkel die tweedehands apparaten met garantie verkocht. De bezorging duurde negen dagen.
Ik liep twee keer met tassen was naar een wasserette. Daar zat ik naast een student die een dekbed probeerde te redden. Noor maakte haar huiswerk aan een plastic tafel.
‘Wanneer krijgen we weer een machine?’ vroeg ze.
‘Volgende week donderdag.’
‘Echt donderdag of misschien donderdag?’
‘Afgesproken donderdag.’
Hij kwam donderdag. Ik bewaarde het bonnetje in de blauwe ordner.
In de zevende maand vierde mijn collega Murat zijn verjaardag. Hij nodigde ons uit om na het werk te gaan eten in Arnhem. Iedereen zei meteen ja. Ik deed alsof ik mijn agenda moest bekijken.
In de kleedruimte wachtte hij op me.
‘Je kijkt alsof ik je vraag om mee te verhuizen.’
‘Ik heb weinig geld.’
‘Hoe weinig?’
‘Schuldregeling-weinig.’
Hij knikte. Niet geschokt. Niet nieuwsgierig naar het bedrag.
‘Dan drink je vooraf iets bij mij thuis. Het eten sla je over.’
Dat deed ik. Hij schonk thee in omdat ik nog moest fietsen. Er kwamen zeven mensen. Niemand vroeg waarom ik eerder vertrok.
Later vertelde ik het ook aan Dennis, toen mijn contract werd besproken. Niet het hele verhaal. Wel dat zekerheid in mijn uren belangrijk was en dat ik afspraken had lopen.
‘Je werk is goed,’ zei hij. ‘Daar praten we nu over.’
Ik kreeg uiteindelijk een direct contract voor achtentwintig uur. Geen wonderbaan. Nog steeds vroeg op. Nog steeds pijn als ik te lang verkeerd stond. Maar het inkomen werd voorspelbaarder.
De tiende maand was vervelend zonder duidelijke reden. Ik was moe van rekenen. Moe van aanbiedingen vergelijken. Moe van altijd de goedkope optie zijn.
Ik snauwde tegen Noor omdat ze een lamp had laten branden.
Ze schrok zo dat ze meteen opstond om hem uit te doen.
‘Laat maar,’ zei ik te hard.
Daarna moest ik opnieuw beginnen.
‘Sorry. Je hebt niks ergs gedaan. Ik reageer boos omdat ik moe ben.’
‘Ben je altijd moe?’
Ik wilde nee zeggen. In plaats daarvan maakte ik een afspraak bij de huisarts. Het slechte slapen en de spanning waren niet vanzelf verdwenen met het akkoord. Ik kreeg gesprekken bij de praktijkondersteuner. Daar oefende ik onder meer om problemen op vaste momenten te bekijken, in plaats van elke nacht om drie uur.
Het werkte niet meteen. Wel steeds vaker.
In de vijftiende maand gingen Noor en ik een dag naar Nijmegen. We namen brood mee en liepen langs de Waal. Voor een ijsje had ik geld apart gehouden.
Ze koos zonder naar mijn gezicht te kijken.
Dat viel me op.
Ik kocht zelf ook een ijsje. Daarna keek ik niet meteen in mijn bankapp. We gingen op een bank zitten en zagen hoe een hond het water in rende.
Die avond streepte ik weer een maand af.
Er waren er nog drie. Ik durfde het getal nu hardop te zeggen, maar ik controleerde nog steeds of de aflossing op tijd was betaald.
Hoofdstuk 7
De eerste vrije vrijdag
De laatste betaling viel op een vrijdag. Ik was op mijn werk toen ik in het overzicht zag dat ze was verwerkt. Ik stond tussen retourdozen met verkeerd bestelde kranen.
Er gebeurde niets bijzonders. Een scanner piepte. Dennis riep dat er een chauffeur stond te wachten. Ik legde mijn telefoon weg en controleerde een artikelnummer.
Pas in de pauze belde ik Samira.
‘Is het nu klaar?’
Ze keek het dossier na.
‘De laatste termijn is betaald. De formele afsluiting volgt nog. Bewaar die bevestiging goed wanneer je hem krijgt.’
Ik was teleurgesteld. Ik had blijkbaar verwacht dat iemand officieel zou zeggen dat ik weer mee mocht doen.
Een week later kwam de bevestiging. Het saneringskrediet was afgelost. De regeling was afgerond. De brieven over de eerdere afwikkeling zaten al in mijn ordner. Ik legde de nieuwe brief erbovenop en las hem drie keer.
Toen belde ik Jeroen.
‘Klaar,’ zei ik.
‘Zal ik komen?’
‘Ja.’
Hij bracht koffie mee. Net als de eerste keer. Geen broodjes ditmaal. Ik had zelf een taartje gekocht. Klein genoeg voor drie stukken, met slagroom aan de rand.
Noor kwam na school. Ze was inmiddels tien en vond dat ik haar te vaak vroeg of haar fietslicht werkte.
‘Heb je geen schulden meer?’ vroeg ze.
‘De schulden uit de regeling zijn afgehandeld. En de lening daarvoor is nu ook betaald.’
‘Dus mogen we pizza bestellen?’
Jeroen begon te lachen. Ik ook.
‘Vandaag hebben we taart,’ zei ik. ‘Pizza kan een andere keer, als we die inplannen.’
Ze trok een gezicht. Dat gewone gemopper vond ik prettig. Ze hoefde niet blij te zijn met mijn financiële opvoeding.
De weken daarna voelde ik me niet zo vrij als ik had verwacht. Ik controleerde mijn rekening nog vaak. Bij een brief met een venster bleef ik even staan. Soms droomde ik dat er nog een doos post in een kast lag.
Ook buiten mijn hoofd was niet alles opgelost. Mijn rug bleef kwetsbaar. Ik woonde nog in dezelfde flat. Op het balkon stond nog steeds die kapotte tuinstoel. Een hypotheek was geen onderwerp. Eventuele registraties en hun gevolgen verdwenen niet zomaar op de dag dat ik de laatste termijn betaalde. Samira had uitgelegd waar ik informatie kon opvragen als ik daar later vragen over had.
Ik wilde voorlopig vooral geen nieuwe lening.
Het budgetbeheer stopte niet abrupt. We maakten afspraken over de overgang. Eerst deed ik meer betalingen zelf terwijl we samen controleerden of het goed ging. Daarna nam ik het helemaal over.
Ik maakte drie potjes. Vaste lasten. Dagelijkse uitgaven. Reserve. Geen ingewikkeld systeem. Ik moest het ook begrijpen op een avond waarop ik moe was.
De eerste maand zonder aflossing voelde rijk. Dat was gevaarlijk. Ik had al een lijst in mijn hoofd. Andere bank. Goede schoenen. Een weekend weg met Noor. Een telefoon waarvan het scherm niet aan één hoek losliet.
Ik kocht schoenen. De rest wachtte.
Een deel van het vrijgekomen geld ging naar mijn reserve. Eerst honderd euro. Daarna meer. Toen er vierhonderd euro stond, liet ik het aan Jeroen zien.
‘Mooi,’ zei hij.
Hij begreep dat hij niet om dat bedrag moest lachen.
Met Elise werd het beter, maar niet vanzelf. Ze controleerde afspraken nog een tijd. Als ik zei dat iets betaald was, vroeg ze soms om bevestiging. Dat stak. Toch had ik haar lang laten raden naar de waarheid. Ik kon niet eisen dat ze daar op mijn nieuwe einddatum mee ophield.
Op een woensdag vroeg ze of ik Noor een extra nacht kon hebben vanwege haar werk.
‘Natuurlijk,’ zei ik.
‘Dank je. Dat scheelt.’
Meer was het niet. Ik heb dat bericht bewaard.
Een paar maanden later vertelde ik mijn verhaal bij een kleine bijeenkomst in een buurthuis in Arnhem. Geen podium. Zes mensen aan een tafel. Eén man hield zijn jas aan en keek steeds naar de deur.
Na afloop kwam hij naar me toe.
‘Ik heb ook zo’n doos,’ zei hij.
Ik vroeg niet hoeveel erin zat.
‘Heb je iemand die bij je kan zitten als je hem openmaakt?’
Hij dacht na en noemde zijn zus.
Thuis lag die avond een envelop op de mat. Mijn naam stond goed gespeld op de voorkant. Ik hing mijn jas op en maakte hem meteen open.
Het was de jaarlijkse afrekening van mijn energie. Ik moest zevenendertig euro bijbetalen.
Ik keek in mijn reservepotje. Er was genoeg.
Ik betaalde, borg de brief op en begon aan het eten.