Verlies en rouw
Ik draag je met me mee
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De voordeur
De agent vroeg of hij binnen mocht komen. Achter hem stond een vrouw in hetzelfde uniform. Ze hield haar pet met twee handen vast. Het regende. Op de schouder van de man lag een nat berkenblaadje.
‘Bent u Mara de Bruin?’
Ik knikte. Mijn hand lag nog op de deurklink.
‘Woont Ruben de Bruin hier?’
Achter mij piepte de oven. De lasagne was klaar. Ruben zou brood meenemen van de supermarkt aan de Amsterdamsestraatweg. Ik had hem twintig minuten eerder nog een bericht gestuurd. Niet dat harde brood, alsjeblieft.
‘Wat is er?’ vroeg ik.
‘Mogen we even binnenkomen?’
‘Zeg eerst wat er is.’
De vrouw stapte een halve pas naar voren.
‘Uw man heeft een ernstig verkeersongeluk gehad.’
Ik keek langs haar heen. Alsof hij ergens achter de politiewagen stond. Boos vanwege een kapotte fiets. Zijn broek gescheurd bij de knie.
‘Welk ziekenhuis?’
De man haalde adem.
‘Uw man is overleden.’
Ik weet nog dat ik het blaadje van zijn schouder wilde halen. Het zat daar verkeerd. Dat kon ik oplossen.
De rest niet.
Ik heet Mara. Ik was negenendertig toen Ruben doodging. Hij was eenenveertig. We woonden in een rijtjeshuis in Zuilen, met een klemmende achterdeur en een badkamer die al drie jaar “bijna aan de beurt” was. We hadden geen kinderen. Wel ruzies over geld, twee fietsen en een lijstje met dingen die we in de zomer wilden doen.
Op nummer één stond: een week naar Terschelling.
De agenten zaten aan onze eettafel. Ik bleef staan. De oven piepte opnieuw.
‘Zal ik die uitzetten?’ vroeg de vrouw.
‘U weet niet hoe die werkt.’
Ze keek naar de knop. Ik zag dat ze wist hoe die werkte. Toch bleef ze zitten.
Ruben was aangereden door een bestelbus bij een kruising. Er was een ambulance gekomen. Twee zelfs. Mensen hadden geholpen. De agent gebruikte woorden als reanimatie en verwondingen. Ik hoorde ze. Ik begreep ieder woord apart.
Samen betekenden ze niets.
‘Ik wil hem zien.’
‘Dat gaan we regelen.’
‘Nu.’
Ze vroegen wie ze konden bellen. Ik gaf het nummer van mijn zus Iris. Daarna belde ik Ruben.
Zijn telefoon ging over.
Ik hield het toestel zo hard tegen mijn oor dat het pijn deed. De agenten zeiden niets. Na zes keer kwam zijn stem.
‘Met Ruben. Je weet wat je moet doen.’
‘Neem op,’ zei ik.
Toen Iris binnenkwam, zat ik op de onderste traptrede. Ze had haar jas over een pyjama aangetrokken. Aan één voet droeg ze een sok met citroenen. Aan de andere een zwarte.
‘Waar is hij?’ vroeg ze.
Ik wees naar de agenten. Alsof zij hem ergens hadden neergezet.
Later reden we naar het ziekenhuis. Iris zat naast me. Haar hand lag open tussen ons in. Ik pakte hem niet. Ik was bang dat iemand me zou troosten voordat was vastgesteld dat er een fout was gemaakt.
In een kleine kamer vertelde een verpleegkundige wat ik zou zien. Een wond bij zijn slaap. Een bleke huid. Een verband. Ze sprak langzaam, maar niet alsof ik dom was.
‘Wilt u dat ik bij u blijf?’
‘Nee.’
Iris bleef bij de deur.
Het was Ruben. Dat wist ik meteen. Aan zijn wenkbrauwen. Aan het litteken op zijn kin. Aan zijn rechterhand, waarvan de pink een beetje krom stond sinds een voetbalwedstrijd in 2008.
Ik legde mijn vingers om die pink.
‘Je zou brood halen.’
Meer zei ik niet.
Zijn hand was koud. Niet overal even koud. Dat maakte het erger. Ik wachtte op een beweging die niet kwam.
De verpleegkundige bracht later zijn spullen. Portemonnee. Sleutels. Telefoon in een doorzichtig zakje. Zijn trouwring zat nog om. Die wilde ik daar laten.
‘We hebben nog niet besloten dat dit echt is,’ zei ik.
Niemand verbeterde me.
Thuis stond de lasagne op het aanrecht. Iris had hem uit de oven gehaald. De bovenkant was donker en hard geworden.
Om halfdrie ’s nachts hoorde ik een fiets tegen een hek vallen. Ik stond op voordat ik wakker genoeg was om te weten waarom. Ik liep naar de voordeur en deed hem open.
Een jongen vloekte verderop in de straat. Hij tilde zijn fiets op en reed weg.
Ik bleef in de deuropening staan.
Iris kwam achter me staan, zonder me aan te raken.
‘Kom je binnen?’
‘Nog even niet.’
Ze haalde mijn jas. We stonden daar tot mijn voeten pijn deden van de kou.
Hoofdstuk 2
Zijn blauwe trui
Drie dagen later zat een uitvaartverzorger aan onze tafel. Hij heette Bas en had een map met tabbladen. Hij vroeg of Ruben begraven of gecremeerd wilde worden.
‘Hij wilde zaterdag naar de bouwmarkt,’ zei ik.
Bas legde zijn pen neer.
‘Dat geloof ik.’
Dat was het eerste antwoord dat ik kon verdragen.
Iedereen wilde iets weten. Welke muziek. Welke bloemen. Hoeveel mensen. Een foto voor de kaart. Wilde ik spreken? Wilde ik dat de kist openbleef? Had Ruben een verzekering?
Ik wist zijn pincode, zijn schoenmaat en hoe hij klonk als hij loog over hoeveel chips hij had gegeten. Ik wist niet wat hij met zijn lichaam wilde na zijn dood.
Zijn moeder Anja kwam met een overhemd in plastic.
‘Dit droeg hij op ons veertigjarig huwelijk.’
Ze hield het voor zich alsof Ruben erin kon stappen. Lichtblauw. Stijf gestreken.
‘Hij haatte dat ding,’ zei ik.
Haar mond trok samen.
‘Dat heeft hij nooit tegen mij gezegd.’
‘Tegen mij wel.’
Iris kwam tussen ons in staan. Letterlijk. Ze pakte het overhemd aan en legde het op de bank.
‘We kunnen even kijken wat er nog meer is.’
Ik ging naar boven. In onze slaapkamer rook het naar slaap en deodorant. Rubens blauwe trui hing over de stoel. Op de voorkant zat een opgedroogd druppeltje yoghurt.
Ik drukte de stof tegen mijn gezicht.
Beneden wachtte zijn moeder op nette kleren voor haar zoon. Ik stond boven te proberen hem uit een vuile trui terug te halen.
Uiteindelijk kreeg hij de trui aan. Zonder de vlek. Anja streek bij het afscheid over zijn schouder.
‘Die kleur stond hem altijd goed,’ zei ze.
Ik zei geen sorry. Zij ook niet. We stonden naast elkaar. Dat was genoeg voor die ochtend.
De crematie was bij Daelwijck. Ik was daar eerder geweest voor de vader van een collega. Toen had ik na afloop getwijfeld of ik nog boodschappen zou doen. Die herinnering maakte me woedend. Dat ik ooit uit zo’n gebouw was gelopen en gewoon tomaten had gekocht.
In de aula zaten mensen die ik niet kende. Een man van Rubens werk huilde met zijn hele gezicht. Een buurjongen vertelde dat Ruben hem had geholpen met een vastgelopen fietsketting.
Ik had niets geschreven.
Toen Bas vroeg of iemand nog iets wilde zeggen, stond ik toch op.
Mijn papierloze handen trilden.
‘Ruben liet altijd de bovenste keukenkastjes openstaan,’ zei ik. ‘Ik stootte er mijn hoofd aan. Daar werd ik gek van.’
Er klonk voorzichtig gelach.
‘Gisteravond stonden ze allemaal dicht.’
Ik keek naar zijn kist. Er zat een lichte vlek in het hout, vlak bij de rand.
‘Dat was erger.’
Daar hield ik op.
Na afloop kreeg ik handen, armen, parfum en adem tegen mijn wang. Een vrouw zei dat ik sterk was. Een oom zei dat de tijd zou helpen. Iemand vroeg of ik het huis kon blijven betalen.
Mijn collega Farid zette een glas water in mijn hand.
‘Je hoeft niemand meer te spreken,’ zei hij. ‘Ik sta wel bij de deur.’
Hij deed het ook.
Thuis lagen vijfentwintig kaarten op de mat. Op het aanrecht stonden ovenschotels van mensen die hun naam onder de bak hadden geplakt. Ik wist niet hoe ik al die bakken ooit terug moest geven.
Die avond ging iedereen weg, behalve Iris.
‘Ik blijf nog een nacht.’
‘Je kinderen missen je.’
‘Die hebben een vader.’
Ze schrok van haar eigen zin. Ik zag het.
‘Dat mag je gewoon zeggen,’ zei ik.
Maar toen ze onder de douche stond, werd ik kwaad op haar. Omdat haar man straks zou bellen. Omdat ze de keuze had om naar huis te gaan.
Om elf uur vroeg ik of ze wilde vertrekken.
‘Weet je het zeker?’
‘Nee. Maar ga toch.’
Ze schreef haar nummer op een briefje, hoewel het in mijn telefoon stond. Ze legde het naast een banaan.
Na haar vertrek liep ik door het huis. Ik controleerde de achterdeur. Ik spoelde een beker om. Ik zette de thermostaat lager.
Zijn werkschoenen stonden onder de kapstok. Aan de zolen zat zand van een klus in Nieuwegein.
Ik ging ervoor zitten.
Voor het eerst huilde ik hard. Niet mooi of rustig. Ik kreeg nauwelijks lucht. Er kwam slijm uit mijn neus. Mijn buik trok samen.
Toen het ophield, zat ik nog steeds op dezelfde koude tegel.
Ik schoof zijn schoenen niet weg. Ik trok alleen mijn knieën op, zodat ze naast me konden blijven staan.
Hoofdstuk 3
Het rode licht
Zes weken na het ongeluk fietste ik naar de kruising. Ik had de plek vermeden. Ik nam omwegen die twintig minuten kostten. Soms kwam ik daardoor te laat bij de huisarts. Die zei steeds dat het niet uitmaakte.
Die ochtend wilde ik weten waar Ruben had gelegen.
Het was kwart over negen. Een vuilniswagen stond verderop. Iemand duwde een kinderwagen over de stoep. Alles werkte. De verkeerslichten. De bakker. De parkeerautomaat.
Aan een hek zaten verdroogde bloemen met touw vastgemaakt. Ernaast hing een kaart in een plastic hoesje. De inkt was uitgelopen. Ik kon alleen zijn naam lezen.
Ik zette mijn fiets neer en keek naar het asfalt.
Er was geen plek die zei: hier.
Een man kwam uit een kleine winkel met telefoonhoesjes. Hij had een bezem in zijn hand.
‘Zoekt u iets?’
‘Mijn man is hier doodgereden.’
Hij zette de bezem tegen de muur.
‘Ruben?’
Ik knikte.
Hij heette Samir. Hij was naar buiten gerend toen hij de klap hoorde. Hij vertelde het voorzichtig. Niet alles tegelijk.
‘Ik heb zijn hand vastgehouden tot de ambulance er was.’
‘Zei hij iets?’
Samir keek omlaag.
‘Nee.’
‘Helemaal niets?’
‘Nee. Het spijt me.’
Ik had gehoopt op mijn naam. Ik schaamde me daar meteen voor. Alsof zijn laatste minuten pas iets waard waren als hij aan mij had gedacht.
‘Was hij bang?’
‘Dat weet ik niet.’
Het was een hard antwoord. Het was ook het eerlijkste dat iemand me die week gaf.
Binnen zette Samir thee. Ik zat op een kruk tussen opladers en kartonnen dozen. Hij vertelde niet dat alles een reden had. Hij zei dat hij soms wakker werd van remmende auto’s.
Ik vroeg of hij hulp had.
Hij haalde zijn schouders op.
‘Mijn vrouw zegt dat ik met iemand moet praten.’
‘Misschien moet je luisteren.’
Voor het eerst in weken gaf ik advies waar ik zelf niets mee deed.
Thuis bekeek ik mijn laatste berichten aan Ruben. Niet dat harde brood, alsjeblieft. Daarboven stond een gesprek van die ochtend. We hadden ruzie gehad over mijn moeder. Hij vond dat ik te vaak naar Amersfoort reed om dingen voor haar te regelen.
Jij zegt altijd ja en ik mag het daarna opvangen, had hij geschreven.
Ik had geantwoord: Laat maar. Ik regel het zelf wel. Zoals altijd.
Dat was onze laatste echte uitwisseling.
Ik las die zin elke dag. Soms twintig keer. Ik zag geen veertien jaar samen meer. Ik zag alleen zoals altijd.
Bij de huisarts zei ik dat ik slecht sliep. Ik vertelde niet over het bericht.
Ze heette dokter Vos. Ze schoof haar toetsenbord opzij.
‘Hoe ziet een nacht eruit?’
‘Bed. Plafond. Telefoon. Herhalen.’
‘En eten?’
‘Als iemand kijkt.’
Ze vroeg of ik nog wilde leven.
Ik keek naar de poster over tekenbeten achter haar.
‘Ik wil niet dood,’ zei ik. ‘Ik wil alleen niet steeds wakker worden in dit leven.’
Ze knikte niet te snel. Ze vroeg door. Of ik eraan dacht mezelf iets aan te doen. Of ik alleen veilig was. Ik antwoordde eerlijk. Nee, ik had geen plan. Ja, ik kon Iris bellen als het slechter ging.
We maakten een nieuwe afspraak. Ze regelde gesprekken met de praktijkondersteuner. Geen oplossing. Wel een plek waar ik op donderdag om tien uur verwacht werd.
Een paar dagen later belde de contactpersoon van de politie. Het onderzoek liep nog. De bestuurder van de bestelbus verklaarde dat hij groen had gehad. Een getuige sprak dat tegen. Camerabeelden werden onderzocht.
‘Dus hij zegt dat Ruben door rood reed?’
‘Er zijn verschillende verklaringen. We trekken nog geen conclusie.’
Ik hoorde vooral dat Ruben zichzelf niet kon verdedigen.
Die middag pakte ik zijn fietshelm uit de schuur. Zijn oude helm. Hij had die dag zijn nieuwe gedragen. Ik hield hem op mijn schoot en probeerde de route in mijn hoofd na te gaan.
Waar had hij gekeken? Had hij haast gehad? Was hij nog boos op mij?
Iris vond me daar toen ze soep bracht.
‘Je kunt het niet terugrekenen,’ zei ze.
‘Misschien wel.’
Ze hurkte naast me.
‘Mara. Ook als jullie ruzie hadden, mocht hij veilig naar huis fietsen.’
Ik wilde haar tegenspreken. Ik had mijn mond al open.
Maar op dat ene punt had ze gelijk.
Hoofdstuk 4
Gewoon een dinsdag
In januari ging ik weer werken. Twee ochtenden per week, drie uur per keer. Ik deed de planning bij een installatiebedrijf in Utrecht. Acht monteurs. Veel kapotte cv-ketels. Mensen die allemaal vonden dat hun huis het koudst was.
Mijn bureau stond er nog. Iemand had mijn plant water gegeven. Te veel. Onder de pot lag een bruine kring.
Farid kwam naast me staan.
‘Wil je dat mensen ernaar vragen?’
‘Ik wil dat ze weten wanneer wel en wanneer niet.’
‘Helder. Dan geef ik iedereen paranormale gaven.’
Ik lachte. Eén korte lach.
Daarna voelde ik me misselijk.
Farid deed alsof hij niets zag. Hij wees naar een map.
‘De wachtwoorden zijn gewijzigd. Want blijkbaar hadden we nog niet genoeg problemen.’
Het eerste uur ging goed. Ik zette afspraken in het systeem. Ik belde een leverancier. Ik vond een fout die niemand anders had gezien.
Toen vroeg een klant of mijn man misschien kon helpen bij het verplaatsen van een zware kast. Ze kende me van vroeger. Ruben had ooit iets voor haar gerepareerd.
‘Mijn man is overleden,’ zei ik.
Aan de andere kant werd het stil.
‘O. Jeetje. Maar wie kan die kast dan doen?’
Ik legde de telefoon neer zonder afscheid te nemen.
Op het toilet drukte ik mijn hand tegen mijn mond. Ik wilde niet dat ze me op de gang hoorden. Dat maakte het ademhalen moeilijker. Mijn hart sloeg snel. Mijn vingers tintelden.
Farid klopte.
‘Ik sta hier. Je hoeft niets te zeggen.’
Vijf minuten later schoof hij een glas water onder de deur. Het paste niet. Het glas viel om.
‘Dat ging in mijn hoofd beter,’ zei hij.
Ik begon te huilen en te lachen tegelijk. Het klonk verschrikkelijk.
Na die ochtend ging ik terug naar twee uur. Mijn leidinggevende zei dat het geen wedstrijd was. Ik vond van wel. Ik verloor voortdurend van de vrouw die ik vóór september was geweest.
De administratie thuis was erger dan mijn werk. Een energieleverancier wilde Ruben spreken voordat het contract kon worden aangepast. Een automatische mail wenste hem veel plezier met zijn nieuwe spaaroverzicht.
Ik belde een klantenservice.
‘Hij kan niet aan de telefoon komen.’
‘Wanneer schikt het wel?’
‘Nooit meer.’
Daarna moest ik lachen. Hard en boos. De medewerker bood drie keer excuses aan. Ik voelde me achteraf schuldig, hoewel ik niets verkeerds had gezegd.
Geld werd een probleem. Niet meteen een ramp, wel iets dat ’s nachts naast me kwam liggen. De hypotheek liep door. Rubens inkomen niet. Er kwamen uitkeringen en formulieren, maar niet in de volgorde waarin de rekeningen kwamen.
Iris stelde voor samen alles op een rij te zetten.
‘Ik ben geen kind.’
‘Dat zeg ik ook niet.’
‘Je doet alsof.’
Ze legde haar pen neer.
‘Ik ben je zus. Ik ben moe. Ik probeer te helpen. Zeg maar hoe, maar schreeuw niet tegen me.’
Ik wilde zeggen dat zij niet wist wat moe was. Ik zag op tijd haar gezicht.
‘Blijf,’ zei ik.
We werkten twee uur. Daarna aten we tosti’s boven de papieren. Er kwam kaas op een verklaring van erfrecht. Iris krabde het eraf met een bankpas.
In februari ging ik naar een gespreksgroep in een buurthuis. Ik bleef eerst tien minuten buiten staan. Binnen stonden stoelen in een kring. Dat vond ik meteen een slecht teken.
Naast mij zat Henk, zevenenzestig. Zijn vrouw was het jaar ervoor overleden. Aan de overkant zat Safiya. Zij was haar broer kwijt.
De begeleider vroeg wat deze week moeilijk was geweest.
‘Zijn tandenborstel,’ zei ik. ‘Ik kan hem niet weggooien. Maar ik word kwaad als ik hem zie.’
Henk knikte.
‘Die van Els ligt in de bestekla.’
Ik keek hem aan.
‘Waarom daar?’
‘Geen idee. Daar kon ik hem op dat moment verdragen.’
Niemand zei dat hij hem alsnog moest weggooien.
Toen het mijn beurt weer was, vertelde ik over het laatste bericht. Zoals altijd. Ik wachtte op hun gezichten.
Safiya boog iets naar voren.
‘Mijn laatste woorden tegen mijn broer waren: laat mijn oplader liggen.’
Ik keek naar mijn schoenen.
‘Het blijft zo klein tegenover wat erna gebeurt,’ zei ze.
Die avond legde ik Rubens tandenborstel in een doos. Ik schreef er niet “herinneringen” op. Ik schoof hem gewoon onder het bed.
Daar kon ik hem voorlopig verdragen.
Hoofdstuk 5
De overkant
In april hoorde ik dat de bestuurder door rood was gereden. De politie had beelden gevonden van een camera bij een bedrijf. Ook het technische onderzoek was afgerond. Mijn contactpersoon legde uit dat het dossier naar het Openbaar Ministerie ging.
Ik zat aan de keukentafel. Buiten boorde een buurman in een muur.
‘Dus Ruben deed niets verkeerd?’
‘Uit het onderzoek blijkt niet dat hij het ongeval heeft veroorzaakt.’
Ik vroeg haar de zin te herhalen.
Toen ze ophing, wachtte ik op opluchting. Er kwam vooral woede. Maanden had ik over die kruising nagedacht. Over Rubens snelheid. Zijn jas. Zijn lampen. En ergens liep een man rond die had gezegd dat hij groen had.
De bestuurder heette Daan. Hij was vierendertig. Via mijn contactpersoon hoorde ik dat hij een brief wilde sturen. Alleen als ik die wilde ontvangen.
‘Nee,’ zei ik.
Een week later belde ik terug.
‘Bewaar hem. Nog niet opsturen.’
Ik wist niet wat ik van hem wilde. Dat hij leed. Dat hij uitlegde hoe het kon. Dat hij niet bestond. Geen van die wensen hielp me de middag door.
Intussen moest ik besluiten over het huis. Met de financiële regelingen en minder uitgaven kon ik er blijven, maar niet blijven leven alsof er twee inkomens waren. De badkamer zou niet gebeuren. Terschelling ook niet.
Ik haalde Rubens gereedschapskisten uit de schuur om te kijken wat er was. Hij had alles gelabeld. Steenboren. Houtboren. Spul niet weggooien.
In die laatste bak zaten kromme schroeven, een deurknop en drie onduidelijke metalen onderdelen.
‘Nou, bedankt,’ zei ik hardop.
Onder een werkhandschoen lag een bon voor twee nieuwe fietsbanden. Zijn gewone leven bleef overal opduiken. Niet op plechtige momenten. Tussen rommel.
Zijn moeder kwam helpen. Dat had ik zelf voorgesteld. Ik kreeg er spijt van toen ze zijn rode boormachine pakte.
‘Die kan Tim wel gebruiken.’
Tim was Rubens jongere broer.
‘Dat bepaal ik.’
Ze zette de machine direct neer.
‘Ik bedoelde niet—’
‘Iedereen wil dingen meenemen.’
Anja werd bleek.
‘Ik wil mijn zoon meenemen, Mara. De rest kan me gestolen worden.’
Het bleef stil in de schuur.
Ik had haar verdriet steeds bekeken vanaf mijn kant. Zij kon naar haar man terug. Zij had nog een zoon. Alsof dat Ruben vervangbaar maakte.
‘Sorry,’ zei ik.
Ze ging op het krukje bij de werkbank zitten.
‘Ik soms ook,’ zei ze. ‘Dan ben ik jaloers op jou. Omdat jij hem iedere dag had.’
Ik zakte tegen de deurpost.
We verdeelden die middag niets. We dronken koffie op de achterste stap. Later gaf ik haar zijn oude fietsbel. Die had jarenlang op zijn kinderfiets gezeten en daarna aan een spijker in de schuur gehangen.
Ze liet hem één keer rinkelen.
In mei nam ik de brief van Daan aan. Ik sprak met Iris af dat ik haar zou bellen zodra ik hem opende. Daarna wachtte ik nog twee dagen.
Er stonden geen grote woorden in. Hij schreef dat hij te laat op een afleveradres was. Dat hij naar de navigatie had gekeken. Dat hij het licht niet bewust had gezien, maar na de klap had aangenomen dat het groen moest zijn geweest.
Hij schreef dat die aanname verkeerd was.
Dat Ruben daardoor dood was.
Dat hij begreep dat een brief niets herstelde.
Ik las de pagina drie keer. Toen belde ik Iris.
‘Is het een slechte brief?’ vroeg ze.
‘Nee. Dat maakt het ingewikkeld.’
Ik wilde hem graag eenvoudig kunnen haten. Een monster was duidelijker dan een mens die iets onomkeerbaars had gedaan tijdens een werkdag.
Ik schreef een antwoord. Vier vellen. Ik vertelde over de lasagne, zijn schoenen, de stem op de voicemail. Ik schreef ook lelijke dingen. Die liet ik staan.
De volgende ochtend stopte ik de brief in een map. Ik verstuurde hem niet.
Bij de gespreksgroep vroeg Henk of ik Daan ooit wilde ontmoeten.
‘Ik weet het niet.’
‘Dat is ook een besluit voor vandaag.’
Op weg naar huis kocht ik aardbeien bij de groenteman. Ik proefde er één boven de gootsteen. Hij was zoet en koud.
Ik at de rest zittend op de achterste stap, zonder eerst de televisie aan te zetten.
Hoofdstuk 6
Wat ik zei
De rechtszaak was elf maanden na Rubens dood. Ik ging met Iris en Anja naar de rechtbank in Utrecht. We waren veel te vroeg. In de hal kocht ik koffie die ik niet opdronk.
Mijn slachtofferverklaring zat in een blauwe map. Een medewerker van Slachtofferhulp had me geholpen. Niet met wat ik moest voelen. Wel met zinnen die ik hardop kon uitspreken zonder erin te verdwalen.
Ik had mijn laatste bericht aan Ruben geschrapt.
Dat hoorde niet bij Daans verantwoordelijkheid. Het was van ons.
Daan zat al in de zaal toen we binnenkwamen. Donker jasje. Korte haren. Naast hem zat zijn advocaat. Hij keek op en weer naar beneden.
Ik had verwacht dat ik iets zou doen als ik hem zag. Schreeuwen. Weglopen. Misschien viel ik om.
Ik ging zitten en trok mijn mouw recht.
De rechter stelde vragen. Over zijn route. Over zijn werkdruk. Over zijn telefoon in de houder. Daan antwoordde zacht. Twee keer moest hij zijn antwoord herhalen.
Toen het over de botsing ging, staarde ik naar een schroef in het tafelblad. Iris schoof haar voet tegen de mijne. Ik hield mijn ogen op die schroef tot het voorbij was.
‘Mevrouw De Bruin, wilt u uw verklaring voorlezen?’
Ik stond op, maar dat hoefde niet. Ik ging weer zitten.
‘Mijn naam is Mara de Bruin,’ begon ik. ‘Ik ben de vrouw van Ruben.’
Ik stopte.
Niet omdat ik huilde. Omdat ik ineens niet wist of ik dat nog mocht zeggen.
De rechter wachtte.
‘Ik ben zijn vrouw,’ herhaalde ik.
Daarna las ik verder. Over mijn werk. Over wakker schrikken van een sirene. Over formulieren waarin Ruben niet meer paste, behalve onder het kopje overleden.
‘Ik wil dat u begrijpt dat hij niet alleen degene op de fiets was,’ zei ik. ‘Hij was degene die wist waarom ik op zondagavond stil werd. Hij zette mijn fietsband hard zonder het te zeggen. Hij kon irritant lang praten over isolatiemateriaal. Ik mis ook de dingen die me irriteerden.’
Daan veegde met zijn hand over zijn gezicht.
Ik keek terug naar mijn papier.
‘Ik vraag niet dat u zich mijn verdriet voorstelt. Ik denk niet dat dat kan. Ik vraag wel dat u niet kleiner maakt wat u deed. U keek niet naar de weg. Ruben kreeg geen tweede kans.’
Toen ik klaar was, trilden mijn benen. Anja legde haar hand op mijn pols.
Daan mocht later iets zeggen.
‘Het spijt me,’ zei hij. ‘Ik weet dat u daar niets voor terugkrijgt.’
Ik geloofde dat hij spijt had. Ik voelde geen behoefte hem gerust te stellen.
Twee weken later hoorde ik het vonnis. Een taakstraf en een rijontzegging. De rechtbank vond het dodelijke ongeval door zijn onvoorzichtige rijgedrag bewezen.
Mensen vroegen of de straf genoeg was.
Ik wist niet hoe ik dat moest beantwoorden. Geen aantal uren maakte een lege stoel minder leeg. Toch had de uitspraak betekenis. Er stond nu vast wat er was gebeurd. Ik hoefde Rubens kant niet meer in mijn hoofd te bepleiten.
Na de uitspraak fietste ik niet meteen naar huis. Ik ging langs het kanaal zitten, bij een bankje waar Ruben en ik ooit friet hadden gegeten. Een hond rende met een plastic fles in zijn bek langs het water. Zijn eigenaar riep vergeefs.
Ik moest denken aan Rubens lach. Niet aan zijn gezicht in het ziekenhuis. Zijn gewone lach, scheef en veel te luid.
Dat gebeurde vaker. Heel even kwam hij terug zonder dat ik eerst de dag van zijn dood moest doorlopen.
Een week later haalde ik zijn kleding uit de kast. Ik belde niemand om te helpen. Ik wilde kunnen stoppen zonder daar uitleg voor te geven.
Ik maakte drie stapels. Houden. Weggeven. Nog niet.
De laatste werd het grootst.
In een jaszak vond ik een parkeerkaartje uit Zwolle. We waren daar een weekend geweest. Het had geregend. We hadden ruzie gemaakt over een restaurant en daarna in een snackbar gegeten.
Ik kon me weer herinneren hoe gelukkig ik die avond was geweest. Niet omdat alles goed ging. Gewoon omdat we samen aan een plakkerig tafeltje zaten.
Ik stopte het kaartje in mijn portemonnee.
De kleding voor de kringloop bleef nog zes dagen in de gang staan. Op de zevende dag bracht ik de zakken weg.
Thuis schoof ik mijn eigen truien een stukje op. Niet over zijn hele plank.
Een stukje was genoeg.
Hoofdstuk 7
Een eigen sleutel
Op Rubens sterfdag ging ik met Anja naar de kruising. Ik had eerst een heel programma bedacht. Bloemen. Begraafplaats voor haar ouders. Lunch. Een wandeling. Alsof een strakke planning de dag draaglijk zou maken.
Om zeven uur belde ik haar.
‘Ik kan alleen de bloemen.’
‘Goed,’ zei ze. ‘Ik ook.’
We stonden vijf minuten bij het hek. Samir kwam naar buiten. Hij gaf ons geen thee deze keer. Hij legde even zijn hand op zijn borst en liet ons met rust.
Anja vertelde dat ze had gedroomd dat Ruben zijn rijbewijs kwijt was.
‘Hij werd kwaad omdat ik in zijn laatjes keek.’
‘Dat klinkt als hem.’
We lachten allebei. Daarna huilde zij en hield ik haar vast. Een maand eerder was het andersom geweest.
Thuis at ik twee boterhammen. Ik sliep een uur. ’s Avonds kwamen Iris en haar kinderen. We bestelden pizza. Mijn nichtje Noor vroeg of ze Rubens dobbelspel mocht pakken.
‘Natuurlijk.’
‘Mag ik dan ook zijn kleur?’
Hij speelde altijd groen.
Mijn eerste reactie was nee. Dat schrok me af. Alsof ik een negenjarige moest verhinderen dat ze plastic pionnen gebruikte om hem te bewaren.
‘Ja,’ zei ik. ‘Maar hij speelde vals.’
‘Dan doe ik dat ook.’
‘Dat was niet de afspraak.’
Ik verloor ruim.
Die nacht sliep ik slecht. Een redelijk goede avond veranderde daar niets aan. Ik lag wakker met zijn oude T-shirt onder mijn wang. De volgende ochtend was ik kwaad op iedereen die kon opstaan zonder na te denken.
Twee dagen later ging ik weer naar mijn werk.
Zo ging het verder. Niet elke dag beter. Wel steeds meer dagen waarop ik ook iets anders deed dan ontbreken tellen.
Ik werkte inmiddels vier ochtenden. Soms bleef ik langer. Soms niet. Met Farid sprak ik af dat ik het zei als mijn hoofd vol zat. Hij hoefde niet meer te raden.
In november liet ik de achterdeur maken. De timmerman heette Joost en vroeg wie de oude scharnieren zo had vastgezet.
‘Mijn man.’
Hij keek naar de deur en toen naar mij.
‘Stevig gedaan.’
‘Je mag zeggen dat het prutswerk is.’
Joost glimlachte.
‘Het zit vooral heel stevig verkeerd.’
Ik lachte zonder er daarna misselijk van te worden.
Toen hij weg was, deed ik de deur tien keer open en dicht. Er hoefde niets opgetild. Niets geschopt. Ik had hem zelf gebeld, zelf betaald en zelf bepaald welke klink erop kwam.
Daarna huilde ik omdat Ruben het resultaat niet kon zien.
Beide dingen gebeurden op dezelfde middag.
In het voorjaar boekte ik drie nachten op Terschelling. Niet in het huisje dat we samen hadden bekeken. Een kleine kamer in West, boven een zaak die overdag broodjes verkocht. Ik koos bewust voor geluid onder me.
Iris wilde meegaan.
‘Misschien de volgende keer,’ zei ik.
Op de boot vanuit Harlingen voelde ik paniek toen de kade verder weg schoof. Ik kon niet zomaar terug. Ik ging binnen zitten, vlak bij een deur. Ik dronk water. Ik stuurde Iris dat ik het moeilijk had.
Ze antwoordde: Je hoeft het niet leuk te vinden om er toch te zijn.
Na een tijdje ging ik weer naar buiten.
In mijn jaszak zat het parkeerkaartje uit Zwolle. Het was inmiddels zacht langs de randen. Geen bijzondere relikwie. Gewoon iets wat hij ook had vastgehouden.
Op het eiland huurde ik een fiets. De eerste dag fietste ik verkeerd en kwam ik bij een manege uit. De tweede dag regende het. Ik at soep bij een beslagen raam en las twaalf bladzijden van een boek. Ik had maanden geen verhaal kunnen volgen.
De derde ochtend liep ik naar zee.
Er was niemand om een foto van me te maken. Ik zette mijn telefoon tegen mijn schoen en probeerde de zelfontspanner. Op de eerste foto stond alleen mijn elleboog. Op de tweede mijn gezicht, rood van de wind.
Die stuurde ik naar Anja.
Ze schreef: Fijn dat je er bent.
Ik bleef nog even zitten. Ik miste Ruben daar. Heel concreet. Zijn knie tegen de mijne. Zijn gezoek naar een plek zonder zand, op een strand.
‘Ik draag je met me mee,’ zei ik zacht.
Daarna stond ik op. Ik klopte mijn broek af en pakte mijn schoenen.
Voor de middag had ik een fietsroute uitgezocht. Ik wilde onderweg ergens koffie drinken. Misschien zou ik omkeren als het te hard waaide.
Ik had mijn kamersleutel in mijn zak. Ik had genoeg geld voor de lunch.
Ik liep terug naar mijn fiets.