Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

Ik vergat zijn gezicht niet

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

Ik vergat zijn gezicht niet — De deurbel

De agent vroeg of hij binnen mocht komen. Ik zei nee.

Niet omdat ik bang voor hem was. Omdat er achter hem een tweede agent stond. Omdat ze allebei hun pet in hun hand hielden. Omdat het kwart over elf was en Daan om half elf thuis had moeten zijn.

‘Bent u Nora van Dijk?’

Ik hield de deur van ons huis in Amersfoort vast. Mijn duim zat tussen de rand en het kozijn. Het deed pijn. Ik liet hem zitten.

‘Waar is hij?’

De jongste agent keek naar zijn collega.

‘Laten we even gaan zitten.’

‘Waar is Daan?’

Onze dochter kwam de gang in. Saar was acht. Ze droeg een T-shirt van mij als nachtjapon. Een kat met een afgebroken oor stond erop.

‘Is papa zijn sleutel kwijt?’

Toen deed ik de deur verder open.

We gingen niet zitten. De agenten stonden naast de kapstok. Onder hun voeten lag het stuk karton dat Daan daar had neergelegd. Hij had die ochtend een plank geschuurd en wilde voorkomen dat we het zaagsel door het huis liepen.

De oudste agent zei dat er een ongeval was geweest. Bij de Amsterdamseweg. Een bestelbus en een fietser. Een ambulance. Pogingen om hem te reanimeren.

Daarna zei hij dat Daan was overleden.

Ik hoorde Saar ademen. Hoog en snel.

‘Nee,’ zei ik. ‘Hij heeft verlichting.’

De agent zweeg.

‘Nieuwe verlichting. Vorige week gekocht.’

Alsof hij had gezegd dat Daan geen licht had gevoerd. Alsof ik alleen een misverstand hoefde recht te zetten.

Saar trok aan mijn mouw.

‘Wat betekent overleden?’

Ze wist het. Haar konijn was het jaar ervoor doodgegaan. Maar ik zei toch: ‘Papa is dood.’

Ze sloeg me op mijn arm. Hard.

‘Niet zeggen.’

Daarna ging ze op de onderste traptrede zitten. Haar blote voeten stonden op het karton.

Mijn zus Eva kwam binnen twintig minuten. Ik weet nog dat ze haar auto half op de stoep zette. Dat vond ik storend. De buren zouden er niet langs kunnen. Ik wees door het raam en zei dat ze hem moest verplaatsen.

‘Straks,’ zei ze.

‘Nu. Anders krijgen we gedoe.’

Ze keek naar de agenten. Toen pakte ze Saar op. Saar was daar eigenlijk te groot voor. Haar benen hingen langs Eva’s heupen.

Ik wilde Daan zien.

De agent belde ergens heen. Er moesten dingen geregeld worden. Ik kreeg een glas water dat ik op het kastje bij de deur zette. Het bleef daar drie dagen staan.

In het Meander Medisch Centrum liep een verpleegkundige met me mee. Eva was bij Saar gebleven. Mijn buurman Henk had gereden. Onderweg had hij geen radio aangezet. Daar was ik hem later dankbaar voor.

Voor een gesloten deur vroeg de verpleegkundige of ik voorbereid wilde worden op wat ik zou zien.

‘Is zijn gezicht kapot?’ vroeg ik.

Ze antwoordde rustig. Er waren verwondingen. Er zat een pleister bij zijn slaap. Zijn gezicht was herkenbaar.

Herkenbaar. Een woord voor een gevonden jas.

Daan lag onder een wit laken. Zijn haar zat plat aan één kant. Er zat vuil onder de nagel van zijn wijsvinger. Van het schuren, dacht ik. Ik pakte zijn hand. Die voelde niet zoals zijn hand hoorde te voelen.

‘Je zou melk meenemen,’ zei ik.

Dat was het eerste wat ik tegen hem zei.

We hadden die middag ruzie gehad. Over zijn moeder, die zondag wilde komen eten. Ik had al een drukke week gehad. Hij had gezegd dat ik overal een probleem van maakte. Ik had gezegd dat hij dan maar zelf moest koken.

Om 18.42 uur had hij geappt: Doe ik. Tot straks.

Ik had niet geantwoord.

Nu keek ik naar zijn gezicht en probeerde ik alles tegelijk te onthouden. De scheve wenkbrauw. Het litteken onder zijn kin. De plek naast zijn mond waar zijn baard altijd dunner groeide.

De verpleegkundige schoof een stoel achter me.

‘U hoeft niet te blijven staan.’

Ik ging zitten, maar liet zijn hand niet los.

Pas toen Henk zacht op de deur klopte, keek ik op de klok. Er waren bijna twee uur voorbij.

‘Ik ben bang dat ik hem vergeet,’ zei ik.

De verpleegkundige beloofde niet dat dat onmogelijk was. Ze vroeg of ik nog even wilde blijven.

Dat wilde ik.

Hoofdstuk 2

Zijn blauwe overhemd

De volgende ochtend ging de wekker van Daan om 6.45 uur.

Zijn telefoon lag niet naast het bed. De politie had hem nog. Het geluid kwam van zijn oude toestel in de la. Hij gebruikte dat als reservewekker omdat hij zijn nieuwe telefoon soms beneden liet liggen.

Ik kreeg de la niet open. Er zat een laadkabel tussen. Ik trok harder. Alles viel op de grond. Batterijen, een fietslampje, een doosje oordoppen.

Toen Eva binnenkwam, zat ik op mijn knieën tussen de spullen.

‘Hij moet uit,’ zei ik.

Ze drukte op het scherm. Het werd stil.

Beneden at Saar een droge beschuit. Ze vroeg of ze naar school moest.

‘Nee.’

‘Morgen wel?’

‘Dat weet ik nog niet.’

Ze legde de beschuit terug.

‘Wie weet er dan iets?’

Om tien uur kwam de uitvaartverzorger. Ze heette Marjan en had natte fietstassen bij zich. Het regende. Ze vroeg waar ze haar jas mocht hangen. Dat gewone gebaar maakte dat ik bijna begon te huilen.

We zaten aan de keukentafel. Ze vroeg naar begraven of cremeren. Naar muziek. Naar een locatie.

‘Hij is zevenendertig,’ zei ik.

‘Ja,’ zei ze.

‘We hebben het daar nooit over gehad.’

Ze schoof haar map iets van zich af.

‘Dan hoeft u niet te raden wat hij ooit gezegd zou hebben. We kijken wat bij hem en bij jullie past.’

Zijn moeder kwam terwijl we over de kist praatten. Ria had haar winterjas nog aan toen ze zei dat Daan zijn trouwpak moest dragen.

‘Dat zit boven in de hoes.’

Ik zei dat hij zijn blauwe overhemd kreeg. Het zachte. Met dat kleine gaatje onderaan.

‘Dat kun je toch niet doen?’ zei ze.

‘Hij droeg dat graag.’

‘Er zit een gat in.’

‘Onder zijn broekriem. Niemand ziet het.’

Ria keek naar Marjan, alsof die mij terecht zou wijzen. Marjan vroeg of we het overhemd samen wilden bekijken.

Ik ging alleen naar boven.

Het hing achter de slaapkamerdeur. Daan had het daar woensdag opgehangen. Ik drukte mijn neus tegen de kraag. Wasmiddel. Een beetje zweet. Ik wilde het meenemen naar beneden, maar mijn handen deden het niet.

Als hij het aan kreeg, zou het met hem verdwijnen.

Ik vond een ander blauw overhemd in de kast. Stugger. Bijna dezelfde kleur. Ik nam dat mee.

‘Deze,’ zei ik.

Ria streek over de knopen. Ze knikte.

Die middag kwam Saars juf, Sanne. Ze ging naast Saar op de grond zitten. Ze vroeg niet hoe het ging. Ze vroeg of de klas mocht weten dat haar vader dood was.

‘Ze weten het toch al,’ zei Saar.

‘Sommigen wel. Ik wil zorgen dat je niet twintig keer hetzelfde hoeft te vertellen.’

Saar dacht na.

‘Zeg ook dat ze niet allemaal moeten knuffelen.’

Sanne schreef het op.

In de dagen daarna vulde het huis zich. Bloemen. Soep. Mensen die hun stem lager maakten zodra ze binnenkwamen. Ik vergat namen en hoorde dezelfde zinnen terug.

‘Je moet sterk zijn voor Saar.’

Ik wilde vragen waar ik die kracht moest bestellen. Ik zette koffie.

Op de dag van de uitvaart stonden we bij Rusthof in Leusden. Het was koud. Saar had gympen aan omdat haar nette schoenen knelden. Ria keek ernaar, maar zei niets.

Tijdens mijn toespraak trilden de papieren zo dat ik ze neerlegde.

‘Daan kon slecht verliezen,’ zei ik. ‘Ook van een kind van acht.’

Een paar mensen lachten. Ik zag zijn vriend Mo zijn gezicht afvegen.

Ik vertelde over de boekenkast die Daan drie keer verkeerd in elkaar had gezet. Over zijn veel te harde stem langs het voetbalveld. Over hoe hij altijd vroeg of ik nog iets nodig had als hij opstond, maar vervolgens vergat wat ik had gezegd.

Onze laatste ruzie vertelde ik niet. Terwijl ik sprak, zat die wel in iedere zin.

Na afloop drukte een collega mijn hand tussen de zijne.

‘Hij heeft in elk geval niet lang geleden.’

‘Weet je dat?’ vroeg ik.

Hij liet mijn hand los.

Thuis trok Saar haar gympen uit. Er zat modder onder. Ze liep naar de keuken en keek in de koelkast.

‘Wat eten we?’

Ik bleef in de deuropening staan. De kist was weg. De mensen waren weg. Maar het was half zes en mijn kind had honger.

Eva pakte een pan.

‘Pasta,’ zei ze. ‘Gewoon pasta.’

Hoofdstuk 3

Het laatste bericht

Zes weken later kreeg ik Daans telefoon terug. Hij zat in een doorzichtige zak. Er zat een barst in het scherm, van linksboven tot aan de knop onderin.

De familierechercheur heette Karim. Hij kwam met zijn collega bij me thuis. Ze hadden nieuws over het onderzoek. De bestuurder van de bestelbus was verhoord. Er waren beelden van een bedrijf in de buurt. Er werden nog gegevens onderzocht.

Ik hoorde vooral dat niemand me kon vertellen wanneer het klaar zou zijn.

‘Heeft hij iets gezegd?’ vroeg ik.

Karim wist wie ik bedoelde.

‘De hulpverleners hebben hem niet bij bewustzijn aangetroffen.’

Dat was geen antwoord op alles wat ik wilde weten. Het was het antwoord dat hij had.

Toen ze weg waren, legde ik de telefoon op tafel. Ik kende de code. Saars geboortedatum. Ik vond dat altijd onverstandig. Daan vond dat ik overdreef.

De batterij was leeg.

Ik zocht een oplader en bleef naast het stopcontact zitten. Toen het scherm aanging, verschenen de meldingen. Oude berichten die nog binnenkwamen. Een herinnering aan een afspraak bij de tandarts. Een aanbieding voor een weekend in Zeeland.

Ik opende ons gesprek.

Doe ik. Tot straks.

Daaronder stond niets van mij.

Ik scrolde omhoog. Boodschappenlijstjes. Een foto van een kromme courgette. Een discussie over de energierekening. Een hartje dat ik drie weken voor zijn dood had gestuurd.

Ik wilde een beter laatste gesprek. Iets wat ik aan iemand kon laten zien. Kijk, zo waren wij.

In plaats daarvan stond er dat hij zelf maar moest koken.

Die avond sliep ik niet. Ik zette zijn telefoon op mijn kussen en las onze berichten tot mijn ogen brandden.

De volgende ochtend vergat ik Saars broodtrommel. Bij school merkte ze het.

‘Geeft niet,’ zei ze snel. ‘Ik krijg wel iets.’

Dat snelle antwoord maakte me boos. Niet op haar. Toch klonk het zo.

‘Ik kan heus wel een broodtrommel brengen.’

Ze trok haar schouders op en liep naar binnen.

Ik stond nog bij het hek toen Sanne naar me toe kwam.

‘Saar let veel op jou,’ zei ze.

‘Ik let ook op haar.’

‘Dat zeg ik niet.’

Maar ik hoorde het wel.

Thuis belde ik Eva. Ik zei dat de school dacht dat ik geen goede moeder was. Eva liet me uitpraten.

‘Hoeveel heb je geslapen?’ vroeg ze.

‘Daar gaat het niet om.’

‘Het gaat er óók om.’

Ze kwam die avond eten. Ze maakte geen pasta. Ze sneed aardappels, bakte vissticks en liet Saar de komkommer doen. Na het eten zei ze dat Saar zaterdag bij haar kon slapen.

‘Ze hoeft niet weg,’ zei ik.

‘Ze komt logeren. Dat deed ze eerder ook.’

Zaterdag bracht ik een tas naar Eva in Soest. Saar had haar eigen kussen meegenomen. Bij het afscheid hield ze mijn jas vast.

‘Je neemt wel op als ik bel?’

‘Ja.’

‘Ook als je slaapt?’

‘Dan zet ik het geluid hard.’

Ik reed naar huis en ging niet naar binnen. Ik bleef in de auto zitten. Daarna startte ik opnieuw.

Bij de Amsterdamseweg zette ik de auto in een zijstraat. Ik liep naar de plek die Karim had aangewezen op een kaart. Geen kruis. Geen bloemen. Een fietspad, een uitrit, een paal met een verkeersbord.

Een bestelbus reed langs. Mijn benen verstijfden.

Ik had gedacht dat ik daar iets zou begrijpen. Dat de afstand tussen de uitrit en het fietspad me iets zou vertellen. Maar ik zag alleen verkeer. Mensen op weg naar de supermarkt. Een jongen met een sporttas.

Ik belde Eva.

‘Ik sta hier,’ zei ik.

‘Waar?’

Ik vertelde het.

‘Kun je veilig blijven staan?’

‘Ja.’

‘Dan kom ik. Je auto halen we morgen.’

Ik protesteerde niet.

Maandag zat ik bij mijn huisarts. Ik vertelde over het slapen. Over de telefoon. Over de beelden die ik verzon van iets wat ik niet had gezien.

‘En ik heb niet teruggeappt,’ zei ik.

Hij liet een stilte vallen.

‘Wat had jouw antwoord aan dat ongeluk veranderd?’

‘Niets.’

Ik zei het meteen. Ik wist het al.

Daarna begon ik te huilen. Niet netjes. Ik kreeg nauwelijks lucht en maakte zijn doos tissues leeg.

We maakten een nieuwe afspraak. Eva zou meegaan. Voor het eerst stond er iets in mijn agenda dat over mij ging.

Hoofdstuk 4

Het verkeerde gezicht

In februari kon ik me Daans gezicht niet voor de geest halen.

Ik stond bij het koelvak van de Albert Heijn aan het Euterpeplein. Voor me lag zijn yoghurt. Volle yoghurt met vanille. Ik wilde me voorstellen hoe hij aan tafel zat, met de beker naast zijn elleboog.

Ik zag de tafel. Zijn grijze trui. Zijn hand om de lepel.

Zijn gezicht bleef weg.

Ik zette mijn mandje neer en liep naar buiten. Naast het fietsenrek pakte ik mijn telefoon. Ik zocht een foto en vergrootte hem tot zijn ogen het hele scherm vulden.

Daar was hij.

Maar toen ik mijn ogen sloot, zag ik het gezicht uit het ziekenhuis. De pleister. De stilstaande mond.

Ik belde mijn psycholoog, Lotte. Ik kreeg haar voicemail. Ik zei dat ik iets kwijt was. Daarna hing ik op, omdat ik hoorde hoe vreemd dat klonk.

Ze belde later terug. We konden de volgende middag afspreken.

‘Ik ben pas vier maanden verder,’ zei ik in haar kamer. ‘Wat gebeurt er over tien jaar?’

Ze vroeg me wat ik precies probeerde te onthouden.

‘Hem. Gewoon hem.’

‘Op welk moment?’

Ik begreep de vraag eerst niet. Daan had toch één gezicht?

Maar thuis opende ik de foto’s en zag hoeveel gezichten hij had. Zijn mond vol eten op Texel. Zijn slaperige hoofd op een camping in Drenthe. Een mislukte selfie waarin hij kwaad keek omdat de camera niet deed wat hij wilde.

Ik bleef hangen bij een filmpje uit onze keuken. Saar was zes. Daan probeerde een pannenkoek om te draaien zonder spatel. Hij gooide te hard. De pannenkoek raakte de rand van de afzuigkap en viel op de vloer.

‘Niet tegen mama zeggen,’ zei hij tegen de camera.

Mijn eigen stem klonk achter de telefoon.

‘Mama staat hier, sukkel.’

Hij draaide zich om. Dat was zijn gezicht. Niet één stil beeld. De draai. Die mondhoek. Het korte ophalen van zijn wenkbrauwen.

Ik keek het filmpje negen keer.

Toen Saar thuiskwam, zat ik nog aan tafel. Ze hoorde zijn stem en bleef in de deuropening staan.

‘Doe nog eens.’

We keken samen. Ze lachte toen de pannenkoek viel. Ik lachte ook. Daarna sloeg ze haar hand voor haar mond.

‘Mag dat?’ vroeg ze.

‘Ja.’

‘Jij huilde net.’

‘Dat kan allebei.’

Ze schoof tegen me aan. We keken nog een keer.

Die avond vroeg ze of papa boos was geweest toen hij doodging.

Ik zette de kraan uit.

‘Waarom denk je dat?’

Ze plukte aan de zoom van haar trui.

‘Ik had zijn nietmachine gepakt. Voor mijn boekje. Hij zocht hem en ik zei dat ik hem niet had.’

Ik knielde voor haar neer. Mijn knieën deden pijn op de tegels.

‘Dat ongeluk kwam niet door die nietmachine.’

‘Maar hij wist niet dat ik loog.’

‘Nee.’

‘Dan kan ik het niet meer zeggen.’

Ik wilde haar vertellen dat hij het vast al wist. Dat hij haar allang had vergeven. Maar ik kon niet namens hem praten.

‘Je mag het wel vertellen,’ zei ik. ‘Aan mij. Of opschrijven. Alleen kan hij niet meer antwoorden. Dat is heel rot.’

Ze huilde met haar mond dicht. Ik trok haar bij me.

Later vond ik de nietmachine onder haar bed. Ik legde hem zonder iets te zeggen in de keukenla.

Met hulp van Mo zette ik de foto’s en filmpjes op twee harde schijven. Eén ging naar Eva. Mo maakte ook een map met geluidsopnamen. Daan die een route uitlegde. Daan die klaagde over een vertraagde trein. Geen bijzondere woorden. Juist daarom wilde ik ze bewaren.

Mo vertelde over een ruzie die ze ooit hadden gehad tijdens een klus.

‘Hij kon zo koppig zijn,’ zei hij.

Ik keek op.

Sinds de uitvaart sprak bijna iedereen over Daan alsof hij nooit lastig was geweest.

‘Vreselijk koppig,’ zei ik.

We moesten lachen. Daarna vertelde ik over onze laatste ruzie.

Mo luisterde. Hij zei niet dat ik het moest loslaten.

‘Hij kwam gewoon naar huis, Noor,’ zei hij. ‘Hij ging melk halen en daarna kwam hij naar huis.’

Die nacht liet ik Daans telefoon beneden. Ik sliep vijf uur achter elkaar. Toen ik wakker werd, was ik nog steeds verdrietig. Maar ik wist weer hoe hij keek als een pannenkoek mislukte.

Hoofdstuk 5

De man in de zaal

De brief over de rechtszaak kwam in augustus. Ik las de datum drie keer. Daarna belde ik Karim.

Hij legde uit wat ik kon verwachten. De bestuurder werd vervolgd voor het veroorzaken van het verkeersongeval. Het dossier lag er. Mijn contactpersoon bij Slachtofferhulp kon met me bespreken of ik gebruik wilde maken van mijn spreekrecht.

‘Moet ik naar hem kijken?’ vroeg ik.

‘Nee,’ zei Karim. ‘Dat hoeft niet.’

Ik had de bestuurder een gezicht gegeven zonder hem ooit te zien. Jong. Luid. Iemand die op zijn telefoon keek en daarna gewoon naar bed ging.

In het dossier stond dat hij zesenvijftig was. Hij had verklaard dat hij Daan te laat had gezien. Uit het onderzoek bleek dat hij tijdens het rijden met zijn telefoon bezig was geweest.

Ik sloeg de map dicht.

Daar was iets om kwaad op te zijn. Niet op mijn laatste bericht. Niet op Saars nietmachine. Op een hand die naar een telefoon was gegaan terwijl een bus reed.

Die boosheid gaf me een paar dagen energie. Ik maakte de schuur schoon. Ik stuurde drie brieven die al weken lagen. Daarna kon ik nauwelijks uit bed komen.

Samen met een medewerker van Slachtofferhulp schreef ik mijn verklaring. De eerste versie was zes pagina’s. Er stond vooral in wat ik de bestuurder toewenste.

Die versie las ik aan niemand voor.

De tweede ging over ons huis. Over de twee fietsen in de schuur, waarvan er nu één gebruikt werd. Over Saar, die wilde dat ik meldde wanneer ik ergens aankwam. Over Daans laatste overhemd achter de slaapkamerdeur.

Eva reed mee naar de rechtbank in Utrecht. Ria en Mo kwamen ook. Saar ging naar school. Sanne wist wat er die dag gebeurde.

In de gang zag ik een man naast een advocaat zitten. Grijs haar. Een donkerblauwe jas op zijn knieën. Hij wreef met zijn duim over een trouwring.

Ik wist meteen dat hij het was.

Hij keek op. Ik keek weg.

In de zaal hoorde ik de feiten opnieuw. De tijd. De plek. De snelheid. Het zicht. De telefoon. Woorden die mijn man in een reeks handelingen veranderden.

De rechter stelde vragen. De bestuurder antwoordde zacht. Eén keer moest hij harder praten.

‘Ik dacht dat het kon,’ zei hij over het kijken op zijn scherm.

Ik voelde Eva’s hand op mijn arm. Ik trok mijn arm niet weg, maar ik wilde niemand voelen.

Toen ik mijn verklaring mocht lezen, ging ik staan. Dat hoefde niet, maar zitten lukte niet.

‘Mijn naam is Nora van Dijk,’ begon ik. ‘Daan was mijn man. Onze dochter heet Saar.’

Mijn stem bleef vlak. Ik had verwacht dat ik zou schreeuwen.

Ik vertelde dat Saar haar vader soms nauwelijks durfde te missen, omdat ze bang was dat ik dan ook ging huilen. Dat ik bij iedere late thuiskomst aan een deurbel dacht. Dat praktische hulp langzaam minder werd, terwijl zijn afwezigheid niet minder praktisch werd.

Ik keek één keer naar de bestuurder.

‘Ik weet niet wat u met uw spijt moet,’ las ik. ‘Ik weet wel wat wij iedere dag met uw beslissing moeten.’

Hij huilde. Het maakte me niet rustiger. Het maakte me ook niet bozer. Ik wilde gewoon klaar zijn.

Aan het einde zei hij dat het hem speet. Hij noemde Daans naam verkeerd. Dan in plaats van Daan.

Ik verbeterde hem.

‘Daan.’

Hij herhaalde het.

Na de zitting aten Eva en ik broodjes op een bankje. Ik proefde mosterd en merkte dat ik honger had. Daar schaamde ik me even voor. Toen at ik door.

De uitspraak kwam twee weken later. Een veroordeling, een taakstraf en een rijontzegging. Ik vroeg mijn contactpersoon om de uitspraak met me door te nemen. Ik begreep de uitleg. Toch bleef het voelen alsof de getallen nergens op aansloten.

Die avond belde Ria.

‘Vind jij het genoeg?’ vroeg ze.

‘Nee.’

‘Wat zou dan genoeg zijn?’

Ik keek naar de lege stoel tegenover me.

‘Ik weet het niet.’

We bleven een tijd aan de telefoon zonder veel te zeggen.

De dag na de uitspraak bracht ik Saar naar school. Bij het zebrapad stak ze haar hand uit. Niet omdat er verkeer aankwam. Gewoon om mijn hand vast te pakken.

Ik hield hem vast tot aan het hek. De rechtszaak was voorbij. Om kwart over drie moest ik haar weer ophalen.

Hoofdstuk 6

De lege plank

In oktober brak de plank in de gang van de muur.

Het was de plank waarvoor Daan op zijn laatste ochtend had staan schuren. Ik had hem maanden later door Henk laten ophangen. Er stonden schoenen op. Te veel schoenen, bleek nu.

Een plug was losgekomen. Het hout hing scheef. Saars laarzen lagen tussen de splinters op de vloer.

Ik begon te lachen. Hard en zonder plezier.

‘Natuurlijk,’ zei ik. ‘Ook dat nog.’

Saar stond bij de trap.

‘Papa had het beter gedaan.’

‘Papa hing ook weleens iets scheef.’

Ze keek me aan alsof ik hem had beledigd.

Ik ging op mijn hurken zitten en raapte een schoen op.

‘Ik mis hem ook,’ zei ik.

‘Dat zei ik niet.’

Ze liep naar boven.

Later klopte ik op haar deur. Ze lag op bed met een boek dat ondersteboven lag.

‘Ik had niet zo kort moeten doen.’

‘Je doet altijd boos als iets stukgaat.’

Ik ging op de rand van haar bed zitten.

‘Omdat ik dan alles alleen moet oplossen. Daar ben ik boos om. Niet op jou.’

‘Je kunt Henk vragen.’

‘Ja.’

‘Of Eva.’

‘Ja.’

Ze keek naar haar boek.

‘Dan moet je dat doen.’

Twee weken later begon ik in een lotgenotengroep in het wijkcentrum. Ik had de folder al maanden. Weduwengroep, stond erop. Ik was achtendertig. Dat woord voelde alsof ik een jas van iemand anders aan moest.

Er waren zes mensen. Een man van vierenzeventig die zijn vrouw drie jaar eerder had verloren. Een vrouw van mijn leeftijd, Anouk, wier partner aan kanker was overleden. Nog drie anderen. We kregen koffie uit mokken die niet bij elkaar pasten.

De begeleider vroeg hoe onze week was geweest.

Ik vertelde over de plank.

‘Ik heb gisteren tegen een printer gescholden,’ zei Anouk. ‘Daarna tegen mijn overleden man omdat hij de inkt altijd bestelde.’

Ik lachte. Niemand keek geschrokken.

Toen vertelde de oudere man dat hij soms twee kopjes klaarzette. Niet uit gewoonte. Bewust. Omdat hij nog niet iedere ochtend één kopje wilde zien.

Niemand zei dat hij daar eens mee moest stoppen.

Na afloop liep Anouk met me naar buiten. Ze vroeg of ik zin had om een keer koffie te drinken.

‘We hoeven het niet steeds hierover te hebben,’ zei ze.

Dat deden we de eerste keer toch. Daarna praatten we over haar luidruchtige bovenburen en mijn werk.

Ik was weer drie ochtenden per week bij de woningcorporatie. De eerste maand had ik simpele dossiers gekregen. Dat was goed bedoeld, maar ik werd er gek van.

Ik vroeg mijn leidinggevende om één eigen project.

‘Weet je het zeker?’

‘Nee. Maar ik wil het proberen.’

Op donderdag vergat ik een afspraak met een aannemer. Op vrijdag loste ik een probleem op waar twee collega’s niet uit waren gekomen. Beide dingen gebeurden in dezelfde week.

Begin december maakte ik Daans kledingkast open. Niet om alles weg te doen. Ik zocht mijn wintertas. Die lag achter zijn truien.

Ik pakte een trui en rook eraan. Niets meer. Alleen de kast.

Ik ging op bed zitten. Ik huilde om iets wat niet zichtbaar was verdwenen.

Daarna belde ik Ria. Ik vroeg of ze een paar dingen van hem wilde.

Ze kwam zondag. Eerst dronken we koffie. Toen gingen we naar boven. Ze koos zijn groene vest en een sjaal die zij hem ooit had gegeven.

‘Ik dacht dat je niets wilde delen,’ zei ze.

‘Ik dacht dat jij alles mee wilde nemen.’

We keken allebei naar de open kast.

‘We hadden het kunnen vragen,’ zei ze.

Ik knikte.

Saar wilde zijn voetbalshirt. Het kwam bijna tot haar knieën. Ik hield het zachte blauwe overhemd met het gaatje. De rest verdeelden we over dozen. Eén voor later. Eén om weg te geven.

De dozen bleven nog drie weken op de overloop staan. Toen bracht ik er één naar de kringloop in Amersfoort. In de auto wilde ik omkeren. Ik deed het niet.

Thuis was een plank in de kast leeg. Ik legde er mijn wintertas neer. Daarna ging ik beneden zitten tot Saar thuiskwam.

Die avond belde ik Henk over de gangplank. We maakten een afspraak voor zaterdag. Ik zou nieuwe pluggen halen.

Hoofdstuk 7

Een gewone zaterdag

Anderhalf jaar na Daans dood wilde Saar weer fietsen naar het zwembad.

We hadden het vaker gedaan. Voor het ongeluk. Daarna bracht ik haar altijd met de auto, ook als het droog was. Ik zei dat het sneller ging. Saar wist dat dat niet waar was.

‘Iedereen gaat op de fiets,’ zei ze.

Ze stond met haar zwemtas bij de voordeur. Ze was inmiddels tien. Haar haar zat in een scheve staart die ze zelf had gemaakt.

‘Dan gaan we op de fiets,’ zei ik.

Mijn maag trok samen toen ik mijn sleutel pakte.

In de schuur pompte ik haar banden op. Daarna controleerde ik haar remmen. En haar licht, al was het tien uur ’s morgens.

‘Mam.’

‘Even wachten.’

‘Je hebt het al gedaan.’

Ik liet het voorwiel los.

‘Ja. Je hebt gelijk.’

We reden door de wijk. Ik bleef iets achter haar. Bij iedere zijstraat wilde ik roepen dat ze moest kijken. Soms deed ik het. Soms beet ik op mijn tong en zag ik dat ze zelf haar hoofd draaide.

Bij een kruising sloeg mijn hart zo hard dat ik afstapte.

Saar keek achterom.

‘Wat is er?’

Ik had kunnen zeggen dat mijn ketting vreemd deed. Dat ik mijn telefoon moest controleren.

‘Ik ben bang,’ zei ik.

Ze zette haar voet op de grond.

‘Voor een ongeluk?’

‘Ja.’

Er reed een vrouw voorbij met twee boodschappentassen aan haar stuur. Verderop blafte een hond.

‘Moeten we terug?’ vroeg Saar.

Ik keek naar het verkeerslicht. Naar het fietspad. Naar haar handen op het stuur.

‘Nee. Ik moet even wachten. Dan kan ik verder.’

Ze knikte en dronk uit haar bidon. Ze hoefde me niet te troosten. Dat had ik de afgelopen maanden vaak tegen haar gezegd. Nu moest ik het zelf ook laten zien.

Na een minuut stapte ik weer op.

Bij het zwembad zette Saar haar fiets op slot. Ze trok twee keer aan het slot, zoals Daan haar had geleerd.

‘Je gaat toch niet de hele les kijken?’

‘Nee. Ik haal je straks op.’

Ze rende naar binnen zonder nog een keer om te kijken.

Ik liep naar het café aan de overkant. Anouk wachtte bij het raam. We hadden afgesproken omdat ik wist dat ik anders buiten het zwembad zou blijven staan.

‘Gelukt?’ vroeg ze.

‘Met een stop.’

‘Maar gelukt.’

Ik bestelde koffie en een broodje. We praatten over haar sollicitatie. Over mijn project op het werk. Daarna vertelde ik dat ik Daans verjaardag bijna had ingepland met een overleg.

‘Ik zag de datum pas toen ik op verzenden klikte.’

‘Heb je het verzet?’

‘Ja. Maar niet de hele dag vrij genomen.’

Ik wachtte op mijn eigen schuldgevoel. Het kwam, maar zachter dan vroeger.

Op zijn verjaardag zouden Saar, Ria en ik pannenkoeken eten. Dat had Saar gekozen. Geen grote bijeenkomst. Geen verplicht rondje herinneringen. Wie iets wilde zeggen, kon iets zeggen.

Na de zwemles fietsten we terug. Saar vertelde over een meisje dat haar handstand onder water langer kon volhouden. Ik verstond de helft door de wind. Ik vroeg haar harder te praten.

Thuis lag er een brief van de bank. Er moesten opnieuw gegevens worden aangepast. Soms dook Daan nog op in administratie die volgens mij allang geregeld was. Ik legde de brief op tafel. Maandag zou ik bellen.

Saar ging naar een vriendin. Ik maakte de keuken schoon. Onder een magneet op de koelkast hing een foto die ik pas kort had opgehangen. Daan op het strand bij Petten. Geen mooie foto. Zijn ogen waren half dicht en zijn jas stond bol van de wind.

Vroeger had ik vooral naar zijn gezicht gekeken om te controleren of ik het nog kende. Nu zag ik ook de rest. Het zand op zijn mouw. Het zakje rozijnen dat hij voor Saar vasthield. Mijn eigen schoen onder in beeld.

Ik herinnerde me dat we die middag ruzie hadden gekregen over de parkeerautomaat. Dat we later kibbeling hadden gegeten. Dat het een fijne dag was geweest, ondanks dat gedoe.

Ik vergat zijn gezicht niet. Soms kon ik het niet oproepen wanneer ik wilde. Soms kwam het onverwacht, terwijl ik een kom pakte of iemand hoorde lachen. Dan was hij even heel precies in mijn hoofd.

Ik miste hem nog iedere dag. Ik sliep meestal weer. Ik maakte plannen die niet alleen bedoeld waren om een moeilijke datum door te komen. Er waren nog avonden waarop ik Eva vroeg te blijven. Ze deed haar jas dan weer uit.

Toen Saar thuiskwam, vroeg ze of we morgen opnieuw konden fietsen.

Ik keek niet eerst naar het weerbericht.

‘Ja,’ zei ik. ‘Waar wil je heen?’