Tegenslag en opnieuw beginnen
Ik verloor mijn rijbewijs en mijn baan
Hoofdstuk 1
De lege minuten
Het eerste wat ik zag, was een veiligheidshesje. Daarboven hing het gezicht van een vrouw. Ze tikte tegen mijn wang.
‘Meneer. Blijf bij me. Hoe heet u?’
Ik wilde antwoorden. Mijn tong voelde te groot.
‘Daan,’ zei ik. ‘Daan Vermeer.’
Achter haar zat een barst in de voorruit. Daar keek ik naar. Niet naar het bloed op mijn hand. Niet naar de heg die door het open zijraam stak.
‘Waar ben ik?’
‘In Nieuwegein. U bent met uw bestelbus van de weg geraakt.’
Ik dacht meteen aan mijn telefoon. De volgende klant wachtte op een cv-ketel. Ik had beloofd voor tienen te komen.
‘Ik moet Erik bellen.’
‘Dat kan straks.’
Toen zag ik de ambulance.
Een halfuur later lag ik op de spoedeisende hulp van het St. Antonius. Mijn werkschoenen stonden onder een stoel. Er zat natte aarde tussen de ribbels. Een verpleegkundige knipte mijn mouw open. Ik vond dat zonde. Het shirt was nieuw.
Dat herinner ik me scherp. De rit zelf niet. Mijn laatste herinnering was een rood verkeerslicht bij een bedrijventerrein. Daarna zat er een gat in mijn ochtend.
Mijn zus Marieke kwam binnen met haar jas nog aan.
‘Je hebt me mooi laten schrikken.’
‘Het valt mee.’
Ze keek naar het verband op mijn voorhoofd.
‘Dat bepaal jij niet.’
Een arts ging op de kruk naast mijn bed zitten. Een automobilist achter mij had gezien dat ik vreemde bewegingen maakte. Daarna was mijn bus langzaam naar rechts gereden. Over de stoeprand. Door een heg. Tegen een paaltje.
Geen andere slachtoffers.
De arts zei het twee keer. Misschien omdat ik bleef vragen of er een fietspad lag.
‘We denken aan een epileptische aanval. We gaan onderzoeken wat er gebeurd is.’
‘Maar ik heb geen epilepsie.’
‘Dat begrijp ik. Toch kan een eerste aanval op uw leeftijd voorkomen.’
Ik was tweeënveertig. Ik reed al vierentwintig jaar. Voor mijn werk reed ik soms tweehonderd kilometer per dag.
‘Wanneer kan ik weer rijden?’
De arts legde zijn pen neer.
‘Voorlopig niet.’
Ik hoorde daarna nog woorden. Neuroloog. Onderzoek. Rijgeschiktheid. CBR. Ze kwamen wel binnen, maar niet in de goede volgorde.
Mijn telefoon lag op het kastje. Zeven gemiste oproepen van Erik, mijn werkgever. Twee van een klant. Een bericht van mijn zoon Milan: Papa neem je vanavond mijn voetbalschoenen mee?
Ik belde Erik toen de arts weg was.
‘De bus is kapot,’ zei ik.
‘Dat hoorde ik. Hoe ben jij eraan toe?’
‘Een snee. Verder niks.’
Marieke draaide haar hoofd naar me toe.
‘Ze willen alleen nog wat onderzoeken doen,’ voegde ik toe.
‘Doe dat maar. We regelen de klanten.’
Ik had verwacht dat hij boos zou zijn. Zijn rustige stem maakte het erger. Ik begon ineens te huilen. Zonder waarschuwing. Ik drukte de telefoon tegen mijn borst en keek naar mijn schoenen.
Marieke pakte het toestel over.
Later kwam een agent langs. Hij vroeg wat ik nog wist. Bijna niets. Hij noteerde mijn antwoord zonder zijn gezicht te veranderen. Ik wilde zeggen dat ik nooit op mijn telefoon keek achter het stuur. Dat ik geen drank op had. Dat ik geen roekeloze bestuurder was.
Hij had daar niet naar gevraagd.
Aan het eind van de middag mocht ik met Marieke mee naar mijn flat in Houten. Niet zelf rijden. Ook niet een klein stukje. Ik moest contact houden met de neuroloog en voorlopig bepaalde risico’s vermijden. Geen ladders. Niet alleen zwemmen.
Mijn gereedschap lag nog in de bus.
Thuis zette Marieke een glas water voor me neer. Ik vroeg haar of ze Milan wilde ophalen bij mijn ex, Sanne.
‘Weet Sanne het al?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Daan.’
‘Ik bel haar zo.’
‘Nu.’
Sanne nam direct op. Op de achtergrond hoorde ik bestek.
‘Wat is er?’
Ik vertelde het. Kort. Ik maakte de heg kleiner en liet de ambulance eerst weg. Ze prikte daar meteen doorheen.
‘Was je bewusteloos?’
‘Even.’
‘Hoelang?’
‘Weet ik niet.’
Dat was het ergste antwoord van die dag. Ik wist niet hoelang ik weg was geweest. Ik wist niet waarom. En ik wist niet of het opnieuw zou gebeuren.
Die avond kwam Milan toch. Hij was elf en hield zijn voetbalschoenen tegen zijn borst. Hij keek naar het verband.
‘Heb je hard gebotst?’
‘Niet heel hard.’
‘Mag je auto nu naar de sloop?’
‘Misschien.’
Hij ging naast me zitten. Voorzichtig, alsof de bank ook beschadigd was.
Toen hij sliep, pakte ik mijn autosleutels van tafel. Ik hing ze aan het haakje naast de deur.
De volgende ochtend stond ik daar om zeven uur weer. Aangekleed. Mijn lunch al in een zakje.
Pas toen wist ik niet waar ik heen moest.
Hoofdstuk 2
Niet verlengd
Drie weken later zat ik tegenover Erik in het magazijn in IJsselstein. Marieke had me gebracht. Door het raam zag ik haar bij de bushalte staan roken. Ze was zes jaar geleden gestopt.
Op Eriks bureau lag mijn contract.
Ik wist het voordat hij iets zei.
‘Je contract loopt eind volgende maand af.’
‘Dat weet ik.’
‘Ik kan het niet verlengen.’
Ergens achter de wand startte een boormachine. Een droog, kort geluid. Iemand riep om een accu.
‘Ik kan binnen werken,’ zei ik. ‘Voorraad doen. Bestellingen. Offertes voorbereiden.’
‘Daar heb ik geen volledige baan voor.’
‘Dan rijd ik met Kevin mee.’
‘Voor twee man op één servicebus hebben we te weinig werk.’
Ik kende die rekensom. Ik had hem zelf vaak gemaakt. Toch bleef ik naar andere antwoorden zoeken.
‘Ik ben niet ineens mijn vak kwijt.’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Maar ik ben wel mijn baan kwijt.’
Hij keek naar zijn handen.
Erik had negen mensen in dienst. Geen groot bedrijf met twintig afdelingen. Toen ik er acht maanden eerder begon, had hij gezegd dat hij iemand zocht voor langere tijd. Ik had die woorden thuis herhaald. Tegen Sanne. Tegen Milan. Alsof ik al een vast contract had getekend.
Nu schoof hij een brief over het bureau.
‘Dit is de schriftelijke bevestiging. En we melden je goed ziek uit dienst. De arbodienst blijft tot die tijd betrokken.’
Ik nam de brief niet meteen aan.
‘Je had ook kunnen wachten tot de onderzoeken klaar waren.’
‘Ik heb nu iemand nodig die zelfstandig naar klanten kan.’
Daar kon ik niet tegenin. Dat maakte me woedend.
Buiten vroeg Marieke hoe het was gegaan.
‘Geweldig. Ik hoef nooit meer vroeg op.’
Ze trapte haar sigaret uit.
‘Doe niet zo tegen mij.’
Onderweg zei ik niets. Bij mijn flat stapte ik uit voordat ze behoorlijk stilstond. Boven gooide ik mijn werksleutels op tafel. Ik had ze per ongeluk nog bij me.
Die middag belde Kevin.
‘Klote, man.’
‘Ja.’
‘Je ratelset ligt hier. Zal ik die brengen?’
‘Hou maar.’
‘Die was van je vader.’
Ik sloot mijn ogen.
‘Breng maar.’
Hij kwam na zessen. We aten broodjes shoarma uit aluminium bakjes. Hij vertelde over een klant in Vianen die zijn thermostaat in de koelkast had gelegd om te bewijzen dat die kapot was.
Normaal had ik gelachen.
Nu vroeg ik wie mijn bus kreeg.
‘Er is een andere besteld.’
‘Voor wie?’
Kevin aarzelde. Dat was genoeg.
‘Ze hebben dus al iemand.’
‘Daan, ik beslis dat niet.’
‘Nee. Jij brengt alleen de spullen.’
Hij schoof zijn bakje weg.
‘Ik kom kijken hoe het met je gaat.’
We zaten een minuut stil. Daarna zei ik sorry. Niet netjes. Meer een gemompel. Hij bleef nog even.
De onderzoeken kwamen verspreid over weken. Een scan. Een onderzoek met plakkers op mijn hoofd. Gesprekken waarin ik moest vertellen of ik eerder vreemde momenten had gehad.
Ik dacht aan die ochtend in de keuken, maanden geleden. Mijn koffie was overgelopen. Ik had niet geweten waarom ik voor het aanrecht stond.
‘Waarom heeft u dat niet eerder genoemd?’ vroeg de neuroloog.
‘Omdat ik dacht dat ik moe was.’
Ze stelde meer vragen. Uiteindelijk sprak ze over epilepsie. Ze legde uit waarom het verhaal en de onderzoeksuitslagen daarbij pasten. Ik kreeg medicijnen. Ze besprak mogelijke bijwerkingen en benadrukte dat ik ze volgens voorschrift moest nemen.
‘En mijn rijbewijs?’
Ze legde uit dat het CBR daarover besliste. Er moest medische informatie komen. Er golden voorwaarden. Ze kon me geen datum beloven waarop ik weer mocht rijden.
Ik hoorde vooral: niet binnenkort.
Toen de officiële beslissing later op de mat viel, las ik de tekst drie keer. Mijn rijbewijs werd ongeldig verklaard. Ik moest het inleveren.
Ik haalde het pasje uit mijn portemonnee. Op de foto keek ik streng. Gemaakt op een dinsdagmiddag waarop mijn grootste probleem een kapotte ruitenwisser was geweest.
Bij het postpunt hield ik de envelop nog vast toen de medewerker hem wilde pakken.
‘Wilt u een verzendbewijs?’
‘Ja.’
Buiten stopte ik het bonnetje zorgvuldig weg.
Voor een plastic pasje had ik ineens veel papier teruggekregen.
Thuis lag de brief van Erik nog op tafel. Ik legde het verzendbewijs ernaast. Daarna belde ik voor het eerst het nummer van het UWV dat op mijn aantekeningen stond.
Ik begon met mijn burgerservicenummer.
Toen de vrouw vroeg wat mijn vraag was, kwam er niets.
Hoofdstuk 3
Achter de deur
Mijn eerste uitkering kwam later dan mijn huurdatum. Er moest nog informatie worden verwerkt. Ik belde, stuurde documenten en keek ieder uur op mijn rekening. Het saldo bleef zevenentwintig euro en veertien cent.
Ik had wel wat spaargeld gehad. Dat was opgegaan aan de verhuizing na mijn scheiding en een wasmachine. Kleine buffer, had ik gezegd. Die bouw ik weer op.
Ik belde de verhuurder pas na de herinnering.
‘Waarom belt u nu pas?’ vroeg de medewerker.
‘Omdat ik dacht dat het vandaag binnenkwam.’
Dat had ik gisteren ook gedacht.
We spraken een betalingsregeling af. Ze mailde de afspraken. Ik las ze meteen, bang dat er ergens toch zou staan dat ik mijn huis uit moest.
Daarna zette ik mijn tweede televisie op Marktplaats.
Een man uit Schalkwijk bood veertig euro minder dan de vraagprijs. Ik zei nee. Twee uur later stuurde ik dat hij hem mocht ophalen.
Hij testte alle aansluitingen.
‘Geen afstandsbediening?’
‘Daar ligt hij.’
‘O ja.’
Ik wilde dat hij opschoot. Toen hij weg was, klonk de woonkamer anders. Dat vond ik onzin van mezelf. Het was maar een televisie.
De medicijnen maakten me in het begin suf. Ik stond op, nam een douche en ging weer zitten. Soms sliep ik tot de middag. De neuroloog paste later de behandeling aan, maar die eerste weken dacht ik dat mijn hoofd voorgoed trager was geworden.
Ik vergat woorden. Liet een pan droogkoken. Zocht mijn telefoon terwijl ik hem in mijn hand had.
Elke fout werd bewijs.
Ik kon niets meer.
Op woensdag zou ik Milan bij school ophalen. Met de bus, had ik uitgezocht. Ik vertrok ruim op tijd. Bij het overstappen bleek de halte verplaatst door werkzaamheden.
Ik liep langs hekken. Keek op mijn telefoon. Liep terug. Toen ik eindelijk bij school kwam, stond Sanne bij het hek.
Milan trapte tegen een losse steen.
‘Je nam niet op,’ zei ze.
Mijn telefoon stond nog op stil van de ziekenhuisafspraak.
‘Ik was onderweg.’
‘Dat wist ik niet.’
‘Het is twaalf minuten.’
‘Voor hem zijn het twaalf minuten wachten zonder te weten waar je bent.’
Milan keek niet op.
Ik wilde zeggen dat ik vroeger altijd op tijd was. Dat zij ook weleens iets vergat. In plaats daarvan pakte ik zijn rugzak.
‘Sorry, kerel.’
Onderweg vroeg hij of ik nog een aanval kon krijgen.
‘Dat kan.’
‘Ook als ik erbij ben?’
‘Ja.’
Hij bleef staan.
Ik had hem een eerlijk antwoord gegeven, maar geen bruikbaar antwoord.
Die avond belde ik de epilepsieverpleegkundige. We bespraken hoe ik het aan Milan kon uitleggen. Later oefenden Sanne en ik met hem wat hij kon doen. Afstand houden van gevaarlijke spullen. Hulp halen. Niet iets in mijn mond stoppen. Weten wanneer hij 112 moest bellen.
Ik vond het afschuwelijk om mijn zoon dat te leren.
Hij vond vooral het oefenbellen interessant.
‘Moet ik dan eerst het adres zeggen?’
‘Vertel maar wat er aan de hand is. Ze helpen je verder.’
Hij schreef mijn adres op een kaartje voor in zijn telefoonhoesje.
Na zijn vertrek dronk ik drie blikken bier. Niet omdat ik dorst had. Omdat ik een avond geen formulieren en geen voorzichtigheid wilde.
De volgende ochtend schaamde ik me. Ik vertelde het bij mijn volgende afspraak, al overwoog ik het weg te laten. De verpleegkundige besprak alcohol, slaap en mijn medicatie zonder me uit te kafferen.
‘Wat gebeurt er op zo’n avond?’ vroeg ze.
‘Niks. Dat is juist het probleem.’
Ze liet een stilte vallen.
‘Iedereen is ergens. Ik zit thuis.’
Via de huisarts kwam ik bij de praktijkondersteuner. Haar naam was Nadia. Ze vroeg niet meteen hoe ik me voelde. Ze vroeg hoe mijn dinsdag eruitzag.
‘Welke dinsdag?’
‘Die van gisteren.’
Ik vertelde over de bank. De telefoon. De gordijnen die om vier uur nog dicht waren.
Samen schreven we drie dingen op. Op een vaste tijd opstaan. Elke dag naar buiten. Eén administratieve taak tegelijk.
Ik vond het kinderachtig.
‘U hoeft het niet indrukwekkend te vinden,’ zei ze. ‘Wel uitvoerbaar.’
De volgende ochtend liep ik naar de supermarkt. Geen grote overwinning. Ik kocht brood en vergat vuilniszakken.
Bij thuiskomst opende ik één envelop.
Daar zat een betaalherinnering in die ik liever niet had gezien.
Ik legde hem niet terug in de stapel. Ik belde het nummer bovenaan.
Hoofdstuk 4
De verkeerde ladder
In maart belde een oude klant. Mevrouw Van Dijk uit Houten-Zuid. Haar keukenkraan lekte en ze wilde liever geen onbekende monteur in huis.
‘U bent toch voor uzelf begonnen?’
‘Nee.’
‘O. Erik zei dat u niet meer bij hem werkte.’
Ik keek naar mijn gereedschapskist naast de eettafel.
‘Ik kan wel even kijken.’
Het was tien minuten lopen. Een kraan. Geen ladder, geen gas, geen zware machine. Ik wilde iets doen wat ik kon.
Bij haar thuis rook het naar boenmiddel. Ze had handdoeken onder het keukenkastje gelegd.
‘Koffie?’
‘Eerst dit maar.’
Ik draaide de watertoevoer dicht. Haalde het binnenwerk los. Mijn handen wisten nog precies wat ze moesten doen. Na twintig minuten was het lek verholpen met een passend onderdeel uit mijn oude voorraad.
Mevrouw Van Dijk draaide de kraan open en dicht.
‘Kijk. Daarom wilde ik u.’
Die zin deed meer met me dan ik liet merken.
Ze gaf me vijftig euro. Ik zei eerst dat het niet hoefde. Zij stond erop. Ik nam het geld aan en noteerde thuis wat ik had gedaan. De volgende dag vroeg ik het UWV hoe ik deze klus en inkomsten moest doorgeven. Ik wilde geen nieuw probleem maken van het eerste nuttige uur in maanden.
Maar mevrouw Van Dijk had een buurman.
En die buurman had een ventilator in de badkamer die ratelde.
‘Klein klusje,’ zei hij aan de telefoon.
Ik hoorde mezelf ja zeggen.
Bij hem stond al een aluminium huishoudtrap klaar. De ventilator zat boven het bad. Ik keek naar de smalle ruimte, de tegels en de trap.
‘Kunt u hem even vasthouden?’ vroeg ik.
De man pakte de zijkant vast.
Ik zette één voet op de onderste trede.
Toen dacht ik aan de arts. Niet aan een algemene waarschuwing. Aan haar precieze vraag: wat gebeurt er als u op dat moment uw bewustzijn verliest?
Ik haalde mijn voet weg.
‘Ik ga dit niet doen.’
De man keek naar zijn hand op de trap.
‘Waarom niet?’
‘Ik mag momenteel niet op hoogte werken.’
‘Het zijn drie treetjes.’
‘Ook niet op drie treetjes.’
Hij zuchtte.
‘Had dat dan meteen gezegd.’
Daar had hij gelijk in.
Buiten belde ik Kevin. Ik vroeg of het bedrijf iemand kon sturen. Daarna liep ik naar huis met mijn gereedschapskist tegen mijn knie. Bij elke stap tikte de hoek tegen hetzelfde bot.
Ik voelde me niet verstandig. Ik voelde me waardeloos.
Die middag had ik een gesprek met een re-integratiebegeleider, Fatima. Ze vroeg naar mijn werkervaring. Ik gaf korte antwoorden.
‘Installatie. Service. Storingen.’
‘Wat vond u daar goed aan?’
‘Dat ik er betaald voor kreeg.’
Ze liet haar pen liggen.
‘We kunnen ook volgende week verder, maar dan zitten we met dezelfde vraag.’
Ik vertelde over de kraan. Daarna over de trap.
‘Waar hielp u die mevrouw precies mee?’ vroeg ze.
‘Met een lekkage.’
‘Hoe wist u wat er aan de hand was?’
‘Dat hoor je. Je kijkt waar het water vandaan komt. Je stelt vragen.’
‘En dat kunt u alleen in een bestelbus?’
Ik vond haar vraag irritant. Vooral omdat ik begreep waar ze heen wilde.
We bekeken functies. Werkvoorbereiding. Technische binnendienst. Onderdelenverkoop. Bij de meeste vacatures stond dat je ervaring met computersystemen moest hebben.
‘Ik kan mailen,’ zei ik. ‘Daar houdt het ongeveer op.’
‘Dan is dat een concreet punt om aan te werken.’
Ze hielp me zoeken naar een korte computercursus in de bibliotheek. Geen omscholing met een dure belofte. Gewoon bestanden opslaan, spreadsheets begrijpen en werken met digitale formulieren.
De eerste avond zat ik naast een gepensioneerde vrouw die sneller typte dan ik. Ik sloot per ongeluk het oefenbestand.
‘Hebt u opgeslagen?’ vroeg de docent.
‘Waarschijnlijk niet.’
We begonnen opnieuw.
Op de terugweg wachtte ik in de regen op de bus. Mijn broek plakte tegen mijn benen. Ik had drie sollicitaties lopen en nog geen antwoord. Mijn huurachterstand was kleiner, maar niet weg.
Toch pakte ik thuis mijn laptop weer.
Ik maakte een lijst van onderdelen die ik goed kende. Pompen. Kleppen. Thermostaten. Koppelingen. Daarachter schreef ik wat klanten meestal verkeerd bestelden.
Om elf uur had ik vier pagina’s.
Voor het eerst sinds de botsing moest ik mezelf dwingen naar bed te gaan.
Hoofdstuk 5
Aan de andere kant
Mijn eerste sollicitatiegesprek was bij een technische groothandel in Utrecht. Ik had de route twee dagen eerder geoefend. Trein naar Vaartsche Rijn. Daarna lopen. Zevenentwintig minuten vanaf mijn voordeur, als alles aansloot.
Die ochtend vertrok ik een uur te vroeg.
In de wachtruimte stond een koffieautomaat die ik niet begreep. Ik drukte op heet water en kreeg heet water. Dat leek me geen goed begin bij een technisch bedrijf.
De vestigingsmanager heette Jeroen. Hij had mijn cv geprint.
‘Waarom wilt u van buiten naar binnen?’
Ik had een antwoord geoefend over kennis delen en nieuwe uitdagingen. Halverwege hoorde ik hoe het klonk.
‘Omdat ik niet meer mag rijden,’ zei ik.
Hij legde het papier neer.
Ik vertelde alleen wat nodig was. Mijn situatie. Wat ik kon doen. Dat ik voor bepaalde werkzaamheden medisch advies nodig had. Ik maakte mezelf niet gezonder dan ik was.
Hij vroeg vooral naar mijn ervaring met onderdelen en klantcontact.
Een week later kwam de afwijzing. Ze hadden iemand gekozen met ervaring in hun bestelsysteem.
Ik las de mail in de supermarkt. Naast de uien. Daarna legde ik de paprika’s terug omdat ze te duur waren.
Dat was een slechte middag.
De tweede afwijzing ging sneller. Bij de derde hoorde ik niets, ook niet nadat ik had gebeld.
Fatima bleef praktisch.
‘We moeten uw ervaring beter zichtbaar maken.’
‘Die staat toch op mijn cv?’
‘Er staan functietitels. Geen voorbeelden.’
We herschreven het. Niet alleen servicemonteur. Ook storingen telefonisch uitvragen, onderdelen herkennen en klanten uitleg geven zonder vaktaal.
Ik schaamde me een beetje voor hoe bruikbaar ik op papier werd.
Via Kevin hoorde ik van een klein bedrijf in Utrecht dat onderdelen leverde aan installateurs en woningbeheerders. De telefonische ondersteuning groeide. Ze zochten geen verkoper met een glad verhaal, maar iemand die snapte waarom een monteur vloekend naast een ketel stond.
De eigenaar, Leon, belde op een donderdag.
‘Kevin zegt dat jij aan een geluid al kunt horen wat er kapot is.’
‘Kevin overdrijft.’
‘Mooi. Mensen die alles weten heb ik al genoeg gesproken.’
Ik mocht komen kennismaken.
Op kantoor zaten zes mensen. Geen showroom. Een wand vol ordners. Twee monitoren per bureau. In de hoek stond een vaatwasser open, midden in het looppad.
Mijn toekomstige collega Petra schoof hem met haar voet dicht.
‘Onze grootste veiligheidsmaatregel,’ zei ze.
Leon legde een foto voor me neer. Een oude circulatiepomp, half verstopt achter leidingen.
‘Een klant wil een vervanger. Wat wil je weten?’
Ik begon vragen te stellen. Maten. Aansluiting. Type installatie. Wat er nog leesbaar was op het plaatje.
Petra draaide haar stoel bij.
‘En als hij zegt dat hij geen tijd heeft om dat uit te zoeken?’
‘Dan leg ik uit dat hij meer tijd kwijt is aan twee keer rijden.’
Ze knikte.
We spraken een korte meeloopperiode af, vooraf afgestemd met mijn begeleider en het UWV. De uren en taken werden vastgelegd. Ik zou niet ineens vijf volle dagen gaan werken omdat ik graag wilde bewijzen dat ik beter was.
De eerste ochtend kreeg ik een headset.
Ik haatte dat ding meteen.
Ik hoorde mijn eigen adem. Het snoer bleef achter mijn arm hangen. De software had velden waarvan ik het verschil niet zag.
Petra zat naast me.
‘Eerst luisteren. Dan samenvatten. Dan zoeken.’
Bij mijn eerste gesprek vergat ik de klantnaam. Bij het tweede typte ik een postcode in het veld voor het huisnummer.
Na drie uur bonkte mijn hoofd.
‘Ik kan nog wel,’ zei ik toen Petra mijn jas pakte.
‘Dat vroeg niemand.’
Thuis sliep ik anderhalf uur.
De volgende ochtend durfde ik bijna niet terug. Ik dacht dat ze mijn lege stoel zouden gebruiken om te bespreken hoe langzaam ik was.
Petra wees alleen naar mijn scherm.
‘Je notities van gisteren waren duidelijk. Dat scheelt.’
Aan het eind van die week belde een monteur over een onderdeel dat niet paste. Hij klonk kwaad. Ik liet hem de verpakking voorlezen. Daarna vroeg ik wat er op het oude onderdeel stond.
Er was één cijfer verschil.
We vonden de juiste uitvoering.
‘Eindelijk iemand die even luistert,’ zei hij.
Ik zette het gesprek uit en bleef naar het scherm kijken.
‘Volgende?’ vroeg Petra.
‘Ja,’ zei ik.
Ik drukte op opnemen.
Hoofdstuk 6
Een slechte ochtend
Het ging vier weken goed. Daarom schrok ik zo toen ik op een dinsdagochtend wakker werd met zware benen en een hoofd vol watten.
Ik had slecht geslapen. Om drie uur lag ik nog naar de radiator te luisteren. Om halfzeven ging de wekker.
In de keuken liet ik een glas vallen.
Het brak naast mijn blote voet.
Ik bleef staan. Keek naar de scherven. Wachtte op iets wat ik niet kon benoemen. Een aanval. Een teken. Het bewijs dat alles opnieuw begon.
Mijn hart sloeg hard. Ik tintelde rond mijn mond.
Ik ging op de grond zitten, tegen het aanrecht. Mijn telefoon lag op tafel. Twee meter verder. Ik durfde niet op te staan.
Uiteindelijk belde ik Marieke.
‘Ik weet niet of er iets gebeurt.’
‘Kun je praten?’
‘Dat doe ik toch.’
‘Goed. Blijf maar praten.’
Ze bleef aan de lijn terwijl ik mijn klachten beschreef. Daarna nam ik contact op met de zorgverlener zoals eerder met me was afgesproken. Ik kreeg advies over wat ik moest doen en bij welke verschijnselen ik direct hulp moest inschakelen.
Er kwam die ochtend geen aanval. De angst was er wel. Nog uren.
Om kwart over acht belde ik Petra. Ik had om acht uur moeten beginnen.
‘Het spijt me.’
‘Wat is er?’
‘Ik ben niet goed. Ik heb ook nog niet gebeld.’
‘Je belt nu.’
Ik hoorde iemand op de achtergrond lachen. Gewoon een collega. Toch dacht ik meteen dat het over mij ging.
Later belde Leon.
‘Blijf vandaag thuis. We praten morgen verder.’
Ik kende die zin. Of ik dacht dat ik hem kende.
De rest van de dag keek ik naar vacatures. Uit voorzorg. Bij elke functie zag ik iets wat ik niet kon. Rijbewijs vereist. Flexibel inzetbaar. Stressbestendig.
Dat laatste woord bleef hangen.
De volgende dag zat ik tegenover Leon en Petra. Geen contract op tafel. Alleen een notitieblok.
‘Wat gebeurde er?’ vroeg Leon.
Ik vertelde het zonder het glas weg te laten. Ook de paniek niet.
‘Ik weet niet of ik dit aankan,’ zei ik.
‘Welke dit?’ vroeg Petra.
‘Werken. Betrouwbaar zijn.’
Leon schoof zijn stoel naar achteren.
‘We moeten weten wat we kunnen afspreken. Niet horen dat jij nooit meer een slechte dag hebt.’
We bespraken mijn uren. Vier korte ochtenden bleek te veel in combinatie met reizen, afspraken en alle spanning thuis. In overleg met mijn begeleider werd het tijdelijk drie ochtenden, met rustiger opbouw. We maakten ook een duidelijke afspraak over ziekmelden.
Ik vond het een stap terug.
Het was een stap terug.
Dat hoefde niemand mooier te maken.
Bij Nadia vertelde ik dat ik vroeger nergens bang voor was.
‘Nergens?’
Ik dacht aan gladde daken. Aan een klant die ooit met gebalde vuisten voor me had gestaan. Aan de maand waarin Sanne had gezegd dat ze wilde scheiden.
‘Niet zo,’ zei ik.
We werkten aan het verschil tussen een klacht opmerken en er meteen een voorspelling van maken. Ik hield bij wat er gebeurde, zonder iedere vijf minuten mijn lichaam te controleren. Medische vragen besprak ik met mijn behandelaar. Niet met onbekenden op een forum om half twee ’s nachts.
Dat lukte niet elke dag.
Een week later ging ik voor het eerst naar een lotgenotenbijeenkomst in Utrecht. Ik bleef buiten bij de deur staan tot een man vroeg of ik ook naar binnen moest.
Hij heette Hassan. Hij was buschauffeur geweest.
‘Ik mis de vroege diensten,’ zei hij tijdens de koffie.
‘Wie mist er nou vroege diensten?’
‘Ik. Lege wegen. Niemand die iets vraagt.’
Ik begreep hem meteen.
We praatten niet alleen over aanvallen. Ook over geld. Over partners die voortdurend vroegen hoe het ging. Over goedbedoelde liften waar je toch geen zin in had, omdat je gewoon zelf ergens heen wilde.
Op de terugweg stuurde ik Sanne een bericht. Of we opnieuw konden praten over de regeling met Milan. Niet om minder vader te zijn. Wel om het halen en brengen haalbaar te maken.
We spraken af dat hij op woensdag met haar kwam en ik op zaterdag met hem de trein nam. We zetten alles in een gedeelde agenda.
Die zaterdag zaten Milan en ik tegenover elkaar tussen Houten en Utrecht.
‘Gaan we nog een keer met de auto?’ vroeg hij.
‘Dat weet ik niet.’
Hij knikte en schoof me zijn telefoon toe.
‘Kijk dan. Dit doelpunt.’
Ik keek. Daarna wilde hij dat ik het nog een keer zag.
We misten bijna onze halte.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen sleutel
Leon bood me een contract aan op een donderdagmiddag. Zes maanden. Twintig uur per week. Geen bedrijfsauto. Geen toeslagen. Een salaris dat lager lag dan wat ik als monteur had verdiend.
Ik las alles.
Dat deed ik vroeger niet altijd.
‘Neem het mee naar huis,’ zei hij.
‘Dat was ik van plan.’
Hij glimlachte.
Ik liet de gevolgen voor mijn uitkering vooraf uitzoeken en zette mijn nieuwe inkomsten naast mijn vaste lasten. De eerste berekening klopte niet. Bij de tweede had ik de reiskosten dubbel geteld.
Marieke zat tegenover me met een rekenmachine.
‘Je kunt het redden,’ zei ze.
‘Als er niets kapotgaat.’
‘Dan moet er weer een buffer komen.’
Ik keek naar het maandbedrag dat daarvoor overbleef. Klein. Maar niet nul.
De volgende ochtend tekende ik.
Er kwam geen groot gevoel. Geen opluchting die alles wegdrukte. Ik was vooral bang dat ik iets zou verpesten. Daarna nam ik een telefoontje aan over een verkeerd geleverde klep.
Werk bleek ook gewoon werk te blijven.
Petra kon ongeduldig zijn. Het bestelsysteem liep vast. Sommige klanten luisterden niet en gaven ons daar de schuld van. Om twaalf uur voelde mijn hoofd soms alsof ik zes gesprekken tegelijk hoorde, ook als iedereen stil was.
Maar ik leerde.
Ik schreef vaste stappen op. Controleerde nummers twee keer. Vroeg om hulp voordat ik een fout probeerde te verbergen.
Na twee maanden vroeg Leon of ik een korte uitleg wilde maken voor nieuwe collega’s. Over het uitvragen van storingen.
‘Jij stelt weinig vragen, maar meestal de goede,’ zei hij.
Thuis pakte ik de vier pagina’s die ik na de computercursus had gemaakt. Er stonden fouten in. Dingen die ik te snel had aangenomen. Ik verbeterde ze.
Milan zat aan de andere kant van de tafel met zijn huiswerk.
‘Moet jij ook leren?’
‘Blijkbaar.’
‘Heb jij dan ook een toets?’
‘Bij mij bellen ze als ik het fout doe.’
Hij lachte.
Het was ruim een jaar na de botsing toen ik voor controle weer bij de neuroloog zat. Ik had geen nieuwe aanvallen gehad. De medicatie was beter ingesteld. Ik was minder moe, al moest ik mijn dagen nog steeds verdelen.
We bespraken ook autorijden. Er was mogelijk een route naar een nieuwe beoordeling, maar dat vroeg medische informatie en een beslissing van het CBR. Het uitblijven van aanvallen betekende niet dat ik zelf kon besluiten weer achter het stuur te stappen.
Ik knikte.
Een jaar eerder had ik bij die uitleg alleen gevraagd hoe snel het kon.
Nu vroeg ik wat ik precies moest aanleveren en welke kosten ik kon verwachten.
De aanvraag lag later op tafel. Ik vulde hem in. Daarna ging hij de deur uit.
Op een antwoord moest ik wachten.
Mijn leven wachtte niet meer helemaal mee.
Ik had mijn huurachterstand afbetaald. De laatste termijn was drieënzestig euro. Ik maakte een schermafbeelding van de betaling, al wist ik niet aan wie ik die moest sturen.
Uiteindelijk stuurde ik hem naar Marieke.
Ze antwoordde met: Mooi. Nu niet weer alles alleen proberen.
Erik kwam een keer langs op mijn nieuwe werk. Hij moest onderdelen ophalen. We stonden ongemakkelijk bij de balie.
‘Ik hoor goede dingen,’ zei hij.
‘Het gaat redelijk.’
Hij keek naar de headset om mijn nek.
‘Past dit een beetje?’
‘Steeds beter.’
Ik had vaak bedacht wat ik tegen hem zou zeggen. Dat hij me had laten vallen. Dat ik ook zonder hem verder kon. Bij de balie wilde ik vooral zijn bestelling afmaken.
Toen hij weg was, deed het toch even pijn.
Ik miste mijn bus. De radio. Een gerepareerde installatie die weer aansloeg. Ik kon blij zijn met mijn nieuwe werk en tegelijk mijn oude werk missen. Daar hoefde ik niet tussen te kiezen.
Op een vrijdag kreeg ik een sleutel van het kantoor. Petra zou op vakantie gaan. Ik kon voortaan zelf openen op mijn vroege dagen.
Thuis legde ik de sleutel op tafel.
Milan pakte hem op.
‘Waar is deze van?’
‘Mijn werk.’
‘Mag jij dan als eerste naar binnen?’
‘Ja.’
Hij legde hem terug en vroeg wat we aten.
Maandagochtend stond ik om kwart over zes op. Ik nam mijn medicijnen. Smeerde brood. Keek of mijn ov-kaart in mijn tas zat.
Bij de deur hing nog steeds het haakje van mijn autosleutels. Mijn eigen auto had ik maanden eerder verkocht.
Ik hing er mijn nieuwe sleutel aan terwijl ik mijn jas aantrok. Daarna pakte ik hem weer.
Buiten regende het zacht. De bus kwam over negen minuten.
Ik trok de deur achter me dicht en liep naar de halte.