Tegenslag en opnieuw beginnen
Ik woonde in mijn auto
Hoofdstuk 1
De eerste nacht
Om kwart over twee tikte iemand tegen mijn raam.
Ik schoot overeind en stootte mijn hoofd tegen het stuur. Buiten stond een man in een geel hesje. Achter hem reed een vrachtwagen langzaam over de parkeerplaats. Het licht gleed over mijn slaapzak, mijn schoenen en de plastic tas met onderbroeken.
‘U kunt hier niet blijven staan,’ zei hij.
Ik draaide het raam een stukje open. Koude lucht kwam naar binnen.
‘Ik rust even uit.’
Hij keek naar het kussen op de passagiersstoel.
‘Dat zal. Maar dit terrein gaat dicht.’
Ik knikte alsof ik dat al wist.
Mijn naam is Ruben van Dijk. Ik was tweeënveertig en stond achter een distributiecentrum aan de rand van Tilburg. Tot zes weken daarvoor had ik zelf in zo’n gebouw gewerkt. Nu zocht ik er een plek waar niemand mijn auto zou opmerken.
De man wachtte tot ik mijn motor startte. Mijn voorruit was aan de binnenkant beslagen. Met een oude werkhandschoen veegde ik een rondje schoon. Daarna reed ik weg, half gebogen over het stuur.
Bij een rood licht begon mijn telefoon te trillen.
Een bericht van mijn dochter Noor.
*Ben je thuis? Mijn oplader ligt volgens mij bij jou.*
Noor was elf. Ze woonde bij haar moeder, Marieke, in Breda. In mijn achterbak lag haar oplader. Naast twee pannen, een map met papieren en een voetbal die ze nooit gebruikte maar niet wilde wegdoen.
Ik typte: *Ja. Ik zoek morgen even.*
Het licht sprong op groen. Achter mij toeterde iemand.
Drie maanden eerder sliep ik nog op de logeerkamer van mijn vriend Bas. Mijn relatie met Marieke was voorbij. Geen groot bedrog. Wel ruzies over geld, over mijn afwezigheid en over alles wat ik steeds naar later verschoof. Ik was vertrokken omdat samen in één huis blijven ons allebei gemeen maakte.
‘Twee weken,’ had ik tegen Bas gezegd.
Het werden er negen.
Toen kreeg zijn vader een beroerte. De logeerkamer was nodig voor herstel na de ziekenhuisopname. Bas vertelde het aan zijn keukentafel. Hij schoof een suikerpot heen en weer terwijl hij praatte.
‘Je moet iets anders zoeken, Ruub.’
‘Natuurlijk.’
Hij bood aan mee te zoeken. Ik zei dat ik al iets op het oog had.
Dat was niet waar.
Mijn tijdelijke contract bij het magazijn was intussen afgelopen. Na een val van een laadklep kon ik wekenlang geen kratten tillen. Mijn rug deed nog pijn. Het uitzendbureau had geen ander werk. Er liep een aanvraag voor een uitkering, maar in mijn mail stonden vooral verzoeken om aanvullende gegevens.
Ik had nog driehonderdachtentwintig euro.
Een kamer kostte meer dan zeshonderd. Soms moest je vooraf twee maanden borg betalen. Op advertenties kreeg ik geen antwoord. Eén verhuurder wilde alleen mensen met een vast contract. Een andere verhuurde uitsluitend aan studenten.
Mijn Opel Astra had een volle tank, een geldige apk en een achterbank die plat kon.
Ik noemde het een tussenoplossing.
Die eerste nacht reed ik naar een woonwijk in Goirle. Ik parkeerde tussen een bestelbus en een heg. Geen slagboom. Geen beveiliger. In een huis brandde nog een lamp boven de eettafel.
Ik keek hoe een vrouw een bord in de vaatwasser zette.
Daarna trok ze de gordijnen dicht.
Ik klom naar achteren. De vloer liep scheef. Een metalen rand drukte door de slaapzak tegen mijn heup. Mijn benen pasten alleen als ik ze optrok. Elke keer dat ik bewoog, kraakte het plastic van een boodschappentas.
Om vier uur moest ik plassen.
Ik wachtte twintig minuten. Toen stapte ik uit en liep naar een strook struiken. Bij een huis sprong een buitenlamp aan. Ik trok haastig mijn rits dicht en liep terug, alsof ik iets uit de auto kwam halen.
Slapen lukte niet meer.
Om zeven uur kwam een jongen met een schooltas langs. Hij keek naar mij. Ik deed alsof ik op mijn telefoon las. Mijn nek zat vast. Mijn mond smaakte zuur.
Ik reed naar een tankstation. In het toilet waste ik mijn gezicht en oksels met koud water. Boven de wastafel hing een spiegel met een barst in de hoek.
Ik zag er nog uit als iemand die naar zijn werk ging.
Dat stelde me gerust. Meer dan het had moeten doen.
Bij de kassa kocht ik koffie voor twee euro negentig. De medewerker vroeg of ik er een koek bij wilde.
‘Nee, dank je.’
Buiten belde ik het nummer in de laatste mail over mijn uitkering. Na twaalf minuten wachten viel de verbinding weg.
Ik bleef naar het scherm kijken.
Toen legde ik mijn telefoon op het dashboard, pakte een kassabon en schreef op de achterkant: *Vandaag een kamer vinden.*
Hoofdstuk 2
Alles bijhouden
Na negen nachten kende ik de openingstijden van vier tankstations, twee bibliotheken en een sporthal waar je soms ongezien naar het toilet kon.
Ik hield alles bij in een schrift.
Waar ik kon staan. Waar een kraan was. Hoeveel benzine ik gebruikte. Welke parkeerplaats na tien uur leegliep en welke juist volstroomde met jongeren op scooters.
Mijn administratie werd nauwkeuriger terwijl de rest uit elkaar viel.
In de bibliotheek aan het Koningsplein in Tilburg zat ik iedere ochtend bij een stopcontact. Ik laadde mijn telefoon op en beantwoordde advertenties. Mijn slaapzak lag dan uitgespreid in de auto. Anders bleef hij vochtig.
Op een dinsdag belde een man over een kamer in de wijk Korvel.
‘Vierhonderdvijftig, inclusief,’ zei hij.
Ik ging rechtop zitten.
‘Kan ik vandaag komen kijken?’
‘Eerst borg overmaken. Veel belangstelling.’
‘Ik wil de kamer eerst zien.’
Hij zuchtte. ‘Dan houdt het op.’
Ik bleef nog een paar seconden met mijn telefoon tegen mijn oor zitten. Daarna zocht ik het adres op. De foto uit de advertentie hoorde bij een vakantiewoning in Duitsland.
Ik had honderdnegentig euro over. Bijna had ik gevraagd of de borg in twee delen mocht.
Aan de tafel naast mij at een oudere man boterhammen uit aluminiumfolie. Hij zag dat ik naar zijn eten keek.
‘Kaas,’ zei hij. ‘Wil je er één?’
‘Nee hoor. Ik heb net gegeten.’
Mijn maag maakte een geluid dat we allebei hoorden.
Hij schoof het pakketje tussen ons in en las verder in zijn krant. Ik pakte een boterham zonder hem aan te kijken.
Die middag belde Marieke.
‘Noor zegt dat je vrijdag met haar gaat zwemmen.’
Dat had ik inderdaad beloofd.
‘Klopt.’
‘En daarna bij jou slapen?’
Ik liep met mijn telefoon naar het trappenhuis.
‘Dat moet even anders.’
‘Hoezo?’
‘Gedoe met die kamer.’
‘Welke kamer, Ruben?’
Ik had haar verteld dat ik tijdelijk iets huurde. Een kleine plek. Niet geschikt voor bezoek. Ik hoorde nu hoe dun dat klonk.
‘Ik bel je vanavond.’
‘Nee. Je zegt nu waar Noor vrijdag terechtkomt.’
Ik kneep in de leuning.
‘Ze kan niet blijven slapen.’
Het bleef stil.
‘Vertel haar dat zelf,’ zei Marieke. ‘En niet vrijdagmiddag pas.’
Ik belde Noor niet. Niet meteen. Ik besloot eerst iets op te lossen. Dat deed ik vaak. Mensen moesten wachten op de betere versie van mijn nieuws.
Aan het einde van de middag liep ik naar mijn auto. Er zat een wit briefje onder de ruitenwisser.
*We zien dat u hier slaapt. Onze kinderen spelen hier. Wilt u ergens anders gaan staan?*
Er stond geen naam onder.
Ik keek naar de huizen. Achter een raam bewoog iets. Misschien een gordijn. Misschien iemand die gewoon opstond.
Mijn handen trilden toen ik het briefje opvouwde.
Ik was boos. Op de schrijver. Op die keurige voortuinen. Vooral op mezelf, omdat ik meteen controleerde of er ergens rommel rond mijn auto lag. Alsof ik moest bewijzen dat ik geen overlast was.
Ik reed naar het parkeerterrein bij een bedrijventerrein. Daar stond een witte bestelwagen met een fietsendrager. Naast de bus kookte een vrouw water op een klein gasstel.
Ze keek op toen ik uitstapte.
‘Niet onder die boom gaan staan,’ zei ze. ‘Vogels.’
Ik zette mijn auto een vak verder.
Ze heette Ria. Ze was achtenvijftig en werkte drie ochtenden per week in de schoonmaak. Na het einde van haar relatie was ze in haar bus beland. Ze vertelde het zonder haar stem zachter te maken.
‘Hoe lang jij?’ vroeg ze.
‘Even maar.’
‘Dat vroeg ik niet.’
‘Negen nachten.’
Ze schonk heet water in twee bekers met oploskoffie.
Ik vertelde over het briefje. Ria las het, trok haar mond scheef en gaf het terug.
‘Niet hier blijven omdat je boos bent. Gewoon verplaatsen.’
‘Het is een openbare parkeerplaats.’
‘Daar slaap je niet beter van.’
Ze vroeg of ik al bij de gemeente was geweest.
Ik vertelde over mijn uitkering en de ontbrekende papieren.
‘Dat bedoel ik niet. Heb je gezegd dat je buiten slaapt?’
‘Ik slaap in een auto.’
Ria keek langs mij heen naar mijn beslagen zijraam.
‘Ja. Dat zien ze daar dus niet vanzelf.’
Voor ik wegging, gaf ze me het adres van een inloopplek. Er was koffie. Je kon er douchen. Er kwam iemand die hielp met aanvragen.
Ik stopte het briefje in mijn jas.
Later belde ik Noor. Ik zei dat zwemmen niet doorging.
‘Volgende week dan?’ vroeg ze.
Ik sloot mijn ogen.
‘Dat weet ik nog niet.’
Hoofdstuk 3
De motorkap
De auto startte niet.
Het was vrijdag, iets na zes uur. Ik stond op een parkeerplaats aan de rand van Tilburg. De binnenverlichting had te lang gebrand. Misschien had ik mijn telefoon te vaak opgeladen. Ik draaide de sleutel opnieuw. Een korte tik. Verder niets.
Ik had geen pechhulp meer. Die had ik maanden eerder opgezegd.
Buiten viel regen. Op het zijraam liep een druppel langs een andere druppel naar beneden. Ik bleef ernaar kijken, alsof ik tijd had.
Om acht uur moest ik bij een uitzendbureau zijn. Ze hadden mogelijk licht magazijnwerk. Orders controleren. Etiketten plakken. Ik had gezegd dat mijn rug dat aankon.
Ik stapte uit en opende de motorkap.
Dat was vooral een gebaar. Ik wist waar de accu zat. Daar hield mijn kennis op.
Een man met een hond liep voorbij. Hij keek even, maar ik vroeg niets. Daarna kwam een busje van een installatiebedrijf het terrein op.
Ik stak mijn hand op.
De bestuurder draaide zijn raam open.
‘Heeft u startkabels?’
Hij parkeerde naast me. Op zijn jas stond Daan. Hij vroeg me de motorkap verder omhoog te houden en haalde kabels uit zijn bus.
Toen hij langs mijn portier liep, zag hij de slaapzak.
Ik voelde dat ik iets moest zeggen.
‘Ik ben aan het verhuizen.’
‘Oké.’
Hij stelde geen vragen. Daar was ik hem dankbaar voor.
De motor sloeg bij de tweede poging aan.
‘Accu laten testen,’ zei hij. ‘En niet meteen weer uitzetten.’
Ik wilde hem geld geven, terwijl ik wist dat ik dat niet kon missen. Hij wuifde mijn uitgestoken hand weg.
Bij het uitzendbureau kwam ik zeven minuten te laat. De medewerker, een jonge vrouw met een strakke paardenstaart, keek naar de klok.
‘We hebben de plek net ingevuld.’
‘Ik had autopech.’
‘Vervelend. Ik bel als er iets anders is.’
Ik bleef staan.
‘Ik kan vandaag beginnen. Echt.’
Ze keek naar mijn schoenen. De neuzen waren donker van het regenwater.
‘Ik heb nu niets voor je, Ruben.’
Buiten sloeg ik met mijn vlakke hand tegen het dak van mijn auto. Eén keer. Het deed meer pijn dan ik verwachtte.
Daarna zocht ik het briefje van Ria.
De inloop zat in een laag gebouw naast een rij woningen. Ik reed er twee keer voorbij. Bij de derde keer parkeerde ik.
Binnen rook het naar koffie en natte jassen. Een man zat een puzzel te maken. Twee vrouwen praatten bij het raam. Niemand draaide zich om toen ik binnenkwam.
Achter een balie stond een vrouw met kort grijs haar.
‘Eerste keer?’ vroeg ze.
Ik knikte.
‘Ik ben Els. Koffie?’
‘Ik zoek iemand voor mijn papieren.’
‘Kan. Eerst even zitten.’
Ik bleef staan tot ze een stoel naar achteren schoof.
Ze vroeg mijn naam, waar ik sliep en of ik die nacht een veilige plek had. Ik zei dat ik in mijn auto woonde. Het woord kwam er schor uit.
Els schreef het op zonder op te kijken.
‘Hoe lang al?’
‘Zeventien dagen.’
Ze legde uit dat zij geen woning kon regelen. Er was een gemeentelijk toegangspunt voor hulp en opvang. Daar moest mijn situatie worden beoordeeld. Voor een briefadres gold een aparte aanvraag. Ze kon me helpen bellen.
‘Kan dat vandaag?’ vroeg ik.
‘Dat gaan we proberen.’
We zaten een uur met mijn telefoon op luidspreker. Ik moest toestemming geven voordat Els iets namens mij mocht zeggen. Daarna herhaalde ik mijn verhaal. Toen nog een keer aan iemand anders.
Ik had de neiging om mijn rugpijn kleiner te maken en mijn contacten groter.
Els legde haar pen neer.
‘Bij wie kun je vannacht werkelijk terecht?’
‘Niemand.’
‘Zeg dat dan.’
Er kwam een afspraak voor maandag. Voor dat weekend was geen passende plek beschikbaar via de route die we belden. Ik kreeg wel een nummer voor als mijn situatie acuut onveilig werd. Els schreef erbij wanneer ik opnieuw moest bellen.
Daarna wees ze de douche.
Ik stond lang onder het water. Bij mijn enkels trok vuil in dunne grijze slierten naar het putje. Mijn voeten waren wit en gerimpeld van dagen in vochtige sokken.
Toen ik terugkwam, lagen er schone sokken op de stoel.
‘Uit de voorraad,’ zei Els.
Ik pakte ze op en begon te huilen. Niet netjes. Mijn adem stokte en er liep snot over mijn bovenlip.
Els schoof een doos tissues naar me toe.
Ze zei niet dat het goed zou komen.
Toen ik weer kon praten, vroeg ze of ik iets gegeten had.
Deze keer loog ik niet.
Hoofdstuk 4
Geen logeerkamer
Op zondag vertelde ik Marieke waar ik woonde.
Ik deed het aan de telefoon, op de parkeerplaats van een supermarkt. Mijn ontbijt was een witte bol met pindakaas. De pot stond tussen mijn voeten.
‘In je auto?’ vroeg ze.
‘Ja.’
‘Al die tijd?’
‘Bijna drie weken.’
Ik hoorde een stoel schuiven.
‘En Noor vroeg of ze bij je kon slapen.’
‘Ik zou haar nooit meenemen hierheen.’
‘Maar je liet mij denken dat je een kamer had.’
‘Ik schaamde me.’
‘Dat snap ik. Maar ik moet weten wat er gebeurt.’
Haar stem was niet hard. Dat maakte het moeilijker.
Ik vertelde over Els en de afspraak op maandag. Over de accu. Over het briefje onder mijn ruitenwisser vertelde ik niets. Er was een grens aan hoeveel vernedering ik in één gesprek aankon.
Marieke zei dat ik die middag kon komen eten. Niet logeren.
‘Ik wil daar duidelijk over zijn,’ zei ze.
Mijn eerste reactie was boosheid. Ik zag onze oude bank voor me. Daar kon toch iemand op slapen?
Maar ik wist ook hoe de laatste maanden samen waren geweest. Hoe Noor bovenaan de trap had gezeten terwijl wij beneden ruzie maakten.
‘Goed,’ zei ik.
Om vijf uur stond ik voor de deur met een zak mandarijnen. Ik had er in de winkel lang over nagedacht. Met lege handen komen voelde verkeerd. Geld uitgeven ook.
Noor deed open.
‘Mama zegt dat je geen huis hebt.’
‘Dat klopt.’
‘Waar zijn dan je spullen?’
‘Een deel bij Bas. De rest in de auto.’
Ze keek langs me naar de straat.
‘Ook mijn voetbal?’
‘Ook jouw voetbal.’
Tijdens het eten praatte ze over een spreekbeurt. Over een meisje dat niet meer naast haar wilde zitten. Ik stelde vragen en probeerde niet te snel te eten.
Na afloop liepen we samen naar mijn auto. Marieke bleef bij de voordeur staan.
Ik opende de achterklep.
Noor keek naar de opgevouwen slaapzak. Naar mijn tas. Ze raakte het kussen aan met twee vingers.
‘Slaap je dan zo krom?’
‘Een beetje.’
‘Kun je de deur op slot doen?’
‘Ja.’
‘Ook van binnen?’
Ik liet het zien.
Ze knikte, ernstig. Daarna pakte ze haar voetbal.
‘Die neem ik mee. Dan heb jij meer plek.’
Ik wilde zeggen dat dat niet hoefde. Maar ze hield hem al stevig tegen haar buik.
Bij het afscheid vroeg ze wanneer ik weer een huis kreeg.
‘Dat weet ik niet. Ik krijg wel hulp.’
Ze keek me aan.
‘Is dat echt?’
‘Ja. Maandag heb ik een afspraak. Daarna vertel ik je hoe het ging.’
De volgende ochtend zat ik tegenover Sana, een medewerker van het toegangspunt. Els was meegegaan. Op tafel lagen mijn identiteitskaart, bankafschriften en de brieven over mijn uitkering.
Sana vroeg naar mijn werk, gezondheid, schulden en de adressen waar ik de afgelopen maanden had geslapen. Ze vroeg ook of ik middelen gebruikte en of ik gedachten had om mezelf iets aan te doen.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik wil slapen zonder bang te zijn dat iemand me wegstuurt.’
Ze knikte en schreef verder.
Er was niet meteen een kamer. Ook niet omdat ik een dochter had. Sana zei dat duidelijk. Ze onderzocht welke tijdelijke opvang mogelijk was en maakte een vervolgafspraak. Het briefadres werd apart bekeken. Voor mijn uitkering moesten nog twee loonstroken worden aangeleverd.
‘Die staan in een oud werknemersportaal,’ zei ik. ‘Daar kom ik niet meer in.’
‘Dan vragen we ze op bij het uitzendbureau.’
Het klonk klein. Toch was dit het soort probleem waarop ik steeds vastliep. Eén ontbrekend document werd een hele dag niets doen.
Na het gesprek hielp Els me een lijst maken. Geen lange lijst. Drie dingen.
Loonstroken opvragen. Huisarts bellen. Donderdag terugkomen.
In de auto stuurde ik Noor een bericht.
*Gesprek gehad. Nog geen kamer. Donderdag hoor ik meer.*
Ze stuurde een duim terug.
Die avond zat ik met Ria onder de open achterklep van haar bus. Het regende net niet naar binnen. Ik vertelde over het eten bij Marieke.
‘Kon je daar niet blijven?’ vroeg ze.
‘Nee.’
Ze roerde in een pan soep.
‘Pijnlijk.’
‘Ja.’
Ze gaf me een kom.
Ik dronk te snel en verbrandde mijn tong. We moesten er allebei om lachen. Daarna aten we verder zonder te praten.
Hoofdstuk 5
Een bed met regels
Op de eenendertigste dag verdween mijn portemonnee.
Ik had hem naast de wastafel van een openbaar toilet laten liggen. Dat wist ik pas toen ik bij de supermarkt wilde afrekenen. Ik rende terug. De schoonmaker keek met me mee in de afvalbakken.
Niets.
Mijn bankpas. Mijn rijbewijs. Negenentwintig euro. Het pasje met daarop de afspraak bij Sana.
Ik ging in de auto zitten en sloeg beide handen voor mijn gezicht.
Een uur lang deed ik niets.
Daarna belde ik Els met een telefoon die nog zes procent batterij had.
‘Blokkeer eerst je pas,’ zei ze. ‘Kom daarna hierheen.’
‘Ik ben alles kwijt.’
‘Je identiteitskaart zit toch in je papierenmap?’
Dat was zo. We hadden hem na het gesprek teruggestopt in het plastic hoesje. Ik trok de map onder de stoel vandaan en keek. Daar lag hij.
Ik schaamde me zelfs voor mijn opluchting.
Bij de inloop hielp Els met de bank en met het uitzoeken hoe ik de vermissing van mijn rijbewijs moest melden. Terwijl we bezig waren, belde Sana. Er was een bed in een tijdelijke opvangvoorziening beschikbaar. Ik moest die middag komen voor de intake.
Ik vroeg of mijn auto mee mocht.
Els keek me even aan.
‘Je kunt hem in de buurt parkeren.’
‘En mijn spullen?’
‘Die neem je mee voor zover dat kan. Vraag daar wat de mogelijkheden zijn.’
Ik had een maand naar een bed verlangd. Nu was ik bang om mijn auto achter te laten.
Het gebouw stond in Tilburg, aan een drukke straat. Binnen rook het naar schoonmaakmiddel en gebakken ui. Een begeleider met een bril stelde zich voor als Kevin.
Hij legde de regels uit. Afspraken over binnenkomst. Geen bezoek op de kamers. Rekening houden met medebewoners. Geen geweld. Ik moest mijn medicatie bespreken en kreeg te horen waar ik terechtkon als er iets was.
Daarna bracht hij me naar een kamer met twee bedden.
Op het andere bed zat een man met een koptelefoon om zijn nek.
‘Henk,’ zei hij.
‘Ruben.’
‘Snurk je?’
‘Geen idee.’
‘Nou. Dan weten we dat morgen.’
Ik zette mijn tas neer. Het matras was dun, maar recht. Ik kon erop liggen zonder mijn knieën op te trekken.
Toch sliep ik die nacht nauwelijks.
Op de gang klonken stemmen. Iemand sloeg met een deur. Henk kuchte en draaide zich om. Om drie uur stond ik op en keek door het raam naar mijn auto.
Hij stond er nog.
De volgende ochtend vroeg Kevin hoe het ging.
‘Prima.’
Hij keek naar mijn onaangeraakte boterham.
‘Ook een ander antwoord mag.’
‘Ik wil hier niet blijven.’
‘Dat begrijp ik. Maar vandaag hoef je nog niet te weten waar je daarna woont.’
Ik vond hem irritant. Vooral omdat hij rustig bleef.
De dagen kregen vaste punten. Ontbijt. Een afspraak. Naar buiten. Papieren regelen. Ik bezocht mijn huisarts voor mijn rug en mijn voeten. Er was geen ernstige schade aan mijn voeten, wel een schimmelinfectie. Voor mijn rug kreeg ik advies over bewegen en een verwijzing die we op haalbaarheid moesten bekijken.
Mijn uitkering kwam eindelijk op gang, met een nabetaling. Ik wilde meteen achterstanden wegwerken. Sana remde me af.
‘Eerst overzicht. Anders betaal je degene die het hardst belt en heb je volgende week geen geld voor eten.’
Samen met een schuldhulpverlener zette ik alles op een rij. Zorgpremie. Telefoonrekening. Een oude lening. Een verkeersboete met verhoging. In totaal ruim zesduizend euro.
Meer dan ik had durven optellen.
Ik tekende nog geen oplossing. Eerst moesten bedragen worden gecontroleerd en afspraken worden gemaakt. Het duurde weken.
Ondertussen meldde ik me weer bij uitzendbureaus. Ik vertelde niet overal dat ik in de opvang zat. Wel zei ik eerlijk wat mijn rug aankon.
Bij een bedrijf in Waalwijk zochten ze iemand voor retouren. Kleine pakketten controleren, gegevens invoeren, afwisselend zitten en staan.
De leidinggevende, Youssef, las mijn cv.
‘Waarom dat gat?’ vroeg hij.
‘Blessure. Daarna problemen met wonen.’
‘Is dat nu geregeld?’
‘Tijdelijk. Ik heb een bed en ik kan op tijd komen.’
Hij keek me aan.
‘Vier uur per dag om te beginnen. Via het bureau. We kijken na twee weken.’
Toen ik buiten kwam, belde ik Noor.
‘Ik heb misschien werk.’
‘Maar nog geen huis?’
‘Nog niet.’
‘Oké,’ zei ze. ‘Wat moet je daar doen?’
Ik vertelde over kapotte waterkokers en ongeopende dozen. Voor het eerst in weken had ik iets uit te leggen dat niet over mijn problemen ging.
Hoofdstuk 6
Niet weer verdwijnen
Mijn derde werkdag begon met braaksel op de gang.
Iemand in de opvang was ziek geworden. Kevin stond met handschoenen aan bij een emmer. De voordeur was tijdelijk geblokkeerd terwijl een collega hielp.
Ik keek naar de klok.
‘Ik moet weg.’
‘Via de andere uitgang,’ zei hij.
Ik rende om het gebouw heen naar mijn auto. Bij de eerste kruising zag ik dat de brandstofmeter bijna op leeg stond. Ik had het tanken uitgesteld omdat mijn nieuwe bankpas nog niet binnen was. Contant geld had ik geleend van Ria.
Ik kwam elf minuten te laat.
Youssef stond bij de retourentafel.
‘Bellen,’ zei hij.
‘Het was maar elf minuten.’
Zodra ik het zei, hoorde ik hoe het klonk.
‘Ik plan mensen in, Ruben. Als jij er niet bent, moet ik iets anders regelen. Dus bellen.’
Ik wilde hem vertellen over de gang, mijn bankpas, mijn slaap. Alles tegelijk.
In plaats daarvan zei ik: ‘Je hebt gelijk.’
Hij schoof een krat naar me toe.
‘Begin met deze.’
Dat werk redde me niet ineens. Ik maakte fouten. Mijn concentratie was slecht. Eén middag voerde ik twaalf keer het verkeerde artikelnummer in. Een collega, Kim, moest het herstellen.
‘Laat mij even zien wat je doet,’ zei ze.
Ik schoot meteen in de verdediging.
‘Ik heb twintig jaar in magazijnen gewerkt.’
Ze trok haar handen terug.
‘Dan doe je het zelf.’
Tijdens de pauze ging ik naast haar zitten.
‘Sorry. Ik reageerde lullig.’
‘Ja.’
‘Wil je het alsnog laten zien?’
Dat deed ze. Zonder verdere opmerkingen.
Mijn uren werden afgestemd op wat ik aankon. Ik gaf inkomsten door voor mijn uitkering. Toch ging de verwerking een keer mis, waardoor ik tijdelijk te weinig ontving. Vroeger had ik de brief dichtgeklapt en een week gewacht. Nu nam ik hem dezelfde middag mee naar Sana.
Het kostte drie telefoontjes en twee weken voordat het was hersteld.
Ik was nog steeds boos. Alleen liet ik die boosheid niet meer bepalen of ik iets deed.
Na acht weken in de opvang kreeg ik zicht op een kamer in een begeleid woonproject. Geen zelfstandige woning. Een eigen kamer met een slot, gedeelde keuken en badkamer, vaste afspraken met begeleiding. De huur paste net binnen mijn budget als ik op andere kosten bleef letten.
Er was een gesprek, daarna een bezichtiging. Ik mocht niet meteen tekenen. Mijn aanvraag moest nog worden beoordeeld.
De kamer lag boven een voormalige winkel. Het raam keek uit op een bushalte. Tegen één muur zat een donkere veeg. Er stond een smal bed.
Ik liep naar het raam en weer terug.
Zeven stappen.
‘Wat vind je ervan?’ vroeg de begeleidster.
‘Kan ik hier ingeschreven staan?’
‘Ja.’
‘En mijn dochter ontvangen?’
Ze legde de bezoekafspraken uit. Overnachten kon niet zomaar en moest apart worden besproken.
Ik knikte. Mijn hoofd liep al vooruit. Een tafel. Twee stoelen. Noor met haar huiswerk.
Vier dagen later kreeg ik bericht dat er meer tijd nodig was. Er moest nog iets worden afgestemd over de begeleiding en financiering.
Ik las de mail op mijn bed in de opvang.
Henk zat aan zijn kant een boterham te smeren. Ik stond op, trok mijn tas onder het bed vandaan en begon kleren erin te proppen.
‘Ga je weg?’ vroeg hij.
‘Dit schiet niet op.’
‘Waar ga je heen?’
‘Mijn auto.’
Hij keek naar de tas.
‘Daar kreeg je toch ook geen kamer van?’
Ik vloekte tegen hem. Hij zei niets meer.
Buiten zat ik twintig minuten achter het stuur. Mijn sleutel lag in mijn hand. Ik wilde rijden tot niemand wist waar ik was. Niet omdat dat verstandig was. Omdat ik dan tenminste zelf besloot.
Mijn telefoon ging. Sana.
Ik liet hem overgaan. Daarna belde ik terug.
‘Ik trek dit wachten niet,’ zei ik.
Ze vroeg waar ik was. Toen vroeg ze of ik die avond in de opvang wilde blijven en morgen samen de mail wilde bekijken.
Geen belofte. Eén avond.
Ik ging terug naar binnen.
‘Sorry,’ zei ik tegen Henk.
Hij schoof zijn bord opzij zodat mijn tas weer naast het bed kon.
Twee weken later mocht ik tekenen.
Ik las iedere pagina. Bij de afspraak over de huur vroeg ik uitleg. Mijn hand trilde toen ik mijn naam zette, maar dit keer kwam dat niet door kou.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen sleutel
De sleutel bleef de eerste avond aan de binnenkant van het slot zitten.
Ik wilde hem kunnen zien.
Mijn kamer had witte muren, grijs zeil en een radiator die tikte als hij warm werd. In de gedeelde keuken stond een koelkast met plankjes waarop kamernummers waren geplakt. Ik kreeg het middelste plankje.
Ik zette er melk, kaas en een bak druiven neer.
Daarna bleef ik met de koelkastdeur open staan.
‘Maak je een foto?’ vroeg iemand achter me.
Het was mijn nieuwe huisgenoot Mehmet. Hij droeg pantoffels en hield een vergiet vast.
‘Nee. Ik kijk even.’
Hij knikte en wachtte tot ik de deur sloot.
Bas bracht mijn spullen met een geleende aanhanger. Hij had dozen bewaard die ik zelf bijna vergeten was. Boeken. Een bureaulamp. Een mok die Noor ooit had beschilderd.
We droegen alles naar boven.
‘Waarom heb je niks gezegd?’ vroeg hij toen we op het bed zaten.
Ik wist welke periode hij bedoelde.
‘Omdat jij al genoeg had met je vader.’
‘Dat had ik. Maar ik had wel kunnen meedenken.’
‘Ik kon het niet uitspreken.’
Hij keek naar de stapel dozen.
‘De volgende keer wel.’
‘Ik probeer het.’
Dat antwoord beviel hem kennelijk meer dan een grote belofte. Hij gaf me een klap op mijn knie en stond op om de laatste doos te halen.
Noor kwam die zaterdag met Marieke. Ik had broodjes gekocht en de vloer twee keer gedweild. Er stonden twee tweedehands stoelen aan een kleine tafel. Zelf zat ik op het bed.
Noor bekeek eerst de kamer. Daarna wilde ze de badkamer zien en de keuken. Ze las mijn kamernummer op het plankje in de koelkast.
‘Mag ik die druiven?’
‘Daar zijn ze voor.’
Terug in de kamer ging ze aan tafel zitten. Ze haalde een schrift uit haar tas.
‘Ik moet nog rekenen.’
Marieke keek naar mij. Ik knikte.
‘Dan haal ik je over een uur,’ zei ze.
Toen de voordeur beneden dichtviel, pakte Noor mijn pen.
‘Breuken,’ zei ze. ‘Snap jij dat?’
‘We gaan het zien.’
Ik snapte de eerste som niet. Noor legde uit hoe haar juf het deed. Daarna maakten we er samen vier.
Er was geen groot gesprek. Ze maakte een kras op papier, at druiven en vroeg of ik zachter wilde kauwen.
Ik had haar gemist op manieren die ik pas daar merkte.
Dat was zeven maanden geleden.
Ik woon nog steeds in die kamer. De donkere veeg is overgeschilderd. Mijn begeleiding is minder vaak nodig, maar we hebben nog contact. Er loopt een traject om mijn schulden af te lossen. Ik heb weinig geld over. Iedere betaling staat in mijn schrift.
Bij het retourenbedrijf werk ik inmiddels vier dagen per week, zes uur per dag. Meer is voor mijn rug niet verstandig. Mijn contract is opnieuw verlengd. Het is geen vaste baan, maar ik weet voor de komende maanden waar ik aan toe ben.
Een zelfstandige woning heb ik nog niet. Ik reageer op aanbod waarvoor ik in aanmerking kom. Soms bekijk ik kamers op de particuliere markt. Meestal zijn ze te duur. Soms is er geen antwoord. Ik kan daar nog steeds een hele avond kwaad om zijn.
Noor komt op woensdagmiddag. Overnachten is hier nog geen vaste mogelijkheid. Daarom breng ik haar na het eten terug naar Breda. Dat is niet wat ik wil, maar het is duidelijk. Voor haar en voor mij.
Mijn Opel heb ik verkocht toen een reparatie meer kostte dan ik kon betalen. De koper kwam met zijn zoon. Voordat hij wegreed, controleerde ik de achterbak drie keer.
Onder de mat vond ik een mandarijnenschilletje, hard en bruin.
Ik gooide het weg bij het tankstation.
Daarna belde ik Ria. Zij woont inmiddels tijdelijk in een kleine studio. We drinken soms koffie. We vragen elkaar nog steeds hoe we hebben geslapen, en luisteren ook naar het antwoord.
Ik schrik af en toe wakker van voetstappen op straat. Dan duurt het een paar seconden voordat ik weet waar ik ben. Mijn nek doet zeer als het koud wordt. En als ik ergens een auto zie met handdoeken voor de ramen, kijk ik niet meer achteloos weg.
Vorige week stond Noor bij mijn deur terwijl ik naar mijn sleutel zocht.
‘Je hebt hem in je andere hand,’ zei ze.
Ze had gelijk.
Ik maakte open. Zij liep meteen naar binnen en zette haar tas op de stoel. Ik hing mijn jas aan een haakje naast de deur.
Daarna draaide ik het slot om en zette water op voor thee.