Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

Lachen mag weer

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

Lachen mag weer — De sleutel

De sleutel brak af op de avond dat ik voor het eerst zonder Thomas thuiskwam.

Het kleine stuk metaal bleef tussen mijn vingers zitten. De rest stak in het slot. Achter mij stond mijn zus met een tas waarin mijn man zijn schoenen lagen.

‘Geef eens,’ zei ze.

‘Niet doen, Sanne.’

Ze stak toch haar hand uit. Ik sloeg hem weg. Niet hard, maar hard genoeg om haar stil te krijgen.

Het was kwart over elf. Aan de overkant van onze straat in Amersfoort ging een slaapkamerlamp aan. Ik keek omhoog. Het gordijn bewoog.

‘Nu hebben ze iets te zien,’ zei ik.

Sanne zette de tas neer.

‘Marit. We moeten naar binnen.’

Binnen sliep onze dochter Noor. Twaalf jaar. Mijn moeder zat bij haar. Om zes uur had ik gebeld dat papa niet meer wakker zou worden. Mijn moeder had gevraagd of ik het zeker wist. Alsof ik een vertrekbord verkeerd had gelezen.

Thomas was die ochtend op zijn werk in elkaar gezakt. Hij gaf techniek op een middelbare school in Soest. Een collega had hem gevonden naast een kast met bankschroeven. Een grote bloeding in zijn hoofd, zeiden ze in het Meander. Een arts tekende iets op een vel papier. Ik herinnerde me vooral zijn pen. Er zat een kauwplek op het dopje.

Om negen uur hadden ze vastgesteld dat Thomas dood was.

Hij was vierenveertig.

Die ochtend had ik nog tegen hem gezegd dat hij eindelijk zijn rommel uit de schuur moest halen.

‘Vanavond,’ had hij gezegd.

‘Dat zeg je al drie weken.’

Dat was ons laatste gesprek geweest. Geen ruzie. Wel mijn geïrriteerde stem, die ik daarna eindeloos zou terughoren.

Sanne drukte op de bel. Mijn moeder deed open in haar sokken.

‘Waarom bel je?’ vroeg ze.

Ik hield de halve sleutel omhoog. Toen begon ik te lachen.

Het was een lelijk geluid. Kort en scherp. Mijn moeder pakte mijn pols.

‘Kom maar.’

‘Hij zei nog dat het slot vervangen moest worden.’

Niemand antwoordde.

‘Daar had hij dus gelijk in.’

Ik lachte weer. Daarna kokhalsde ik boven de plantenbak naast de deur. Er kwam niets. Ik had sinds de ochtend alleen een halve koek gegeten.

Noor stond onder aan de trap. Ze droeg Thomas zijn oude voetbalshirt. Het kwam tot haar knieën.

‘Heb je hem meegenomen?’ vroeg ze.

Ik begreep haar niet meteen.

‘Papa.’

Ik ging op mijn hurken zitten. Mijn jas trok strak over mijn rug.

‘Nee, lieverd. Dat kon niet.’

‘Waarom niet?’

Ik had woorden gehoord over een mortuarium, een uitvaartverzorger en vervoer. Geen ervan kon ik nu gebruiken.

‘Hij blijft vannacht nog in het ziekenhuis.’

Ze keek naar de tas naast Sanne.

‘Wat zit daarin?’

‘Zijn spullen.’

‘Zijn telefoon ook?’

Ik knikte.

‘Die moet aan de lader.’

Mijn moeder begon te huilen. Noor draaide zich direct naar haar toe.

‘Niet zo hard, oma.’

Ik stond op en legde mijn handen op haar schouders.

‘Je hoeft niet op oma te letten.’

‘Doe ik ook niet.’

Ze stapte langs me heen en haalde de telefoon uit de tas. Het scherm was zwart. In de keuken pakte ze zijn vaste kabel. Ze wist precies welke. Hij plakte altijd gele tape om zijn laders, omdat wij ze volgens hem voortdurend stalen.

Daar stonden we. Vier mensen om een telefoon die langzaam weer stroom kreeg.

Op het aanrecht lag zijn broodtrommel van de vorige dag. Ik deed hem open. Twee korsten. Een plak kaas, dubbelgevouwen. Ik gooide de kaas weg en hield de korsten vast.

Sanne haalde ze voorzichtig uit mijn hand.

Die nacht wilde Noor in ons bed. Ze ging op zijn plek liggen, maar schoof na een minuut naar het midden.

‘Het ruikt te veel,’ zei ze.

Ik lag naast haar met mijn kleren aan. Beneden praatten mijn moeder en Sanne zacht. Een auto reed door de natte straat.

‘Mama?’

‘Ja.’

‘Was je erbij toen hij doodging?’

‘Ja.’

‘Was hij alleen daarvoor?’

Ik vertelde over zijn collega. Over de ambulance. Over mijn hand op zijn arm. Dingen die ik wist. Ik liet weg wat ik niet wist.

Noor trok het dekbed tot haar kin.

‘Morgen moet iemand de deur maken.’

‘Ja.’

Ik keek naar de lege ruimte naast haar. Thomas repareerde zulke dingen. Soms meteen. Vaak pas na drie keer vragen.

Nu moest ik een slotenmaker bellen. Ook moest ik kiezen in welke kleren mijn man begraven zou worden. Ik wist niet welke van die twee taken ik als eerste aankon.

Hoofdstuk 2

De verkeerde muziek

Vier dagen later zat ik tegenover uitvaartbegeleider Henk. Hij had een grijze map en schoenen die piepten op onze keukenvloer.

‘Welke muziek paste bij Thomas?’ vroeg hij.

Ik wilde zeggen dat hij dood was en dus nergens meer iets bij hoefde te passen. In plaats daarvan schoof ik mijn laptop naar hem toe.

Thomas had een afspeellijst gemaakt voor autoritten. Daar stonden zeven uur aan liedjes op. Vooral harde gitaren. Ook één nummer van een kinderkoor. Dat had Noor er ooit tussen gezet.

‘Deze lijst,’ zei ik.

Henk knikte alsof zeven uur muziek geen probleem was.

‘We kunnen er drie kiezen.’

Sanne zat naast me met een notitieblok. Ze had al bloemen, kaarten en koffie opgeschreven. Onder koffie stond een vraagteken.

‘Gewoon koffie,’ zei ik.

‘Dat was niet mijn vraag.’

‘Dan moet je hem stellen.’

Ze legde haar pen neer.

‘Ik probeer je te helpen.’

‘Ik weet het.’

Maar ik zei het op een toon waarop je iemand vraagt te vertrekken.

Noor kwam binnen met een stapel foto’s. Ze had ze uit de kast gehaald. Op de bovenste stond Thomas op camping Bakkum. Hij hield een verbrande worst omhoog. Zijn buik hing over zijn zwembroek.

‘Deze moet op de kist,’ zei ze.

Mijn moeder schudde haar hoofd.

‘We hebben ook die mooie van Kerstmis.’

‘Daar staat hij op alsof hij straf heeft.’

Ik pakte de campingfoto. Thomas keek niet naar de camera, maar naar mij. Ik wist nog waarom. Ik had gevraagd of hij soms voor de brandweer kookte.

‘Deze wordt het,’ zei ik.

Mijn moeder keek weg. Ik liet haar.

Op de dag van de begrafenis regende het niet. Dat vond ik ongepast. De lucht boven Rusthof was helder. Mensen stonden buiten hun jas uit te trekken.

Binnen bleef ik vlak bij de kist. Wie te dichtbij kwam, rook naar koffie of parfum. Iedereen wilde me vasthouden. Ik had na twintig minuten pijn tussen mijn schouderbladen.

Een collega van Thomas pakte beide handen vast.

‘Hij was zo trots op jullie.’

Ik knikte.

Een andere collega zei hetzelfde. Daarna een buurvrouw.

Ik wilde weten of hij op zijn werk ook over mij klaagde. Over mijn lijstjes. Over het licht dat ik overal achter hem uitdeed. Ik wilde iets horen wat niet voor deze dag was gladgestreken.

Vlak voor de dienst kwam zijn vriend Joris naar me toe.

‘Hij heeft mijn boormachine nog,’ zei hij.

Ik keek hem aan.

‘Met die kapotte koffer?’

‘Die koffer was heel toen hij hem kreeg.’

Voor het eerst die ochtend ademde ik zonder dat mijn borst pijn deed.

Toen begon de muziek.

Niet het nummer dat ik had gekozen. Door de zaal klonk een hoog kinderkoor, opgewekt en verschrikkelijk luid.

Noor greep mijn arm.

‘Mijn liedje.’

Achter ons schoof iemand op een stoel. Henk keek door het raam naar de techniekruimte. Zijn mond bewoog. Het koor zong door.

Noor boog voorover. Haar schouders schokten.

Ik dacht dat ze huilde. Toen zag ik haar gezicht.

Ze lachte.

Ik voelde woede opkomen. Niet omdat zij lachte. Omdat dit nu ook nog misging. Omdat ik zelfs drie liedjes niet goed had kunnen regelen.

Noor fluisterde: ‘Papa zou dit echt heel goed vinden.’

Toen zag ik hem voor me. Zijn overdreven brave gezicht wanneer dat nummer in de auto begon. Zijn hand omhoog alsof hij een belangrijke solo ging zingen.

Ik sloeg mijn hand voor mijn mond. Het hielp niet.

Naast ons zat mijn moeder kaarsrecht. Aan de andere kant begon Sanne ook te lachen. Ze keek daarbij strak naar haar knieën.

De muziek stopte midden in een woord.

De stilte erna was nog erger.

‘Sorry,’ zei Henk vanaf de lessenaar.

Noor schudde haar hoofd. ‘Hoeft niet.’

Later las ik mijn tekst voor. Ik vertelde over zijn handen. Over hoe hij leerlingen liet oefenen op hout dat hij uit oude meubels haalde. Over zijn slechte gewoonte om natte handdoeken op bed te gooien.

Bij de laatste alinea kon ik niet verder. Sanne stond op, maar ik hield mijn hand omhoog. Ik wachtte. Toen las ik de laatste vier regels zelf.

Na de begrafenis vroeg mijn moeder of ik boos op haar was.

‘Waarover?’

‘Dat ik niet meelachte.’

Ik schudde mijn hoofd.

Thuis zette Noor de campingfoto op de vensterbank. Ik ruimde de kopjes af. Toen iedereen weg was, bleef ik bij de achterdeur staan.

Ik had gelachen bij zijn kist.

De hele avond voelde dat als iets waarvoor ik me nog moest verantwoorden.

Hoofdstuk 3

Zijn stem

Na zes weken verdwenen de ovenschotels.

Eerst stonden er elke dag bakjes voor de deur. Lasagne. Soep. Iets met linzen waar niemand een naam bij had geschreven. Daarna kwamen er vooral berichten.

Hoe gaat het nu?

Ik typte meestal: Wisselend.

Dat was een bruikbaar woord. Mensen konden er zorg in lezen zonder dat ik iets hoefde uit te leggen.

In werkelijkheid ging het op donderdag om tien uur redelijk en om tien over tien niet meer. Dan vond ik een sok achter de wasmachine. Of zag ik bij de Albert Heijn zijn yoghurt in de aanbieding.

Ik werkte drie ochtenden bij de administratie van een installatiebedrijf. Mijn baas had gezegd dat ik zelf mocht aangeven wanneer ik terugkwam. Toen ik terugkwam, durfde niemand mij werk te geven.

Op mijn tweede ochtend maakte ik zeventien facturen. Zes waren fout.

‘Ga maar even wandelen,’ zei mijn collega Daan.

‘Ik ben geen hond.’

Hij schoof zijn stoel achteruit.

‘Nee. Maar je zit al een uur naar dezelfde regel te kijken.’

Ik trok mijn jas aan en liep langs de Eem. Bij een bankje at een man een broodje ei. Ik kon zijn warme lunch niet verdragen. Hij zat daar gewoon. Hij had nergens toestemming voor nodig.

Thuis wachtte een envelop van de bank. Verder moest ik iets doorgeven aan de verzekeraar, zijn pensioenfonds en de energieleverancier. Overal bestond Thomas nog, maar telkens op een andere manier.

Aan de telefoon vroeg een medewerker naar zijn toestemming.

‘Hij is overleden.’

‘Dan heb ik een overlijdensakte nodig.’

‘Die hebben jullie.’

Er volgde een stilte met toetsenbordgeluiden.

‘Ik zie het. Gecondoleerd alsnog.’

Ik hing op voordat ze haar volgende vraag kon stellen.

Die middag zette ik zijn telefoon aan. Noor had hem wekenlang opgeladen. Nu lag hij meestal in een keukenla.

Er stonden foto’s op die ik niet kende. Een scheef schoolkrukje. Een lekke band. Noor die op de bank sliep met een boek op haar gezicht.

Ik vond ook een spraakbericht dat hij mij had gestuurd. Twee maanden voor zijn dood. Ik had het destijds niet helemaal afgeluisterd.

‘Marit, luister. Ik sta bij die winkel en ze hebben dus zes soorten witte verf. Zes. Jij zei gewoon wit. Bel me even, want die jongen hier begint bang van me te worden.’

Op de achtergrond lachte iemand.

Ik drukte opnieuw op afspelen.

En nog eens.

Toen Noor thuiskwam, zat ik nog aan tafel.

‘Wat doe je?’

Ik liet het horen.

Ze glimlachte bij het stukje over de verf. Daarna vroeg ze of ze een boterham mocht.

‘Wil je het nog een keer horen?’

‘Niet nu.’

‘Je mag hem wel missen, hè.’

Ze draaide zich om.

‘Dat doe ik ook.’

‘Dat bedoel ik niet.’

‘Wat bedoel je dan?’

Ik wist het niet. Ik wilde dat ze naast me kwam zitten. Ik wilde samen verdrietig zijn. Maar zij wilde pindakaas en daarna naar haar vriendin Bo.

‘Niets,’ zei ik.

Ze smeerde haar brood staand. Ik keek naar haar rug en zag hoe voorzichtig ze bewoog.

Die avond belde Sanne.

‘Je moet met iemand praten.’

‘Ik praat met jou.’

‘Je belt me vooral om te vragen waar formulieren liggen.’

Ik zei dat ik moe was. Ze zei dat ze dat geloofde, maar haar punt bleef staan.

Een week later zat ik in een buurthuis in het Soesterkwartier. Acht stoelen. Een kan lauw water. Op het prikbord hing een advertentie voor stoelyoga.

‘Ik heet Els,’ zei de vrouw naast me. ‘Mijn vrouw is veertien maanden dood. Ik ben hier omdat mijn vrienden denken dat veertien maanden lang is.’

Ze had korte grijze haren en een felgroene bril.

Toen ik aan de beurt was, vertelde ik over Thomas. Niet over de begrafenis. Niet over het lachen.

Na afloop stond Els buiten een mandarijn te pellen.

‘Jij houdt nog iets achter,’ zei ze.

‘Ben je altijd zo gezellig?’

‘Meestal erger.’

Ik vertelde het toch. Over het kinderkoor. Over Noor. Over mijn schuldgevoel.

Els trok een wit draadje van haar mandarijn.

‘Ik heb gelachen toen de uitvaartman met zijn broek aan een deurklink bleef hangen.’

‘Echt?’

‘Mijn vrouw lag twee meter verderop.’

Ik keek naar haar handen.

‘En daarna?’

‘Daarna heb ik gehuild. Die broek had daar niets aan veranderd.’

Ze gaf me de helft van haar mandarijn. Ik nam hem aan.

Hoofdstuk 4

Achter de schuurdeur

In september viel er water op Noors fietshelm.

Ze kwam de keuken binnen met de helm ondersteboven. Er liep een straaltje uit.

‘Het dak lekt.’

Ik ging met haar mee naar de schuur. Onder het dak lag een donkere streep. Water drupte langs een balk op de werkbank van Thomas.

Ik was daar sinds zijn dood nauwelijks geweest. De deur ging nog net open. Er stonden drie fietsen, twee kapotte stoelen en een doos met houten wieltjes. Tegen de achterwand leunde het blauwe kastje dat hij voor Noor zou opknappen.

‘We moeten ruimte maken,’ zei ik.

‘Niet papa zijn dingen weggooien.’

‘Dat zeg ik niet.’

Maar ik had het woord weggooien zelf al gedacht.

Joris kwam zaterdag. Hij droeg werkschoenen en had een rol plastic bij zich. Bij de deur keek hij naar de boormachine op de plank.

‘Daar is de voortvluchtige.’

Ik glimlachte niet. Hij zag het en begon over het dak.

We tilden spullen naar de tuin. Onder de werkbank lag een broodzak met twee schroeven erin. Op een plank stonden oude koffiemokken. Ik wist niet welke betekenis hadden en welke gewoon vies waren.

Joris pakte een doos vol kabels.

‘Deze kunnen waarschijnlijk—’

‘Nee.’

Hij zette hem terug.

Een minuut later wilde ik dezelfde doos zelf weg hebben. Ik werd boos op de kabels. Op de ruimte die ze innamen. Op Thomas, die nooit iets wegdeed waar misschien nog een bruikbaar stekkertje aan zat.

Ik schopte tegen een lege emmer. Die schoot over de tegels en raakte de tuinstoel.

Joris bleef staan.

‘Zeg nou iets,’ zei ik.

‘Wat wil je horen?’

‘Dat hij dit zelf had moeten opruimen.’

‘Dat had hij ook.’

Zijn antwoord maakte me nog kwader.

‘Je hoeft niet meteen mee te doen.’

Hij wreef met zijn hand over zijn hoofd.

‘Marit, ik weet niet welke kant ik op moet.’

Dat wist ik zelf ook niet.

Noor stond achter het keukenraam. Ik zag haar en zette de emmer overeind, alsof dat de rest ongedaan maakte.

We werkten verder zonder veel te praten. Joris dekte het lek tijdelijk af. Maandag zou hij een dakdekker bellen die hij kende.

Ik trok een lade open. Daar lag een schrift met maten, boodschappen en snelle tekeningen. Op één blad stond het blauwe kastje. Ernaast: Noor — plank hoger, plek voor strips.

Ik ging op een omgekeerde krat zitten.

Joris keek over mijn schouder.

‘Daar was hij de laatste woensdag mee bezig.’

De laatste woensdag. Er waren dagen van hem geweest waarvan ik niets wist. Gewone middagen waarop ik ergens anders was.

‘Was hij hier?’ vroeg ik.

‘Ja. Ik kwam die boor halen. Toen gingen we eerst kijken hoe dat kastje uit elkaar moest.’

‘En toen vergat je de boor.’

‘Zoals je ziet.’

Ik streek over de bladzijde. Onderaan stond een telefoonnummer dat was doorgestreept. Verder niets. Geen boodschap voor later. Geen tekst die alles verklaarde.

Noor kwam naar buiten.

‘Mag ik dat schrift?’

Ik gaf het aan haar. Ze bekeek de tekening.

‘Hij zou het geel maken.’

‘Dat wist ik niet.’

‘Jij vond geel lelijk.’

‘Voor de woonkamer.’

‘Het is voor mijn kamer.’

Ik wilde zeggen dat we daar later naar zouden kijken. Dat zei ik de laatste tijd vaak. Het betekende meestal dat ik het niet aankon.

‘We kunnen het afmaken,’ zei ik.

Joris keek naar het kastje.

‘Die deur hangt scheef. En het hout aan de onderkant is slecht.’

‘Kun je het repareren?’ vroeg Noor.

‘Ja. Maar jij moet meehelpen.’

Ze knikte meteen.

Die avond vroeg ik haar of ze geschrokken was van de emmer.

We zaten op haar bed. Het schrift lag op haar bureau.

‘Een beetje,’ zei ze.

‘Ik was niet boos op jou.’

‘Dat weet ik.’

Ik wachtte.

‘Je was boos op papa.’

‘Ja.’

Ze trok een draadje uit haar dekbedovertrek.

‘Ik ook soms. Toen mijn band lek was.’

Ik had haar die dag gezegd dat ze moest lopen. Thomas zou de band hebben geplakt.

‘Dat mag,’ zei ik.

‘Ook als hij er niets aan kan doen?’

‘Ook dan.’

Ze leunde even tegen me aan. Ik sloeg mijn arm om haar heen. Na een tijdje vroeg ze of ik weg wilde. Ze moest nog geschiedenis leren.

Beneden schreef ik bandenplakset op het boodschappenlijstje.

Hoofdstuk 5

De eerste avond uit

Els vroeg me mee uit eten in november.

‘Niet praten in een kring,’ zei ze aan de telefoon. ‘Gewoon eten dat iemand anders maakt.’

We hadden sinds die eerste bijeenkomst een paar keer gewandeld. Zij woonde in Leusden. Haar vrouw, Karin, had jarenlang bij een bibliotheek gewerkt. Els sprak over haar zonder haar eerst aan te kondigen. Dat vond ik prettig.

Ik zei nee tegen het eten.

Twee dagen later belde ik terug.

‘Hoe laat?’

We spraken af bij een klein restaurant aan de Hof. Ik fietste erheen met koude handen en een vreemd schuldgevoel. Noor logeerde bij Bo. Niemand zat thuis op mij te wachten. Toch keek ik onderweg twee keer op mijn telefoon.

Els zat al binnen.

‘Je ziet eruit alsof je op sollicitatie moet.’

‘Misschien moet ik weer weg.’

‘Bestel eerst iets. Vluchten gaat beter met eten op.’

Ik hing mijn jas op.

De ober vroeg of we iets te vieren hadden.

‘Nee,’ zei ik te hard.

Hij keek van mij naar Els.

‘Wij hebben allebei honger,’ zei zij. ‘Dat is het ongeveer.’

Hij bracht de menukaarten en liet ons daarna rustig kiezen.

We praatten over haar kapotte vaatwasser. Over mijn werk, waar ik inmiddels vier ochtenden draaide. Over Noors nieuwe wiskundeleraar, die iedere les zei dat hij het maar één keer ging uitleggen en het vervolgens zes keer deed.

Bij het hoofdgerecht vertelde Els over een vakantie met Karin op Texel. Ze hadden een tandem gehuurd. Karin had achterop gezeten en bij iedere bocht haar voeten opgetild.

‘Alsof we door een plas reden,’ zei Els.

Ik zag het voor me.

‘Waarom?’

‘Ze vertrouwde mijn stuurwerk niet. Maar ze dacht dat voeten optillen hielp.’

Els deed het voor onder de tafel. Haar knie stootte tegen het blad. Mijn glas sprong een stukje op en landde weer rechtop.

Ik begon te lachen. Niet dat scherpe lachen van de eerste avond. Ik kon niet stoppen omdat Els heel ernstig naar het glas keek.

‘Goede tafel,’ zei ze. ‘Slechte vering.’

De ober keek onze kant op. Ik lachte nog harder.

Toen hield het op.

Ik voelde mijn mond nog openstaan, maar er kwam niets meer. Mijn handen werden koud. Ik zag Thomas tegenover me zitten, op de stoel van Els. Zijn lege stoel thuis. Zijn jas die nog aan de kapstok hing.

‘Ik moet even naar buiten.’

Ik pakte mijn jas niet. Op de Hof stonden mensen onder een terrasverwarming. Iemand riep een naam. Een fietser slingerde tussen de tafels door.

Ik zette mijn handen tegen een koude muur.

Els kwam naast me staan met mijn jas.

‘Hier.’

‘Ik was hem vergeten.’

‘Je jas?’

Ik schudde mijn hoofd.

Ze zei niets.

‘Een paar minuten,’ zei ik. ‘Ik zat gewoon te eten. En te lachen. Ik dacht helemaal niet aan hem.’

Els hield de jas open. Ik stak mijn armen erin.

‘Dat gebeurt mij ook.’

‘Vind je dat niet verschrikkelijk?’

‘Soms. Andere keren ben ik blij dat mijn hoofd even ergens anders is.’

Een groep studenten liep langs. Een jongen sleepte een krat bier mee. Het geluid schuurde over de stenen.

‘Ik wil niet dat hij minder belangrijk wordt,’ zei ik.

‘Dat heb je net niet besloten.’

Ik keek haar aan.

‘Je hebt om mijn knie gelachen. Dat was alles.’

We bleven staan tot ik weer rustig ademde. Daarna gingen we naar binnen. Mijn eten was lauw. Ik at het toch op.

Thuis deed ik de ganglamp aan. Thomas zijn jas hing naast mijn regenjas. Ik stak mijn hand in zijn zak en vond een kassabon van de bouwmarkt.

Ik hoefde niet meteen te huilen. Dat maakte me opnieuw bang.

De volgende ochtend kwam Noor thuis. Ze rook naar het wasmiddel van Bo’s moeder.

‘Was het leuk?’ vroeg ze.

Ik wilde zeggen: best.

‘Ja,’ zei ik. ‘Een tijdje wel.’

‘Mooi.’

Ze trok haar schoenen uit.

‘Ik heb ook gelachen.’

‘Bij Bo?’

‘Ja. Haar vader liet pannenkoeken vallen. Niet één. De hele schaal.’

Ik glimlachte.

Noor keek me aan.

‘Ik vertel dat soms niet.’

‘Waarom niet?’

Ze haalde haar schouders op.

‘Omdat jij dan zo kijkt.’

Dat kwam hard aan. Ik wilde direct uitleggen dat ze mij verkeerd begreep. Maar ze stond daar met haar tas nog op haar rug, klaar om mijn reactie op te vangen.

‘Dat spijt me,’ zei ik. ‘Ik wil het juist horen.’

‘Ook stomme dingen?’

‘Vooral die schaal pannenkoeken.’

Ze zette haar tas neer en begon opnieuw.

Hoofdstuk 6

Niet alles bewaren

In januari kwam de brief van de hypotheekadviseur die ik zelf had aangevraagd.

Toch voelde het als een dreigement toen hij op de mat lag.

Met mijn inkomen, het nabestaandenpensioen en de uitkering van de verzekering konden we blijven wonen. Dat had de adviseur al aan de telefoon gezegd. Maar het moest nog geregeld worden. Ik moest begrijpen wat ik tekende.

Sanne ging mee naar de afspraak.

‘Ik kan dit zelf,’ zei ik in de auto.

‘Dat weet ik.’

‘Waarom zit je dan zo bezorgd te kijken?’

‘Omdat die fietser geen hand uitsteekt.’

Ik keek naar rechts. Ze remde. We zeiden even niets. Toen moesten we allebei grinniken.

Bij de adviseur stelde ik vragen. Veel vragen. Hij rekende dingen voor en schreef bedragen op. Voor het eerst sinds Thomas zijn dood ging ik een kantoor uit zonder het gevoel dat ik iets belangrijks had gemist.

Thuis belde ik Noor op school niet. Ik wachtte tot ze binnenkwam.

‘We hoeven niet te verhuizen,’ zei ik.

Ze zette haar fietshelm op tafel.

‘Zouden we dan verhuizen?’

Ik voelde mijn maag samentrekken.

‘Ik wilde eerst weten wat mogelijk was.’

‘Dus je had daarover nagedacht zonder mij?’

‘Ik moest de kosten bekijken.’

‘En dan zou je het zeggen als het al vaststond?’

Dat was niet mijn plan geweest. Toch begreep ik waarom het zo klonk.

‘Ik had moeten zeggen dat ik het aan het uitzoeken was.’

Ze ging naar boven. Haar deur sloeg niet dicht. Ze deed hem heel beheerst op slot. Dat was erger.

Ik bleef onder aan de trap staan.

Na een halfuur klopte ik aan.

‘Ik dacht dat ik je beschermde.’

Geen antwoord.

‘Maar het is ook jouw huis. Je moet weten wat er speelt.’

De sleutel draaide.

Noor ging op bed zitten. Het gele kastje stond naast haar bureau. Joris en zij hadden er drie zaterdagen aan gewerkt. De deur sloot niet helemaal recht. Noor weigerde dat te laten herstellen.

‘Gaan we zijn spullen ook ineens wegdoen?’ vroeg ze.

‘Niet ineens.’

‘Maar wel?’

Ik ging op haar bureaustoel zitten.

‘Sommige wel. Ik wil niet alles bewaren.’

Ze keek naar de vloer.

‘Ik ook niet,’ zei ze zacht.

Daar hadden we dan maanden omheen gelopen.

We spraken af dat we samen naar zijn kleren zouden kijken. Niet die dag. De zondag erop. Noor mocht stoppen wanneer ze wilde. Ik ook.

Zondag legden we drie lege dozen op bed. Bewaren. Weggeven. Nog niet.

De doos Nog niet was het eerst vol.

Noor hield zijn groene trui tegen zich aan.

‘Deze wil ik.’

‘Goed.’

Ik pakte zijn nette jas. Hij had hem gekocht voor een bruiloft en daarna voortdurend geklaagd over de mouwen.

‘Deze mag weg,’ zei ik.

Noor knikte.

Het ging bijna zakelijk. Tot ik achter in de kast een plastic tas vond. Daarin zaten wandelschoenen, met opgedroogde modder langs de zolen. Van ons laatste weekend bij Nijmegen.

Ik ging op de grond zitten.

Noor kwam naast me.

‘Nog niet?’ vroeg ze.

Ik knikte.

We zetten de schoenen terug. Daarna maakten we tosti’s.

Die middag bracht ik twee zakken naar Sanne. Zij zou ze naar de kringloop brengen. Ik wilde niet zien hoe iemand Thomas zijn jas aannam, woog en op een kar gooide.

Op de terugweg reed ik langs het ziekenhuis. Dat was niet nodig. Ik had een afslag gemist en zag het gebouw ineens rechts van me.

Mijn adem schoot omhoog. Ik zette de auto op een parkeerplaats en belde Els.

‘Ik dacht dat het beter ging,’ zei ik.

Ze vroeg waar ik stond.

‘Blijf daar even. Heb je water?’

Ik vond een flesje in het portier.

Ze bleef aan de lijn terwijl ik dronk. We spraken niet veel. Na een kwartier kon ik naar huis rijden.

Die avond pakte ik de verwijzing van de huisarts erbij. Ik had hem weken onder een stapel post laten liggen. De gesprekken met Els hielpen. De groep ook. Maar ik sliep slecht en schrok steeds terug in die ziekenhuiskamer.

Ik vulde het aanmeldformulier voor een psycholoog in.

Bij de vraag naar mijn hulpvraag schreef ik eerst: Ik wil me weer normaal voelen.

Ik haalde het weg.

Toen schreef ik: Ik wil slapen. En ik wil aan mijn man kunnen denken zonder steeds zijn laatste dag te zien.

Hoofdstuk 7

Er mag geluid zijn

Een jaar na Thomas zijn dood kocht ik zes tompoucen.

Niet omdat het een feest was. Noor had erom gevraagd.

‘Papa vond die lekker.’

‘Papa vond bijna alles lekker.’

‘Dan is dit dus geen moeilijke keuze.’

We gingen die ochtend naar Rusthof. Het gras was nat. Ik had een doek meegenomen om de steen schoon te maken, maar er zat nauwelijks vuil op. Toch veegde ik hem af.

Noor zette een klein potje blauwe druifjes neer.

We bleven tien minuten. Misschien twaalf. Ik vertelde hardop dat de schuur nu droog was. Noor zei dat ze een zeven voor techniek had, maar dat de opdracht makkelijk was geweest.

Daarna stonden we stil.

Ik wachtte op iets groots. Verdriet dat precies bij de datum paste. Een gedachte die ik later zou onthouden. In plaats daarvan had ik koude voeten en vroeg ik me af of ik de achterdeur op slot had gedaan.

‘Zullen we gaan?’ vroeg Noor.

‘Ja.’

In de auto zei ze: ‘Is dat erg? Dat ik weg wilde?’

‘Nee.’

‘Jij wilde ook.’

‘Ja.’

Ze zette de verwarming hoger.

Thuis kwamen Sanne, Joris en Els. Mijn moeder had afgebeld. Ze wilde die dag liever alleen naar het graf. Vroeger zou ik daar iets van hebben gevonden. Nu zette ik één tompouce terug in de koelkast voor haar.

Joris bracht een doosje schroeven mee.

‘Uit mijn schuur. Volgens mij van hem.’

Ik keek hem aan.

‘Dus dit gaat nog jaren door?’

‘Waarschijnlijk.’

Hij zette het doosje op het aanrecht. Ik zette het in de schuur. Niet op een bijzondere plek. Gewoon tussen de andere schroeven.

We dronken koffie aan de keukentafel. Els kende Thomas alleen uit onze verhalen. Ze vroeg hoe hij als vader was geweest.

Ik begon over geduld. Over fietstochten. Over de boeken die hij voorlas met steeds dezelfde verkeerde stemmen.

Noor onderbrak me.

‘Vertel over die meeuw.’

Sanne begon meteen te lachen.

‘Welke meeuw?’ vroeg Els.

We waren ooit in Scheveningen geweest. Thomas had patat gehaald en had ons uitgebreid verteld dat je meeuwen niet moest voeren. Daar werden ze brutaal van. Terwijl hij dat zei, liep hij achteruit met zijn bakje omhoog.

Een meeuw had precies dat moment gekozen.

‘Hij sloeg met zijn eigen patat naar die vogel,’ zei Noor.

‘En toen zat de mayonaise in zijn oor,’ zei Sanne.

Ik hoorde mezelf lachen. Ik voelde nog steeds de korte schrik die soms meekwam. Alsof ik iets deed wat niet paste. Maar ik bleef zitten.

Joris vroeg of de vogel de patat uiteindelijk had gekregen.

‘Bijna alles,’ zei ik. ‘Thomas heeft hem daarna nog uitgescholden.’

‘Met kinderen erbij,’ voegde Noor toe.

‘Jij kende die woorden al.’

‘Niet in die volgorde.’

We lachten opnieuw. Mijn buik deed er pijn van.

Even later moest ik huilen. Ik veegde mijn wangen af met een stuk keukenpapier. Niemand probeerde snel een ander onderwerp te vinden. Els schonk koffie bij. Noor legde haar voet tegen de mijne onder tafel.

Dat was genoeg.

Er was in dat jaar niet veel vanzelf gegaan. Ik was nog bij de psycholoog. De nachten waren beter, maar niet allemaal. In de supermarkt kon ik nog steeds vastlopen bij een product dat alleen Thomas at. Sommige weekenden waren te lang.

Ik had ook weer een foutloze werkweek gehad. Noor nam vriendinnen mee naar huis zonder eerst te vragen of het uitkwam met mijn verdriet. Ik had zelf haar achterband geplakt. De eerste poging lekte. De tweede niet.

Na de koffie gingen Sanne en Joris weg. Els hielp met afwassen. Noor zat boven te bellen met Bo.

‘En?’ vroeg Els.

‘Wat?’

‘Deze dag.’

Ik keek naar de kruimels op tafel.

‘Minder erg dan gisteren.’

Gisteren had ik voortdurend op de klok gekeken. Wat we een jaar eerder op dat tijdstip nog niet wisten. Wanneer zijn collega belde. Wanneer ik het ziekenhuis binnenliep.

Vandaag hadden we vooral bezoek gehad.

Els droogde het laatste bord af.

‘Ik bel je morgen.’

‘Goed.’

Toen ze weg was, kwam Noor naar beneden. Ze opende de koelkast.

‘Is die laatste voor oma?’

‘Ja.’

‘Jammer.’

Ik pakte mijn telefoon. Het bericht over de witte verf stond inmiddels veilig op mijn laptop en op een geheugenstick. Toch luisterde ik nog via zijn telefoon.

‘Wil je?’ vroeg ik.

Noor schoof een stoel bij.

Zijn stem vulde de keuken. Zes soorten witte verf. Die jongen die bang van hem werd.

Noor glimlachte.

‘Hij had gewoon een foto moeten sturen.’

‘Dat heb ik toen ook gezegd.’

We luisterden het bericht één keer af. Daarna legde ik de telefoon neer.

‘Wat eten we?’ vroeg ze.

Ik had niets bedacht. Er lagen eieren, een paprika en een halve courgette.

‘Omelet?’

‘Mag ik snijden?’

Ik gaf haar een plank. Zelf zette ik een pan op het vuur. Uit haar telefoon klonk muziek. Ze zong zacht mee en sloeg twee stukken paprika naast de plank.

Ik liet ze liggen tot we klaar waren met koken.