Mantelzorg en ouder worden
Mantelzorger naast een volle baan
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
De oproep
Om kwart over tien belde mijn moeder voor de vierde keer. Ik zat in een overleg over een levering die vaststond in Antwerpen. Mijn manager Bas wees naar een rij rode cijfers op het scherm. Ik drukte haar weg.
Daarna kwam een bericht van haar buurvrouw.
Kun je opnemen? Je moeder staat buiten zonder schoenen.
Ik schoof mijn stoel achteruit.
‘Ik moet weg.’
Bas keek op. ‘Nu?’
‘Mijn moeder.’
Meer kreeg ik niet uit mijn mond.
Ik heet Marieke van Dalen. Ik was zesenveertig, werkte veertig uur als planner bij een groothandel in Nieuwegein en dacht dat ik behoorlijk goed tegen druk kon. Ik kon vrachtwagens omleiden, ruzies tussen chauffeurs sussen en tegelijk onthouden dat mijn dochter Noor donderdag een toets had. Tot die ochtend werkte dat.
Mijn moeder woonde in Houten. Zesenzeventig. Weduwe. Een hoekhuis met een blauwe voordeur en een tuin die ze met een nagelschaartje leek bij te houden. Mijn vader was vier jaar dood. Sindsdien kwam ik iedere woensdag eten en op zaterdag voor boodschappen. Dat noemde ik gewoon op bezoek gaan.
Onderweg belde ik buurvrouw Ria.
‘Ze zocht je vader,’ zei ze.
Ik reed bijna de verkeerde afslag op.
‘Wat bedoel je?’
‘Ze zei dat Henk haar zou ophalen. Ik heb haar meegenomen naar mijn keuken.’
‘Heeft ze koorts?’
‘Geen idee. Ze wil haar thee niet. Ze denkt dat ze te laat komt.’
Bij Ria zat mijn moeder op een keukenstoel. Haar blote voeten stonden naast elkaar op de koude tegels. Ze droeg haar nette jas over een nachthemd.
‘Daar ben je eindelijk,’ zei ze.
Ik hurkte voor haar neer. ‘Waar moet je heen, mam?’
‘Naar huis.’
‘Je woont hiernaast.’
Ze keek naar Ria. ‘Ze luistert niet.’
Die zin trof me harder dan haar blote voeten. Mijn moeder had dat vroeger ook gezegd. Tegen mijn vader, als ik weer eens zonder jas naar school wilde.
Ik belde de huisarts. De assistente stelde vragen die ik niet kon beantwoorden. Wanneer was ze voor het laatst normaal geweest? Had ze geplast? Welke medicijnen gebruikte ze precies?
‘Ik ben er niet iedere dag,’ zei ik. Het klonk alsof ik me verdedigde.
De huisarts kwam die middag. Hij onderzocht haar, liet urine controleren en keek in haar medicijndoos. Een paar vakjes waren leeg. Andere zaten dubbel vol.
Hij vermoedde een delier door een infectie. Acute verwardheid, legde hij uit. Ze kreeg medicijnen. We moesten haar drinken aanbieden en opletten of ze zieker werd. Bij sufheid of snelle achteruitgang moesten we direct bellen. Iemand moest voorlopig bij haar blijven.
Dat laatste zei hij terwijl hij mij aankeek.
Ik knikte.
Pas toen hij weg was, dacht ik aan mijn werk. Aan de vrachtwagens. Aan Noor, die ik van haar training zou halen. Aan mijn partner Jeroen, die in Amersfoort lesgaf en zijn telefoon tijdens de les uit had.
Ik belde mijn broer Sander in Groningen.
‘Kun jij komen?’
‘Vandaag? Mariek, dat red ik echt niet.’
Op de achtergrond hoorde ik bestek.
‘Morgen dan?’
‘Ik moet even kijken.’
Ik zei dat het goed was. Dat was mijn eerste leugen die week.
Die nacht sliep ik op de bank. Om twee uur stond mijn moeder naast me.
‘Er zit een man in de tuin.’
Ik deed de buitenlamp aan. Een vuilnisbak. Een bezem. Regen tegen het raam.
‘Er is niemand, mam.’
‘Doe nou niet zo moeilijk. Je vader moet binnenkomen.’
Ik bracht haar terug naar bed. Om vier uur begon het opnieuw.
De volgende ochtend stuurde Bas een bericht. Sterkte. Laat weten wanneer je weer beschikbaar bent.
Ik las vooral die laatste zin.
Mijn moeder sliep eindelijk. Ik opende mijn laptop aan haar eettafel en probeerde een rooster te maken. De letters liepen door elkaar. Naast mijn hand lag een kassabon van de supermarkt. Zes pakken koffiefilters. Geen koffie.
Ik stond op en keek in de koelkast. Zure melk. Drie geopende potten appelmoes. Een bakje gehakt dat grijs was geworden.
Dit was niet maandag begonnen.
Ik dacht aan de keren dat ze vertelde dat haar televisie kapot was. Aan de herinnering van het energiebedrijf op haar aanrecht. Aan haar boze reactie toen ik vroeg waarom ze dezelfde blouse droeg.
Ik had losse problemen gezien. Geen patroon.
Uit de slaapkamer riep ze mijn naam.
Ik klapte mijn laptop dicht. Op het scherm bleef een half ingevulde planning staan.
Hoofdstuk 2
Alles ertussen
Na tien dagen was de infectie verdwenen. Mijn moeder wist weer dat mijn vader dood was. Ze schaamde zich toen ik voorzichtig vertelde over die ochtend bij Ria.
‘Dat zullen die medicijnen zijn geweest,’ zei ze.
Ik liet het even zo.
Maar ze bleef dingen vergeten. Niet haar sleutel een keer. Ze vergat waarom er water in een pan stond. Ze belde om te vragen of het zondag was, terwijl ik haar die ochtend naar de kapper had gebracht. Ze vertelde drie keer hetzelfde verhaal en werd boos als ik zei dat ik het al kende.
De huisarts stelde voor verder onderzoek te doen zodra ze voldoende hersteld was. Mijn moeder hoorde vooral dat woord: onderzoek.
‘Ik ben geen proefkonijn.’
‘Dat zegt ook niemand, mam.’
‘Dan moeten jullie me ook niet zo behandelen.’
Ondertussen werkte ik weer. Officieel tenminste. Ik kwam om halfacht binnen, zodat ik eerder weg kon. In de lunchpauze bestelde ik boodschappen voor haar. Op het toilet belde ik de apotheek. Tijdens het koken thuis zocht ik naar een verdwenen afspraakbrief.
Jeroen zag het eerder dan ik.
‘Je zit hier, maar je bent steeds ergens anders.’
‘Dat is tijdelijk.’
‘Dat zei je vorige maand ook.’
Ik trok de koelkast open en bleef ervoor staan. Ik wist niet meer wat ik nodig had.
Noor was zestien. Ze vroeg weinig. Dat vond ik handig, tot ik haar op een avond hoorde zeggen dat ze wel met de moeder van een vriendin naar een open dag ging.
‘Daar zouden wij toch samen heen?’ vroeg ik.
Ze haalde haar schouders op. ‘Je moet vast naar oma.’
Er zat geen verwijt in haar stem. Dat maakte het erger.
Op kantoor zette ik mijn telefoon rechtop tegen mijn beeldscherm. Iedere trilling trok mijn aandacht weg. Een melding van de supermarkt klonk hetzelfde als een bericht van Ria. Ik schrok overal van.
Mijn collega Fatima schoof op een middag naast me.
‘Je hebt twee chauffeurs op dezelfde rit gezet.’
‘Dat kan niet.’
Ze draaide haar scherm naar me toe.
Het kon wel.
Ik herstelde de fout en bood mijn excuses aan. Daarna ging ik in het trappenhuis zitten. Mijn hart sloeg snel. Ik was niet eens boos op mezelf. Ik voelde vooral angst. Mijn werk was het deel van mijn leven dat ik beheerste. Nu begon dat ook te schuiven.
Bas vond me daar.
‘Kom even mee.’
In zijn kamer zei hij dat hij begrip had, maar wel moest weten waar hij aan toe was.
‘Ik ook,’ zei ik.
Hij zweeg.
‘Sorry,’ voegde ik eraan toe.
‘Nee. Dat snap ik.’
We maakten een afspraak met personeelszaken. Ik had de acute dagen vrij gekregen. Voor de periode daarna moesten we kijken naar zorgverlof en mijn rooster. Ik had tot dan toe vooral vakantie-uren ingezet. Het voelde eenvoudiger om iets in te leveren dan te vragen waar ik recht op had.
De medewerker van personeelszaken vroeg hoeveel zorg ik eigenlijk gaf.
‘Boodschappen. Medicijnen. Afspraken.’
‘Hoeveel uur?’
Ik wist het niet.
Die week hield ik alles bij. Ook de telefoontjes. Ook de rit om een zoekgeraakte huissleutel te vinden die uiteindelijk in een ovenschaal lag. Ook het uur waarin ik thuis probeerde uit te zoeken waarom haar zorgverzekering een rekening niet had vergoed.
Negentien uur. Reistijd inbegrepen. Het piekeren paste niet in het overzicht.
Sander belde zondag.
‘Je moet wel grenzen stellen, hoor.’
Ik stond in mijn moeders schuur met een lekkende vuilniszak in mijn hand.
‘Welke grens bedoel je precies?’
‘Nou, gewoon. Niet alles zelf doen.’
‘Wat neem jij over?’
Hij bleef even stil.
‘De administratie kan ik wel bekijken.’
‘Niet bekijken. Doen.’
Mijn stem klonk hard. Ik liet hem zo.
We spraken af dat hij, met toestemming van mijn moeder, haar post en betalingen zou regelen. Iedere zondag zou hij haar bellen. Eén weekend per maand zou hij komen.
Toen ik ophing, voelde ik me schuldig. Alsof ik hem iets had afgepakt.
Mijn moeder stond in de deuropening.
‘Met wie maak jij ruzie?’
‘Met niemand.’
‘Ik ben niet doof.’
Ik zette de vuilniszak neer.
‘Ik heb hulp nodig, mam.’
Ze keek naar mijn vieze handen.
‘Van mij hoef je dat allemaal niet te doen.’
Ik wilde vragen wie het dan wel zou doen. In plaats daarvan waste ik mijn handen en maakte twee boterhammen. We aten zwijgend. Haar mes bleef op tafel liggen. Ze smeerde de boter met de achterkant van haar lepel.
Hoofdstuk 3
De pan
In september ging het brandalarm af terwijl ik met een klant sprak. Niet bij mij. Bij mijn moeder. Ria belde en hield haar telefoon omhoog. Ik hoorde het piepen.
‘Ik sta voor de deur. Ze doet niet open.’
Mijn handen werden koud.
‘Gebruik de sleutel.’
‘Die zit aan de binnenkant.’
Ik zei dat ze bij rook of brand direct 112 moest bellen en rende naar de parkeerplaats. Nog voor ik bij mijn auto was, belde Ria terug. Mijn moeder had opengedaan. Er had een lege pan op een brandende gaspit gestaan. De bodem was zwart. Mijn moeder zat buiten en hoestte niet.
‘Ik was bezig,’ zei ze toen ik binnenkwam.
De keuken stonk. Het raam stond open. Op het fornuis lag een theedoek, vlak naast de pit.
‘Waarmee?’
‘Dat weet ik nu toch niet meer, met dat geschreeuw.’
Ik draaide de gaskraan dicht.
‘Je gaat niet meer alleen koken.’
Mijn moeder kwam overeind.
‘Dat bepaal jij niet.’
‘Je had brand kunnen krijgen.’
‘Maar dat is niet gebeurd.’
‘Omdat Ria kwam!’
Ik schreeuwde. Hard genoeg om haar een stap achteruit te laten doen.
Daar schrok ik meer van dan van de pan.
Ik ging zitten. Mijn moeder bleef staan, haar handen tegen haar buik gedrukt. Ria zei dat ze naar huis ging. Ze trok de deur zacht achter zich dicht.
‘Je hoeft niet tegen me te praten alsof ik een kind ben,’ zei mijn moeder.
‘Dat weet ik.’
‘Je doet het wel.’
Ik knikte. Ik kon niet tegelijk sorry zeggen en mijn angst uitleggen.
Een paar weken later zaten we bij de geriater in het ziekenhuis in Utrecht. Er waren gesprekken geweest, geheugentesten, bloedonderzoek en een scan. Ik had vragenlijsten ingevuld aan mijn eigen keukentafel. Mijn moeder had me toen gevraagd wat ik allemaal over haar opschreef.
Nu vouwde de arts zijn handen op het bureau.
De uitslagen pasten bij dementie, waarschijnlijk de ziekte van Alzheimer.
Mijn moeder keek naar haar tas.
‘En die infectie dan?’ vroeg ik.
Die had de problemen waarschijnlijk versterkt en zichtbaarder gemaakt, legde hij uit. Maar verklaarde niet alles wat daarna was gebleven.
Ik stelde praktische vragen. Over autorijden, medicijnen, thuis wonen. Mijn moeder zei niets.
Pas in de parkeergarage bleef ze staan.
‘Heb ik dat echt?’
‘Ja, mam.’
‘Net als tante Bep?’
Tante Bep had haar laatste jaren in een verpleeghuis gewoond. Mijn moeder bezocht haar iedere donderdag. Ze wist precies wat ze niet wilde.
‘Het gaat niet bij iedereen hetzelfde,’ zei ik.
Dat was waar. Het klonk toch als een ontwijking.
In de auto vroeg ze of we ergens koffie konden drinken. We gingen naar een zaak in Bunnik. Ze koos appeltaart en klaagde dat die te koud was. Vijf minuten lang was ze gewoon mijn moeder die iets te zeggen had over gebak.
Toen pakte ze mijn pols.
‘Beloof dat je me niet wegstopt.’
Ik keek naar haar vingers. De nagels waren ongelakt. Vroeger lakte ze die iedere vrijdag.
‘Ik beloof dat ik blijf meedenken. En dat ik je niet alleen laat met alles.’
‘Dat vraag ik niet.’
‘Ik weet niet wat later nodig is.’
Ze trok haar hand terug.
Het duurde even voordat er ondersteuning op gang kwam. De huisarts verwees ons door. We kwamen in contact met een casemanager dementie, Leila. Een rustige vrouw die bij haar eerste bezoek niet meteen haar laptop opende.
‘Waar heeft u last van?’ vroeg ze aan mijn moeder.
‘Van iedereen die denkt dat ik niets meer kan.’
Leila knikte. ‘Wat wilt u beslist zelf blijven doen?’
Mijn moeder wilde haar planten verzorgen, haar kleding kiezen en op dinsdag naar de markt. Dat schreef Leila op.
Daarna vroeg ze hetzelfde aan mij.
Ik begreep de vraag eerst niet.
‘Wat wilt ú blijven doen, Marieke?’
Ik dacht aan werk. Aan Noor. Aan zwemmen op donderdag, waar ik al maanden niet was geweest.
‘Een nacht slapen zonder mijn telefoon naast mijn hoofd,’ zei ik.
Mijn moeder keek op.
‘Bel ik zo vaak?’
Ik wilde nee zeggen. Het woord lag klaar.
‘Soms zes keer op een avond.’
Ze staarde naar haar knieën.
Leila liet de stilte staan. Daarna bespraken we maaltijdbezorging, hulp bij medicatie en een beoordeling door de wijkverpleging. Het fornuis zou voorlopig niet worden gebruikt. Mijn moeder vond opwarmen in de magnetron acceptabel, zolang ze zelf mocht kiezen wat ze at.
Het was geen oplossing voor alles. Wel de eerste afspraak waarvoor niet alleen mijn naam op het lijstje stond.
Hoofdstuk 4
De verkeerde levering
De fout kostte mijn werkgever bijna vierduizend euro. Een levering voor een bouwmarkt in Zwolle ging naar een vestiging in Zaandam. Ik had de verkeerde code overgenomen en daarna de controle overgeslagen.
Die ochtend had mijn moeder me elf keer gebeld. De thuiszorg was geweest, maar zij wist dat niet meer. Ze dacht dat haar medicijnen waren gestolen. Bij de achtste oproep had ik mijn telefoon uitgezet. Daarna keek ik iedere minuut of ik iets gemist had.
Bas riep me om halfdrie binnen.
Op zijn bureau lag een uitdraai van de ritgegevens.
‘Dit kan niet nog een keer,’ zei hij.
‘Dat weet ik.’
‘Je bent een goede planner, Marieke. Maar op dit moment vertrouw ik je controle niet.’
Ik voelde mijn gezicht warm worden.
‘Zeg dan gewoon dat je van me af wilt.’
Hij schoof zijn stoel naar achteren.
‘Dat zeg ik niet.’
Ik wist dat hij het niet zei. Ik hoorde het toch.
Op weg naar huis parkeerde ik bij een tankstation. Ik zat twintig minuten naar een afvalbak te kijken. Toen belde Jeroen.
‘Waar blijf je?’
‘Ik weet het niet.’
Hij vroeg niet wat ik bedoelde. Hij bleef aan de lijn tot ik weer kon rijden.
Thuis stond er macaroni op tafel. Noor vertelde iets over school. Ik onderbrak haar omdat mijn telefoon ging.
Ze legde haar vork neer.
‘Neem maar op.’
‘Het is oma.’
‘Dat weet ik.’
Ik nam toch op. Mijn moeder kon de afstandsbediening niet vinden.
Toen ik terugkwam, was Noor boven.
Jeroen schoof mijn bord naar me toe.
‘Zo gaat het niet langer.’
‘Dat hoef je me niet te vertellen.’
‘Kennelijk wel.’
Ik duwde het bord weg.
‘Wat wil je dan? Dat ik haar laat zitten?’
‘Ik wil dat je ophoudt te doen alsof er maar twee mogelijkheden zijn. Alles zelf doen of haar laten vallen.’
Ik liep naar boven en trok de slaapkamerdeur dicht. Daarna schaamde ik me voor de opluchting. Even hoefde niemand iets te vragen.
De volgende ochtend meldde ik me ziek. Ik had nauwelijks geslapen en kon geen simpele mail lezen zonder opnieuw te beginnen. De huisarts besprak mijn klachten. Via mijn werk kreeg ik een afspraak bij de bedrijfsarts. Die keek niet naar het aantal boodschappen dat ik deed. Die vroeg hoe het met míj ging.
Ik huilde voordat ik antwoord gaf.
We maakten afspraken over herstel en een geleidelijke terugkeer. Mijn leidinggevende hoefde niet al mijn medische details te kennen. Hij moest wel weten welke aanpassingen nodig waren.
Ik vond dat lastig. Ik wilde uitleggen dat ik echt geen aansteller was. De bedrijfsarts zei dat ik mijn klachten niet hoefde te bewijzen met een verslag van iedere slechte nacht.
Leila kwam die vrijdag. Dit keer bij ons thuis, met mijn toestemming zonder mijn moeder erbij. Sander deed mee via beeldbellen.
Ik had een lijst gemaakt. Medicatie. Maaltijden. Was. Post. Artsen. Telefoontjes. Nachtelijke onrust. De lijst paste niet op één vel.
Sander keek ernstig.
‘Ik wist niet dat het zoveel was.’
‘Je vroeg ook nooit door,’ zei ik.
Hij begon iets te zeggen, maar stopte.
‘Nee. Dat klopt.’
Dat hielp meer dan een uitleg over zijn drukke agenda.
We verdeelden taken die echt overgedragen konden worden. Sander nam alle contacten over rond rekeningen en verzekeringen, met de toestemmingen die daarvoor nodig waren. Hij zou ook het volgende ziekenhuisbezoek doen. Jeroen bood aan één vaste avond te koken bij mijn moeder. Niet op afroep. Vast.
Leila onderzocht met ons dagactiviteiten en tijdelijke opvang. De wijkverpleging keek opnieuw naar de medicatiezorg. Bij het gemeentelijke loket vroegen we ondersteuning aan. Niet alles kon meteen. Niet alles werd toegekend zoals we hoopten. Alleen al wachten op terugbelverzoeken kostte tijd.
Voor de avonden maakten we een eenvoudige kaart naast mijn moeders telefoon. Wie ze wanneer kon bellen. Bij echte spoed bleef er natuurlijk hulp nodig. Het kaartje maakte haar geheugen niet beter, maar gaf ons wel iets om rustig naar te verwijzen.
Die avond klopte ik bij Noor aan.
‘Ik heb je laten wachten,’ zei ik.
‘Ja.’
Ik ging niet uitleggen waarom.
We boekten een nieuwe open dag. Jeroen zou die zaterdag bereikbaar zijn voor mijn moeder.
Toen ik mijn agenda dichtdeed, zag ik iets wat er maanden niet had gestaan.
Een afspraak die niet over zorg ging.
Hoofdstuk 5
Waar ze blijft
Mijn moeder noemde de dagactiviteiten de kinderopvang. Ze wilde er niet heen.
‘Ik ga niet zitten kleien met oude mensen.’
We stonden in haar gang. De vervoerder zou over tien minuten komen. Ze had haar jas verstopt, alsof de hele afspraak daarvan afhing.
‘Je hoeft niet te kleien,’ zei ik.
‘Jij gaat zelf maar.’
Ik keek op mijn horloge. Ik was inmiddels deels aan het werk. Die ochtend zou ik om tien uur beginnen. Dat had ik juist zo geregeld dat ik haar kon helpen met vertrekken.
Leila had voorgesteld eerst samen kennis te maken. Dat hadden we gedaan. Mijn moeder had koffie gedronken, iemand uit haar oude buurt herkend en gezegd dat de tuin er netjes bij lag. Thuis wist ze vooral dat ik haar ergens wilde afleveren.
Ik ging op de onderste traptrede zitten.
‘Ik kan vandaag niet blijven.’
‘Dat hoeft ook niet.’
‘Maar ik kan ook niet steeds komen als je belt.’
Ze keek langs me heen.
‘Dan bel ik toch niet meer.’
Daar zat hij weer. Die zin waarmee ik vroeger alsnog mijn kamer opruimde of een familiebezoek niet afzegde. Alleen wist ik nu niet meer hoeveel ze bewust deed. Dat maakte me voorzichtig en boos tegelijk.
De begeleidster van de dagactiviteiten belde. Ze hoorde mijn moeders stem op de achtergrond en vroeg of ze haar even mocht spreken.
‘Els? We hebben gisteren planten gekregen. Wilt u helpen kijken welke naar buiten kunnen?’
Mijn moeder luisterde.
‘Dat ligt eraan wat voor planten.’
Tien minuten later zat ze in het busje. Haar jas had achter het douchegordijn gehangen.
Ik bleef op de stoep staan tot het busje de hoek om was. Daarna moest ik lachen. Kort, zonder plezier. Ik had zes gesprekken gevoerd over ontlasting van mantelzorg. Eén vraag over planten werkte beter.
Die middag kwam ze moe terug.
‘Er zit een man die steeds hetzelfde zegt,’ vertelde ze.
‘Vervelend.’
‘Maar ze hebben goede soep.’
Dat was voldoende voor een tweede keer.
Langzaam ontstond er een ritme. Twee dagen dagactiviteiten. Hulp bij medicijnen. Boodschappen bezorgd op vrijdag. Sander kwam zijn afspraken na, al moest ik leren hem niet alsnog drie herinneringen te sturen.
Toen hij een keer andere ontbijtkoek kocht, stond mijn moeder boos bij de voorraadkast.
‘Jij weet toch welke ik eet?’
‘Sander heeft boodschappen gedaan.’
‘Dan moet jij het goed uitleggen.’
Ik pakte de verkeerde koek uit de kast.
‘Je kunt deze proberen. Anders zet hij volgende keer de andere op de lijst.’
Ik reed niet naar de supermarkt. Zo klein zag een grens er dus soms uit. Een onaangebroken ontbijtkoek laten liggen.
Op mijn werk bouwde ik mijn uren op. Fatima controleerde tijdelijk mijn ritten. Eerst vond ik dat vernederend. Later zag ik dat ze gewoon naast me werkte, zonder zuchten of opmerkingen.
‘Je hebt bij mij vorig jaar ook werk overgenomen,’ zei ze. ‘Toen mijn man geopereerd werd.’
‘Dat was anders.’
‘Alleen omdat jij toen degene was die hielp.’
In november ging ik met Noor naar de open dag in Utrecht. We bekeken lokalen, luisterden naar studenten en aten broodjes op een bankje. Mijn telefoon zat in mijn tas. Niet in mijn hand.
‘Ben je er nu wel?’ vroeg ze.
‘Ja.’
Ze vertelde dat ze misschien verpleegkunde wilde doen.
Ik keek zo verschrikt dat ze begon te lachen.
‘Niet om oma, hoor. Ik vind het zelf interessant.’
Op de terugweg kochten we laarzen die ik te duur vond. We kregen daar een gewone ruzie over. Ik was er bijna blij mee.
Twee weken later ging het opnieuw mis.
Mijn moeder was na de dagactiviteiten thuisgebracht. De medewerker had haar naar binnen begeleid. Een uur later belde Ria. De voordeur stond open. Haar jas was weg.
Het regende hard. Het werd al donker.
Ik belde mijn moeder. Haar telefoon ging over op de eettafel, zei Ria.
Jeroen pakte zijn autosleutels. Ik belde de politie en legde uit dat ze dementie had en vermist was. Daarna stuurde ik een recente foto.
Sander vroeg via de telefoon waar hij kon helpen. Voor het eerst had ik geen taak voor hem.
Ik liep met Ria door de wijk en riep mijn moeders naam. Bij iedere kruising moest ik kiezen.
Links, richting het winkelcentrum.
Of rechts, naar het station.
Ik wist niet meer welke plekken zij nog als thuis herkende.
Hoofdstuk 6
De nacht buiten
Ze werd gevonden bij een bushalte aan de andere kant van Houten. Een vrouw die haar hond uitliet, had haar zien zitten. Mijn moeder vroeg welke bus naar haar moeder ging.
Mijn oma was al achtentwintig jaar dood.
Toen ik aankwam, zat mijn moeder in een politieauto. Een agent had zijn jas over haar benen gelegd. Haar broekspijpen waren nat. Ze hield haar handtas stevig vast.
‘Daar ben je,’ zei ze.
Dezelfde woorden als bij Ria, maanden eerder.
Ik ging naast haar zitten.
‘Waar was je naartoe?’
‘Dat zei ik toch?’
Haar tanden klapperden. Ik pakte haar hand. Die voelde koud en stijf.
Na beoordeling door een arts mocht ze mee naar huis. Er waren geen aanwijzingen voor ernstig letsel. We kregen instructies waar we op moesten letten. Jeroen bracht droge kleding. Ik bleef die nacht.
Mijn moeder sliep nauwelijks. Ze liep naar de voordeur, kwam terug, vroeg waar haar schoenen waren. Ik zette een stoel in de gang en bleef zitten.
Om halfvijf dacht ik: als ze nu in een verpleeghuis woonde, kon ik naar huis.
Die gedachte kwam helder en zonder schaamte.
De schaamte kwam daarna.
Ik keek naar de familiefoto boven de kapstok. Mijn moeder op mijn trouwdag. Rechtop, rood jasje, één hand op mijn schouder. Ze had die ochtend nog een losse zoom in mijn jurk vastgezet.
Nu probeerde ik te bepalen hoe lang ik mijn ogen kon sluiten zonder dat ze opstond.
Om acht uur belde ik Leila. Ik zei niet dat het druk was. Ik zei niet dat ik misschien wat extra hulp nodig had.
‘Ik kan vannacht niet opnieuw alleen hier zitten. En ze kan niet veilig alleen blijven.’
Leila vroeg door. Ze overlegde met de huisarts en andere betrokken zorgverleners. Mijn moeder moest opnieuw worden beoordeeld, ook op mogelijke lichamelijke oorzaken van de toegenomen onrust. Ondertussen moest er een veilige tijdelijke oplossing komen.
Die kwam niet binnen een uur.
Sander vertrok uit Groningen. Jeroen bleef tot hij aankwam. Ik ging thuis douchen en wist onder het water niet meer of ik shampoo had gebruikt.
Er volgden telefoongesprekken. Beschikbare plekken. Criteria. Vragen die ik al eerder had beantwoord. Er werd gekeken naar tijdelijk verblijf en naar wat structureel nodig zou zijn. Niemand beloofde dat mijn moeder in Houten kon blijven.
Toen er een tijdelijke plek in Zeist beschikbaar kwam, zei ik meteen ja.
Daarna vroeg ik pas hoe de kamer eruitzag.
Mijn moeder wilde niet mee.
‘Jullie hebben dit bekokstoofd.’
Sander stond bij het raam. Ik had een weekendtas op haar bed gelegd.
‘Je gaat een tijdje ergens logeren waar ook ’s nachts mensen zijn,’ zei hij.
‘Ik hoef geen mensen.’
Ik ging tegenover haar zitten.
‘Je bent gisteren buiten verdwaald. Ik maak me zorgen dat het opnieuw gebeurt.’
‘Jij maakt je altijd zorgen.’
Dat klopte inmiddels.
We namen tijd. De huisarts en Leila hielpen bij het gesprek en bij de beoordeling van wat verantwoord was. Uiteindelijk wilde mijn moeder meegaan om te kijken. Niet omdat ze het met ons eens was. Ze was moe en de verpleegkundige aan de telefoon had verteld dat er een eigen badkamer was.
Ik pakte haar blauwe vest, haar toiletspullen en een foto van mijn vader in. Sander vond haar bril onder een kussen.
In Zeist rook de gang naar gekookte bloemkool. Een bewoner riep dat hij zijn fiets zocht. Mijn moeder kneep in mijn arm.
Ik wilde omdraaien.
Een verzorgende stelde zich voor als Anja. Ze praatte eerst met mijn moeder. Niet met ons over haar hoofd heen.
‘Wat drinkt u graag, mevrouw Van Dalen?’
‘Koffie. Maar geen slap water.’
‘Dan moeten we samen even proeven.’
Mijn moeder liet mijn arm los.
Die avond zat ik thuis op de bank. Mijn telefoon lag op tafel. Geen oproepen. Geen stemmen uit de gang.
Ik voelde opluchting, zo groot dat ik er misselijk van werd.
‘Dat betekent niet dat je haar kwijt wilt,’ zei Jeroen.
Ik had niets gezegd. Hij kende mijn gezicht.
Om tien uur belde ik de afdeling. Mijn moeder zat nog in de huiskamer. Ze had een boterham gegeten. Ze vroeg af en toe wanneer ik kwam.
‘Morgen,’ zei ik.
‘Dat staat op haar kaartje,’ antwoordde Anja. ‘Voor nu zijn wij er.’
Ik legde mijn telefoon buiten de slaapkamer.
Om drie uur werd ik wakker. Ik luisterde. Daarna bleef ik liggen.
Hoofdstuk 7
Een andere woensdag
Mijn moeder kwam niet meer thuis wonen. Dat besluit viel niet tijdens één gesprek. Het groeide uit observaties, onderzoek en nachten waarin duidelijk werd hoeveel toezicht ze nodig had.
De tijdelijke plek gaf ons tijd. Ze bleek ook daar ’s nachts regelmatig op te staan. Soms wilde ze naar haar werk, waar ze twintig jaar geleden was gestopt. Soms zocht ze mijn vader. De medewerkers konden haar begeleiden, maar niet voorkomen dat ze verdrietig of boos werd.
Ik moest leren dat goede zorg niet betekende dat ze altijd tevreden was.
Met hulp van Leila vroegen we passende langdurige zorg aan. Na de beoordeling en een periode van wachten kwam er een plek vrij in een woonzorglocatie in Houten. Dichter bij haar oude buurt. Niet de locatie die ik aanvankelijk bovenaan mijn lijst had gezet, maar wel een waar de medewerkers rustig met haar spraken.
We gingen kijken. Mijn moeder wees op een raam.
‘Daar kunnen planten staan.’
Ik schreef niet meteen in mijn hoofd op welke planten ik zou kopen. Ik vroeg het haar.
‘Welke wil je meenemen?’
Ze koos de lidcactus en de scheve geranium die ik al jaren lelijk vond.
Het huis leeghalen deed meer pijn dan de verhuizing. Sander en ik trokken kasten open die ons hele leven dicht leken te hebben gezeten. Gebruikte cadeauzakjes. Garantiebewijzen van apparaten die niet meer bestonden. In een koektrommel lagen mijn brieven van een schoolreis.
Sander las er één hardop.
‘Het eten is vies. Kun je me ophalen?’
We lachten. Daarna ging hij op de vloer zitten en huilde.
Ik had hem sinds de begrafenis van mijn vader niet zien huilen.
‘Ik dacht steeds dat jij het wel wist,’ zei hij.
‘Ik wist ook niets.’
Hij knikte. We hoefden die middag niet te bepalen wie wat verkeerd had gedaan.
Op kantoor werkte ik inmiddels weer mijn volle uren. Niet op dezelfde manier als vroeger. We hadden tijdelijk vaste thuiswerkmomenten afgesproken en duidelijke afspraken over zorgverlof bij noodzakelijke afspraken. Ik plande geen belangrijke controle meer tegelijk met een ziekenhuisbezoek.
En als ik weg moest, droeg ik mijn werk echt over. Niet: ik houd mijn mail wel in de gaten. Fatima mocht weten wat nog niet af was. Bas hoefde niet te raden of ik beschikbaar was.
Mijn fouten uit die moeilijke maanden verdwenen niet uit de administratie. Wel uit ieder gesprek. Er kwamen weer weken waarin iemand mij vroeg naar een planning en niet naar mijn moeder.
Dat vond ik prettig. Daarna voelde ik me soms schuldig omdat ik het prettig vond. Inmiddels herkende ik die volgorde.
Op woensdag ging ik nog steeds naar mijn moeder. Niet om haar koelkast uit te mesten of pillen te tellen. Ik kwam met koffiekoeken en bleef meestal anderhalf uur.
Soms was het een goed bezoek. We liepen naar de binnentuin. Ze vertelde dat een verzorgende haar haar verkeerd had gedaan. Ze wees dode blaadjes aan die ik moest verwijderen.
Soms vroeg ze twintig keer wanneer ze naar huis mocht.
‘Je woont nu hier, mam. Hier is ook ’s nachts hulp.’
‘Ik heb geen hulp nodig.’
Dan probeerde ik niet meer met voorbeelden te winnen. We konden allebei de avond bij de bushalte opnieuw beleven zonder dat het haar overtuigde.
Ik zei dat ik begreep dat ze haar huis miste. Daarna bleven we even zitten. Soms hielp koffie. Soms niets.
Eén woensdag trof ik haar met aarde op haar broek. Een medewerker had potten op een tafel gezet. Mijn moeder duwde met twee vingers een stekje recht.
‘Niet zo diep,’ zei ze toen ik hielp.
‘Jij weet het beter.’
‘Natuurlijk.’
Ze schoof een leeg potje naar me toe.
We werkten een halfuur. Ze vroeg niet naar huis. Ik keek niet op mijn telefoon.
Toen ik vertrok, liep ze mee tot de deur van de huiskamer.
‘Moet je naar je werk?’
‘Nee. Ik ga met Noor eten.’
‘Doe haar de groeten. Ze moet wel genoeg eten, dat kind.’
Buiten stuurde ik Noor een bericht dat ik onderweg was. Daarna liep ik naar mijn auto. Ik ging niet terug om door het raam te kijken of mijn moeder verdrietig was. Als er iets belangrijks speelde, zouden ze bellen.
Thuis vroeg Noor hoe oma was.
‘Vandaag goed,’ zei ik.
Dat was geen voorspelling. Morgen kon ze onrustig zijn. Er zouden nieuwe verliezen komen, gesprekken over zorg en dagen waarop ik haar niet bereikte, al zat ik naast haar.
Maar die avond at ik aan mijn eigen tafel. Jeroen vertelde over zijn klas. Noor wilde iets laten zien op haar telefoon.
Ik luisterde tot ze klaar was.