Naar de inhoud
Terug naar het boek

Werk en maatschappij

Mijn baan in de vleesindustrie

Hoofdstuk 1

Mijn baan in de vleesindustrie

De handschoen van de man naast me bleef even aan de band hangen. Hij trok zijn hand terug. Het blauwe plastic scheurde tussen twee kratten. Niemand drukte op de rode knop.

‘Niet kijken. Werken,’ zei de voorman.

Ik keek toch. De man stak zijn hand onder zijn oksel. Hij knikte naar me alsof hij zich moest verontschuldigen.

Het was kwart over zes. Mijn eerste werkdag.

Ik heet Eva van Dijk. Ik was negenendertig en woonde met mijn dochter Noor in een huurflat in Boxtel. Na elf jaar schoonmaken in een verpleeghuis was mijn contract verdwenen bij een nieuwe aanbesteding. De nieuwe werkgever bood minder uren aan, verspreid over meer dagen. Daar kon ik mijn huur niet van betalen.

Het uitzendbureau had wel iets.

‘Productiewerk. Voedingsmiddelen,’ had Kim gezegd.

‘Wat voor voedingsmiddelen?’

‘Vlees. Je hoeft niks te slachten.’

Dat laatste klonk als een geruststelling. Ik had niet gevraagd wat ik dan wel moest doen. Mijn betaalrekening stond rood. De school had gemaild over de bijdrage voor Noors kamp. In de koelkast lagen twee eieren en een halve komkommer.

Dus zat ik die maandag om vijf uur in de auto naar Oss, met koffie in een oude thermosbeker.

Het bedrijf heette Veldkamp Vleeswaren. Een grijs gebouw achter een hek. Bij de ingang hing een foto van een glimlachende kok. Binnen rook het naar schoonmaakmiddel, koud vet en iets zoetigs dat ik niet kon plaatsen.

Een vrouw bij de personeelsingang gaf me een pas, witte werkkleding en laarzen. Mijn eigen trui mocht eronder blijven. Sieraden moesten af. Ook het kettinkje dat Noor voor mijn verjaardag had gekocht.

‘Kluis tweeënzeventig. Code staat hier.’

Ze wees. Ik probeerde alles tegelijk te onthouden.

Daarna handen wassen. Zeep, water, drogen, ontsmetten. Door een poortje met borstels voor de laarzen. Verderop sloegen kunststof flappen tegen mijn gezicht.

Aan de productielijn stonden twaalf mensen. Boven hun hoofden brandde wit licht. Er kwamen bakken met gemarineerde varkensreepjes voorbij. Ik moest porties controleren, losse stukjes terugleggen en de rand van de schaal vrijmaken voor de folie erop ging.

‘Niet over de rand. Dan sluit hij niet,’ zei een vrouw.

Ze heette Halina. Ze had haar naam met zwarte stift op haar borst geschreven, op een stuk tape.

‘Eva,’ zei ik.

‘Weet ik. Staat op lijst.’

Ze schoof een verhoging onder mijn voeten. Zonder dat ding kwam de rand van de band bijna tegen mijn ribben.

De voorman heette Marcel. Hij wees naar de rode noodstop.

‘Bij gevaar drukken. Niet voor een verkeerd bakje. Dan roep je mij.’

Dat was de instructie. Ik tekende op een tablet dat ik uitleg had gekregen. Het scherm was vettig. De tekst stond zo klein dat ik hem niet las.

Een uur later scheurde de handschoen van de man naast me.

Tijdens de pauze zat hij tegenover me. Hij heette Piotr en werkte er al vier jaar. Er zat een pleister om zijn vinger.

‘Gaat het?’ vroeg ik.

‘Ja. Alleen nagel.’

Halina trok zijn hand naar zich toe, keek en liet los.

‘Melden,’ zei ze.

Piotr haalde zijn schouders op.

‘Voor pleister?’

Ik at mijn boterhammen. Aan de andere kant van de kantine zaten mensen in nette truien achter glas. Een vrouw hield een grote mok met beide handen vast. Ik zag haar lachen, maar hoorde niets.

Na de pauze ging de band sneller. Of mijn handen werden langzamer. Tegen tienen voelde ik mijn schouders. Om twaalf uur kon ik mijn rechterduim nauwelijks buigen.

‘Dat went,’ zei Marcel.

Halina zei niets. Ze nam af en toe een schaal van me over.

Om kwart over twee stond ik buiten. Ik had acht uur binnen doorgebracht en wist niet of het had geregend. In mijn auto kreeg ik de dop niet van mijn thermosbeker.

Thuis stond Noor bij het aanrecht.

‘Hoe was het?’

‘Druk.’

‘Stink je daarom zo?’

Ik rook aan mijn mouw. Ze had gelijk.

Die avond waste ik mijn haar twee keer. Daarna opende ik de app van het uitzendbureau. Mijn diensten voor de hele week stonden erin.

Ik maakte een foto van het scherm. Vijf werkdagen. Genoeg uren.

Voor het eerst in weken rekende ik iets uit zonder meteen tekort te komen.

Hoofdstuk 2

Het tempo

Na drie weken kon ik aan het geluid horen wanneer de sealmachine ging vastlopen. Eerst een korte tik. Dan een ratel. Daarna kwamen de schalen scheef onder de folie vandaan.

‘Marcel!’ riep Halina dan.

Soms kwam hij meteen. Soms stond hij bij het scherm waarop onze aantallen verschenen. Groen betekende dat we op schema lagen. Rood betekende dat iemand harder moest werken.

Meestal waren wij dat.

Ik had inmiddels geleerd wie waar stond. Piotr bij de aanvoer. Halina naast mij. Amina aan het einde van de lijn, waar ze de dichte schalen in kratten zette. Amina kwam uit Tilburg en had twee jongens. Ze werkte vroege diensten omdat haar man ’s avonds bussen schoonmaakte.

In de pauze wisselden we aanbiedingen uit.

‘Waspoeder bij de drogist,’ zei ze. ‘Maar alleen met die app.’

Halina liet ons een foto van haar kleinzoon zien. Ze woonde twaalf jaar in Nederland. Op papier werkte ze nog altijd via een uitzendbureau.

‘Waarom niet vast?’ vroeg ik.

Ze beet een stukje van haar appel.

‘Vraag ik ook.’

Op donderdag werd ik voor het eerst gevraagd langer te blijven. Twee mensen waren ziek. Er moest een bestelling af voor een supermarktactie.

‘Tot vier uur,’ zei Marcel.

‘Ik moet mijn dochter ophalen.’

‘Hoe oud?’

‘Twaalf.’

‘Dan kan ze toch wel even wachten?’

Ik belde mijn buurvrouw. Daarna bleef ik.

De volgende ochtend stond mijn extra tijd niet in de urenapp. Volgens Kim moest de fabriek de uren eerst goedkeuren. Volgens Marcel moest ik bij het uitzendbureau zijn.

Halina gaf me een klein schriftje.

‘Zelf schrijven. Begin. Einde. Pauze.’

Op de eerste bladzijde had ze met haar eigen pen mijn naam gezet.

Ik schaamde me om dat schriftje. Alsof ik nu officieel iemand was geworden die alles moest bewijzen. Toch schreef ik die middag mijn tijden op, zittend in de auto.

Een week later betaalden ze de extra uren alsnog. Niet omdat het systeem zichzelf herstelde. Ik had drie keer gebeld en een foto van mijn aantekeningen gestuurd.

Ondertussen begon mijn rechterhand ’s nachts te tintelen. Ik schudde hem naast mijn bed tot het gevoel terugkwam. Overdag liet ik soms iets vallen. Een lepel. Mijn telefoon. Een pak melk dat openbarstte op de keukenvloer.

Noor pakte een doek.

‘Je bent de laatste tijd boos op spullen,’ zei ze.

Ik wilde lachen, maar het lukte niet.

Op zaterdag gingen we naar de markt. Bij de vleeskraam bleef ik staan. In een gekoelde bak lagen dezelfde gemarineerde reepjes die bij ons over de lijn gingen. Andere verpakking, bijna dezelfde inhoud.

‘Die maak ik,’ zei ik.

Noor keek naar de prijskaartjes.

‘Krijg jij daar veel van?’

‘Een uurloon.’

‘Ook als je heel veel maakt?’

‘Ook dan.’

Ze dacht even na en liep verder naar de broodkraam.

Die maandag vroeg ik Marcel of ik een deel van de dag ander werk kon doen.

‘Mijn hand doet pijn.’

Hij keek naar mijn pols.

‘Heb je thuis veel op je telefoon gezeten?’

‘Het begint hier.’

‘Iedereen heeft in het begin ergens last van.’

Hij zette me twee uur bij het etiketteren. Dat hielp. Daarna moest ik terug naar mijn vaste plek, omdat een nieuwe collega het tempo niet bijhield.

Die collega heette Sorin. Hij was drieëntwintig en woonde met Piotr en vier anderen in een huis in Uden. Het busje van hun uitzendbureau bracht hen naar de fabriek. Hun huur werd van hun loon ingehouden.

Sorin vroeg veel. Waar extra handschoenen lagen. Hoe de pauzes werkten. Wat hij moest doen als er vlees onder de band viel.

‘Laten liggen tot de lijn stilstaat,’ zei Halina.

‘Maar Marcel zegt schoon houden.’

‘Niet met je hand eronder.’

Ze wees naar de smalle opening naast de transportband. Er zat een kunststof afscherming voor. Eén schroef ontbrak. Als een krat ertegenaan kwam, verschoof de plaat.

Die middag zag ik Marcel de afscherming terugduwen met zijn schoen.

‘Technische dienst weet het,’ zei hij toen hij mijn blik zag.

In mijn schriftje noteerde ik voor het eerst iets anders dan uren.

Losse plaat bij aanvoer. Maandag, 13.10 uur.

Daarna kraste ik de zin bijna door. Ik vond mezelf overdreven. Uiteindelijk liet ik hem staan.

Hoofdstuk 3

De rode knop

Op de ochtend van het ongeluk had Noor koorts. Ze zat op de rand van haar bed, haar dekbed om haar schouders.

‘Kun je niet thuisblijven?’

Ik keek naar de tijd. Kwart over vier.

Mijn buurvrouw, Ria, had een sleutel en zou om zeven uur komen kijken. Er stond water naast Noors bed. Mijn telefoon lag binnen haar bereik.

‘Bel me als het erger wordt.’

Ze draaide zich van me af. Ik ging toch.

In de fabriek hing een vel papier aan het prikbord. Grote order. Extra inzet nodig. Onder de tekst stond een plaatje van een duim omhoog.

Bij de aanvoer was de kunststof afscherming vervangen door dezelfde plaat met twee nieuwe gaten. Eén kant zat vast. De andere kant trilde zodra de band liep.

Piotr was er niet. Rugklachten, zei Halina. Sorin stond op zijn plek.

Om half negen begon de storing. Een krat liep scheef. De schalen schoven tegen elkaar. Marcel kwam, trok het krat recht en liet de lijn weer lopen.

Tien minuten later gebeurde het opnieuw.

‘Niet zoveel tegelijk aanvoeren,’ riep hij tegen Sorin.

Sorin hief zijn handen. Aan de andere kant bleven de bakken komen.

Ik weet nog precies wat ik zelf deed. Ik pakte een stukje vlees van een schaalrand. Ik legde het terug. Ik keek op omdat Halina iets zei.

Sorin bukte.

Een strook verpakkingsmateriaal zat klem naast de band. Hij trok eraan. De losse afscherming schoof weg. Zijn rechterhand verdween verder dan de bedoeling was.

Hij maakte geen lange schreeuw. Het was één harde klank.

Ik drukte op de rode knop.

De lijn stopte. Verderop bleef een machine draaien. Er rolde nog een lege schaal tegen mijn buik.

‘Niet trekken!’ riep Halina.

Sorin stond voorover, zijn arm strak. Ik zag bloed op de rand, maar niet waar het vandaan kwam.

Marcel kwam aanrennen.

‘Wie heeft gestopt?’

‘Ik. Zijn hand zit vast.’

Hij keek en zijn gezicht veranderde.

‘BHV!’

Daarna ging alles tegelijk. Amina maakte ruimte. Iemand belde. Een bedrijfshulpverlener praatte tegen Sorin. De technische dienst kwam met gereedschap. Ik wilde helpen, maar stond in de weg.

Halina duwde me een stap achteruit.

‘Kijk naar mij, Eva.’

Ik keek niet naar haar. Ik bleef naar zijn schouder kijken, die schokte onder zijn witte jas.

De ambulance kwam via de laadplaats. Toen ze hem meenamen, lag zijn hand dik ingepakt op zijn borst. Zijn telefoon zat nog in zijn kluisje. Niemand wist zijn code.

‘Ik ga mee,’ zei Halina.

Marcel zei eerst dat dat niet kon. Daarna knikte hij.

Wij werden naar de kantine gestuurd. Op tafel stonden bekertjes water. Ik hield er een vast zonder te drinken.

Een medewerker van personeelszaken kwam binnen. Ze heette Saskia. Ze vroeg wie het had zien gebeuren.

Ik stak mijn hand op. Amina ook.

We werden apart gesproken.

In een kantoor vroeg Saskia of Sorin instructie had gekregen.

‘Ik weet wat Halina tegen hem heeft gezegd.’

‘En wat was dat?’

‘Niet met zijn hand onder de band.’

Ze typte.

‘De afscherming zat los,’ zei ik.

Ze stopte even.

‘Dat onderzoekt de technische dienst.’

‘Ik heb het vorige week ook gezien.’

Ze typte verder. Toen draaide ze haar scherm naar me toe. In de tekst stond dat Sorin ondanks instructie materiaal had verwijderd uit een draaiende machine.

‘Dat is niet alles,’ zei ik.

‘Dit is een eerste verslag.’

‘Die kap moet erbij.’

Saskia zuchtte. Niet hard, maar ik hoorde het.

Ze voegde een zin toe: Medewerker geeft aan dat mogelijk sprake was van een losse afscherming.

‘Niet mogelijk. Hij zat los.’

Uiteindelijk veranderde ze het. Ik vroeg een kopie. Die zou ik later krijgen.

Om twaalf uur mochten we naar huis. Mijn handen trilden zo dat ik een tijdje in de auto bleef zitten.

Toen zag ik vier gemiste oproepen van Noor.

Ik belde haar terug.

‘Ik heb overgegeven,’ zei ze.

Ik begon te huilen. Ze schrok ervan.

‘Mam? Wat is er?’

‘Er is iets gebeurd op mijn werk. Ik kom nu.’

Halina stuurde die avond een bericht. Sorin was geopereerd en moest in het ziekenhuis blijven.

Ik legde mijn schriftje op tafel. Naast de eerdere aantekening schreef ik de datum van het ongeluk.

Daarna noteerde ik alles wat ik nog wist, voordat iemand me kon vertellen dat ik het verkeerd had gezien.

Hoofdstuk 4

Wat er niet stond

De volgende ochtend stond de lijn stil. Er hing een rood lint voor. Twee mannen bekeken de machine. Verderop draaide de productie door.

Wij moesten dozen vouwen in een andere hal.

Tijdens de pauze vertelde Marcel dat Sorin stabiel was.

‘We wachten het onderzoek af. Ga geen verhalen rondsturen.’

Amina keek naar mij. Ik keek naar mijn brood.

Die middag kreeg ik het gespreksverslag per mail. Mijn opmerking over de losse afscherming stond erin. Dat gaf me even rust. Tot ik onderaan las dat ik had bevestigd dat de veiligheidsvoorzieningen bij aanvang van mijn dienst aanwezig waren.

Aanwezig. Dat was technisch waar. Vastzitten was iets anders.

Ik mailde terug dat ik die formulering niet had bevestigd. Ik schreef dat de plaat trilde en kon verschuiven. Drie keer las ik mijn bericht voordat ik het verstuurde.

Saskia antwoordde dat mijn aanvulling aan het dossier werd toegevoegd.

Meer niet.

Op vrijdag stonden er voor de week erna drie diensten in mijn app in plaats van vijf. Ik belde Kim.

‘De planning wisselt,’ zei ze.

‘Er wordt nog steeds overgewerkt.’

‘Daar ga ik niet over.’

‘Heeft dit met mijn verklaring te maken?’

Ze bleef even stil.

‘Dat verband moet je niet zomaar leggen, Eva.’

Misschien had ze gelijk. Ik kon het niet bewijzen. Dat maakte me niet rustiger. Met drie diensten kwam ik geld tekort.

Ik pakte mijn schriftje en rekende op de achterkant. Huur. Energie. Zorgverzekering. Benzine. Ik schoof de betaling voor het schoolkamp weer een maand op.

Zaterdag bezocht ik Sorin samen met Halina. Hij was inmiddels thuis in Uden. Het huis stond in een gewone straat, tussen koopwoningen met verzorgde voortuinen. Binnen lagen werkschoenen langs de muur. In de woonkamer stond een droogrek vol witte T-shirts.

Sorin zat aan een kleine eettafel. Zijn onderarm rustte op een kussen. Twee vingers waren zwaar beschadigd. De artsen konden nog niet zeggen hoeveel beweging zou terugkomen.

Hij vroeg eerst of de lijn alweer draaide.

‘Nog niet,’ zei Halina.

‘Marcel boos?’

‘Dat maakt nu niet uit.’

Voor Sorin maakte het wel uit. Hij haalde een brief van het uitzendbureau uit een envelop. Hij begreep niet alles. Er stonden afspraken in over ziekmelding, bereikbaarheid en controle. Hij was bang zijn kamer kwijt te raken als zijn werk ophield.

Ik wilde zeggen dat dat niet zomaar kon. Maar ik wist niet wat er in zijn huurcontract stond. Dus zei ik niets wat ik niet kon waarmaken.

Halina belde een spreekuur voor arbeidsmigranten. Ze maakte een afspraak en schreef de tijd op de envelop.

Toen we weggingen, hield Sorin me tegen.

‘Jij knop?’

Ik knikte.

‘Dank je.’

Buiten moest ik tegen de auto leunen. Halina bleef naast me staan.

‘Ik had eerder iets moeten doen,’ zei ik.

‘Je hebt gedrukt.’

‘Ik had die kap gezien.’

‘Wij allemaal.’

Dat hielp niet meteen. Het was wel de waarheid.

Op maandag belde ik de vakbond. Ik was nog geen lid. De vrouw aan de telefoon legde uit dat juridische hulp bij een bestaand conflict niet vanzelfsprekend was. Ze kon wel meedenken en me doorverwijzen.

Ze vroeg wat ik wilde.

Ik had een heel verhaal klaar over de kap, de diensten en het verslag. Op die vraag had ik geen antwoord.

‘Dat het klopt,’ zei ik uiteindelijk. ‘Wat er wordt opgeschreven.’

Ze adviseerde me berichten te bewaren, zakelijk te blijven en mijn eigen waarnemingen te scheiden van vermoedens. Ook legde ze uit dat een arbeidsongeval met ziekenhuisopname door de werkgever direct gemeld moet worden bij de Nederlandse Arbeidsinspectie.

Ik vroeg Saskia per mail of dat gebeurd was.

De volgende dag antwoordde ze dat de inspectie onderzoek deed. Later die week werd ik gebeld door een inspecteur. Hij wilde met me spreken.

‘Ook over de situatie vóór het ongeval,’ zei hij.

Ik sloeg mijn schriftje open.

Voor het eerst was er iemand die niet vroeg waarom ik iets had opgeschreven. Hij vroeg wanneer.

Hoofdstuk 5

Thuis aan tafel

Het gesprek met de inspecteur vond plaats in een rustige kamer op een andere locatie van het bedrijf. Er zat geen leidinggevende bij.

Hij liet me eerst vertellen. Daarna stelde hij vragen. Waar stond ik? Wat kon ik zien? Had ik de afscherming aangeraakt? Wie had ik erover horen praten?

Als ik iets niet precies wist, zei ik dat.

‘Ik denk dat het dinsdag was.’

‘Weet u dat zeker?’

‘Nee. Die datum heb ik niet genoteerd.’

Hij schreef het zo op. Dat maakte het makkelijker om verder te praten.

Over de verminderde diensten kon hij geen conclusie trekken. Voor mijn loon en contract moest ik ergens anders zijn. Ik vond dat eerst teleurstellend. Ik had gehoopt dat één telefoontje alle problemen onder dezelfde noemer zou brengen.

In werkelijkheid moest ik voor ieder probleem opnieuw uitleggen wie ik was.

Bij het uitzendbureau was ik werknemer. Bij de fabriek was ik inleenkracht. Bij de huisarts was ik iemand met tintelingen, slecht slapen en hartkloppingen. Thuis was ik vooral de moeder die vergeten was brood te kopen.

Noor zat op een avond aan tafel met een formulier voor het schoolkamp.

‘Ik hoef niet mee,’ zei ze.

‘Waarom niet?’

‘Gewoon. Geen zin.’

Ik zag dat ze haar naam al had ingevuld. In sierlijke letters. Ze had zelfs een hartje op de punt van de i gezet, hoewel er geen i in haar naam zat. Het hing boven de r.

‘Gaat dit om geld?’

Ze trok het formulier naar zich toe.

‘Je kijkt altijd zo als er een rekening komt.’

Ik ging tegenover haar zitten. Ik vertelde niet alles. Wel dat mijn werk minder uren gaf en dat ik bezig was iets te regelen.

‘Dat is niet jouw rekening,’ zei ik.

De volgende ochtend belde ik school. De administratief medewerker legde rustig uit welke regeling er was voor ouders die de bijdrage niet konden betalen. Niemand vroeg om een verhaal over mijn keuzes.

Toen ik ophing, was ik tegelijk opgelucht en kwaad dat ik zo lang had gewacht.

Mijn hand werd ondertussen slechter. De huisarts onderzocht mijn pols en stuurde me verder voor onderzoek. Hij adviseerde minder belastend werk. Via het uitzendbureau vroeg ik een afspraak met de bedrijfsarts.

Kim vroeg of ik me ziek wilde melden.

‘Ik wil weten wat ik nog kan doen zonder dat het erger wordt.’

Na twee telefoontjes en een mail kwam er een afspraak.

De bedrijfsarts vroeg naar mijn werkhouding, de herhaalde bewegingen en mijn klachten. Hij adviseerde tijdelijk geen zwaar repeterend handwerk en een aangepaste opbouw. Ook vroeg hij hoe ik sliep sinds het ongeluk.

Daar begon ik weer te huilen. Ik was het zat dat mijn lichaam steeds eerder antwoord gaf dan ikzelf.

Er kwam tijdelijk werk bij de goederenregistratie. Stickers controleren. Nummers vergelijken. Af en toe een doos openen, maar niet urenlang dezelfde beweging maken.

De collega die me inwerkte, heette Dennis. Hij had een vast contract en een foto van zijn hond naast het scherm.

‘Jij bent van lijn drie,’ zei hij.

Ik knikte.

‘Was heftig, hoorde ik.’

‘Ja.’

Hij vroeg niet verder. Hij draaide het toetsenbord naar me toe en liet zien hoe het programma werkte. Ik was hem daar dankbaar voor.

Toch bleef mijn inkomen onrustig. Op mijn loonstrook stonden bedragen die ik niet kon narekenen. Met hulp van een juridisch spreekuur zette ik contracten, uren en loonstroken op datum. We stelden concrete vragen aan het uitzendbureau. Over mijn arbeidsomvang. Over de betaling tijdens ziekte. Niet alles bleek fout. Een deel wel.

Er kwam een nabetaling. Geen groot bedrag. Wel genoeg om de energierekening te voldoen zonder rood te staan.

Op een donderdag vond ik mijn kleine schriftje in Noors handen.

‘Schrijf je een boek?’ vroeg ze.

‘Nee. Ik probeer dingen niet kwijt te raken.’

Ze bladerde terug naar de eerste pagina.

‘Je handschrift was eerst netter.’

We moesten allebei lachen.

Die avond hielp ze me de aantekeningen over te typen. Niet het ongeluk. Alleen de uren. Ze las voor en ik typte langzaam met twee handen.

Om half negen stopten we, ook al waren we nog niet klaar. Ik zette thee. Zij pakte koekjes. De papieren bleven liggen tot de volgende dag.

Hoofdstuk 6

De laatste dienst

Toen lijn drie weer draaide, zat er een nieuwe afscherming op. Er waren ook andere instructies. Iedereen moest een uitleg volgen over storingen, stilzetten en wachten op de technische dienst.

Marcel las voor van een formulier. Daarna deed een monteur het voor.

Deze keer moesten we zelf aanwijzen waar de noodstop zat. We kregen vragen. Er was tijd om te antwoorden.

Ik vond het goed. Ik vond het ook moeilijk om ernaar te kijken.

Sorin was er niet.

Hij stuurde soms foto’s van zijn handtherapie. Een sponsbal. Een bakje met kleine voorwerpen. Oefeningen die simpel leken tot hij vertelde hoeveel pijn ze deden. Hij had hulp gekregen bij zijn loon en woonruimte. Over een schadevergoeding liep nog van alles. Niemand kon hem vertellen wanneer dat afgerond zou zijn.

Op een foto zag ik dat hij zijn duim weer tegen één vinger kon zetten. Ik stuurde een duim omhoog en schaamde me daarna voor dat plaatje. Hij antwoordde met een lachend gezicht.

Halina bleef aan de lijn werken. Amina ook. Ik zat vaker bij Dennis, maar het aangepaste werk was tijdelijk. Dat werd bij ieder gesprek herhaald.

Zes weken voordat mijn contract afliep, belde Kim.

‘Er komt geen verlenging op deze plaatsing.’

‘Waarom niet?’

‘De opdrachtgever wil anders plannen.’

‘Ligt het aan mijn hand?’

‘Dat zeg ik niet.’

‘Aan mijn verklaring?’

‘Dat zeg ik ook niet.’

Ik vroeg haar de mededeling schriftelijk te bevestigen. Daarna legde ik mijn telefoon neer en staarde naar de hond op Dennis’ bureau.

Hij keek op.

‘Slecht nieuws?’

‘Mijn contract stopt.’

Hij duwde een doos tissues mijn kant op. Ik had nog niet gehuild.

Dit keer deed ik dat ook niet.

Ik liet mijn situatie opnieuw juridisch bekijken. Er werd uitgelegd wat er bij het einde van het contract betaald moest worden en welke stappen nodig waren, afhankelijk van mijn herstel. Ook bespraken we mijn vermoeden dat mijn verklaring had meegespeeld.

Een vermoeden was geen bewijs. De volgorde van gebeurtenissen was belangrijk, maar niet genoeg om alles vast te stellen. Ik kon een procedure beginnen, met onzekerheid over de uitkomst. Ik kon ook eerst zorgen dat mijn inkomen en begeleiding geregeld waren.

Ik koos voor dat laatste. Niet omdat ik ineens vrede had met het besluit. Ik had weinig energie over en moest weten waarvan we de volgende maand aten.

Samen met mijn behandelaar en de bedrijfsarts werkte ik verder aan herstel. Tegen het einde van mijn contract kon ik weer meer doen, zolang ik niet de hele dag zwaar en herhalend handwerk deed. Ik schreef me in als werkzoekende en vroeg op tijd een uitkering aan.

Daarnaast begon ik te solliciteren.

Bij een magazijn in Den Bosch vroeg de man tegenover me waarom ik uit de vleesindustrie wilde.

‘Ik zoek werk dat beter bij mijn belastbaarheid past.’

‘Dus je bent niet helemaal fit?’

Hij legde mijn cv op een stapel. Ik wist genoeg.

Een ander bedrijf bood alleen nachtdiensten. Dat ging niet met Noor. Een vacature voor administratie vroeg ervaring die ik niet had, al kon ik inmiddels prima goederen registreren.

Dennis hielp me mijn cv aanpassen.

‘Zet dat erop,’ zei hij. ‘Je hebt het gedaan. Dan is het ervaring.’

Mijn laatste dienst bij Veldkamp was op een vrijdag. Ik leverde mijn pas in en maakte mijn kluis schoon. Achterin vond ik een verdroogd mandarijntje en een ongeopende verpakking oordoppen.

Halina wachtte bij de uitgang. Amina stond naast haar met een papieren tas.

Er zat koffie in. Goede koffie, zei Amina. En een kaart waarop acht namen stonden.

Marcel kwam langs. Hij bleef even staan.

‘Succes, Eva.’

‘Dank je.’

Ik wilde hem nog vragen waarom hij die losse plaat met zijn schoen had teruggeduwd. Ik wilde horen dat hij dat ook onthouden had. Maar daar, naast het poortje, zou ik geen bruikbaar antwoord krijgen.

Buiten gaf Halina me een stevige knuffel.

‘Niet verdwijnen,’ zei ze.

‘Jij ook niet.’

Ik reed niet meteen weg. Ik stuurde Noor een bericht dat ik onderweg was.

Toen verwijderde ik de planningsapp niet. Eerst maakte ik schermafbeeldingen en bewaarde ik de loonstroken.

Pas daarna haalde ik hem van mijn telefoon.

Hoofdstuk 7

Een andere ochtend

Mijn nieuwe baan begon drie maanden later, in een magazijn voor medische hulpmiddelen in Den Bosch. Achtentwintig uur per week. Eerst een jaarcontract, rechtstreeks bij het bedrijf.

Het loon was niet hoog. De reistijd was langer dan ik wilde. Toch las ik het contract twee keer met plezier. De uren stonden erin. De werkdagen ook.

Voor het zover was, had ik vijf gesprekken gevoerd en negen afwijzingen gekregen. Ik had een korte computercursus gedaan in de bibliotheek. Daar zat ik naast een man die dertig jaar vrachtwagen had gereden en niet wist hoe hij een bijlage moest meesturen.

Ik wist dat inmiddels wel. Hij hielp mij met een vastgelopen printer.

De weken zonder werk waren niet rustig geweest. Er kwamen formulieren, afspraken en vragen. Ik had mijn uitgaven tot op de euro bijgehouden. Soms dacht ik terug aan mijn eerste loon bij de fabriek en begreep ik weer waarom ik er zo graag had willen blijven.

Mijn nieuwe leidinggevende heette Fatima. Tijdens het sollicitatiegesprek had ze naar mijn pols gevraagd, nadat ik zelf mijn beperkingen had genoemd.

‘Wat kun je wel?’

Ik vertelde over registreren, controleren en overzicht houden. Over schoonmaakprotocollen uit het verpleeghuis. Over fouten zien voordat een doos verderging.

Ze schreef mee.

‘We hebben hoge werkdruk op sommige dagen,’ zei ze. ‘Ik ga niet doen alsof dat hier niet bestaat. Maar we kunnen taken afwisselen.’

Op mijn eerste ochtend kreeg ik veiligheidsschoenen, een rondleiding en een inwerkrooster van twee weken. Ik moest leren omgaan met scanners en artikelnummers. Kniebraces leken op elkaar, maar hadden verschillende maten en uitvoeringen. Eén verkeerd cijfer betekende een verkeerd product bij een zorgverlener.

Ik maakte fouten. Op woensdag boekte ik een levering dubbel in. Mijn maag trok samen toen Fatima achter me kwam staan.

‘Laat eens zien.’

Ze keek naar het scherm.

‘Hier. Deze regel halen we weg. Volgende keer eerst controleren of de scanner al heeft gepiept.’

Dat was het.

Ik ging naar het toilet en bleef daar even staan. Niet omdat ze boos was geweest. Omdat ik op boosheid had gerekend.

Mijn hand herstelde verder, maar werd niet helemaal de oude. Bij lang knijpen kwam de pijn terug. Ik droeg dozen dichter tegen mijn lichaam en vroeg hulp bij zware pakketten. Dat laatste moest ik oefenen. Ik zei vaak eerst dat het wel ging, om dan alsnog iemand te roepen.

Thuis werd het stiller in mijn hoofd. Ik controleerde mijn telefoon niet meer tijdens het koken. Noor vroeg weer vriendinnen mee. Er lag brood in de vriezer. Kleine dingen, maar ik merkte ze op.

Sorin zag ik in het voorjaar op een terras in Uden. Halina had het geregeld. Hij pakte zijn kopje met links. Zijn rechterhand lag op tafel, met littekens die bleek waren geworden.

Hij kon nog niet terug naar zijn oude werk. De begeleiding naar ander werk liep traag. Ook de afhandeling van het ongeval was niet klaar.

‘Iedereen zegt geduld,’ zei hij.

‘Daar kun je niks van kopen,’ zei Halina.

Hij lachte en schoof zijn telefoon naar ons toe. Hij had een tweedehands fiets gekocht. Blauw, met een veel te groot slot.

‘Zelf naar afspraken,’ zei hij. ‘Geen busje.’

Ik vertelde over mijn nieuwe baan. Halina vroeg naar vacatures. Ze had nog steeds geen vast contract. Ik beloofde niets. Die avond stuurde ik haar wel de website en bood aan samen naar haar cv te kijken.

Een paar weken later kreeg ik bericht dat het onderzoek naar het ongeluk verderging. Er waren overtredingen vastgesteld en er volgde een handhavingstraject. Wat de uiteindelijke gevolgen zouden zijn, stond nog niet vast. Ik las de brief twee keer en borg hem op bij de rest.

Het was geen afsluiting. Sorins hand bleef beschadigd. Mijn contract was niet terug. Halina stond de volgende ochtend weer vroeg aan de lijn.

Maar wat wij hadden verteld, stond nu ergens waar het niet zomaar veranderd kon worden.

Mijn schriftje ligt nog in de keukenla. Ik noteer mijn uren nog steeds. Niet iedere minuut. Wel wat ik nodig kan hebben.

Laatst liep een rolcontainer op mijn nieuwe werk vast tegen een beschadigde drempel. Een collega wilde hem met kracht lostrekken. Ik zag zijn voet tussen het wiel en de muur.

‘Wacht,’ zei ik. ‘Eerst je voet weg.’

Hij stapte achteruit. We maakten ruimte en riepen iemand erbij.

Daarna gingen we verder. Niemand deed moeilijk over die paar minuten.