Naar de inhoud
Terug naar het boek

Tegenslag en opnieuw beginnen

Mijn bedrijf ging failliet in de crisis

Hoofdstuk 1

De rode cijfers

De pinpas weigerde bij het tankstation aan de Ceintuurbaan in Zwolle. Achter me stond een man met een broodje gehaktbal. Hij zuchtte. Ik probeerde het nog een keer.

‘Misschien de andere kant erin,’ zei de kassier.

Ik wist dat het niet aan de pas lag.

Met mijn privépas betaalde ik tweeënzeventig euro diesel. Daarna bleef ik in de bestelbus zitten. Mijn handen lagen op het stuur. Op de zijkant van de bus stond in blauwe letters: VAN DIJK RECLAMEWERK. Daaronder mijn telefoonnummer. Dat nummer ging precies op dat moment over.

Het was de bank.

Ik heet Bas van Dijk. In februari 2009 was ik negenendertig. Ik had een vrouw, Marije, een dochter van acht, Fien, en een bedrijf met zes medewerkers. We maakten gevelletters, winkelborden en belettering voor bedrijfswagens. Ons pand stond op bedrijventerrein Marslanden. Ik was er trots op. Vooral op de werkplaats, met de lange snijtafel die ik zelf had gebouwd.

‘Uw rekening overschrijdt de afgesproken ruimte,’ zei de man van de bank.

‘Er komen deze week betalingen binnen.’

‘Dat zei u vorige week ook.’

Ik keek naar een dieselvlek naast de pomp.

‘Vrijdag heb ik meer duidelijkheid.’

Hij gaf me tot donderdag.

In de werkplaats stond Leon op een trap. Hij trok beschermfolie van een lichtbak. Esther zat achter haar scherm met een ontwerp voor een fietsenwinkel in Kampen. De radio stond aan. Iemand lachte om iets wat Yusuf zei.

Ik liep rechtstreeks naar mijn kantoor.

Op mijn bureau lagen drie enveloppen. Twee blauwe. Eén met een rood venster. Ik schoof ze onder een catalogus.

Dat was niet het moment waarop het misging. Het ging al maanden mis. Dit was alleen de ochtend waarop ik niet langer kon doen alsof het vanzelf zou overwaaien.

In oktober was een grote winkelketen gestopt met verbouwen. In november had een transportbedrijf zesentwintig nieuwe bestelwagens afgezegd. Wij zouden ze allemaal beletteren. In december betaalde een aannemer uit Apeldoorn zijn rekening niet. Ruim vierendertigduizend euro, verspreid over meerdere opdrachten.

Ik had hem gebeld. Eerst vriendelijk. Daarna dagelijks.

‘Je kent de markt, Bas,’ zei hij. ‘Wij wachten ook op geld.’

Ondertussen betaalde ik lonen, huur en leveranciers. Met onze kredietruimte. Daarna met geld van onze spaarrekening.

Marije wist van de eerste tienduizend euro. Niet van de tweede overboeking.

Om elf uur kwam Esther binnen.

‘De folie voor De Brink is niet geleverd.’

‘Ik bel erachteraan.’

‘Dat heb ik al gedaan. Ze leveren pas als wij betalen.’

Ze bleef staan. Ik deed alsof ik iets op mijn scherm zocht.

‘Is er iets wat we moeten weten?’ vroeg ze.

‘Het is tijdelijk krap.’

Zodra ik het zei, schaamde ik me. Esther werkte al zeven jaar bij me. Ze kende het geluid van de printer beter dan ik. Ze hoorde ook wanneer ik loog.

Die middag kwam boekhouder Pieter langs. Hij legde zijn jas niet eens over een stoel. Hij ging tegenover me zitten en draaide mijn scherm naar zich toe.

‘Laat de openstaande posten zien.’

Ik begon over nieuwe aanvragen. Een school in Dronten. Twee bedrijfswagens. Misschien een complete gevel in Deventer.

‘Niet de aanvragen, Bas. De rekeningen.’

We zaten anderhalf uur naast elkaar. Buiten werd het donker. Achter de wand stopte de freesmachine.

Pieter telde bedragen op, streepte iets weg en pakte zijn rekenmachine opnieuw.

‘Als die aannemer niet betaalt, haal je de volgende loonronde niet.’

‘Dan moet hij betalen.’

‘En als hij dat niet kan?’

Daar had ik geen antwoord op.

Thuis zat Fien aan de keukentafel. Ze had van karton een winkel gemaakt. Boven de deur stond haar naam, scheef geschreven met een blauwe stift.

‘Jij moet het bord maken, papa. Een echt bord.’

‘Zaterdag.’

Marije stond bij het fornuis. Ze keek naar me.

‘Je hebt niet teruggebeld.’

‘Druk.’

Tijdens het eten vertelde Fien over een jongen die zijn gymschoenen in de wc had laten vallen. Ik lachte te laat. Marije legde haar vork neer.

‘Wat is er?’

Ik keek naar onze dochter. Naar de aardappels op mijn bord. Naar alles behalve mijn vrouw.

‘Er zijn wat problemen met betalingen.’

Die nacht sliep Marije naast me. Ik lag wakker en rekende. Steeds dezelfde bedragen. Steeds een andere volgorde. Alsof er dan een ander antwoord uit zou komen.

Hoofdstuk 2

Nog één opdracht

Twee dagen later reed ik naar Apeldoorn. Zonder afspraak. Ik wilde de aannemer spreken die ons vierendertigduizend euro schuldig was. Zijn naam was Henk Bultman. We hadden jarenlang zaken gedaan. Hij kende Fien. Ik kende zijn tweede vrouw.

Bij zijn kantoor stonden drie bestelwagens met onze letters erop. Eén deur hing scheef. In de hal rook het naar koffie en natte jassen.

De receptioniste hield haar hand op de telefoon.

‘Henk zit in overleg.’

‘Ik wacht.’

Na veertig minuten kwam hij de trap af. Hij droeg een overhemd zonder jasje. Onder zijn ogen zaten donkere randen.

‘Je had moeten bellen.’

‘Dan had je moeten opnemen.’

We gingen een kleine vergaderruimte in. Ik schoof kopieën van de facturen over tafel.

‘Ik heb uiterlijk morgen vijftienduizend nodig.’

Hij bekeek de papieren niet.

‘Dat heb ik niet.’

‘Je hebt mijn spullen wel.’

‘Bas, luister.’

‘Nee. Jij luistert. Mijn mensen moeten betaald worden.’

Hij keek naar de glazen wand. Op de gang liep iemand langs met een doos printpapier.

‘Die van mij ook,’ zei hij zacht.

Ik wilde hem niet geloven. Ik wilde dat hij geld achterhield, zodat ik boos kon blijven. Maar zijn hand trilde toen hij zijn koffiekop pakte.

Ik vertrok met een belofte van vijfduizend euro. Ook dat geld kwam niet.

Onderweg belde Leon. Een supermarkt in Harderwijk wilde nieuwe gevelletters. Een flinke klus. De eigenaar had haast.

Ik reed er meteen heen.

In het magazijn liep ik met een man in een groene trui langs kratten frisdrank. Hij wilde binnen twee weken klaar zijn. De oude letters moesten weg. Nieuwe verlichting. Alles netjes afgewerkt.

‘Wat kost dat?’

Ik rekende in mijn hoofd. Materiaal. Hoogwerker. Uren.

Daarna noemde ik een prijs die te laag was.

Hij knikte direct. Dat had me moeten waarschuwen.

Terug in Zwolle legde ik de opdracht op Leons werkbank.

‘Deze hebben we.’

Hij keek naar het bedrag.

‘Hiervoor?’

‘We hebben werk nodig.’

‘We hebben werk nodig waar iets op overblijft.’

Ik werd kwaad. Niet omdat hij ongelijk had, maar omdat hij het hardop zei.

‘Ik regel de opdrachten. Jij zorgt dat het gemaakt wordt.’

Leon pakte het papier op en liep weg. Hij was mijn eerste werknemer geweest. We hadden samen de vloer van ons eerste huurpand geschilderd. Nu sprak ik tegen hem alsof hij een lastige stagiair was.

Die avond zat Marije met haar laptop aan de keukentafel. De website van de bank stond open.

‘Waar is ons geld?’ vroeg ze.

Ik bleef bij de deur staan.

‘In het bedrijf.’

‘Hoeveel?’

‘Twintigduizend.’

‘Dat zie ik. Waarom weet ik maar van tien?’

Ik trok een stoel naar achteren. Het geluid was hard op de tegels.

‘Ik dacht dat het kort zou duren.’

‘Je hebt het niet gevraagd.’

‘Ik moest de lonen betalen.’

‘En daarom hoef ik het niet te weten?’

Boven hoestte Fien. We zwegen tot het weer stil was.

Marije werkte drie dagen per week als doktersassistente. We hadden dat spaargeld apart gezet voor onderhoud aan het huis. Voor een kapotte auto. Voor dingen die je niet zag aankomen.

Ik had het uitgegeven aan iets wat ik al maanden zag aankomen.

‘Hoe erg is het?’ vroeg ze.

Ik gaf haar eindelijk de cijfers. Niet allemaal tegelijk. Ze moest doorvragen. Naar de belastingen. De leveranciers. De bank.

Toen vertelde ik over mijn persoonlijke borgstelling voor een deel van het bedrijfskrediet.

‘Hoeveel?’

‘Veertigduizend.’

Ze sloot de laptop.

‘Ik wil morgen met Pieter praten.’

De volgende ochtend zaten we met z’n drieën op kantoor. Pieter had een overzicht gemaakt. Hij liet zien wat er binnen moest komen en wat er al uit had moeten zijn.

De supermarktklus leverde nauwelijks iets op. Eén fout, één extra montagedag, en we zouden erop verliezen.

‘Je kunt omzet niet gebruiken om verlies te verstoppen,’ zei hij.

Marije keek naar mij, niet naar hem.

Op vrijdag kwam de aangetekende brief van een leverancier. Achterstallige betalingen. Laatste termijn. Daarna verdere stappen.

Ik legde de brief dit keer niet onder de catalogus.

Om halfvijf verzamelde ik mijn mensen bij de snijtafel. Leon, Esther, Yusuf, Kim, Sander en Niek. De radio ging uit.

‘We hebben een serieus probleem,’ zei ik.

Niemand leek verrast. Dat vond ik misschien nog het ergste.

Hoofdstuk 3

De laatste werkdag

Kim vroeg als eerste of het salaris nog kwam.

Ze zei het zonder verwijt. Gewoon als een vraag waarop ze antwoord nodig had. Haar huur werd over een week afgeschreven.

‘Deze maand lukt het,’ zei ik. ‘Daarna weet ik het niet.’

Pieter had die ochtend bevestigd dat we de lopende lonen nog konden betalen. Ik hield me vast aan dat ene zekere bedrag.

Sander wilde weten of hij ander werk moest zoeken.

‘Ik zou rondkijken,’ zei ik.

Hij knikte en keek naar zijn schoenen.

Leon stond met zijn armen over elkaar. Hij zei niets. Na afloop bleef hij wachten tot de anderen weg waren.

‘Hoelang weet je dit al?’

‘Dat het zo erg was? Sinds kort.’

‘Dat was mijn vraag niet.’

Ik kon geen antwoord geven dat hem niet nog bozer zou maken.

Hij pakte zijn jas.

‘Ik heb net een huis gekocht, Bas.’

De week daarna ging Bultman Bouw failliet. Ik hoorde het van Esther. Ze had het bericht op een lokale nieuwssite gezien.

Ik las dezelfde alinea vijf keer.

Pieter belde de curator van Bultman. Daarna belde hij mij. We moesten rekening houden met weinig of geen betaling. Zeker niet snel.

Er was geen laatste telefoontje dat alles kon oplossen. Toch bleef ik bellen. Naar klanten. Naar de bank. Naar een collega die misschien werk kon uitbesteden. Ik bood onze freesmachine te koop aan en haalde de advertentie een uur later weer weg. Zonder die machine konden we bepaalde opdrachten niet uitvoeren.

Met die machine konden we onze schulden ook niet betalen.

De bank wilde geen extra krediet geven. Pieter regelde een gesprek met een advocaat. Die stelde vragen die ik ontweek. Hoeveel schuldeisers? Welke verplichtingen? Konden we nieuwe opdrachten nog verantwoord uitvoeren?

‘U moet nu voorkomen dat de schade groter wordt,’ zei ze.

Ik hoorde vooral dat ik moest stoppen.

Na overleg met Pieter en de advocaat vroeg ik het faillissement van de bv aan. Ik tekende de stukken op een dinsdagmiddag. Mijn handschrift zag er hetzelfde uit als altijd. Dat vond ik vreemd. Mijn naam stond ook onder kerstkaarten en schoolformulieren. Nu stond hij hier.

Toen de rechtbank het faillissement uitsprak, zat ik thuis op een telefoontje te wachten. Marije was gebleven. Ze had een dienst geruild.

‘Het is uitgesproken,’ zei de advocaat.

Ik bedankte haar. Alsof ze een tafel voor me had gereserveerd.

De curator kwam de volgende ochtend naar het pand. Mevrouw De Graaf. Donkere jas, kleine leren tas. Ze gaf iedereen een hand. Daarna legde ze uit wat er ging gebeuren.

Ze sprak over inventaris, administratie en arbeidsovereenkomsten. Over contact met het UWV voor loon dat mogelijk onder de regeling viel. Niet alles zou dezelfde dag geregeld zijn. Er moesten formulieren worden ingevuld en gegevens worden gecontroleerd.

Kim schreef alles op.

Ik moest mijn sleutels afgeven. Ook de reservesleutel aan mijn autosleutelbos.

‘Moet die ook?’ vroeg ik.

‘Ja.’

Het kostte me moeite om het ringetje open te krijgen. Mijn nagel scheurde. Er kwam een klein streepje bloed op mijn duim.

In de werkplaats lagen de letters voor de supermarkt. We hadden de klus niet afgekregen. Ik had de eigenaar inmiddels gebeld. Hij had gevloekt. Daarna vroeg hij hoe hij verder moest.

Dat wist ik niet. De curator zou beoordelen wat nog mogelijk was.

Bij de snijtafel stonden mijn medewerkers met hun spullen. Niek had een boodschappentas bij zich. Daarin zat zijn mok, een trui en een foto van zijn zoontje.

Yusuf gaf me een hand.

‘Ik hoop dat je dit goed oplost,’ zei hij.

Ik wist niet of hij het over mijn leven had of over zijn loon.

Esther omhelsde me kort. Leon liep naar buiten zonder iets te zeggen. Ik liet hem gaan.

Pas toen iedereen weg was, zag ik hoe vies de vloer was. Restjes folie. Koffieringen. Een afgebroken mesje onder de tafel.

Ik pakte automatisch de bezem.

‘Laat maar staan,’ zei mevrouw De Graaf. ‘We moeten de administratie nog doornemen.’

Die middag leverde ik ook de bestelbus in. Marije haalde me op in onze oude Opel. Ik ging op de bijrijdersstoel zitten.

‘Naar huis?’ vroeg ze.

Ik knikte.

Bij de verkeerslichten zag ik een bus met letters die wij hadden gemaakt. De chauffeur zong mee met de radio. Hij reed weg toen het groen werd.

Wij bleven even staan. Achter ons claxonneerde iemand.

‘Bas,’ zei Marije. ‘Je moet je gordel nog omdoen.’

Hoofdstuk 4

Een kleinere tafel

De eerste maandag zonder bedrijf stond ik om kwart over zes naast mijn bed. Ik douchte, trok mijn werkkleding aan en zette koffie.

Daarna wist ik niet waar ik heen moest.

Ik ging aan de keukentafel zitten. Om zeven uur kwam Fien beneden.

‘Ben je vrij?’

‘Niet precies.’

‘Kun je me dan naar school brengen?’

Dat kon ik. Ik was er blij mee en ik schaamde me ervoor. Alsof een vader alleen op dinsdag om halfnegen over straat mocht als hij vakantie had.

Bij het schoolplein vroeg een andere vader hoe het met de zaak ging.

‘Die is failliet,’ zei ik.

Hij keek langs me heen.

‘O. Dat wist ik niet.’

Daarna begon de bel.

Ik liep naar huis via de supermarkt. Ik kocht brood en melk. Bij de zelfgebakken koeken bleef ik staan, rekende de prijs per stuk uit en liep verder.

Thuis lagen brieven op de mat. Sommige waren voor de bv en moesten naar de curator. Andere waren voor mij. Ik leerde het verschil snel.

Een failliete bv betekende niet dat al onze zakelijke schulden automatisch privéschulden werden. Pieter legde dat meerdere keren uit. Maar mijn borgstelling bij de bank was echt. De bank deed er een beroep op. Daarnaast hadden we zelf geld geleend en achterstanden laten ontstaan terwijl ik het bedrijf overeind probeerde te houden.

De curator onderzocht mijn administratie en de gang van zaken. Daar was ik bang voor. Ik had fouten gemaakt. Ik had te laat ingegrepen. Ik had thuis geld verzwegen.

Dat was iets anders dan geld wegsluizen of mijn administratie laten verdwijnen. Toch schrok ik van iedere vraag.

Ik leverde mappen aan, zocht bankafschriften op en legde betalingen uit. Er volgde geen persoonlijke aansprakelijkstelling door de curator. De opluchting was groot, maar onze eigen schulden verdwenen er niet door.

Marije maakte een map met tabbladen. Bank. Hypotheek. Energie. Zorgverzekering. Brieven die vroeger dagen op mijn bureau bleven liggen, moesten nu dezelfde avond open.

‘Samen,’ zei ze.

Ze schoof de schaar naar me toe.

Soms werd ik kwaad om die controle. Dan hoorde ik mezelf vragen of ik toestemming moest hebben om een brood te kopen.

‘Nee,’ zei ze. ‘Maar ik wil niet nog een keer ontdekken dat er ergens twintigduizend euro weg is.’

Daar kon ik niets tegenin brengen.

We probeerden het huis te houden. Haar loon, mijn tijdelijke inkomsten, lagere uitgaven. Het paste niet. Niet met de achterstanden en niet met de onzekerheid over mijn werk.

In het najaar zetten we ons rijtjeshuis in Stadshagen te koop.

Voor elke bezichtiging ruimden we alles op. Ook Fiens tekening van ons drieën. De makelaar wilde de vensterbank leeg.

‘Waarom mogen ze niet zien dat wij hier wonen?’ vroeg ze.

‘Dan kunnen ze beter bedenken hoe hun eigen spullen staan,’ zei Marije.

Fien vond het een dom antwoord. Ik ook.

Het huis bracht minder op dan onze hypotheekschuld. We hielden een restschuld over. Via de gemeente kregen we advies over schuldhulp. Er waren gesprekken, formulieren en wachttijden. Eerst moest duidelijk worden welke schulden werkelijk privé waren en hoe groot ze waren.

Ik wilde een getal. Eén bedrag dat ik kon aankijken.

Uiteindelijk kwamen we voor mijn persoonlijke schulden uit op ruim zestigduizend euro. Het precieze bedrag veranderde nog door rente, kosten en afrekeningen.

We verhuisden naar een huurwoning in Holtenbroek. Een bovenwoning met twee slaapkamers. De eettafel paste niet door het trappenhuis. Ik schroefde de poten eraf, maar ook toen kreeg ik het blad niet om de draai.

Leon had die tafel ooit met me opgehaald. Ik dacht eraan hem te bellen. Ik deed het niet.

We verkochten hem voor vijftig euro. Bij de kringloop kochten we een kleinere.

De eerste avond aten we macaroni tussen de dozen. Fien zat met haar knieën tegen de onderkant van het tafelblad.

‘Hier wiebelt hij,’ zei ze.

Ik vouwde een stukje karton en schoof het onder de poot.

Later stond ik alleen op het balkon. Beneden startte iemand een brommer. Marije kwam naast me staan.

‘Ik weet niet of het tussen ons goedkomt,’ zei ze.

Ik wilde zeggen dat ik alles zou herstellen. Voor het eerst hield ik zo’n belofte in.

‘Ik weet het ook niet,’ zei ik.

We bleven naast elkaar staan, zonder elkaar aan te raken.

Hoofdstuk 5

Gewoon op tijd

Mijn eerste betaalde werk na het faillissement was in een magazijn in Heerde. Via een uitzendbureau. Dozen met onderdelen verzamelen, stickers controleren, pallets klaarzetten.

De ploeg begon om zes uur.

Ik kwam twintig minuten te vroeg. Mijn brood zat in een plastic zak. Bij de ingang stond een jongen met een pet achterstevoren. Hij heette Kevin en was drieëntwintig.

‘Jij bent Bas? Kom maar.’

Hij wees me een kluisje en gaf uitleg over de scanner. Ik knikte te snel.

‘Heb je hiermee gewerkt?’ vroeg hij.

‘Niet met dit systeem.’

‘Dan moet je wel kijken.’

Ik keek.

Die eerste ochtend zette ik twaalf dozen op de verkeerde pallet. Kevin liet me alles terughalen. Hij bleef erbij staan terwijl ik de codes opnieuw scande.

Ik wilde zeggen dat ik een bedrijf had geleid. Dat ik machines kon bedienen die duurder waren dan zijn auto. In plaats daarvan vroeg ik welke code ik eerst moest scannen.

Na de dienst zat ik in de Opel. Mijn schouders deden pijn. Op mijn telefoon stond een bericht van Marije: Hoe ging het?

Ik typte: Prima.

Ik haalde het weg.

Daarna schreef ik: Fout gemaakt. Hersteld. Moe. Ik ben om drie uur thuis.

Het contract was tijdelijk. Soms werkte ik vier dagen. Soms twee. Ik nam ook opruimwerk aan bij een bouwbedrijf, zolang het uitzendbureau en mijn afspraken met de schuldhulp dat toelieten. Ik gaf mijn inkomsten door. Bewaarde loonstroken. Opende post.

Dat laatste kostte soms meer moeite dan een hele dag tillen.

Bij een logo van de bank op een envelop trok mijn buik samen. Een onbekend nummer liet ik nog vaak overgaan. Daarna belde ik terug met een briefje naast me waarop stond wat ik moest vragen.

In het voorjaar van 2010 stuurde de huisarts me door naar de praktijkondersteuner. Ik sliep slecht, werd snel kwaad en controleerde ’s nachts onze rekening. Alsof er tussen twee en vier uur geld bij kon komen.

De praktijkondersteuner heette Rachida.

‘Wat gebeurt er als je wakker wordt?’ vroeg ze.

‘Dan denk ik aan alles wat ik fout heb gedaan.’

‘En daarna?’

‘Dan doe ik dat nog een keer.’

Ze lachte niet. Ze vroeg naar één nacht, van begin tot eind. Naar het schermlicht. Naar Marije die wakker werd. Naar mijn hoofdpijn op het werk.

We maakten kleine afspraken. Telefoon buiten de slaapkamer. Een vast moment voor administratie. Wandelen als ik bleef malen. Geen wondermiddelen. Ik lag nog steeds wakker, maar niet meer iedere nacht tot de wekker ging.

De gemeentelijke schuldhulpverlener probeerde met de schuldeisers tot een regeling te komen. Dat duurde lang. Er kwamen ontbrekende stukken, nieuwe berekeningen en vragen over de borgstelling. Niet alle schuldeisers gingen akkoord.

Daarna volgde de aanvraag voor wettelijke schuldsanering.

Bij de rechtbank vroeg de rechter hoe de schulden waren ontstaan. Ik vertelde over de crisis, de onbetaalde rekeningen en mijn pogingen om door te gaan. Ook over beslissingen die niet verstandig waren geweest.

Mijn begeleider had vooraf gezegd dat ik feiten moest geven, geen verdediging van mijn hele leven.

Dat hielp.

In 2011 werd ik toegelaten. Er kwam een bewindvoerder. Ik moest mijn verplichtingen nakomen, veranderingen melden, me inspannen voor inkomen en afdragen wat boven het vastgestelde bedrag uitkwam. Het traject zou normaal drie jaar duren.

Drie jaar klonk kort toen de begeleider het zei. Thuis keek ik naar de kalender en vond ik het eindeloos.

Een week later zag ik Leon bij een bouwmarkt. Hij stond bij de schroeven. Ik kon omdraaien voordat hij me zag.

Ik liep door.

‘Hé, Leon.’

Hij keek op.

‘Bas.’

Ik vroeg of hij werk had. Hij zat bij een signbedrijf in Deventer. Lager loon, langere reistijd, maar een vast contract.

‘Mooi,’ zei ik.

Hij knikte.

‘Ik heb je te lang niks verteld,’ zei ik. ‘En ik was een klootzak tegen je over die supermarktklus.’

‘Klopt.’

Ik wachtte.

‘Ik mis sommige dingen,’ zei hij. ‘Maar niet die laatste maanden.’

‘Nee.’

We praatten nog even. Geen omhelzing. Geen afspraak om bier te drinken.

Toen ik buiten kwam, merkte ik dat ik mijn boodschappenlijst nog in mijn hand had. Ik ging terug naar binnen. Ik moest gewoon nog twee scharnieren halen.

Hoofdstuk 6

Drie jaar tellen

In de schuldsanering telde ik alles. Werkuren. Afgeschreven bedragen. Maanden tot het einde. Soms ook de koffie die ik buitenshuis niet kocht.

Marije vond dat laatste vermoeiend.

‘Je hoeft niet bij elke kop te zeggen wat hij kost,’ zei ze.

‘Ik probeer op te letten.’

‘Dat kan ook zonder het hardop te doen.’

We kregen vaak ruzie over kleine dingen. Een schoolreis. Nieuwe schoenen. Een vergeten aanbieding. Meestal ging het niet echt daarover. Zij was bang dat ik weer informatie achterhield. Ik was bang dat ik voor altijd gecontroleerd zou worden.

Eén avond liep het vast bij een rekening van de garage. De Opel had een nieuwe uitlaat nodig. Ik had toestemming gegeven voor de reparatie zonder eerst te overleggen.

‘Hij moest gemaakt worden,’ zei ik.

‘Dan bel je.’

‘Er was niks te kiezen.’

‘Dan bel je nog steeds.’

Ik sloeg mijn stoel achteruit en liep naar buiten. Op de galerij hoorde ik Fien haar slaapkamerdeur dichtdoen.

Ik bleef bij de trap staan. Daarna ging ik terug.

‘Sorry,’ zei ik tegen Marije. ‘Ik had moeten bellen.’

Toen klopte ik bij Fien aan.

Ze zat op bed met haar koptelefoon op, zonder muziek.

‘Gaan jullie uit elkaar?’ vroeg ze.

‘Dat is nu niet het plan.’

‘Je zegt nooit gewoon nee.’

Ik ging op de grond zitten. Ik wilde haar niet weer geruststellen met iets wat ik niet zeker wist.

‘We proberen het goed te krijgen. En die ruzie ging niet over jou.’

Ze trok aan een draadje van haar dekbed.

‘Dat weet ik wel.’

Maar ik was blij dat ik het gezegd had.

In 2012 kreeg ik een vaste baan bij een montagebedrijf in Hattem. Niet als bedrijfsleider. Ik monteerde interieurdelen en bewegwijzering in kantoren en zorginstellingen. Mijn ervaring was bruikbaar. Mijn verleden hoefde ik niet te verbergen.

Tijdens het sollicitatiegesprek had eigenaar Anita Vos naar het gat in mijn cv gevraagd.

‘Mijn bedrijf is failliet gegaan.’

‘Wat deed je daarna?’

Ik vertelde over het magazijn, tijdelijk werk en de schuldsanering.

‘Heeft dat gevolgen voor je beschikbaarheid?’

‘Soms moet ik naar een afspraak. Verder niet.’

‘En kun je nog steeds netjes monteren?’

Ze schoof een werktekening naar me toe.

Het salaris gaf rust. Niet veel ruimte, want mijn afdracht werd opnieuw berekend. Maar wel vaste uren en minder onzekerheid. Op vrijdag wist ik waar ik maandag moest zijn.

Anita betaalde op tijd. Ik merkte dat ik daar meer waarde aan hechtte dan aan een kerstpakket.

Thuis hielden Marije en ik elke zondag twintig minuten overleg over geld. Met de laptop open en de post erbij. Daarna ging alles in de kast. In het begin vroeg ze nog vaak of er echt niets anders was. Later niet meer elke week.

We gingen niet op vakantie. In de zomer fietsten we naar de Wijthmenerplas. Fien vond het prima tot vriendinnen naar Frankrijk gingen. Toen vond ze het oneerlijk.

Dat was het voor haar ook. Zij had niets getekend en geen facturen te laat betaald.

Voor haar twaalfde verjaardag wilde ze een fiets. We vonden een tweedehands exemplaar in Wezep. Ik schuurde de roest van de bagagedrager en verving het achterlicht. Ze had liever een nieuwe gehad. Twee dagen later fietste ze ermee naar een vriendin.

Er waren goede weken. Er waren weken waarin een brief van de bewindvoerder alles weer klein maakte. Eén keer leverde ik mijn loonstrook te laat aan. Ik kreeg een duidelijke waarschuwing. Vanaf toen zette ik een melding in mijn agenda en controleerde Marije niet meer of ik eraan had gedacht. Ik liet zien dat het verstuurd was.

In 2014 kwam het einde van het traject in zicht. Ik durfde het niemand te vertellen. Eerst wilde ik de uitspraak hebben.

Toen die kwam, las ik hem aan onze kleine keukentafel. Ik kreeg de schone lei. Voor de schulden waarop die gold, kon ik niet meer tot betaling worden gedwongen.

Ik las de brief nog een keer.

Marije kwam naast me zitten.

‘Is het goed?’

‘Ja.’

Ze pakte mijn hand.

We haalden die avond friet. Fien vroeg of we nu rijk waren.

‘Nee,’ zei ik. ‘Maar deze brief hoeven we niet meer te vrezen.’

Daarna vroeg ze om mayonaise en gaf ik de pot door.

Hoofdstuk 7

Weer mijn naam

Ik begon niet de week daarna een nieuw bedrijf. Zelfs niet het jaar daarna.

Ik bleef bij Anita werken. Ik spaarde. Eerst honderd euro. Toen vijfhonderd. Toen genoeg om een kapotte wasmachine te kunnen vervangen zonder iemand te bellen.

Die eerste buffer voelde belangrijker dan de omzetrecords waar ik vroeger over opschepte.

Marije en ik bleven samen. Dat ging niet omdat de schuldenregeling klaar was. We moesten nog steeds leren praten voordat iets een probleem werd. Soms vroeg ze twee keer naar een uitgave. Dan voelde ik irritatie en gaf ik toch antwoord.

Ik had haar lang genoeg redenen gegeven om door te vragen.

We bleven in de huurwoning. Fien kreeg een groter bureau. Ik hing planken op in de berging. Ons oude huis werd af en toe verkocht, zag ik op internet. Op een dag stopte ik met zoeken.

Het idee om weer voor mezelf te werken kwam langzaam terug. Niet met een bedrijfspand en personeel. Met kleine klussen die ik zelfstandig kon uitvoeren. Een raamtekst. Een naamplaat. Montagewerk voor andere reclamebedrijven.

In 2016 besprak ik het met Marije.

We zaten niet toevallig aan tafel. Ik had gevraagd of we er op zondag tijd voor konden maken.

Ik liet een overzicht zien. Gereedschap dat ik al had. Kosten voor verzekering en administratie. Geen lening. Geen leasebus. Productie uitbesteden in plaats van meteen machines kopen.

‘En je baan?’ vroeg ze.

‘Die houd ik. Eerst alleen ernaast, als Anita het goedvindt.’

‘En wanneer stop je ermee als het niet werkt?’

Vroeger had ik die vraag beledigend gevonden. Nu had ik er een antwoord op voorbereid.

We spraken een grens af voor geld en uren. Geen geld uit onze noodbuffer. Geen zakelijke verplichting die ik niet kon uitleggen. Elke maand kijken wat er werkelijk overbleef.

Anita gaf schriftelijk toestemming voor duidelijk afgebakende nevenwerkzaamheden. Geen klanten van haar benaderen. Geen klussen die mijn gewone werk in de weg zaten.

Ik schreef me in onder mijn eigen naam: Bas van Dijk Montage en Belettering.

Toen ik het bevestigingsbericht kreeg, sloot ik mijn laptop. Ik moest even naar buiten. Niet van geluk alleen. Ook van angst.

Mijn eerste klant was een kapster in Hattem. Roos. Ze had een kleine salon in een voormalige winkel en wilde haar openingstijden op de ruit.

Ik stuurde een duidelijke offerte. Geen vriendenprijs. Geen korting omdat ik graag ja wilde horen.

Ze belde.

‘Kan het voor vijftig euro minder?’

Ik bekeek mijn berekening.

‘Dan kan ik de kleine tekst onderaan weglaten. Anders niet.’

‘Laat die dan maar weg.’

Dat was alles. Geen ruzie. Geen verloren kans. Gewoon een kleinere opdracht.

Ik plakte de letters op een zaterdagmorgen. Roos zette koffie op een omgekeerde emmer naast mijn gereedschapskist. Toen ik klaar was, keek ze van buiten naar de ruit.

‘Mooi. Precies goed.’

Ze betaalde binnen drie dagen.

Ik zette meteen geld apart voor belastingen en kosten. Het bedrag dat overbleef was niet groot. Het was wel echt verdiend.

In 2018 belde Leon. Zijn werkgever zocht iemand voor extra montagewerk tijdens een verbouwing in Zwolle.

‘Ik heb jouw naam genoemd,’ zei hij.

Ik was even stil.

‘Dank je.’

‘Maak eerst maar een prijs. Ze hebben je nog niet ingehuurd.’

We werkten uiteindelijk twee dagen samen. Hij vertelde over zijn zoon. Ik vertelde over Fien, die zeventien was en naar een open dag in Utrecht wilde. Tijdens de lunch aten we broodjes op een lege vensterbank.

We spraken ook over vroeger. Niet lang. Leon zei dat hij nog steeds boos kon worden als hij aan die laatste weken dacht.

‘Dat snap ik,’ zei ik.

Hij hoefde mij niet volledig te vergeven om weer met me te kunnen werken.

Nu heb ik drie dagen mijn baan en daarnaast kleine opdrachten. Ik huur werkruimte per dag als het nodig is. Ik heb geen personeel. Soms wijs ik werk af omdat ik het niet kan voorfinancieren of omdat mijn agenda vol is.

Er zijn maanden waarin bijna niets binnenkomt. Dan ben ik blij met mijn loon. Bij een late betaling voel ik nog steeds die oude spanning. Het verschil is dat ik nu bel, de cijfers bekijk en het thuis vertel.

Laatst vroeg Fien of ik het weer een bedrijf durfde te noemen.

‘Ja,’ zei ik.

Ze keek naar de gereedschapskist bij de deur.

‘Ook zonder grote werkplaats?’

‘Ook zonder grote werkplaats.’

Die avond stuurde ik een factuur. Daarna deed ik de laptop dicht. Marije had thee gezet. Er lag een brief op tafel die ik nog moest openen.

Ik pakte de schaar en maakte hem open.