Verlies en rouw
Mijn beste vriend koos ervoor
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De sleutel
Om 06.43 uur belde Bas mij. Ik stond in mijn keuken in Amersfoort en probeerde een vastgelopen broodrooster open te krijgen. Mijn telefoon lag op de vensterbank. Ik zag zijn naam, drukte het geluid weg en dacht: straks.
Om 07.12 uur belde zijn zus.
‘Thomas, heb jij iets van Bas gehoord?’
Ik klemde de telefoon tussen mijn schouder en mijn oor. Mijn linkerhand zat onder de broodkruimels.
‘Hij belde net. Waarom?’
‘Hij heeft vannacht een bericht gestuurd. Het klopt niet.’
‘Wat staat erin?’
‘Dat ik goed voor mam moet zorgen.’
Ik liet het mes waarmee ik in de broodrooster zat vallen. Het tikte tegen de gootsteen.
‘Ik ga naar hem toe.’
‘Ik ben onderweg vanuit Zwolle.’
Bas woonde bij het Eemplein. Tien minuten fietsen. Ik deed er zes over. Bij de stoplichten aan de Stadsring reed ik door rood. Een automobilist sloeg op zijn claxon. Ik stak mijn hand op zonder om te kijken.
Onderweg belde ik hem drie keer.
Steeds dezelfde voicemail. Zijn stem klonk verveeld. ‘Je weet wat je moet doen.’ Een tekst die hij ooit grappig had gevonden en daarna nooit meer had veranderd.
Ik had een sleutel van zijn appartement. Voor de planten wanneer hij weg was. Voor pakketjes. Voor avonden waarop hij al lag te slapen en ik zijn geleende boormachine kwam terugbrengen.
Bij de voordeur kreeg ik de sleutel niet in het slot. Mijn hand bewoog te snel. Ik moest mijn pols met mijn andere hand vasthouden.
‘Bas?’
In de hal stonden zijn schoenen netjes naast elkaar. Dat weet ik nog omdat ik er kwaad om werd. Om die nette schoenen. Alsof hij gewoon thuis was en ik degene die zich vreemd gedroeg.
Ik zal niet beschrijven wat ik verder zag.
Ik belde 112. De vrouw aan de lijn vroeg naar het adres. Ik gaf mijn eigen adres. Ze vroeg het opnieuw. Toen lukte het.
Daarna deed ik wat ze zei. Ik hoorde mezelf antwoorden. Ja. Nee. Ik weet het niet. De voordeur staat open.
Er kwamen mensen in uniform. Iemand nam het van me over. Een agent bracht me naar de keuken en schoof een stoel naar achteren.
‘Hoe heet u?’
‘Thomas van Dijk.’
‘En uw vriend?’
‘Bas Vermeer. Hij is vierendertig.’
De agent ging door zijn knieën zodat zijn gezicht op dezelfde hoogte kwam als het mijne.
‘Is er iemand die we voor u kunnen bellen?’
‘Zijn zus komt.’
‘Ik bedoel iemand voor u.’
Daar had ik geen antwoord op.
Noor arriveerde met haar jas nog open. Ze zag de agent, zag mij en bleef in de deuropening staan.
‘Nee,’ zei ze.
Niemand antwoordde snel genoeg.
‘Nee. Thomas. Nee.’
Ik stond op. Ze duwde me eerst weg. Daarna trok ze me aan mijn trui naar zich toe. Haar voorhoofd drukte tegen mijn borst. Ik hield mijn armen stijf naast mijn lichaam voordat ik begreep dat ik haar moest vasthouden.
Later zaten we beneden op een bankje. Een bezorger vroeg of we bij nummer 28 hoorden. Hij had een pakket voor Bas.
‘Niet vandaag,’ zei Noor.
De man keek naar de politieauto en liep verder.
Mijn vriendin Eva kwam me halen. De agent had me uiteindelijk mijn telefoon laten pakken. Eva knielde voor me neer en vroeg of ik kon lopen. Ik vond dat een belachelijke vraag. Natuurlijk kon ik lopen.
Toen ik opstond, moest ze mijn elleboog grijpen.
Thuis deed ze mijn schoenen uit. Er zat een zwarte veeg op mijn broek. Ik bleef erover wrijven, ook toen zij zei dat ik moest stoppen.
‘Heb je iets gegeten?’ vroeg ze.
‘Ik heb niet opgenomen.’
Ze ging naast me zitten.
‘Thomas.’
‘Hij belde. Ik zag het. Ik drukte hem weg.’
Eva zei niets. Daar was ik haar later dankbaar voor. Op dat moment wilde ik dat ze iets zei wat alles ongedaan maakte.
Om negen uur stuurde mijn leidinggevende een bericht. Waar ik bleef.
Ik typte: Mijn beste vriend is dood.
Ik las de zin. Hij leek door iemand anders geschreven.
Toen drukte ik op verzenden.
Hoofdstuk 2
Zijn blauwe jas
Twee dagen later zat ik aan de eettafel van Bas’ moeder in Soest. Marjan had drie pakken koekjes opengemaakt. Niemand at ervan. Ze schoof steeds een ander pak naar me toe.
‘Deze vond jij vroeger lekker.’
‘Nog steeds,’ zei ik.
Ik nam een koekje. Het bleef droog tegen mijn gehemelte plakken.
De uitvaartbegeleider heette Saskia. Ze had een schrift met een groene kaft. Geen zachte fluisterstem, gelukkig. Ze vroeg wie er wilden spreken, welke muziek er moest komen en welke kleren Bas aan moest.
‘Zijn blauwe jas,’ zei Marjan.
Noor keek op.
‘Mam, die jas houdt hij toch niet aan?’
‘Hij droeg hem altijd.’
‘Die hing nog in de gang.’
Marjan keek naar mij. Ik knikte. Ik had die jas gezien. Er hing een kassabon uit de zak.
‘We kunnen hem bij hem leggen,’ zei Saskia.
Dat bleek een antwoord waar iedereen mee verder kon.
Ik kende Bas vanaf ons veertiende. Op de middelbare school had hij mijn fietssleutel in zijn broodtrommel verstopt. Ik had zijn trommel vervolgens in de fietsenstalling aan een regenpijp vastgemaakt. Daarna waren we vrienden geworden. Niet meteen goede vrienden. Eerst jongens die elkaar steeds opzochten omdat niemand anders hun grappen leuk vond.
Op ons achttiende gingen we samen naar Texel. Op ons drieëntwintigste hielp ik hem verhuizen naar Utrecht. Op ons negenentwintigste stond hij naast me toen mijn vader werd begraven. Hij had reservezakdoeken bij zich en een parkeerkaartje dat steeds uit zijn borstzak viel.
Nu vroeg Saskia of ik iets over hem wilde vertellen.
‘Ja,’ zei ik.
Ik wist niet hoe ik nee moest zeggen tegen iets wat ik nog voor hem kon doen.
Die avond maakte ik op mijn laptop een document aan. Bovenaan zette ik: Bas.
Drie uur later stond er nog steeds alleen zijn naam.
Eva zat tegenover me met een kop thee die koud werd.
‘Vertel over die vakantie,’ zei ze.
‘Welke?’
‘Die waarop jullie ruzie kregen over een tent.’
‘Hij had de stokken thuisgelaten.’
‘Dat dus.’
Ik typte twee regels. Wiste ze. Typte dat hij altijd voor anderen klaarstond. Wiste dat ook. Het was niet waar. Bas kon afspraken vergeten. Hij kon drie dagen niet reageren en daarna zonder uitleg vragen of je mee ging eten.
Ik wilde hem niet veranderen in iemand die ik niet kende.
De volgende middag gingen Noor en ik naar het uitvaartcentrum. In de auto vroeg ze of ik bang was.
‘Ja.’
‘Ik ook.’
We bleven op de parkeerplaats zitten tot een medewerker naar buiten kwam om te vragen of we de ingang zochten.
Binnen lag de blauwe jas op een stoel. Bas had zijn grijze trui aan. Zijn handen lagen stil op zijn buik.
Ik wachtte op herkenning. Op iets waardoor ik zou denken: daar ben je.
In plaats daarvan keek ik naar zijn haar. Het zat te netjes.
‘Zo droeg hij het niet,’ zei ik.
Noor stapte naar voren en streek er voorzichtig met haar vingers doorheen.
‘Beter?’
Ik knikte, hoewel niets beter was.
Op de uitvaart kwamen ruim honderd mensen. Collega’s van de fietsenzaak waar hij werkte. Oude klasgenoten. Zijn buurman, die ik alleen kende als de man die altijd klaagde over de gezamenlijke voordeur.
In mijn tekst stond een zin die ik de avond ervoor had toegevoegd: Mijn beste vriend koos ervoor om te sterven.
Bij het oefenen klonk die zin direct. Duidelijk. Alsof ik tenminste één ding zeker wist.
Achter de lessenaar kon ik hem niet uitspreken.
Ik zag Marjan op de eerste rij. Haar handen lagen op haar tas. Noor hield een gekreukt vel papier vast.
‘Bas is overleden door zelfdoding,’ zei ik. ‘Ik weet niet hoe ik moet begrijpen wat er is gebeurd.’
Daarna vertelde ik over de ontbrekende tentstokken. Over hoe Bas bij een campingbeheerder een oude voortent had geregeld. Over de regen die langs onze slaapzakken liep en zijn koppige bewering dat het best gezellig was.
Er werd gelachen. Kort, voorzichtig.
Ik moest ook lachen en begon daarna te huilen.
Na afloop legde een oud-collega zijn hand op mijn schouder.
‘Hij heeft nu rust.’
Ik keek naar zijn hand tot hij hem weghaalde.
Buiten stond Eva bij mijn fiets. Ze vroeg niet hoe het ging.
‘We lopen naar huis,’ zei ze.
Ik gaf haar mijn sleutel.
Hoofdstuk 3
De gemiste oproep
Na de uitvaart ging iedereen weer dingen doen. Noor moest haar kinderen naar school brengen. Marjan had een afspraak bij de tandarts. De fietsenzaak opende op dinsdag gewoon om negen uur.
Ik probeerde op maandag te werken.
Ik ben planner bij een installatiebedrijf in Leusden. Normaal weet ik welke monteur waar rijdt, wie goed is met lastige klanten en welke bus olie lekt. Die ochtend kon ik de namen op mijn scherm niet uit elkaar houden.
Mijn collega Dennis zette koffie naast me.
‘Pak rustig op.’
Tien minuten later vroeg hij waar hij de onderhoudsploeg heen moest sturen. Een normale vraag. Ik hoorde een verwijt.
‘Zoek het zelf even uit.’
Het kantoor werd stil.
Dennis bleef staan.
‘Dat kan. Maar zeg het dan gewoon.’
Ik pakte mijn jas en liep naar buiten. Op het parkeerterrein belde ik Bas.
Dat deed ik zonder na te denken. Ruzie op mijn werk betekende Bas bellen. Hij zou eerst vragen of Dennis ongelijk had. Daarna of ik ongelijk had. Meestal kwamen we uit op allebei.
Zijn voicemail begon.
Ik hing op voordat hij uitgesproken was.
Die avond bekeek ik onze berichten. Niet een paar. Alles van de laatste maanden. Ik zocht naar het punt waarop ik iets had moeten zien.
Een afgezegde filmavond. Een foto van zijn avondeten. Een bericht om half twee ’s nachts: Ben je wakker?
Ik had de volgende ochtend geantwoord: Nu wel, ouwe.
Hij had een lachend gezichtje gestuurd.
Ik maakte schermafbeeldingen. Vergrootte ze. Las de tijden. Alsof ik een fout in een planning moest vinden.
Eva kwam naast me staan.
‘Het is twee uur.’
‘Ik kom zo.’
‘Dat zei je een uur geleden ook.’
‘Ga dan slapen.’
Ze bleef staan. Ik legde mijn telefoon ondersteboven, maar mijn hand bleef erop liggen.
‘Je hoeft dit niet voor me op te lossen,’ zei ik.
‘Dat probeer ik niet.’
‘Wat probeer je dan?’
‘Bij je te zijn. Maar je stuurt me steeds weg.’
Ik wilde iets terugzeggen. Iets gemeens, waarschijnlijk. Ze zag het aan mijn gezicht en liep de kamer uit.
De volgende ochtend belde Noor. Ze moest Bas’ administratie regelen. Of ik mee wilde naar zijn appartement.
We zaten daar tussen enveloppen en garantiebewijzen. In een lade lagen zes ongebruikte batterijen, een kapot fietslampje en een kaart die ik hem voor zijn verjaardag had gegeven.
Noor legde een afspraakbrief apart.
‘Van zijn behandelaar,’ zei ze.
Ik keek op.
‘Welke behandelaar?’
Ze liet het papier zakken.
‘Wist jij dat niet?’
Bas had me wel verteld dat hij slecht sliep. Dat hij bij de huisarts was geweest. Als ik doorvroeg, zei hij dat het geregeld was. Ik had gedacht aan gesprekken over stress. Aan rustiger werken.
‘Sinds wanneer?’ vroeg ik.
‘Een paar maanden.’
‘Waarom heb je niks gezegd?’
Noor trok haar stoel naar achteren.
‘Omdat het zijn verhaal was.’
‘Ik was zijn beste vriend.’
‘En ik zijn zus.’
Daar zaten we dan. Twee mensen die allebei dachten dat hun plek naast hem groot genoeg had moeten zijn om hem te redden.
Ik schoof de brief terug.
‘Sorry.’
Noor wreef over haar gezicht.
‘Ik dacht dat jij misschien meer wist.’
Dat deed meer pijn dan onze ruzie.
Thuis vertelde ik Eva over de brief. Daarna liet ik mijn oproepenlijst zien. Bas bovenaan, op die ochtend. De rode letters.
‘Als ik had opgenomen—’
‘Dat weet je niet,’ zei ze.
‘Misschien had hij dan—’
‘Ja. Misschien. Maar je weet het niet.’
Ik haatte dat antwoord. Het liet alles open.
Een week later zat ik bij mijn huisarts. Eva had niet voor me gebeld. Ze had wel naast me gezeten toen ik het deed.
Ik vertelde over slapen. Over het appartement dat steeds terugkwam zodra ik mijn ogen sloot. Over mijn telefoon.
De huisarts vroeg of ik zelf nog wilde leven.
Ik schrok van de vraag.
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik wil alleen niet steeds deze ochtend opnieuw meemaken.’
Hij knikte en schoof zijn toetsenbord opzij.
‘Dan beginnen we daarmee.’
Hoofdstuk 4
Achter de deur
De verhuurder wilde de sleutels voor het einde van de maand terug. Noor stuurde me een foto van de brief. Daaronder schreef ze: Zaterdag?
Ik antwoordde met een duim. Het leek me onfatsoenlijk, maar woorden kostten meer moeite.
We huurden een bestelbus bij een bedrijf op De Isselt. De medewerker wees bestaande krassen aan. Noor liep met hem mee en maakte foto’s. Ik dacht: hoe kan zij nu opletten of er een deuk in een bumper zit?
Vijf minuten later controleerde ik zelf de brandstofmeter.
Bij Bas’ appartement stond Marjan al te wachten. Ze had schoonmaakdoekjes meegenomen en broodjes kaas. Ze wilde eerst de koelkast doen.
‘Mam,’ zei Noor. ‘Je hoeft niet schoon te maken.’
‘Die koelkast moet toch leeg.’
We lieten haar.
Mijn taak was de woonkamer. Boeken in dozen. Kabels apart. Gereedschap naar de bus. Ik pakte zijn spelcomputer vast en dacht aan de wedstrijd die we niet hadden afgemaakt. Hij had voorgestaan en mij daar de hele avond aan herinnerd.
Op de salontafel lag een notitieblok. Ik sloeg het open.
Boodschappen. Maten van een kast. Een telefoonnummer zonder naam.
Ik bladerde sneller.
‘Wat zoek je?’ vroeg Noor.
‘Niks.’
Ze keek naar mijn handen.
‘Thomas.’
‘Misschien heeft hij iets opgeschreven.’
Noor ging op de armleuning zitten.
‘Dat heb ik ook gezocht.’
‘En?’
Ze schudde haar hoofd.
Er was geen uitleg die alles bij elkaar bracht. Alleen het korte bericht aan Noor. Alleen wat losse dingen die wij nu veel zwaarder lieten wegen dan daarvoor.
In de slaapkamer trok ik de kledingkast open. Zijn geur kwam me tegemoet. Wasmiddel, deodorant, de vochtige lucht van een jas die nooit goed droogde.
Ik sloeg de deur meteen weer dicht.
Noor kwam de gang in.
‘Wat is er?’
‘Niks.’
‘Zeg dat niet steeds.’
‘Ik ben kwaad.’
‘Op mij?’
‘Op hem.’
Het kwam harder uit mijn mond dan ik wilde.
‘Op hem. Omdat wij hier staan. Omdat zijn moeder zijn yoghurt weggooit. Omdat ik elke keer schrik wanneer mijn telefoon gaat.’
Uit de keuken klonk het piepen van een vuilniszak.
Marjan stond in de deuropening. Ze had een pak melk vast.
Ik wilde mijn woorden terugnemen.
‘Sorry.’
Ze zette de melk op de grond.
‘Gisteren heb ik tegen zijn foto geschreeuwd,’ zei ze.
Niemand bewoog.
‘Daarna heb ik sorry gezegd tegen die foto. Dat sloeg natuurlijk nergens op.’
Noor begon te huilen. Marjan trok haar tegen zich aan. Ik bleef bij de kast staan tot Marjan haar hand naar me uitstak.
We hielden elkaar onhandig vast in de smalle gang. Mijn schoen stond op een schoonmaakdoekje.
Na een tijdje gingen we broodjes eten. Noor wilde weten wie de gele mok kreeg. Ik wilde hem niet. Dat zei ik te snel.
‘Hij dronk hier altijd uit,’ zei ze.
‘Ik weet het.’
‘Je hoeft hem niet mee te nemen.’
Dat was iets wat ik die dag moest leren. Dat ik niet al zijn spullen hoefde te bewaren om zijn vriend te blijven.
Ik nam een fotoalbum, een versleten schroevendraaier en zijn oude regenjas mee. De blauwe jas bleef bij Marjan. De gele mok ging naar Noor.
Tegen de middag vond ik in een keukenlade twee kaartjes voor een optreden in TivoliVredenburg. Over drie weken. Mijn naam stond op de envelop.
Ik ging op de vloer zitten.
Bas had iets gepland waar ik niets van wist. Dat maakte zijn dood niet begrijpelijker. Het maakte de vragen juist erger. Hoe kon hij kaartjes kopen en toch sterven? Hoe konden die dingen in hetzelfde hoofd bestaan?
Noor kwam naast me zitten. Ik gaf haar de envelop.
‘Zullen we ze bewaren?’ vroeg ze.
Ik knikte.
Toen alles leeg was, liep ik één keer door het appartement. Zonder meubels klonk elke stap te hard.
Bij de voordeur haalde ik zijn sleutel van mijn bos. De ring zat vast. Ik kreeg mijn nagel er niet onder.
Noor pakte mijn handen stil.
‘Ik doe het wel.’
Buiten legde ze de sleutel in de envelop voor de verhuurder. Daarna reden we de bus terug, met de radio uit.
Hoofdstuk 5
De kring
Mijn eerste gesprek bij de psycholoog begon met een kapotte koffiemachine. Er hing een briefje op: Buiten gebruik.
Ik was tien minuten te vroeg en werd boos op dat briefje. Op de scheve letters. Op het feit dat er wel bekertjes klaarstonden.
De psycholoog heette Laila. Ze vroeg wat me naar haar toe bracht.
‘Mijn beste vriend heeft zichzelf gedood.’
Ik keek naar haar gezicht om te zien of ze schrok. Dat deed ze niet.
‘Wanneer?’
‘Zeven weken geleden.’
Ze vroeg wat het moeilijkst was. Ik zei eerst slapen. Daarna werken. Daarna vertelde ik over de oproep.
‘Wat denk je dat opnemen had veranderd?’ vroeg ze.
‘Dan was hij niet alleen geweest.’
‘Dat had misschien verschil gemaakt.’
Ik keek op. Ik had verwacht dat ze het meteen zou ontkennen.
‘Maar je weet niet wat er in dat gesprek was gebeurd,’ zei ze. ‘En je wist op dat moment niet wat je nu weet.’
Ik legde mijn telefoon op tafel, alsof zij bewijs moest bekijken.
‘Ik drukte hem weg.’
‘Omdat je dacht dat je hem later terug kon bellen.’
Ik knikte.
Voor het eerst zei iemand de hele gebeurtenis. Niet alleen het stukje waarmee ik mezelf veroordeelde.
Dat hielp niet meteen. Die nacht lag ik alsnog wakker. Maar de volgende ochtend kon ik douchen zonder mijn telefoon naast de kraan te leggen.
Laila stelde later een lotgenotengroep voor. Nabestaanden na zelfdoding. In een buurtcentrum in Utrecht.
‘Ik ben niet zo van groepen,’ zei ik.
‘Je hoeft er niet goed in te zijn.’
Drie weken later stond ik voor dat buurtcentrum. Binnen gaf iemand salsales. Door de wand klonk basmuziek. Ik vond het onbegrijpelijk dat rouw en dansen in hetzelfde gebouw plaatsvonden.
Er stonden acht stoelen in een kring. Ik koos die bij de deur.
Naast me zat Henk, een vrachtwagenchauffeur uit Nieuwegein. Zijn dochter was overleden. Aan de overkant zat Farida. Zij had haar broer verloren. De begeleider heette Els.
We mochten iets vertellen. We mochten ook zwijgen.
Toen ik aan de beurt was, zei ik mijn naam en die van Bas. Daarna begon ik over de gemiste oproep. Ik vertelde het snel. Alsof ik een strafbaar feit bekende.
Henk knikte.
‘Ik heb mijn dochter die laatste avond gezegd dat ik moe was.’
Farida keek naar haar schoenen.
‘Ik heb ruzie gemaakt met mijn broer.’
Ik voelde geen opluchting. Wel iets anders. Mijn gedachten bleken niet zo uniek als ze ’s nachts klonken.
In de pauze stond ik met Henk bij een automaat die wél werkte.
‘Hoe lang?’ vroeg ik.
‘Drie jaar.’
Ik keek hem aan.
‘En je zit hier nog?’
Hij blies over zijn koffie.
‘Ik zit ook op de camping. Ik werk. Ik pas op mijn kleinzoon. Maar soms zit ik hier.’
Dat antwoord bleef bij me.
Ik had gedacht dat er twee mogelijkheden waren. Of je was kapot, of je was eroverheen. Henk had modder aan zijn werkschoenen en vertelde dat hij morgen een lading tegels naar Groningen moest brengen. Ondertussen miste hij zijn dochter.
Na de bijeenkomst liep Farida met me mee naar de fietsenstalling.
‘Mensen zeggen vaak dat je moet loslaten,’ zei ze.
‘Ja.’
‘Ik wil vooral weer normaal boodschappen kunnen doen zonder tussen de pasta te huilen.’
Ik lachte. Ze ook.
In de trein naar Amersfoort stuurde ik Eva: Het was niet verschrikkelijk.
Ze antwoordde: Mooie recensie.
Thuis zat ze op de bank. Ik ging naast haar zitten en vertelde over Henk. Over Farida. Daarna zei ik dat ik haar slecht had behandeld.
‘Ja,’ zei ze.
Dat kwam harder aan dan een geruststelling.
‘Ik weet niet hoe ik dit moet doen.’
‘Ik ook niet,’ zei ze. ‘Maar ik kan niet iedere avond raden of je me nodig hebt of alleen wilt zijn.’
We spraken iets kleins af. Ik zou het zeggen wanneer ik rust wilde. Zij mocht een avond weg zonder zich schuldig te voelen.
Die vrijdag ging ze met een vriendin eten. Ik maakte macaroni en keek een slechte film.
Halverwege lachte ik hardop. Daarna begon ik te huilen.
Ik liet de film aanstaan.
Hoofdstuk 6
Zijn verjaardag
Bas zou in oktober vijfendertig zijn geworden. Noor wilde op zijn verjaardag samen eten. Marjan wilde naar de begraafplaats. Ik wilde vooral dat het geen oktober werd.
Een week van tevoren begon ik weer slecht te slapen. Ik maakte fouten op mijn werk. Dennis vond twee monteurs op dezelfde klus en niemand bij een lekkage in Hoevelaken.
Hij kwam naast mijn bureau staan.
‘Moeten we iets aanpassen?’
Vroeger zou ik gezegd hebben dat het prima ging. Nu staarde ik even naar de planning.
‘Vrijdag is zijn verjaardag.’
Dennis knikte.
‘Zal ik die ochtend overnemen?’
‘Graag.’
Hij hoefde niets bijzonders te zeggen. Het rooster verschoof. Dat was genoeg.
Donderdagavond nodigde Noor me uit om foto’s uit te zoeken. Ze wilde een paar afdrukken voor Marjan. Haar kinderen sliepen al. In de woonkamer stonden bekers met half opgedronken limonade.
We zaten naast elkaar op de bank en scrolden door oude vakanties. Bas met een verbrande neus. Bas op een gehuurde fiets die veel te klein was. Bas achter een barbecue, met een bord als waaier.
Daarna verscheen een foto van twee maanden voor zijn dood. Hij zat bij mij in de tuin. Zijn mond wijd open van het lachen.
Ik legde de telefoon neer.
‘Ik snap het nog steeds niet.’
‘Ik ook niet,’ zei Noor.
‘Op die foto lijkt hij gewoon gelukkig.’
‘Misschien was hij dat toen ook even.’
Ik keek opnieuw. Ik had die middag veranderd in een gemist signaal. Maar we hadden echt gelachen. Dat herinnerde ik me. Het hoefde niet ineens gespeeld te zijn geweest.
Noor liep naar de keuken. Toen ze terugkwam, bleef ze naast de bank staan.
‘Er is iets wat ik moet zeggen.’
Mijn buik trok samen.
‘Die eerste week was ik kwaad op je.’
Ik wist meteen waarom.
‘Omdat ik niet had opgenomen.’
Ze knikte, met haar ogen dicht.
‘Ik wist niet waar ik met die woede heen moest. En jij had nog een kans gehad. Zo dacht ik.’
Ik stond op en liep naar het raam.
Buiten probeerde iemand achteruit in te parkeren. Eén keer. Twee keer. Ik bleef kijken tot de auto stilstond.
‘Denk je dat nog?’ vroeg ik.
‘Nee.’
‘Echt niet?’
‘Ik denk dat we allemaal wilden dat iemand het had kunnen tegenhouden. Ik schoof het naar jou. Dat was niet eerlijk.’
Ik wilde zeggen dat het niets uitmaakte. Maar dat deed het wel.
‘Het doet pijn om te horen,’ zei ik.
‘Dat snap ik.’
We bleven een tijdje stil. Daarna ging ik weer zitten, niet meteen naast haar. Aan de andere kant van de bank.
‘Ik heb hetzelfde met jou gedaan,’ zei ik. ‘Toen ik over zijn behandeling hoorde.’
Noor trok een draadje uit de naad van een kussen.
‘We kunnen er maar beter mee stoppen.’
Ik knikte.
De volgende ochtend gingen we naar zijn graf in Soest. Marjan had geen bloemen meegenomen, maar een klein potje rozemarijn. Bas gebruikte dat overal doorheen. Zelfs door aardappelpuree, wat ik vies vond.
‘Hij zou dit te veel gedoe vinden,’ zei Noor terwijl we de plant neerzetten.
‘Hij zou willen weten of we de bon nog hadden,’ zei ik.
Marjan lachte door haar tranen heen. Daarna vertelde ze dat ze zijn nummer nog weleens belde om zijn stem te horen. Ik zei dat ik een opname van zijn voicemail had bewaard. Of ze die wilde.
Ze pakte mijn arm.
‘Ja. Heel graag.’
’s Avonds aten we bij Noor. Afhaaleten uit te volle plastic bakjes. Haar jongste zoon, Mees, vroeg waarom oom Bas niet naar een dokter was gegaan.
Noor legde haar vork neer.
‘Dat is hij wel,’ zei ze. ‘Hij kreeg hulp. Maar het ging heel slecht met hem en hij kon op dat moment geen andere uitweg meer zien.’
Mees dacht na.
‘Als ik heel verdrietig ben, zeg ik het wel.’
‘Goed,’ zei Noor. ‘En dan blijven we samen hulp zoeken.’
Na het eten deden we een kaartspel. Mees speelde vals. Marjan deed alsof ze het niet zag.
Toen ik naar huis fietste, was ik uitgeput. De verjaardag was voorbij. Ik had hem niet goed doorstaan of slecht doorstaan.
Ik was er geweest.
Hoofdstuk 7
Wat ik meeneem
Een jaar na zijn dood belde mijn telefoon om 06.41 uur. Ik zat meteen rechtop.
Het was Dennis. Een monteur had zich ziek gemeld. Hij was vergeten dat ik vrij had genomen.
‘Sorry,’ zei hij toen ik dat vertelde. ‘Ik regel het.’
Ik bleef zitten met de telefoon in mijn hand. Eva werd wakker en legde haar hand op mijn rug.
‘Wie was het?’
‘Werk.’
Ze knikte slaperig. Mijn hart ging nog tekeer. Dat was dus niet verdwenen na een jaar. Mijn lichaam herkende een vroege telefoon eerder dan ik de naam op het scherm kon lezen.
Ik zette mijn voeten op de vloer. Noemde zacht vijf dingen die ik zag, zoals ik met Laila had geoefend. De kast. Eva’s boek. Mijn broek over de stoel. Het open raam. De oplader.
Daarna ging ik koffiezetten.
Ik had die dag geen groot plan. In de ochtend zou ik met Noor wandelen. Later ging ik langs Marjan. Meer niet.
Bij de Koppelpoort stond Noor op me te wachten. Ze had twee broodjes gehaald. Eentje met kaas voor mij. Bas had altijd gedaan alsof kaas zonder mosterd een persoonlijk falen was.
‘Er zit mosterd op,’ zei ze.
‘Natuurlijk.’
We liepen langs de Eem. Er voer een boot voorbij met iemand die in een veel te dun T-shirt aan het werk was. Noor vertelde over Mees, die zijn spreekbeurt over fietsen wilde houden vanwege zijn oom.
‘Hij wil weten hoeveel onderdelen er in een fiets zitten.’
‘Dat hangt van de fiets af.’
‘Dat zei ik ook. Vond hij een slap antwoord.’
Ik lachte. Daarna bleven we bij een bankje staan.
‘Hoe gaat het echt?’ vroeg ze.
Ik dacht na. Dat deed ik tegenwoordig voordat ik antwoord gaf.
‘Meestal redelijk. Vandaag weet ik het nog niet.’
‘Ja,’ zei ze. ‘Ik ook.’
Ik werkte inmiddels weer bijna mijn gewone uren. Ik zag Laila minder vaak. De lotgenotengroep bezocht ik nog eens per maand. Soms had ik weinig te vertellen. Soms wachtte ik de hele week op die woensdagavond.
Er waren dagen waarop ik pas rond het middaguur aan Bas dacht. De eerste keer voelde dat als verraad. Daarna begon ik te begrijpen dat vergeten hoe laat het was niet hetzelfde was als hem vergeten.
Die middag hielp ik Marjan een plank ophangen. Bas had beloofd dat te doen. Ik had het maanden uitgesteld, omdat ik niet zijn vervanger wilde worden.
Nu hield zij de stofzuigerslang onder het boorgat en mopperde dat ik scheef stond.
‘Bas boorde ook altijd scheef,’ zei ze.
‘Dan is dit blijkbaar de afspraak.’
Ze zette zijn foto op de plank. Daarnaast kwam een foto van Noor en de kinderen. Mijn gezicht stond op een andere, samen met Bas, op Texel. Twee jongens voor een waardeloze tent.
Toen ik thuiskwam, haalde ik mijn tekst van de uitvaart uit een map. Ik las de zin die ik toen niet had uitgesproken.
Mijn beste vriend koos ervoor.
Ik had die woorden nodig gehad omdat ik iets wilde kunnen aanwijzen. Hij deed dit. Ik deed dat niet. Het was ook de zin waarmee ik kwaad op hem kon zijn.
Nu vond ik hem te klein voor wat er was gebeurd. Bas had gehandeld. Maar ik wist niet hoe vrij iemand nog kan kiezen wanneer die zo ziek en wanhopig is. Ik kende zijn laatste gedachten niet. Ik zou ze nooit volledig kennen.
Ik streepte de zin niet door. Hij hoorde bij die eerste week. Wel schreef ik er iets onder.
Ik had opgenomen als ik had geweten dat hij in gevaar was.
Dat las ik twee keer.
’s Avonds fietsten Eva en ik naar een restaurant aan de Hof. We hadden een tafel gereserveerd omdat zij een andere baan had gekregen. Onderweg vroeg ze of het niet vreemd voelde om juist vandaag iets te vieren.
‘Een beetje,’ zei ik. ‘Maar ik wil het wel.’
Bij het restaurant stond een wiebelende tafel op het terras. Ik vouwde een bierviltje dubbel en schoof het onder de poot. Bas deed dat altijd met vier viltjes tegelijk, waarna de tafel de andere kant op helde.
Ik vertelde het aan Eva. Ze lachte.
Toen vroeg ik naar haar eerste werkdag.
Ik luisterde naar het antwoord. Ik bestelde eten. En toen de ober vroeg of we nog even wilden blijven zitten, zei ik ja.