Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

Mijn broertje kwam niet thuis

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

Het koude bord

Om kwart over acht trok ik het vel van de saus. Ik hield de pan schuin boven zijn bord. Toen zette ik hem terug. Als Daan niet opschoot, kon hij zelf koken.

Buiten sloeg regen tegen het keukenraam. Beneden, op de Amsterdamsestraatweg in Utrecht, reed een scooter over de stoep. Ik keek automatisch op. Daan had geen scooter. Hij kwam altijd op zijn zwarte fiets, met een geel krat dat scheef aan het stuur hing.

Ik heet Marit. Ik was negenentwintig. Daan was drieëntwintig en kwam iedere donderdag eten. Niet omdat we zo hecht waren dat we elkaar voortdurend nodig hadden. Hij was blut. Ik kookte te veel. Het werkte.

Om zeven uur had hij een bericht gestuurd.

‘Nog één fiets afmaken. Daarna kom ik.’

Hij werkte bij een fietsenmaker in Leidsche Rijn. Hij wilde ooit een eigen zaak. Met goede koffie, zei hij. Alsof mensen met een lekke band vooral op koffie zaten te wachten.

Om kwart voor acht had ik geantwoord: ‘Je kunt ook één keer gewoon op tijd zijn.’

Dat was mijn laatste bericht aan hem.

Om half negen belde ik. Voicemail. Ik stuurde een foto van zijn bord.

‘Wordt niet lekkerder.’

Daarna belde ik onze moeder in Nieuwegein.

‘Misschien is zijn batterij leeg,’ zei ze.

‘Dan kan hij nog steeds fietsen.’

‘Hij is volwassen, Marit.’

Dat zei ze vaker wanneer ze zelf ongerust werd.

Ik at staand bij het aanrecht. Twee happen. De pasta plakte. In de woonkamer lag een envelop voor Daan op tafel. Hij gebruikte mijn adres nog voor sommige post. Die envelop irriteerde me ook. Zijn uitstelgedrag. Zijn spullen. Het gemak waarmee hij aannam dat ik alles wel opving.

Om negen uur belde ik zijn huisgenoot Bilal.

‘Niet hier,’ zei hij. ‘Zou hij niet bij jou eten?’

Ik hoorde een spelcomputer op de achtergrond. Een stem riep dat iemand moest bukken.

‘Wanneer heb je hem gezien?’

‘Vanochtend. Wat is er?’

‘Niks. Hij neemt niet op.’

Ik belde de fietsenzaak. Niemand. Toen zocht ik op mijn telefoon naar ongelukken in Utrecht. Ik vond een aanrijding in Overvecht. Een brand in Kanaleneiland. Een oud bericht over een gestolen bakfiets.

Ik schaamde me voor dat zoeken. Ik deed het toch opnieuw.

Om tien voor tien ging de bel.

Niet de telefoon. De voordeur.

Op het schermpje van de intercom stonden twee donkere jassen. Gele strepen. Ik drukte niet meteen.

‘Politie. Spreek ik met mevrouw De Bruin?’

Ik keek naar Daans bord. Dat is wat ik me het scherpst herinner. Niet hun gezichten. Niet mijn hand op de knop. Dat bord, met drie stukken courgette langs de rand.

Beneden deed ik de deur open.

‘Bent u Marit de Bruin?’ vroeg de vrouw.

‘Waar is hij?’

Ze vroeg of ze binnen mochten komen.

‘Waar is Daan?’

De man deed een stap naar voren. ‘Uw broer is betrokken geweest bij een ernstig verkeersongeval.’

‘Welk ziekenhuis?’

De vrouw zei mijn naam. Alsof ze me kende.

‘Uw broer is overleden.’

Ik hoorde boven ergens een stoel schuiven. De buurman liep door zijn kamer. Buiten piepte een bus bij de halte. Alles maakte geluid, behalve ik.

‘Nee,’ zei ik uiteindelijk. ‘Hij komt hier eten.’

De agenten gingen mee naar boven. De vrouw heette Sanne. Ze vroeg of ik wilde zitten. Ik bleef bij het aanrecht staan.

Daan was op de Vleutensebaan aangereden door een bestelbus. Bij een kruising. Meer konden ze nog niet vertellen. Ambulancemedewerkers hadden geprobeerd hem te reanimeren.

‘Heeft hij iets gezegd?’ vroeg ik.

Sanne keek naar haar collega.

‘Dat weten we op dit moment niet.’

Ik wilde weten waar zijn fiets was. Een absurde vraag, vond ik meteen. Toch bleef ik hem stellen. Waar was die fiets? Wie had hem meegenomen? Het krat zat los. Daar moest iemand op letten.

Toen vroeg Sanne wie we konden bellen.

‘Mijn moeder,’ zei ik.

Ik pakte mijn telefoon. Mijn duim bleef boven haar naam hangen.

‘Ik kan dat niet zeggen.’

Sanne knikte. ‘Dan doen we het samen.’

Toen mijn moeder opnam, vroeg ze meteen: ‘Is hij er?’

Ik begon zo hard te trillen dat de telefoon tegen mijn tanden tikte. Sanne nam hem voorzichtig over.

Achter haar stond het raam open op een kier.

‘Doe dat dicht,’ zei ik. ‘Het wordt hier koud.’

Hoofdstuk 2

Zijn jas

Mijn vader kwam om half twaalf. Hij droeg twee verschillende schoenen. Een zwarte werkschoen en een bruine veterschoen. Ik keek ernaar terwijl hij me vasthield.

Mijn ouders waren acht jaar gescheiden. Ze spraken elkaar meestal via korte berichten over verjaardagen. Die nacht zaten ze naast elkaar op mijn bank. Mijn moeder hield haar tas op schoot. Mijn vader had zijn autosleutels nog in zijn hand.

‘Ik wil naar hem toe,’ zei mijn moeder.

De agenten legden uit wat er geregeld moest worden. Er was onderzoek nodig. Iemand zou ons bellen over het afscheid nemen. Ik onthield niets. Mijn vader schreef woorden op de achterkant van een reclamefolder.

Mortuarium. Contactpersoon. Morgen.

Om drie uur ruimde ik de keuken op. Ik schraapte Daans eten in de afvalbak. Daarna stak ik mijn hand erin en trok het bord weer rechtop, hoewel het niet in de bak zat. Ik had alleen het eten weggegooid. Mijn hoofd kon simpele handelingen niet meer volgen.

Mijn moeder kwam achter me staan.

‘Laat maar.’

‘Het gaat stinken.’

‘Marit.’

‘Het gaat gewoon stinken.’

Ze liet me afwassen.

De volgende middag mochten we naar Daan. Bilal reed. Mijn vader had nauwelijks geslapen. Mijn moeder kon haar jas niet dichtkrijgen. Ik deed de rits voor haar omhoog, tot vlak onder haar kin.

Een medewerker bracht ons naar een kleine kamer. Er stond een doos tissues. Aan de muur hing een foto van duinen. Ik vond die foto beledigend. Iemand had een rustige afbeelding uitgezocht voor een kamer waarin niets rustig was.

De medewerker vertelde vooraf wat we konden zien. Daan had verwondingen. Zijn gezicht was verzorgd. We mochten dichtbij komen. We hoefden niets.

Mijn moeder ging als eerste.

‘Dag jongen,’ zei ze.

Niet schreeuwend. Bijna opgewekt. Zoals wanneer hij op zondag onverwacht bij haar voor de deur stond.

Ik bleef bij de ingang. Daan lag onder een witte deken. Zijn haar zat verkeerd. Er liep een scheiding die hij nooit droeg.

‘Dat deed hij niet zo,’ zei ik.

De medewerker vroeg of ik het wilde veranderen.

Ik schudde mijn hoofd. Toen liep ik toch naar hem toe.

Zijn haar voelde als zijn haar. Dat maakte het erger. Ik had verwacht dat alles anders zou zijn. Maar boven zijn oor zat hetzelfde stugge plukje. Ik streek het plat. Het sprong een beetje terug.

‘Eigenwijs ding,’ zei ik.

Mijn vader draaide zich om naar de muur.

Ik legde twee vingers op Daans hand. Koud. Niet zoals handen na een fietstocht. Anders koud. Ik trok mijn vingers terug en voelde me onmiddellijk laf.

Later gaf iemand ons informatie over zijn bezittingen. Niet alles kon meteen mee. Zijn telefoon was nodig voor het onderzoek. Zijn kleding ook. Ik knikte alsof ik bij een loket stond voor een paspoort.

In de auto vroeg Bilal of we koffie wilden.

‘Nee,’ zei mijn moeder.

‘Ja,’ zei mijn vader tegelijk.

We stopten bij een tankstation. Mijn vader kwam terug met vier bekers en een zak winegums. Daan kocht die altijd tijdens autoritten. Halverwege het uitsteken van de zak begreep mijn vader wat hij had gedaan.

Niemand pakte er één.

Daarna begon het regelen. Een uitvaartverzorger, Ellen, kwam aan mijn keukentafel zitten. Ze vroeg naar muziek. Naar een kist. Naar begraven of cremeren.

‘Dat weten we niet,’ zei ik.

Daan had wel meningen gehad over bandenmerken, huurprijzen en slechte tattoos. Niet over zijn uitvaart.

Mijn moeder wilde een foto waarop hij netjes keek. Ik wilde de foto van onze vakantie op Terschelling. Daan zat daarop met een verbrande neus en een patatvorkje achter zijn oor.

‘Dat is toch geen foto voor een afscheid?’ vroeg ze.

‘Het is wel Daan.’

We kregen ruzie over een foto omdat we geen ruzie konden maken met wat er gebeurd was.

Ellen schoof haar papieren opzij.

‘We kunnen ook twee foto's gebruiken.’

Zo eenvoudig was dat probleem. Het maakte me nog bozer.

Die avond liep ik naar de kapstok. Daar hing een oude jas van Daan. Hij had hem weken eerder laten liggen. In de zak vond ik een kassabon, een losse fietssleutel en een pepermuntje zonder papier.

Ik trok de jas aan. De mouwen kwamen over mijn handen.

Voor het eerst sinds de politie was gekomen, huilde ik. Niet mooi. Mijn neus liep. Ik kreeg geen lucht tussen de halen door.

Ik bleef staan tot mijn benen pijn deden. Daarna ging ik op de grond zitten. Met die vieze pepermunt in mijn vuist.

Hoofdstuk 3

Mensen met cake

Op de ochtend van de uitvaart kon ik mijn zwarte broek niet vinden. Ik trok laden open en gooide kleren op bed. Mijn moeder belde drie keer. Ik nam niet op.

Uiteindelijk zat ik in mijn ondergoed op de vloer.

Bilal had een sleutel. Hij kwam binnen met een broodje kaas en vond me tussen de kleding.

‘De auto komt over veertig minuten,’ zei ik.

Hij keek rond. Pakte een donkerblauwe broek van de stoel.

‘Deze kan.’

‘Die is niet zwart.’

‘Daan wist volgens mij niet eens dat jij twee kleuren broeken had.’

Ik lachte. Eén kort geluid. Daarna voelde ik me schuldig.

Bilal legde het broodje naast me neer.

‘Eet drie happen. Meer vraag ik niet.’

Bij crematorium Daelwijck stonden mensen die ik niet kende. Collega's van Daan. Een jongen met een neusbel. Twee oudere klanten van de fietsenzaak. Een vrouw vertelde dat Daan haar fiets ooit gratis had gerepareerd.

‘Hij zei dat alleen het ventiel loszat.’

Ik knikte. Ik wilde haar vragen waarom ze dit nu vertelde. Tegelijk wilde ik dat ze bleef praten. Zij had een stukje Daan dat ik niet had.

In de aula stond zijn kist vooraan. Op het scherm verscheen de foto met het patatvorkje. Mijn moeder had haar nette foto ook gekregen.

Mijn vader sprak over Daans geboorte. Over zijn eerste fiets. Hij raakte de draad kwijt toen hij vertelde hoe Daan vroeger overal schroeven uit draaide.

‘Zelfs uit de keukendeur,’ zei hij.

Hij keek naar zijn papier.

‘Dat had ik al gezegd.’

Niemand bewoog.

Ik wilde naar hem toe, maar mijn benen bleven waar ze waren. Ellen schoof een glas water dichterbij. Mijn vader las de laatste regels over.

Toen was ik aan de beurt.

Ik had twee velletjes geschreven. Bij de lessenaar zag ik dat de letters te klein waren. Mijn handen trilden zo hard dat het papier ritselde in de microfoon.

‘Mijn broertje kon heel irritant zijn,’ begon ik.

Er ging een zachte lach door de zaal.

‘Hij leende geld en vergat dat. Hij zei “vijf minuten” als hij nog moest douchen. Hij at de bovenkant van een stokbrood op voordat het op tafel stond.’

Ik keek naar de kist.

‘Ik wil niet dat we straks doen alsof hij altijd geweldig was. Dan raak ik hem nog een keer kwijt.’

Daarna lukte het even niet.

Ik vertelde over een avond waarop ik na een nare werkdag had gebeld. Daan was gekomen met friet. Hij had niets opgelost. Hij had naast me gezeten en een slechte film aangezet. Toen ik vroeg of hij niet naar huis moest, zei hij: ‘Je kunt ook gewoon vragen of ik blijf.’

Dat was de zin waarmee ik eindigde.

Na afloop stonden we in een rij. Handen. Armen. Natte wangen tegen mijn gezicht. Mensen zeiden dat ze geen woorden hadden en praatten daarna toch lang door.

Iemand noemde me sterk.

Ik had net koffie over mijn eigen schoen gemorst omdat ik niet wist hoe ik tegelijk een kopje en een schoteltje moest vasthouden.

‘Dat ben ik niet,’ zei ik.

De vrouw kneep in mijn arm. ‘Jawel hoor.’

Ik liet het gaan.

Mijn manager, Simone, vroeg wanneer ik dacht weer te komen werken. Ze bedoelde het voorzichtig. Dat zag ik. Toch hoorde ik vooral dat er blijkbaar een datum bestond waarop ik weer bruikbaar moest zijn.

‘Weet ik niet.’

‘Natuurlijk. Neem je tijd.’

Ik wist niet hoeveel tijd ik dan mocht nemen.

Bij de uitgang stond een schaal cake. Bilal pakte twee plakken en stopte ze in een servet.

‘Voor straks,’ zei hij.

Ik vond dat ongepast. Daarna wilde ik ook cake. Mijn lichaam had honger op de dag dat mijn broer werd gecremeerd. Ik werd kwaad op mijn maag.

Thuis trok ik mijn schoenen uit. Er zat een opgedroogde koffievlek op de neus. Op tafel stonden bloemen. Op het aanrecht lasagnes. In mijn telefoon wachtten achtenveertig berichten.

Ik opende het gesprek met Daan.

Mijn foto van zijn bord stond onder mijn boze bericht. Eén grijs vinkje bij de foto.

Ik scrolde omhoog. Stemmen waren er ook. Spraakberichten. Ik drukte op het laatste.

‘Hé, heb jij mijn blauwe trui? Niet die lelijke. Die andere.’

Zijn stem vulde mijn woonkamer.

Ik liet het bericht opnieuw afspelen.

En nog een keer.

De cake bleef in het servet liggen.

Hoofdstuk 4

De kruising

Drie weken later fietste ik naar de plek van het ongeluk. Ik had niemand verteld dat ik ging. Mijn moeder vroeg al genoeg waar ik was en hoe laat ik thuis zou zijn.

Bij de kruising lag een bos bloemen onder doorzichtig plastic. De stelen waren bruin. Aan een paal hing een lint. Ik wist niet wie het had opgehangen.

Het verkeer ging door. Een bestelbus remde bij het licht. Een meisje op een elektrische fiets zong mee met muziek die ik niet hoorde.

Ik zette mijn fiets tegen het hek en probeerde de avond na te maken. Daan kwam van die kant. Hij moest naar mij. Het regende. Had hij zijn capuchon op? Had zijn voorlicht gewerkt? Ik voelde me meteen een verrader omdat ik dat laatste dacht.

Ik keek naar het asfalt. Er was niets dat ik kon aanwijzen.

Een man met een hond bleef staan.

‘Kende u hem?’ vroeg hij.

‘Mijn broer.’

Hij knikte en trok de hond dichterbij. Ik zag dat hij iets wilde zeggen.

‘U hoeft niks te zeggen,’ zei ik.

‘Goed,’ antwoordde hij.

Hij bleef nog even naast me staan. Dat vond ik prettig.

Thuis schreef ik alles op wat ik wilde weten. Snelheid. Verkeerslicht. Telefoon. Remmen. Tijdstip. Hoe lang had Daan daar gelegen? Was er iemand bij hem geweest? Had hij geweten wat er gebeurde?

Een familierechercheur, Jeroen, was ons aanspreekpunt. Hij belde regelmatig, ook wanneer er weinig nieuws was. Bij ons volgende gesprek schoof ik mijn schrift over tafel.

‘Ik wil alles weten.’

Hij las de vragen rustig.

‘Sommige dingen kunnen we waarschijnlijk vaststellen. Andere niet.’

‘Welke niet?’

‘Wat Daan precies heeft gemerkt. Of gedacht.’

Ik wilde dat hij iets anders zei. Dat hij een verslag had waarin stond dat mijn broer nergens bang voor was geweest.

Jeroen kon dat niet geven.

Het onderzoek duurde maanden. Camerabeelden werden bekeken. Getuigen gehoord. De bestelbus werd onderzocht. Iedere keer dat mijn telefoon ging, schoot mijn hart omhoog. Iedere keer zonder nieuws voelde als stilstand.

In die tijd werd ik boos op bijna iedereen.

Op mijn vader, die terugging naar zijn werk in het magazijn.

‘Ik moet iets doen,’ zei hij.

‘Dus dan ga je maar gewoon dozen tellen?’

Hij keek me aan. ‘Ja, Marit. Soms tel ik dozen. Anders zit ik thuis naar zijn oude voetbalbeker te kijken.’

Ik bood die dag geen excuses aan. Pas een week later.

Ik werd ook boos op mijn moeder. Zij wilde iedere zondag naar de urnentuin. Ik niet.

‘Het is ook jouw broer,’ zei ze een keer.

Ik hing op.

Tien minuten later stond ik weer bij mijn telefoon. Ik belde haar terug, maar wist niet hoe ik het gesprek moest beginnen.

‘Dat had ik niet mogen zeggen,’ zei zij.

‘Nee.’

We zwegen samen. Dat ging nog net.

Het ergste was mijn laatste bericht aan Daan. Ik las het zo vaak dat ik de tijd ernaast uit mijn hoofd kende. 19.43 uur.

Je kunt ook één keer gewoon op tijd zijn.

Ik maakte er een hele reeks gevolgen van. Hij had zich gehaast. Hij had harder gefietst. Hij had misschien risico genomen omdat ik zat te zeuren.

Bilal vond me op een zaterdag met het gesprek open op mijn laptop.

‘Wat zoek je?’

‘Ik weet niet.’

Hij ging naast me zitten.

‘Hij stuurde mij die middag dat hij zin had in jouw pasta.’

‘Misschien voelde hij zich opgejaagd.’

‘Misschien dacht hij gewoon: daar heb je Marit weer.’

Dat deed pijn. Het hielp ook een beetje. Daan had me niet altijd even serieus genomen.

Later vertelde Jeroen dat uit het onderzoek bleek dat Daan groen had gehad. De bestelbus was door rood gereden. De bestuurder had geen alcohol gedronken. Over de verdere beoordeling zou het Openbaar Ministerie beslissen.

Ik zat rechtop toen hij het zei.

‘Daan deed dus niets fout?’

‘Op basis van wat we nu weten, niet.’

Ik had gedacht dat opluchting groot zou voelen. In plaats daarvan ging ik naar de keuken en dronk water.

Mijn broer had groen gehad.

Hij was nog steeds dood.

Die avond verwijderde ik mijn laatste bericht niet. Ik sloot het gesprek wel. Voor het eerst zonder meteen weer te kijken.

Hoofdstuk 5

Buiten beeld

Na twee maanden ging ik weer naar kantoor. Drie ochtenden per week. Ik werkte bij een woningcorporatie in Utrecht en beantwoordde vragen van huurders.

Simone had mijn agenda leeggehaald. Op mijn bureau stond een plant die iemand water had gegeven. Mijn mok stond achter in een kast. Alles was bewaard gebleven. Toch voelde mijn plek niet meer van mij.

Een collega vroeg bij de koffie hoe het ging.

‘Slecht,’ zei ik.

Hij keek naar het apparaat.

‘Ja. Logisch natuurlijk.’

Ik kreeg medelijden met hem en zei dat het soms ook beter ging. Dat was niet echt een leugen. Die ochtend had ik zonder moeite mijn tanden gepoetst.

Rond elf uur belde een huurder over een kapotte intercom. De monteur was niet gekomen. Hij was woedend.

‘Weet u wat wachten met een mens doet?’ vroeg hij.

Ik hing op.

Niet netjes. Niet per ongeluk.

In het toilet hield ik mijn handen onder de koude kraan. Simone vond me daar. Ze ging niet vragen waarom ik had opgehangen.

‘Je mag naar huis,’ zei ze.

‘Dan moet iemand anders het weer doen.’

‘Ja. Dat regelen we.’

Thuis kroop ik met mijn jas aan op bed. Ik sliep twee uur en werd wakker met mijn hart in mijn keel. In mijn droom was Daan beneden geweest. Hij kreeg zijn sleutel niet in het slot. Ik had hem niet opengedaan.

De dromen werden vaker. Niet altijd over het ongeluk. Soms zaten we gewoon in de trein. Dan werd ik wakker en moest ik opnieuw begrijpen waarom ik hem niet kon bellen.

Ik vergat rekeningen. Ik kocht drie keer melk en geen brood. Bij de supermarkt stond ik voor de kassa zonder te weten hoe ik er gekomen was. Ik functioneerde nog, maar slordig. Van buiten zag dat er beter uit dan het voelde.

Mijn huisarts vroeg naar slapen, eten en werken. Ik vertelde vooral over het werken. Dat leek een geldig probleem.

‘En de rest van de dag?’ vroeg ze.

Ik begon te huilen omdat ze niet meeging in mijn omweg.

Ze verwees me voor gesprekken met een psycholoog. Niet omdat ik op moest schieten met rouwen. Omdat ik vastliep in schuld, angst en beelden die ik zelf invulde.

De psycholoog heette Farah. Tijdens het eerste gesprek vroeg ze wat ik het meest vermeed.

‘Mijn moeder teleurstellen.’

‘Dat is iets anders dan wat je vermijdt.’

Ik dacht na.

‘Stilte. En die kruising. Maar soms ga ik er juist heen.’

We maakten geen groot plan voor een nieuw leven. We begonnen kleiner. Regelmatig eten. Wandelen zonder nieuws over ongelukken te zoeken. Mijn telefoon niet naast mijn kussen. Opschrijven wat ik wist en wat ik erbij bedacht.

Boven één blad schreef ik: Daan had groen.

Daaronder: Ik weet niet wat hij heeft gevoeld.

Die tweede zin vond ik ondraaglijk. Hij was wel waar.

Farah stelde ook een lotgenotengroep voor. Voor mensen die een broer of zus hadden verloren.

‘Ik hoef geen kring met kaarsen,’ zei ik.

‘Vraag eerst hoe ze werken.’

De bijeenkomst was in een buurthuis in Nieuwegein. Tl-licht. Een waterkoker. Slechte koekjes. Ik ging dicht bij de deur zitten.

Naast me zat Niels. Zijn zus was overleden na een ziekte. Tegenover me zat Esther. Haar broer had zichzelf gedood. Onze verhalen verschilden. Toch herkende ik hun praktische woede. Op formulieren. Op verjaardagen. Op mensen die alleen vroegen hoe het met de ouders ging.

‘Ik zeg dan altijd: ik mis haar ook,’ zei Niels.

Ik keek op.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Anders vragen ze het niet.’

Toen ik aan de beurt was, vertelde ik over het bord pasta. Niet over het ongeluk. Over hoe lang ik dat bord op het aanrecht had laten staan voordat ik het afwaste.

Niemand vroeg waarom.

Na afloop liep Esther een stukje met me mee naar de parkeerplaats.

‘De eerste keer kost vaak een hele dag energie,’ zei ze.

‘Alleen de eerste?’

‘Nee. Maar je hoeft morgen niet te doen alsof je fris bent.’

Ik reed naar huis en stuurde Simone een bericht. Of ik mijn ochtend kon verplaatsen naar vrijdag.

Daarna maakte ik twee boterhammen.

Ik at ze aan tafel. Zonder mijn telefoon. Het was geen doorbraak. Ik had nog steeds een beroerde avond. Maar ik had gegeten, en iemand wist waarom ik moe was.

Hoofdstuk 6

Wat er overbleef

Daans kamer moest leeg. Bilal had maandenlang niets gevraagd. Toen zijn andere huisgenoot vertrok, moesten ze besluiten hoe ze verdergingen met de huur.

‘Je hoeft niet alles nu uit te zoeken,’ zei Bilal. ‘Maar de kamer kan niet zo blijven.’

Ik hoorde eerst alleen dat laatste.

‘Nee, natuurlijk. Lastig, zo'n dode huisgenoot.’

Hij zei niets.

Ik schaamde me terwijl de woorden nog in de kamer hingen.

‘Sorry.’

‘Ik mis hem ook, Marit.’

We spraken een zaterdag af. Mijn moeder kwam niet. Ze kon het niet aan. Mijn vader bracht dozen en een rol vuilniszakken mee. Die zakken legde ik meteen in de gang. Het woord vuilnis maakte me misselijk.

Daans kamer rook minder naar hem dan ik had gehoopt. Het raam was open geweest. Op zijn bureau stond een beker met een harde rand koffie. Naast zijn bed lag een sok.

Ik pakte die op.

‘Wat moet ik hiermee?’ vroeg ik.

Mijn vader keek in de kast. ‘Weet ik niet.’

Het werd onze meest gebruikte zin die dag.

We vonden garantiebewijzen van apparaten die hij niet meer had. Een envelop met veertig euro. Een schoolfoto van mij waarop ik een beugel droeg. Achterop had hij geschreven: Marit, hoofd boekhouding.

Ik ging op zijn bed zitten en lachte. Mijn vader kwam kijken. Hij lachte ook.

Daarna huilde hij ineens. Met de foto in zijn hand. Ik had hem sinds de uitvaart nauwelijks zien huilen. Ik sloeg een arm om zijn rug. Hij boog ver voorover.

We kozen ieder een paar dingen. Ik nam zijn blauwe trui, zijn gereedschapsrol en een schrift. De rest hoefde nog niet definitief weg. Sommige dozen gingen naar mijn vaders zolder. Goede kleding brachten we later samen weg.

In het schrift stonden plannen voor de fietsenzaak. Huurprijzen. Namen van leveranciers. Een slordige plattegrond met een werkbank en twee stoelen.

Onderaan een blad stond: Marit vragen over administratie. Wel betalen.

Ik streek met mijn duim over die laatste woorden.

Bijna een jaar na het ongeluk kwam de strafzaak. Jeroen had ons voorbereid op de zitting. Wat er besproken zou worden. Waar we konden zitten. Dat we een verklaring mochten voorlezen.

De bestuurder heette Erik. Ik had zijn naam maandenlang gezien, maar nog nooit zijn gezicht. Hij zag eruit als iemand die bij mijn vader in de straat kon wonen. Dat maakte me kwaad. Ik had kennelijk verwacht dat ik aan hem kon zien wat hij had gedaan.

Hij vertelde dat hij het rode licht te laat had opgemerkt. De deskundigen en de beelden lieten zien dat hij voldoende gelegenheid had gehad om te stoppen.

‘Ik heb hem niet gezien,’ zei hij.

Mijn moeder greep mijn hand.

Ik dacht: hij was geen klein ding. Hij was een volwassen man op een fiets met een geel krat.

In mijn verklaring las ik over de donderdagavonden. Over mijn moeder die bij iedere sirene naar haar telefoon keek. Over Bilal, die nog steeds boodschappen kocht voor drie mensen.

Erik keek naar beneden. Ik wilde dat hij luisterde. Ik wilde niet dat hij naar me keek. Beide tegelijk.

Toen hij excuses aanbood, knikte ik niet.

Later kreeg hij een taakstraf en een rijontzegging. Ik hoorde mensen zeggen dat het te weinig was. Anderen legden uit hoe verkeerszaken werden beoordeeld. Ik kon er slecht naar luisteren. Geen aantal uren bracht mij naar een wereld waarin Daan weer kwam eten.

Ik hoefde Erik niet te vergeven. Dat was geen opdracht die iemand me mocht geven. Ik hoefde ook niet iedere dag met hem bezig te blijven.

Die ruimte kwam langzaam.

Een paar weken na de uitspraak repareerde ik met Bilal mijn fiets. Hij wist wat hij deed. Ik hield dingen vast. We gebruikten Daans gereedschap.

‘Deze sleutel is waardeloos,’ zei Bilal.

‘Dat is zijn sleutel.’

‘Ja. En hij is waardeloos. Daan zei dat zelf ook.’

Ik draaide het versleten ding tussen mijn vingers en legde het apart.

Later stopte ik het toch in de gereedschapsrol. De kapotte sleutel mocht blijven. Maar de lege shampoofles uit Daans kamer gooide ik die avond weg.

Ik stond nog even bij de afvalbak.

Toen liep ik naar de woonkamer.

Hoofdstuk 7

Een bord minder

Op de eerste sterfdag wilde mijn moeder naar de urnentuin. Mijn vader wilde daarna samen eten. Ik wilde dat de dag al voorbij was.

We deden alle drie iets. Eerst gingen we naar Daelwijck. Daarna aten we bij mijn vader in Houten. Om vijf uur ging ik naar huis. Ik had van tevoren gezegd dat ik niet tot de avond bleef.

Mijn moeder keek teleurgesteld toen ik mijn jas pakte.

‘Ik ben op,’ zei ik.

Ze knikte. Dit keer probeerde ik haar gezicht niet te veranderen door toch te blijven.

Thuis zette ik een spraakbericht van Daan aan. Ik had de bestanden inmiddels op twee plekken opgeslagen. Dat had Bilal voor me geregeld. Mijn angst om zijn stem kwijt te raken was daarmee niet verdwenen, maar wel minder groot geworden.

‘Hé, hoofd boekhouding,’ zei Daan uit mijn telefoon. ‘Ik heb een vraag. Niet meteen boos worden.’

Ik wist wat erna kwam. Een brief van de zorgverzekeraar die hij niet begreep. Toch luisterde ik tot het eind.

Daarna zette ik muziek op die niets met hem te maken had.

Dat lukte niet iedere dag. Er waren ochtenden waarop ik al moe werd van het aantrekken van sokken. Soms zag ik op straat iemand met zijn houding en versnelde ik mijn pas voordat ik besefte wat ik deed. Op mijn verjaardag huilde ik in het toilet van een restaurant. De verjaardag erna ook.

Maar ik ging wel naar dat restaurant.

Ik werkte weer vier dagen. Niet op dezelfde manier als vroeger. Ik schreef meer op. Ik nam pauze voordat ik vastliep. Simone vroeg niet meer steeds hoe het ging, maar soms wel heel precies: ‘Wil je vandaag minder telefoondienst?’ Daar kon ik iets mee.

Met mijn moeder sprak ik af dat ik niet ieder bericht onmiddellijk hoefde te beantwoorden. Zij vertelde dat ze bang was ook mij kwijt te raken.

‘Dat snap ik,’ zei ik. ‘Maar ik kan niet de hele dag bewijzen dat ik leef.’

Dat gesprek was moeilijker dan ik hier kan opschrijven. We werden allebei boos. We maakten de afspraak toch.

Mijn vader begon over andere dingen te praten. Zijn buurman. Een lekkende kraan. Een vrouw met wie hij koffie dronk. Eerst voelde dat verkeerd. Later was ik blij dat hij me niet alleen belde om samen verdrietig te zijn.

Zestien maanden na het ongeluk ging ik een weekend naar zee met mijn vriendin Rosa. In Egmond vergat ik op een middag bijna een uur lang dat Daan dood was. We zaten op een terras. Een hond stal een stuk brood van een andere tafel. Rosa schoot zo hard in de lach dat ze koffie door haar neus kreeg.

Ik lachte mee.

Toen dacht ik aan Daan en stopte abrupt.

Rosa legde haar servet neer.

‘Wat is er?’

‘Ik had het even niet door.’

Ze vroeg niet wat ik bedoelde.

We bleven zitten. Na een tijdje bestelde ik nog koffie. Ik hoefde niet naar huis omdat ik had gelachen.

Deze week kwam Bilal eten. Op donderdag. Hij bracht een salade mee die grotendeels uit komkommer bestond. Ik maakte dezelfde pasta als op die avond.

Dat was geen bedacht ritueel. Ik had de ingrediënten in huis. Pas toen de saus pruttelde, merkte ik dat mijn handen trilden.

‘We kunnen ook bestellen,’ zei Bilal.

Ik proefde met een lepel.

‘Nee. Hij heeft zout nodig.’

We dekten de tafel voor twee. Niet voor drie. Ik keek even naar de lege kant van de tafel en schoof daar de schaal salade neer.

Tijdens het eten vertelde Bilal dat hij ging samenwonen. Ik was blij voor hem. Ik werd ook verdrietig, omdat Daan zijn nieuwe huis nooit zou zien. Ik zei allebei.

Bilal knikte.

Na het eten vroeg hij of ik hulp wilde met afwassen.

Vroeger had ik nee gezegd. Ik kon dat prima zelf. Dan was ik later boos geweest dat iedereen me alles liet doen.

Nu gaf ik hem een theedoek.

‘Blijf nog even,’ zei ik.

Hij bleef.

Daan kwam niet thuis. Dat is niet minder waar geworden. Ik mis hem nog steeds op gewone momenten. Bij een kapotte fietsbel. Bij een flauwe grap. Wanneer ik iets heb gedaan waarvoor hij me zeker zou uitlachen.

Maar gisteren heb ik kaartjes gekocht voor een concert in november. Twee stuks. Ik heb Rosa gevraagd.

Ik weet niet hoe ik me die avond zal voelen.

Ik wil wel gaan.