Naar de inhoud
Terug naar het boek

Werk en maatschappij

Mijn eerste baan op mijn vijftigste

Hoofdstuk 1

De envelop

De envelop lag onder de mat. Ik had hem er zelf onder geschoven. Toch schrok ik toen ik erop stapte. Het papier kraakte onder mijn hiel.

‘Mam, je kunt hem ook openmaken,’ zei mijn dochter.

Sanne stond in de keuken van mijn flat in Arnhem-Zuid. Ze was vierentwintig en droeg haar jas nog. In haar hand zat een bak nasi die ze voor me had meegenomen.

‘Ik weet al wat erin staat.’

‘Dan hoef je niet te kijken.’

Ze zette de nasi neer. Ik trok de envelop onder de mat vandaan. Gemeente Arnhem. Mijn naam stond boven het venster: Marjan van Dijk. Vijftig jaar. Alleenstaand. Afhankelijk van een bijstandsuitkering.

In de brief stond dat ik donderdag werd verwacht voor een gesprek over werk. Er stond ook wat er kon gebeuren als ik niet kwam.

Ik las vooral dat laatste.

‘Ik ben vijftig,’ zei ik. ‘Wie neemt mij nou aan?’

Sanne wees naar de stoel. ‘Ga eerst eens zitten.’

Ik had nooit een betaalde baan gehad. Op mijn achttiende was ik thuis gebleven omdat mijn moeder na een hersenbloeding hulp nodig had. Mijn vader reed vrachtwagen. Mijn broer woonde in Groningen. Ik was degene die dichtbij was.

Daarna trouwde ik met Peter. Hij werkte als installateur. Toen Sanne kwam, rekenden we uit wat kinderopvang kostte. Of eigenlijk rekende Peter het uit. Hij schoof een papiertje over tafel en zei dat werken voor mij weinig zin had.

Ik vond het prettig dat er een antwoord was. Dat vertelde ik later liever niet.

Er kwamen jaren met broodtrommels, fysiotherapie voor mijn moeder en administratie voor Peter. Ik plande zijn klanten. Ik bestelde onderdelen. Als iemand niet betaalde, belde ik. Mijn naam stond nergens op. Ik kreeg huishoudgeld.

Na de scheiding bleven er schulden over waar mijn handtekening onder stond. Mijn moeder overleed. Sanne ging uit huis. Voor het eerst had ik tijd. Toen bleek tijd zonder geld vooral veel lege uren op te leveren.

Donderdag zat ik tegenover Nadia El Idrissi. Ze had een groene trui aan en een stapel dossiers naast haar toetsenbord.

‘Wat zou u willen doen?’ vroeg ze.

‘Niet schoonmaken.’

Het kwam er harder uit dan ik bedoelde.

‘Waarom niet?’

‘Omdat iedereen dat meteen zegt. Alsof er voor vrouwen zoals ik maar één deur is.’

Nadia knikte niet meteen. Dat beviel me.

‘Goed. Wat kunt u?’

Ik vertelde over Peter. Over planningen en boze klanten. Over mijn moeder, die zeven soorten medicijnen slikte. Nadia typte. Toen vroeg ze of ik met Excel kon werken.

‘Nee.’

‘E-mail?’

‘Op mijn telefoon.’

‘Een bestand opslaan?’

Ik keek naar haar toetsenbord.

‘Dat hangt ervan af waar het daarna blijft.’

Ze glimlachte kort. Niet gemeen.

Er was een vacature bij Buurtkantine De Brug in Malburgen. Een kleine sociale onderneming. Ze maakten lunches voor buurthuizen en goedkope maaltijden voor mensen die thuis weinig kookten. Ze zochten iemand voor bestellingen, telefoon en uitgifte. Twintig uur per week. Betaald, met een contract van zes maanden.

‘Geen werkervaring vereist,’ zei Nadia. ‘Wel overzicht. En u moet willen leren.’

‘Waarom staat die vacature dan nog open?’

‘Omdat het druk werk is. Omdat het loon laag is. En omdat hun vorige medewerker is vertrokken.’

Dat antwoord geloofde ik.

We maakten een cv. Onder werkervaring bleef het eerst leeg. Ik voelde mijn wangen warm worden.

‘We zetten uw onbetaalde ervaring apart,’ zei Nadia. ‘Wel precies opschrijven. Niet groter maken, maar ook niet kleiner.’

Thuis oefende ik met Sanne een sollicitatiegesprek. Zij zat op Peters oude stoel. Ik zat recht tegenover haar.

‘Waarom wilt u deze baan?’ vroeg ze.

‘Omdat ik geld nodig heb.’

‘Dat mag. En nog iets?’

Ik dacht lang na.

‘Omdat ik wil weten of ik het kan.’

De volgende ochtend belde de kantine. Ik liet de telefoon vier keer overgaan. Bij de vijfde keer nam ik op.

‘Met Marjan.’

‘Met Joost van De Brug. Kun je morgen langskomen?’

Ik keek naar mijn lege agenda op de koelkast.

‘Morgen kan,’ zei ik.

Daarna schreef ik de afspraak op. Niet omdat ik hem zou vergeten. Ik wilde iets zien staan.

Hoofdstuk 2

Achter de balie

Bij De Brug rook het naar uien en schoonmaakmiddel. Ik was twintig minuten te vroeg. Buiten regende het. Binnen stond een jongen met een zwarte pet dozen melk in een koelkast te schuiven.

‘Sollicitatie?’ vroeg hij.

Ik keek naar mijn nette broek.

‘Zo duidelijk?’

‘Je hebt geen tas voor eten bij je.’

Hij heette Daan. Tweeëntwintig. Hij werkte er vier dagen per week en volgde daarnaast een opleiding. Hij wees naar een tafel vlak bij de keuken.

Joost kwam vijf minuten later. Hij had meel op zijn mouw en een telefoon tegen zijn oor. Hij stak een hand op, liep door en kwam terug zonder telefoon.

‘Sorry. Een leverancier vindt half tien hetzelfde als acht uur.’

Hij ging tegenover me zitten. Mijn cv lag tussen ons in. Ik had het die ochtend bij de bibliotheek uitgeprint. Het papier was nog wat krom van de printer.

Joost vroeg niet waarom ik zo lang thuis was gebleven. Hij vroeg wat ik deed als drie mensen tegelijk iets van me wilden.

‘Kijken wat niet kan wachten.’

‘Iedereen vindt dat hij niet kan wachten.’

‘Dan moeten twee mensen even boos worden.’

Hij trok zijn mondhoek op.

We liepen door het gebouw. Er was een keuken, een voorraadruimte en een zaal met twaalf tafels. Achter de balie stond een computer. Daarnaast lag een schrift vol namen, tijden en pijlen.

‘We zijn bezig alles digitaal te doen,’ zei Joost.

‘Bezig,’ herhaalde Daan vanuit de keuken.

Joost deed alsof hij het niet hoorde.

Hij vroeg of ik een halfuur wilde meekijken. Een betaalde meeloopdienst kon later. Vandaag ging het alleen om kennismaken.

Ik bleef naast de balie staan. Daan liet zien hoe maaltijden werden afgevinkt. Sommige klanten betaalden zelf. Bij anderen liep de betaling via een welzijnsorganisatie. Dat stond met verschillende codes in het systeem.

Toen ging de telefoon. Tegelijk kwam een vrouw binnen met een kinderwagen. Achter haar stond een oudere man met twee lege bakjes.

‘Dit is niet van mij,’ zei hij.

Daan nam de telefoon op. De vrouw vroeg waar ze een pakket kon ophalen. De man hield zijn bakjes vlak voor mijn neus.

‘Er zat macaroni in. Ik had aardappels besteld.’

‘Hoe heet u?’ vroeg ik.

‘Van Beek.’

Ik keek in het schrift. Er stonden drie mensen met die naam.

‘Wat is uw voornaam?’

‘Henk.’

Ik vond hem. Donderdag. Twee maaltijden. Macaroni.

‘Hier staat macaroni,’ zei ik.

‘Dat weet ik nou wel. Dat is juist het probleem.’

Ik hoorde hoe mijn stem klonk. Alsof het schrift belangrijker was dan hij.

‘U wilde aardappels,’ zei ik opnieuw. ‘Ik vraag even wat er mogelijk is.’

Daan legde zijn hand op de telefoon en wees naar de keuken. Daar stond Rachida, de kok. Ze luisterde, pakte twee bakken uit de koeling en zette ze neer.

‘Volgende keer uiterlijk woensdag wijzigen, Henk.’

‘Dat heb ik gedaan.’

Rachida keek in het schrift. Onder zijn bestelling stond een kleine pijl naar de andere pagina. Daar stond de wijziging.

‘Je hebt gelijk,’ zei ze.

Ik wilde mijn jas pakken.

In plaats daarvan vroeg Joost me mee naar zijn kantoor.

‘Hoe vond je het?’

‘Ik keek niet goed.’

‘Dat schrift is een puinhoop.’

‘Toch had ik moeten zoeken.’

Hij schoof een vel papier naar me toe. Twintig uur. Vier ochtenden. Een maand proeftijd. Het loon stond er bruto op. Ik wist niet wat er netto overbleef.

‘Mag ik dit meenemen?’

‘Natuurlijk.’

‘En ik heb uitleg nodig bij de computer. Niet één keer snel.’

Hij keek me nu langer aan.

‘Dat kunnen we regelen.’

Ik geloofde hem nog niet helemaal. Maar ik zei dat ik de baan wilde.

Met Nadia rekende ik later door wat het voor mijn uitkering en toeslagen betekende. Het was niet simpel. Mijn eerste loonstrook moest ik meteen opsturen. Er kon een verrekening volgen.

‘Dus ik kan gaan werken en alsnog geldproblemen krijgen?’

‘Als de betalingen langs elkaar heen lopen wel. Daarom houden we contact.’

Op maandag tekende ik.

Onder mijn naam stond een plek voor mijn handtekening. Ik zette hem voorzichtig. Daarna vroeg ik om een kopie.

Die avond belde Peter toevallig over een oude rekening.

‘Een baan?’ zei hij. ‘Nou, kijken hoelang je dat volhoudt.’

Ik hield de telefoon iets van mijn oor af.

‘Ik moet morgen vroeg op,’ zei ik. ‘Stuur die rekening maar per mail.’

Hoofdstuk 3

De verkeerde lijst

Mijn eerste werkdag begon om halfzes. Niet op het werk. In mijn hoofd. Om zeven uur moest ik er zijn, maar vanaf halfzes controleerde ik om de paar minuten de klok.

Ik at een boterham die nergens naar smaakte. Daarna fietste ik naar De Brug. Mijn nieuwe werkschoenen zaten in een plastic tas. Zwarte schoenen met stroeve zolen. Ik had er twee winkels voor afgezocht.

Daan wees me een haakje voor mijn jas.

‘Koffie?’

‘Graag.’

‘Die moet je zelf pakken. Anders leer je het nooit.’

Ik verstijfde. Hij zag het.

‘Grapje, Marjan.’

Ik lachte te laat.

De eerste uren schreef ik alles op. Het wachtwoord mocht niet in mijn schrift. De namen van de programma’s wel. Het kassasysteem opende in een ander venster dan de bestellijst. Ik wist aanvankelijk niet wat een venster was als er geen glas in zat.

Daan klikte snel.

‘Hier opslaan. Dan terug. Dan deze verversen.’

‘Wacht.’

Hij stopte.

‘Ik moet het zelf doen.’

Hij schoof de muis naar me toe. Dat hielp. Ik drukte op verkeerde knoppen, maar ik zag tenminste welke.

Na drie dagen kon ik bestellingen invoeren. Na vier dagen dacht ik dat ik het kon terwijl er iemand tegen me praatte.

Dat was te vroeg.

Op donderdag moesten er achtenveertig lunches naar een bijeenkomst in een wijkcentrum. Ik drukte de lijst af en gaf hem aan Rachida. Daarna nam ik zes telefonische wijzigingen aan. Die voerde ik netjes in. Ik vergat een nieuwe lijst te printen.

Om kwart over tien stonden de kratten klaar.

Daan reed de kar naar de deur. Ik zag de naam van het wijkcentrum op een doos. Opeens herinnerde ik me de laatste beller. Ze had gevraagd om extra vegetarische broodjes.

‘Stop even.’

‘De chauffeur wacht.’

‘De lijst klopt niet.’

Rachida kwam uit de keuken.

Ik vertelde wat ik had gedaan. Niet alles tegelijk. Mijn keel zat dicht, waardoor er losse stukjes uitkwamen.

Rachida pakte de lijst. ‘Welke wijzigingen?’

Ik opende het bestand. Mijn handen trilden zo dat ik twee keer naast het juiste vak klikte.

‘Laat mij,’ zei Daan.

Ik schoof opzij.

Er ontbraken zes vegetarische lunches. Vier gewone lunches waren juist te veel. De totale aantallen klopten ook niet meer. Rachida zette een snijplank neer. Daan trok nieuwe handschoenen aan.

‘Jij belt het wijkcentrum,’ zei ze. ‘We komen later. Tien minuten, misschien vijftien.’

De vrouw aan de telefoon zuchtte.

‘De deelnemers hebben om elf uur pauze.’

‘Ik begrijp het. De fout is hier gemaakt. We zijn het nu aan het herstellen.’

Ik wilde zeggen dat ik nieuw was. Ik deed het niet.

De chauffeur vertrok twaalf minuten te laat. Daarna begon ik zonder iets te zeggen het aanrecht schoon te maken. Ik schrobde dezelfde plek tot Rachida de doek uit mijn hand pakte.

‘Die vlek zit in het blad.’

‘Sorry.’

‘Dat heb je al gezegd.’

Ik dacht dat ze boos was. Ze was ook boos.

‘Ik moet op die lijst kunnen vertrouwen,’ zei ze. ‘Anders loopt de keuken vast.’

Ik knikte.

Tijdens de pauze bleef mijn broodtrommel dicht. Daan zat tegenover me met zijn telefoon.

‘Mijn eerste maand heb ik een hele krat soep laten vallen,’ zei hij.

‘Dat maakt mijn fout niet kleiner.’

‘Nee. Maar ik werk hier nog.’

Joost riep me later binnen. Ik verwachtte het einde van mijn contract. De proeftijd stond helder op het papier in mijn keukenkast.

Hij vroeg me stap voor stap te vertellen wat er was gebeurd. Daarna haalde hij Daan erbij.

‘Welke lijst gebruiken jullie als laatste versie?’

Daan keek naar mij. Ik keek naar het scherm.

Er bleek geen vaste afspraak te zijn. Soms printte Joost. Soms Daan. Soms werkte Rachida vanuit het schrift.

Mijn fout bleef mijn fout. Maar we maakten die middag een nieuwe afspraak. Om tien uur sloot de gewone bestellijst. Daarna gingen wijzigingen rechtstreeks naar de keuken, op een apart formulier. Op iedere afdruk kwam een tijdstip.

Thuis trok ik mijn schoenen uit. Mijn voeten brandden.

Sanne belde. ‘Hoe gaat het?’

‘Vandaag slecht.’

Ze wachtte.

‘Maar morgen moet ik weer.’

‘Wil je dat ook?’

Ik keek naar mijn schrift op tafel. Er stonden vette kruisen door drie oude instructies.

‘Ja,’ zei ik. ‘Ik wil het morgen goed doen.’

Hoofdstuk 4

Geld op vrijdag

Mijn eerste loon kwam op een vrijdag. Ik zag het bedrag in de supermarkt, tussen de koffie en de houdbare melk. Ik opende mijn bankapp opnieuw om te kijken of het er echt stond.

Salaris De Brug.

Geen huishoudgeld. Geen uitkering. Geld voor uren waarop ik ergens moest zijn en werk deed.

Ik kocht een stuk oude kaas. Daarna legde ik het terug en pakte een kleiner stuk. Mijn gewoonten veranderden niet op dezelfde dag als mijn inkomen.

Thuis zette ik koffie. Ik wilde Sanne bellen, maar ze stond voor de klas. Dus stuurde ik een foto van mijn loonstrook, met mijn burgerservicenummer onder een stukje papier.

Ze stuurde drie uitroeptekens terug.

Een week later kwam de verrekening van de gemeente. Door de betaaldatum en de verwerking van mijn loon was het bedrag anders dan ik had verwacht. Ik had al huur betaald. Ook moest ik mijn geschatte jaarinkomen voor mijn toeslagen aanpassen.

Ik zat met drie brieven en twee websites aan tafel. Op de ene website werd om bruto bedragen gevraagd. Op de andere moest ik een loonstrook uploaden. Het bestand op mijn telefoon was te groot.

Om tien uur ’s avonds huilde ik omdat een knop grijs bleef.

Niet omdat ik mijn leven zo zwaar vond. Niet omdat werken onmogelijk was. Omdat ik moe was en die stomme knop niet werkte.

De volgende ochtend belde ik Nadia. Zij maakte een afspraak met iemand van de inkomensafdeling. Er bleek niets verdwenen. Wel moest ik rekening houden met een andere verdeling over de maanden. Ze hielpen me de bedragen naast elkaar te zetten.

Ik hield nog steeds weinig over. Meer dan eerst, maar geen bedrag waarmee ik ineens zorgeloos werd.

Op het werk wist niemand hiervan. Ik deed alsof ik mijn geldzaken prima begreep. Daardoor schrok ik toen Joost vroeg of ik op zaterdag kon invallen.

‘Betaald?’ vroeg ik meteen.

Hij keek verbaasd.

‘Ja. Natuurlijk.’

Ik voelde me klein worden. Toch vroeg ik ook hoe die uren geregistreerd werden. Ik wilde geen mondelinge afspraak meer waar later alleen de ander zich iets van herinnerde.

Joost liet het rooster zien.

‘Goed dat je het vraagt,’ zei hij, maar hij klonk haastig.

Die zaterdag kwam mijn buurvrouw Els eten. Ze zag mij achter de balie en bleef even staan.

‘Wat leuk. Doe je vrijwilligerswerk?’

‘Nee. Ik ben hier in dienst.’

‘O. Echt?’

Ze bedoelde het waarschijnlijk niet slecht. Toch hoorde ik die twee woorden de rest van de ochtend.

Rachida merkte dat ik stil was.

‘Wat zei ze?’

Ik vertelde het.

‘Mensen denken bij mij altijd dat ik hier alleen Marokkaans kook,’ zei ze. ‘Gisteren vroeg iemand waarom de hutspot geen couscous was.’

Ik lachte. Daarna schaamde ik me omdat ik eerder zelf had gevraagd of haar linzensoep een familierecept was.

‘Mijn moeder maakt hele slechte soep,’ zei Rachida. ‘Dat had je toen ook al mogen weten.’

In de weken daarna werd het werk minder vreemd. Ik kende de klanten die moeilijk hoorden. Ik wist wie een grap maakte en wie echt kwaad was. Henk van Beek wilde zijn bon altijd dubbelgevouwen. Mevrouw De Leeuw betaalde met munten die ze op kleur had gesorteerd.

Ik vond dat prettig. Tegelijk raakte ik uitgeput van aardig blijven.

Als iemand om vijf voor sluiting nog zes maaltijden wilde veranderen, voelde ik woede opkomen. Dan dacht ik aan alle keren dat ik thuis vanzelf beschikbaar was geweest.

Op een woensdag vroeg Joost of ik na mijn dienst nog even de voorraad wilde tellen.

‘Hoe lang duurt dat?’

‘Halfuurtje.’

Het duurde meestal langer.

‘Vandaag niet,’ zei ik. ‘Ik heb een afspraak.’

Dat was waar. Ik moest naar de tandarts. Toch voelde het alsof ik loog.

Joost keek op het rooster.

‘Dan doen we het morgen.’

Meer gebeurde er niet.

Ik fietste naar de tandarts en was boos op mezelf dat zo’n klein gesprek zoveel spanning gaf. In de wachtkamer kwam er een bericht van Sanne.

Of ik zondag wilde eten.

Ik typte dat ik iets mee zou nemen. Daarna voegde ik toe dat ik tot vier uur bleef. Maandag ging de wekker vroeg.

Ze antwoordde: Goed, mam. Tot zondag.

Ik las het bericht twee keer. Ook hier was er geen ruzie gekomen.

Hoofdstuk 5

Het slot

De spanning begon met een leeg vak op het rooster. Eerst verdween één dienst. Daarna twee. Joost zei dat we rustiger moesten plannen omdat een grote opdrachtgever minder lunches afnam.

Op dinsdag zag ik hem in het kantoor met een vrouw die ik niet kende. Ze droeg een donkerblauw pak. Op tafel lag een map met cijfers. Toen ik koffie bracht, stopten ze met praten.

Die middag vroeg Daan of mijn contract al verlengd was.

‘Dat duurt nog twee maanden.’

Hij keek naar de gesloten kantoordeur.

‘Vraag het maar op tijd.’

Ik voelde de oude onrust terugkomen. Ik ging harder werken. Ik kwam vroeger en zette mijn jas pas na sluiting weer aan. De extra minuten schreef ik niet op.

Rachida zag het.

‘Waarom ben jij er al?’ vroeg ze op een ochtend.

‘Ik wilde de bestellingen controleren.’

‘Daar heb je straks werktijd voor.’

‘Het is maar een kwartier.’

‘Vier keer per week.’

Ik deed alsof ik haar niet hoorde.

Toen kwam de donderdag met de kapotte sluiting van de koelcel.

Een chauffeur zette twee kratten aardappelsalade neer. Ik tekende voor ontvangst. Terwijl ik een krat naar binnen droeg, zag ik dat de deur van de koelcel niet goed dichtviel. De bovenkant bleef een stukje openstaan.

Op het display stond een temperatuur die hoger was dan normaal.

Ik haalde Rachida. Ze keek naar het scherm en pakte de registratiemap. De laatste controle was van de avond ervoor.

‘Niet gebruiken,’ zei ze.

Ze plakte een vel papier op de deur.

Om twaalf uur moesten er maaltijden naar een bijeenkomst voor mantelzorgers. Een deel van de ingrediënten stond in die koelcel. Joost kwam erbij toen Rachida de technische dienst belde.

‘Hoe warm is het eten zelf?’ vroeg hij.

‘Dat ga ik meten. Maar ik weet niet hoelang die deur openstaat.’

Hij wreef over zijn gezicht.

‘Kunnen we niet eerst kijken wat nog kan?’

‘Dat zijn we aan het doen.’

Ik stond met het ontvangstformulier in mijn hand. Joost keek naar de nieuwe kratten.

‘Die zijn net binnen. Die kunnen sowieso door.’

‘Die wel,’ zei Rachida. ‘De rest nog niet.’

Er ging een kwartier voorbij. Toen nog tien minuten. De metingen gaven geen geruststellend beeld. Volgens onze werkwijze konden we verschillende producten niet vrijgeven. Rachida belde de leverancier voor vervanging. Die kon pas in de middag komen.

Joost keek naar mij.

‘Kun jij de bestelling alvast klaarzetten? Alleen wat zeker goed is.’

Dat deed ik. Maar toen hij een bak gesneden kip uit de koelcel pakte, zei ik zijn naam.

Hij draaide zich om.

‘Die stond er vannacht al.’

‘Ik ga hem niet zo meegeven.’

‘Rachida heeft gezegd dat hij apart moet blijven.’

Mijn stem klonk scherp. Daan keek op van de broodtafel.

Joost zette de bak neer.

‘Ik heb je gehoord.’

Ik voelde mijn hart tot in mijn nek. Ik dacht aan mijn contract. Aan mijn loon. Aan de brieven die weer zouden komen als ik dit kwijt was.

Rachida kwam terug met haar telefoon.

‘We kunnen broodjes maken. Kaas, ei en de verse salade. Geen warme maaltijd.’

Joost belde de opdrachtgever. Hij deed dat in het kantoor. Door de wand hoorde ik zijn stem stijgen en weer zakken.

De bestelling werd aangepast. We kregen minder betaald. Een deel van de voorraad moest weg. Ik noteerde wat we afvoerden. Bij iedere bak zag ik geld in de afvalcontainer verdwijnen.

Na de drukte riep Joost ons bij elkaar.

‘Het was een slechte ochtend,’ begon hij.

Niemand zei iets.

‘We hebben juist gehandeld door producten apart te houden.’

Ik bleef naar mijn handen kijken.

Hij zei niet dat hij zelf had getwijfeld. Ik wist niet of ik daar iets over moest zeggen.

Rachida deed het.

‘Volgende keer wil ik geen discussie boven de bakken. Eerst controleren. Dan beslissen.’

Joost knikte langzaam.

Die avond lag ik wakker. Ik had niets verkeerd gedaan. Toch voelde het alsof ik mezelf in gevaar had gebracht.

Om kwart over elf pakte ik mijn telefoon. Ik opende de mail met mijn contract en las de einddatum.

Daarna legde ik hem weg. De volgende ochtend zou ik vragen wanneer ik duidelijkheid kreeg. Niet nog zes weken wachten en gratis vroeger komen.

Hoofdstuk 6

Geen garantie

‘Ik wil weten waar ik aan toe ben,’ zei ik.

Joost keek naar de stoel tegenover hem. Ik ging zitten, hoewel mijn benen liever bleven staan.

Het was maandag, kwart voor twee. Mijn dienst zat erop. Ik had gevraagd om een gesprek van twintig minuten. In mijn schrift stonden drie vragen. Ik legde het open op mijn schoot.

‘Over je contract?’

‘Ja. En over mijn uren. Ik heb de afgelopen weken extra gewerkt zonder alles te schrijven. Daar stop ik mee.’

Hij trok zijn wenkbrauwen op.

‘Dat heb ik je niet gevraagd.’

‘Nee. Ik heb het zelf gedaan. Omdat ik dacht dat het hielp.’

Het was vervelend om dat hardop te zeggen. Hij schoof zijn telefoon opzij.

‘Je hoeft je baan niet te verdienen met onbetaalde uren.’

‘Maar krijg ik verlenging?’

Hij gaf niet meteen antwoord.

De grote opdrachtgever was definitief weg. De vrouw in het blauwe pak was van het bestuur. Er moest worden bezuinigd. Joost wilde de balie bezet houden, maar hij wist nog niet of twintig uur haalbaar bleef.

‘Wanneer weet je het wel?’

‘Over drie weken.’

Ik schreef de datum op.

‘Zet je die afspraak in de agenda?’

Hij deed het waar ik bij zat.

Buiten was het koud. Ik ging niet meteen naar huis. Bij het winkelcentrum zette ik mijn fiets neer en belde Nadia.

‘Misschien raak ik de baan kwijt.’

‘Is dat al besloten?’

‘Nee.’

‘Dan doen we twee dingen. Je blijft daar werken. En je kijkt verder.’

Ik wilde zeggen dat ik daar geen energie voor had. In plaats daarvan maakte ik een afspraak.

Mijn nieuwe cv was niet meer leeg. Er stond vijf maanden betaald werk op. Bestellingen verwerken. Klantcontact. Kassawerk. Werken volgens afspraken rond voedselveiligheid.

Toen Nadia die laatste regel typte, dacht ik aan de bak kip.

‘Kan dat er echt op?’

‘Doe je dat werk?’

‘Ja.’

‘Dan kan het erop.’

Ik reageerde op drie vacatures. Een zorginstelling zocht een medewerker voor de receptie. Een groothandel zocht iemand voor telefonische bestellingen. Een basisschool wilde administratieve ondersteuning voor twaalf uur.

De groothandel wees me binnen een dag af. Er stond dat andere kandidaten beter aansloten. Bij de school hoorde ik niets.

De zorginstelling nodigde me uit.

Het gesprek was in Velp. Ik kwam met de bus, want het regende hard. Mijn broek was bij de knieën nat. Twee vrouwen zaten tegenover me. De ene vroeg naar mijn ervaring. De andere vroeg waarom ik pas op mijn vijftigste was gaan werken.

‘Ik werkte daarvoor onbetaald in het gezin en voor het bedrijf van mijn ex-man,’ zei ik. ‘Nu zoek ik betaald werk dat bij me past.’

Ze schreef iets op.

Later moest ik een oefening doen. Een bezoeker meldde zich, de telefoon ging en er kwam een dringende boodschap binnen op het scherm. Ik raakte niet in paniek. Ik vroeg de bezoeker even te wachten en nam de telefoon aan.

Daar was ik trots op.

Toch kreeg ik de baan niet. Ze kozen iemand met ervaring in zorgadministratie. Ik bedankte de vrouw aan de telefoon. Daarna gooide ik thuis mijn tas zo hard op tafel dat mijn mok omviel.

Sanne vond me met een doek boven de vloer.

‘Je hoeft niet te zeggen dat er wel iets anders komt,’ zei ik.

‘Dat was ik niet van plan.’

Ze pakte een tweede doek.

Bij De Brug liep ondertussen een kleine proef. We leverden lunches aan een fietsenwerkplaats en een accountantskantoor. Ik belde vaste klanten om te vragen of ze voortaan op een vast tijdstip konden bestellen. Niet iedereen wilde dat. Twee bedrijven haakten af toen ze de bezorgkosten hoorden.

Met de anderen maakten we duidelijke afspraken. Ik hield de aantallen bij. Daan maakte een eenvoudiger bestelformulier. Voor het eerst begreep ik genoeg van de computer om te zeggen wat er niet handig aan was.

Op de afgesproken dag zat ik opnieuw tegenover Joost.

Hij kon me een nieuw contract aanbieden. Twaalf maanden. Zestien uur per week, geen twintig.

Ik keek naar het papier.

‘Ik wil graag blijven. Maar ik moet eerst uitrekenen of dit kan.’

‘Dat snap ik.’

Vroeger had ik meteen ja gezegd en de zorgen thuis opgelost. Nu nam ik het voorstel mee.

Buiten belde ik Nadia. Deze keer voordat ik tekende.

Hoofdstuk 7

Mijn eigen sleutel

Vier uur minder werken bleek op papier overzichtelijk. In mijn portemonnee was het ingewikkelder. Nadia en haar collega rekenden met me mee. Met mijn lagere loon kon ik voorlopig nog recht hebben op aanvullende bijstand. Mijn toeslagen moesten opnieuw worden bekeken.

Ik vond dat moeilijker dan ik had verwacht.

‘Dan ben ik nog steeds niet zelfstandig,’ zei ik.

Nadia draaide het overzicht naar me toe.

‘Je verdient een deel zelf. Voor de rest kijken we waar je recht op hebt. Dat zijn de bedragen. Wat je daarover voelt, kan ik niet voor je oplossen.’

Ik was even kwaad op haar. Daarna was ik blij dat ze geen opgewekt verhaal hield.

Ik tekende het contract voor zestien uur. Tegelijk bleef ik zoeken naar extra uren. Niet iedere avond. Eén vaste middag per week. Anders zat de onzekerheid voortdurend naast me op de bank.

Bij De Brug veranderde mijn rooster. Vier kortere diensten. Joost wilde liever drie langere dagen, maar dan werd het halen van leveringen lastig. We bespraken het met Rachida en Daan. Ik zei wanneer ik wel en niet kon. Niemand vond dat bijzonder.

Dat bleef voor mij wennen.

De koelcel had inmiddels een nieuwe sluiting. Op de deur hing een controlelijst. We hadden afgesproken wie bij een afwijking besliste en wie de klant belde. Het was een klein vel papier. Toch werkte ik er rustiger door.

Joost sprak me op een ochtend aan toen we alleen bij de balie stonden.

‘Over die donderdag,’ zei hij. ‘Ik zette jullie onder druk.’

Ik wachtte.

‘Dat was niet goed.’

‘Nee,’ zei ik.

Hij keek even op. Misschien had hij verwacht dat ik het zou wegwuiven.

‘Het gebeurde niet expres,’ voegde hij eraan toe.

‘Dat geloof ik. Maar ik was wel bang om iets te zeggen.’

Hij knikte. Daarna ging de telefoon. Ik nam op. Het gesprek was niet netjes afgerond. Toch was er genoeg gezegd om verder te kunnen.

In november kwam er een nieuwe collega voor twee ochtenden. Ze heette Lotte en was negentien. Ze had nog nooit achter een balie gewerkt. Joost vroeg of ik haar wilde inwerken op de bestellingen.

‘Ik?’

‘Jij weet inmiddels precies waar het fout kan gaan.’

Ik moest lachen. Dat was geen fraai compliment, maar wel een bruikbaar.

Lotte zat naast me bij de computer. Ze klikte sneller dan ik. Toch haalde ze de naam van een klant en de naam van het bezorgadres door elkaar.

‘Wacht even,’ zei ik. ‘Doe deze zelf nog een keer. Ik kijk mee.’

Ze trok haar handen van het toetsenbord.

‘Sorry.’

‘Je bent het aan het leren.’

Ik hoorde mezelf. Het klonk niet alsof ik een zin uit een cursus herhaalde. Ik meende het.

Mijn rug deed nog steeds pijn na een drukke ochtend. Soms sliep ik slecht voor een gesprek met Joost. Ik begreep niet alle brieven meteen. Eén keer miste ik een wijziging in mijn rooster en kwam ik een uur te vroeg. Ik dronk koffie in de personeelsruimte en was chagrijnig, niet dankbaar.

Er waren ook gewone goede dagen. Bestellingen klopten. Een klant betaalde zonder discussie. Rachida zette muziek aan tijdens het schoonmaken. Daan vertelde over een examen dat hij had gehaald. Ik hoorde erbij, ook als ik niets bijzonders deed.

Op mijn eenenvijftigste verjaardag kwamen Sanne en haar vriend eten. Ik had zalm gekocht. Niet de duurste, wel zonder eerst drie keer de prijs terug te rekenen naar dagen boodschappen.

Sanne gaf me een schrift met een stevige kaft.

‘Voor je verhalen,’ zei ze.

Later die avond schreef ik op de eerste bladzijde: Mijn eerste baan op mijn vijftigste.

Ik bleef naar die woorden kijken. Ze vertelden niets over het kwartier dat ik soms op bed zat voordat ik genoeg moed had om op te staan. Ook niets over de collega’s die mijn fouten moesten herstellen. Dat moest er dus bij.

De volgende ochtend opende ik De Brug. Ik had sinds kort een eigen sleutel. Binnen was het donker. Ik deed het licht aan en controleerde de koelkasttemperaturen.

Toen schoof ik de eerste bestellijst onder de printer vandaan.

Er ontbrak een telefoonnummer. Ik omcirkelde het en legde de lijst naast me neer. Straks even nabellen.

Om acht uur kwam Lotte binnen. Ze hing haar jas naast de mijne.

‘Drukke dag?’ vroeg ze.

‘Redelijk,’ zei ik. ‘Pak eerst maar koffie. Dan lopen we samen de lijst door.’