Identiteit en zelfacceptatie
Mijn geloof en mijn liefde
Hoofdstuk 1
De foto
Mijn moeder belde toen Samir zijn hand op mijn knie legde. We zaten in de trein van Utrecht naar Ede-Wageningen. Buiten werd het donker. In het raam zag ik ons weerspiegeld. Twee mannen naast elkaar. Zijn duim bewoog over de naad van mijn spijkerbroek.
Ik schoof zijn hand weg.
‘Je telefoon kan ons niet zien,’ zei hij.
Op het scherm stond Mam. Ik liet hem overgaan.
Mijn naam is Niels van Dijk. Ik was negenentwintig, werkte als werkvoorbereider bij een installatiebedrijf in Veenendaal en woonde boven een kapsalon in Ede. Op zondag zat ik meestal naast mijn ouders in de kerk. Al vijf maanden had ik een relatie met Samir. Niemand thuis wist dat.
Tot die avond, dacht ik nog.
Er kwam een bericht van mijn zus Ruth.
Mam heeft een foto gezien. Bel me voordat je thuis bent.
Ik opende Instagram. Een collega van Samir had een foto geplaatst van zijn verjaardagsborrel. Wij stonden achteraan. Zijn arm om mijn middel. Mijn hoofd tegen zijn schouder. Geen kus. Toch zag ik meteen wat mijn moeder gezien moest hebben. Ik keek niet zoals ik naast een collega keek.
‘Wat is er?’ vroeg Samir.
Ik gaf hem mijn telefoon.
Hij vergrootte de foto niet. Hij hoefde niet te zoeken.
‘Wil je dat ik vraag of ze hem weghaalt?’
‘Ja. Nee. Dat helpt nu niet meer.’
Bij station Driebergen-Zeist stapte een vrouw in met een fiets. Ik trok mijn voeten terug. Zij zei dankjewel. Het klonk belachelijk gewoon. Mijn moeder had die foto gezien en iemand bedankte mij voor ruimte bij een treindeur.
Ik belde Ruth vanuit het halletje.
‘Heeft papa hem ook gezien?’
‘Ja.’
‘Wat zei hij?’
Ze aarzelde.
‘Zeg het gewoon.’
‘Dat je moet uitleggen wat dit betekent.’
Ik keek door het glas naar Samir. Hij zat rechtop, zijn handen tussen zijn knieën. Ik kende die houding. Zo wachtte hij op een uitslag van de tandarts. Of op mijn antwoord wanneer hij vroeg of hij een tandenborstel bij mij mocht laten staan.
‘Het betekent dat ik een vriend heb,’ zei ik.
Ruth zweeg even.
‘Dat dacht ik al.’
‘Sinds wanneer?’
‘Sinds je met kerst steeds naar je telefoon liep te lachen.’
Ik drukte mijn voorhoofd tegen het koele raam.
‘Ben je boos?’
‘Omdat je het niet vertelde? Een beetje. Niet omdat het een man is.’
Ik begon te huilen zonder geluid. Dat overviel me meer dan haar antwoord. Ik had jarenlang gesprekken voorbereid waarin mensen boos werden. Voor vriendelijkheid had ik niets klaarliggen.
‘Ik kan vanavond komen,’ zei ze.
‘Nee. Ik ga eerst alleen.’
Samir zou in Utrecht blijven slapen, maar was met me meegereisd omdat we nog samen wilden eten. Op het perron in Ede zei ik dat hij beter terug kon gaan.
‘Wil jij dat?’ vroeg hij.
‘Ik kan je daar niet mee naartoe nemen.’
‘Dat vroeg ik niet.’
Een trein naar Arnhem reed voorbij. We wachtten tot het lawaai weg was.
‘Ik wil dat je blijft,’ zei ik. ‘Maar ik weet niet hoe.’
Hij knikte langzaam.
‘Dan wacht ik bij jou thuis. Als jij dat goed vindt.’
Ik gaf hem mijn sleutel. Het was de eerste keer dat hij die kreeg.
Mijn ouders woonden in een rijtjeshuis aan de rand van Ede. De fiets van mijn vader stond altijd met het voorwiel naar de straat. Mijn moeder had drie potten heide bij de deur. Alles stond er nog precies zo.
Binnen rook het naar koffie. Op tafel lag mijn moeders telefoon, met het scherm naar beneden.
‘Is het waar?’ vroeg mijn vader.
Ik trok mijn jas niet uit.
‘Wat bedoel je?’
Hij wees naar de telefoon.
Ik had kunnen zeggen dat we dronken waren. Dat Samir gewoon een vriend was. Ik kende genoeg uitwegen om nog een jaar niets te hoeven vertellen.
Mijn moeder keek naar mijn jas, alsof ze ook zag dat ik elk moment kon vertrekken.
‘Ik ben homo,’ zei ik. ‘En de man op die foto is mijn vriend. Hij heet Samir.’
Mijn vader sloot zijn ogen. Mijn moeder schoof een stoel naar achteren.
‘Ga zitten, Niels.’
Ik bleef nog even staan. Toen hing ik mijn jas aan de kapstok.
Hoofdstuk 2
Aan tafel
Mijn moeder schonk koffie in drie kopjes. Ze zette ook de melk voor me neer. Dat deed ze altijd, hoewel ik al jaren zwarte koffie dronk.
Mijn vader zat tegenover me. Zijn Bijbel lag op het dressoir, naast de afstandsbediening. Ik keek er steeds naartoe. Hij zag het.
‘We weten allebei wat erin staat,’ zei hij.
‘We weten allebei wat we geleerd hebben dat erin staat.’
Het antwoord kwam scherper dan ik wilde. Mijn moeder zette de koffiepot hard neer.
‘Kunnen we eerst gewoon praten?’
Mijn vader werkte niet meer. Vroeger was hij uitvoerder in de bouw. Hij kon een lekkend dak onderzoeken zonder iemand de schuld te geven. Eerst kijken. Dan meten. Nu leek hij al klaar met zijn onderzoek.
‘Hoelang speelt dit?’ vroeg hij.
‘Ik weet sinds mijn vijftiende dat ik op jongens val.’
‘Veertien jaar?’ Mijn moeder ging zitten. ‘En je hebt nooit iets gezegd?’
Ik draaide het kopje aan het oor.
Op mijn zeventiende was ik verliefd geweest op Joost van de jeugdvereniging. Tijdens een kamp in Otterlo hadden we naast elkaar afgewassen. Hij sloeg een theedoek over mijn schouder en vroeg waarom ik zo stil was. Die avond had ik in een wc-hokje gebeden tot mijn knieën pijn deden.
Dat vertelde ik niet meteen. Ik zei alleen: ‘Ik dacht dat het weg zou gaan.’
Mijn moeder begon te huilen.
Ik wilde haar troosten. Het was een oude reflex. Als zij verdriet had, moest ik iets oplossen. Maar wat kon ik nu zeggen? Dat ik een grap had gemaakt?
‘En deze man?’ vroeg mijn vader.
‘Samir. Hij is tweeëndertig. Hij werkt in een medisch laboratorium in Utrecht.’
‘Is hij moslim?’
‘Hij is niet gelovig opgevoed. Zijn vader komt uit Marokko. Zijn moeder uit Deventer.’
‘Dat bedoel ik niet.’
‘Wat bedoel je dan?’
Mijn vader wreef over zijn mond.
‘Je weet hoeveel dit met zich meebrengt.’
Ik wist niet of hij onze relatie bedoelde, onze namen of de buren. Waarschijnlijk alles tegelijk.
‘Ik ben niet gekomen om toestemming te vragen,’ zei ik.
‘Waarom ben je dan gekomen?’
Die vraag deed meer pijn dan zijn eerste reactie.
‘Omdat jullie mijn ouders zijn.’
Niemand sprak. In de keuken sloeg de koelkast aan.
Mijn moeder vroeg of ik nog geloofde.
‘Ja.’
‘Maar hoe dan?’
Ik keek haar aan.
‘Ik bid nog. Ik lees nog. Ik twijfel ook. Dat deed ik hiervoor trouwens ook.’
Mijn vader schoof zijn kopje weg.
‘Je kunt niet alleen houden wat prettig is.’
Ik dacht aan veertien jaar angst. Aan verjaardagen waarop iemand vroeg wanneer ik eens een meisje meenam. Aan de relatie met Marieke, die acht maanden had geduurd. Zij had uiteindelijk gevraagd of ik haar eigenlijk wel begeerde. Ik had gezegd dat ik tijd nodig had. Dat was niet gelogen, maar ook niet eerlijk.
‘Dit is niet iets wat ik voor mijn gemak doe,’ zei ik.
Mijn vader wilde dat ik met ouderling Van Beek ging praten. Ik kende hem mijn hele leven. Hij had me bij mijn belijdenis een boek gegeven over trouw blijven onder druk.
‘Praten wil ik,’ zei ik. ‘Maar niet over hoe ik anders kan worden.’
‘Niemand zegt dat.’
‘Ik zeg alvast wat ik niet ga doen.’
Mijn stem trilde. Ik stopte mijn handen onder mijn bovenbenen.
Na een uur stond ik op. Mijn moeder vroeg of ik nog brood wilde. Ik had sinds de middag niets gegeten, maar mijn maag zat dicht.
Bij de deur pakte ze mijn mouw.
‘Ik hou van je.’
‘Ik ook van jou.’
Ze keek langs me heen naar buiten.
‘Geef ons tijd.’
Ik knikte. Pas op mijn fiets bedacht ik dat niemand had gevraagd of ik gelukkig was.
Samir zat op mijn keukenvloer. Hij had het onderste kastje opengemaakt.
‘Je vuilniszakken zijn op,’ zei hij.
Ik begon te lachen. Daarna huilde ik zo hard dat ik tegen het aanrecht moest leunen.
Hij stond op en hield me vast.
Later aten we boterhammen met pindakaas. Ik vertelde wat er was gezegd. Samir onderbrak me niet.
‘Ze willen tijd,’ zei ik.
‘Dat snap ik.’
Hij legde zijn boterham neer.
‘Maar tijd waarvoor? Om jou te leren kennen? Of om te wachten tot ik weg ben?’
Ik had geen antwoord. Voor het eerst begreep ik dat hij er ook één nodig had.
Hoofdstuk 3
De kerkenraad
Het gesprek met ouderling Van Beek was op woensdag. Hij had gevraagd of ik naar een zaaltje achter de kerk wilde komen. Ik stelde mijn eigen huis voor. Ik wilde na afloop niet langs de lege kerkbanken naar buiten lopen.
Hij kwam met dominee Vermeer. Dat had hij niet verteld.
Ik stond in de deuropening met twee mokken in mijn hand.
‘We dachten dat dit verstandig was,’ zei Van Beek.
‘Dat hadden jullie kunnen overleggen.’
De dominee knikte.
‘Dat klopt. Mag ik blijven?’
Ik liet ze binnen. Achteraf wist ik niet of ik echt had ingestemd of gewoon beleefd was geweest.
Samirs tandenborstel stond in de badkamer. Ik had hem die middag in het kastje gelegd. Vlak voordat de bel ging, had ik hem weer teruggezet. Een klein ding. Toch had ik er tien minuten over gedaan.
We gingen aan de keukentafel zitten. Van Beek legde zijn telefoon naast zijn notitieboek.
‘Is dit vertrouwelijk?’ vroeg ik.
‘Binnen de kerkenraad moeten we soms dingen delen.’
‘Dan wil ik eerst weten welke dingen en met wie.’
Hij keek naar de dominee. Die schoof het notitieboek een stukje terug naar hem.
‘Laten we eerst luisteren,’ zei hij.
Ik vertelde over Samir. We hadden elkaar ontmoet bij een cursus fietsen repareren in Utrecht. Mijn zus had me die cursus cadeau gedaan. Samir had een oude racefiets en twee linkerhanden, vond hij zelf. Hij was juist heel precies. Alleen draaide hij een moer steeds de verkeerde kant op.
Na de derde les hadden we koffie gedronken. Na de vijfde had hij gevraagd of ik hem mee uit zou willen vragen als ik minder bang was.
‘En dat wilde ik,’ zei ik.
Van Beek glimlachte niet.
‘We gunnen je vriendschap, Niels. Maar een seksuele relatie tussen mannen kunnen we niet goedkeuren.’
Mijn gezicht werd warm.
‘Ik vraag niet om een gesprek over mijn seksleven.’
‘Het gaat om je levenswandel.’
Ik kende dat woord. Het werd gebruikt als iemand ging samenwonen. Of vreemdging. Nu zat het op mijn keukentafel, tussen de suikerpot en de kruimels van mijn ontbijt.
De dominee vroeg hoe ik mijn geloof en mijn relatie met elkaar verbond.
Ik had aantekeningen gemaakt. Bijbelteksten. Uitleg over de tijd waarin ze geschreven waren. Verschillende vertalingen. Ik trok het papier naar me toe, maar mijn ogen bleven hangen bij een koffievlek.
‘Ik weet nog niet op alles een antwoord,’ zei ik. ‘Maar ik merk niet dat ik minder eerlijk of minder liefdevol word doordat ik van hem hou. Juist andersom.’
‘Ons gevoel is niet de maatstaf,’ zei Van Beek.
‘Jullie gevoel over twee mannen toch ook niet?’
De dominee vroeg om rust. Ik haatte dat even. Mijn stem was nauwelijks harder geworden.
Daarna ging het over mijn werk bij de jeugdgroep. Eens per maand hielp ik op vrijdagavond. Tosti’s maken. Voetballen. Luisteren naar zestienjarigen die school verschrikkelijk vonden.
‘Voorlopig lijkt het ons beter als je daarmee stopt,’ zei Van Beek.
Ik staarde hem aan.
‘Omdat ik gevaarlijk ben?’
‘Dat zegt niemand.’
‘Wat zeg je dan tegen die jongeren?’
‘Dat je een periode van bezinning neemt.’
‘Maar dat is niet waar.’
De dominee keek naar zijn handen. Hij sprak Van Beek niet tegen.
Ik stond op.
‘Ik wil dat jullie nu gaan.’
Van Beek begon nog over een vervolggesprek. Ik herhaalde mijn zin. Deze keer zonder uitleg.
Toen de deur dicht was, bleef ik in de gang staan. Ik hoorde de föhn van de kapsalon beneden. Mijn telefoon trilde. Samir vroeg hoe het ging.
Ik belde hem, maar kreeg nauwelijks woorden uit mijn mond.
‘Kom hierheen,’ zei hij.
‘Ik wil niet reizen.’
‘Dan kom ik.’
Die nacht lag ik wakker terwijl hij sliep. Om drie uur ging ik naar de keuken. De drie mokken stonden er nog.
Ik pakte mijn Bijbel uit de boekenkast. Er zat een kaartje van mijn belijdenis in. Mijn vader had erop geschreven dat ik altijd op God mocht vertrouwen.
Ik sloeg het boek niet open.
‘Ik weet niet meer wie namens U spreekt,’ zei ik hardop.
Daarna waste ik de mokken af. Dat was alles wat ik die nacht nog kon doen.
Hoofdstuk 4
Niet wegkijken
Drie weken later liet ik Samirs hand los op de markt in Ede.
We stonden bij een kraam met olijven. Hij hield een bakje vast. Ik zag meneer Koster van de kerk bij de kaasboer. Nog voordat ik erover nadacht, trok ik mijn vingers uit die van Samir.
Samir zette het bakje neer.
‘Wie?’ vroeg hij.
‘Wat?’
‘Wie zag je?’
Ik keek naar de grond.
Hij liep niet boos weg. Dat was erger. Hij betaalde, nam het tasje aan en wachtte tot we bij onze fietsen stonden.
‘Ik wil niet steeds uitzoeken of ik je hier wel mag aanraken,’ zei hij.
‘Je weet hoe moeilijk dit is.’
‘Ja. Maar ik was degene die je hand vast had.’
Ik begon over mijn ouders. Over de kerk. Over dat het pas net bekend was. Hij luisterde, maar zijn gezicht veranderde niet.
‘Ik vraag je niet om op elke straathoek te zoenen. Ik vraag je om me niet weg te duwen als iemand kijkt.’
‘Het was een reflex.’
‘Dat geloof ik. Het doet alsnog pijn.’
Hij ging die middag naar Utrecht. We hadden afgesproken dat hij het weekend zou blijven. In mijn keuken stond een ovenschaal met lasagne voor twee dagen.
Ik stuurde vier berichten. Het vijfde verwijderde ik. Daarin stond dat hij geen idee had wat ik opgaf. Toen ik het teruglas, schaamde ik me. Alsof hij mij gevraagd had mijn familie kwijt te raken. Alsof hij zelf niets riskeerde door van me te houden.
Maandag maakte ik een fout op mijn werk. Ik bestelde zes pompen van het verkeerde type. Mijn collega Anouk ontdekte het voordat de levering vertrok.
‘Dit ben jij niet,’ zei ze.
We zaten in een vergaderruimte met glazen wanden. Ik keek of iemand naar binnen keek.
‘Thuis is het ingewikkeld.’
‘Ziekte?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Ik heb een vriend. Mijn ouders vinden dat moeilijk. De kerk ook.’
Anouk schoof haar laptop dicht.
‘Oké. Wil je vertellen of wil je eerst die bestelling herstellen?’
Ik lachte kort.
‘Die bestelling.’
Na afloop liepen we buiten een rondje over het industrieterrein. Ze stelde geen vragen over seks of Bijbelteksten. Ze vroeg of ik sliep. Of ik at. Of ik iemand had die niet voortdurend iets van me vond.
Die avond maakte ik een afspraak bij de huisarts.
In de spreekkamer zei ik eerst dat ik slecht sliep. Toen dat ik vaak misselijk was. Pas daarna vertelde ik waarom.
De huisarts vroeg of ik gedachten had om mezelf iets aan te doen.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik wil alleen soms een week niet hoeven bestaan.’
Ze knikte en vroeg door. Niet geschrokken. Niet gehaast. We spraken af dat ik met de praktijkondersteuner zou praten. Ze gaf ook een manier om mijn nachten bij te houden.
Via een website vond ik een gespreksgroep voor lhbti’ers met een christelijke achtergrond in Utrecht. Ik liep twee keer langs het gebouw voordat ik aanbelde.
Een vrouw met kort grijs haar deed open.
‘Ik ben Els. Koffie?’
Binnen zaten zes mensen. Geen van hen leek op de groep die ik in mijn hoofd had gemaakt. Een vrachtwagenchauffeur. Een student. Een vrouw die nog met haar man samenwoonde. Iemand die niet meer geloofde. Iemand die juist theologie studeerde.
Ik zei dat ik Niels heette en niet wist of ik daar thuishoorde.
‘Dat mag je later beslissen,’ zei Els.
Tijdens de pauze vertelde een man dat hij zijn vriendin jarenlang had laten denken dat hun gebrek aan intimiteit aan haar lag. Ik dacht aan Marieke. Die nacht schreef ik haar een bericht. Geen lang verhaal. Wel een duidelijke verontschuldiging. Ik zei dat ze niet hoefde te reageren.
Daarna belde ik Samir.
‘Ik heb je behandeld alsof jij het bewijs van een probleem bent,’ zei ik. ‘Dat was niet eerlijk.’
Hij bleef even stil.
‘Dank je.’
‘Ik ga hulp zoeken. Ik ben begonnen.’
‘Dat is goed. Maar ik wil niet jouw oefenplek zijn zonder dat ik zelf iets mag voelen.’
‘Dat hoef je niet.’
We spraken af voor donderdag. Koffie, geen heel weekend. Ik vond dat weinig. Toch zei ik ja. Ik had niet als enige iets te herstellen.
Hoofdstuk 5
Een plek voor twee
Ruth nodigde ons uit voor de verjaardag van haar dochter. Mila werd zes. Het feest was op zaterdagmiddag in Wageningen, met twaalf kinderen, een springtouw en een taart die Ruth zelf wilde maken.
‘Komt Samir mee?’ vroeg ze.
Ik zat aan mijn bureau op het werk. Door het raam zag ik een vrachtwagen achteruitrijden.
‘Wil je hem erbij hebben?’
‘Anders vraag ik het niet.’
Mijn ouders zouden ook komen. Ik hoorde mezelf vragen of ze dat wel aankonden.
‘Het is mijn huis,’ zei Ruth. ‘En Mila wil weten wie jou steeds die kattenfilmpjes stuurt.’
Samir wilde er een nacht over nadenken. Ik liet hem. De volgende avond zei hij dat hij mee zou gaan, op één voorwaarde.
‘Als iemand me beledigt, gaan we. Geen uur uitleg aan de kapstok.’
‘Goed.’
‘En jij rijdt. Dan kan ik een biertje drinken.’
Dat was de eerste keer in weken dat hij weer plagerig keek.
We kochten een doos Lego in Utrecht. Samir wilde er een enorme draak bij doen. Ik wees op het budget. Hij zei dat ik een heel saaie oom was. Uiteindelijk namen we ook een zakje met een klein draakje mee.
Vrijdag belde mijn moeder.
‘Ik hoor dat je iemand meeneemt.’
‘Samir.’
‘Ja.’
Ik wachtte.
‘Je vader vindt het moeilijk om daar zo mee geconfronteerd te worden.’
Ik keek naar de koelkast. Daar hing de tekening die Mila voor mij had gemaakt. Een huis met paarse ramen. Onder het huis stond mijn naam in ongelijke letters.
‘We komen voor Mila.’
‘Dat begrijp ik. Maar misschien is een kinderverjaardag niet de beste plek.’
‘Waar dan wel?’
Ze noemde geen plek.
‘Mam, als jullie hem niet willen ontmoeten, is er altijd een reden te vinden.’
‘Moet het allemaal zo snel?’
‘We zijn bijna acht maanden samen.’
Ze zei dat zij dat pas een paar weken wist. Dat was waar. Ik kon haar niet kwalijk nemen dat ze die maanden niet had meegemaakt. Maar ik kon ze ook niet uit mijn leven weghalen.
Op zaterdag stond mijn vader bij Ruths achterdeur toen we aankwamen. Hij droeg een dienblad met lege glazen. Samir liep naast me, het cadeau onder zijn arm.
‘Goedemiddag,’ zei hij. ‘Ik ben Samir.’
Mijn vader zette het dienblad op de tuintafel. Er ging een seconde voorbij. Nog één.
Toen gaf hij hem een hand.
‘Peter.’
Ik ademde uit. Te vroeg.
Binnen stond mijn moeder naast de taart. Ze vroeg of we koffie wilden. Tegen Samir praatte ze net iets luider dan nodig.
‘Ik versta Nederlands prima,’ zei hij vriendelijk.
Ze werd rood.
‘Dat bedoelde ik niet.’
‘Geeft niet.’
Later zei hij tegen mij dat het hem wel degelijk iets gaf. Ik was blij dat hij het zei, ook al vond ik het ongemakkelijk.
Mila trok hem vrijwel meteen mee naar de vloer. De draak moest worden gebouwd. Hij las de instructies en zij deed alsof ze die niet nodig had. Binnen tien minuten hadden ze ruzie over een vleugel. Het stelde me gerust.
Mijn vader zat buiten. Ik bracht hem koffie.
‘Je zet ons wel onder druk,’ zei hij.
Ik bleef staan.
‘Ik ben uitgenodigd. Met mijn vriend.’
‘Je weet hoe wij erin staan.’
‘Ja. Dat hoor ik steeds. Weet jij eigenlijk hoe ik erin sta?’
Hij keek naar zijn kopje.
Ik ging tegenover hem zitten. Mijn knieën trilden, maar de tafel verborg dat.
‘Ik slaap slecht. Ik ben mijn jeugdwerk kwijt. Ik mis jullie. En als ik met Samir ben, ben ik vaak gelukkig. Dat bestaat allemaal tegelijk.’
Hij zei niets.
‘Je hoeft vandaag niet te zeggen dat je alles begrijpt. Maar je kunt hem wel vragen wat hij voor werk doet.’
‘Jij denkt dat het zo eenvoudig is.’
‘Nee. Ik vraag iets eenvoudigs.’
Ruth kwam naar buiten met een mes en vroeg mijn vader de taart aan te snijden. Het gesprek stopte.
Een uur later zag ik hem naast Samir bij de tuindeur staan.
‘Wat onderzoek je dan in zo’n laboratorium?’ vroeg hij.
Ik bleef in de keuken. Ik ging niet helpen. Ik ging ook niet staan luisteren.
Op de terugweg zei Samir dat hij moe was.
‘Maar Mila is leuk.’
‘En mijn ouders?’
Hij keek naar de weg.
‘Je moeder heeft drie keer koffie aangeboden. Je vader stelde vier vragen. Laten we het daarbij houden.’
Ik knikte. Voor die middag was dat genoeg.
Hoofdstuk 6
Mijn eigen stem
In november kreeg ik een brief van de kerkenraad. Ik herkende het logo voordat ik de envelop openmaakte.
Er stond dat mijn relatie niet paste binnen de leer van de gemeente. Zolang ik die relatie voortzette, kon ik niet deelnemen aan het avondmaal. Men hoopte op verdere gesprekken en bezinning.
Ik las de brief in de gang. Mijn boodschappentas stond nog tussen mijn voeten. Er zat ijs in. Dat ontdekte ik pas toen het op de vloer begon te lekken.
Ik belde mijn vader.
‘Wist jij hiervan?’
Hij aarzelde.
‘Ik wist dat er een brief zou komen.’
‘En je hebt niets gezegd?’
‘Het was niet aan mij.’
Ik ging op de trap zitten.
‘Jij bent mijn vader.’
‘Dat verandert niet.’
‘Dan moet ik dat ook ergens aan kunnen merken.’
We beëindigden het gesprek zonder ruzie. Dat maakte het niet beter. Ik had liever gehad dat hij boos werd dan dat rustige blijven herhalen.
De zondag daarna bleef ik thuis. Ik keek geen dienst mee. Ik maakte de badkamer schoon en verschoonde mijn bed. Om half elf zat ik op de rand van het matras. Ik wist precies wanneer in de kerk het lange gebed begon.
Ik miste het zingen. Ik miste mevrouw De Groot, die altijd pepermunt doorgaf. Ik miste zelfs de man die elke week zijn keel schraapte voordat de dominee begon.
Mensen zeiden later dat ik blij moest zijn dat ik weg was. Sommigen uit de gespreksgroep zeiden dat ook. Ze bedoelden het goed. Toch voelde ik me er alleen door. Ik kon niet veertien jaar zwijgen en daarna in één maand zonder verdriet vertrekken.
Els vroeg of ik mee wilde naar een kerk in Utrecht waar homoseksuele stellen welkom waren.
‘Je hoeft nergens lid van te worden,’ zei ze. ‘Je mag ook halverwege naar huis.’
Ik ging pas drie weken later.
Bij de ingang stonden twee vrouwen met liturgieën. De één vroeg of ik er voor het eerst was. Ik zei ja en wachtte op meer vragen.
‘De koffie is na afloop daar,’ zei ze. ‘En achterin zit je vlak bij de verwarming.’
Ik koos de verwarming.
Tijdens het tweede lied begon ik te huilen. Niet netjes. Mijn neus liep en ik had geen zakdoek. Els schoof een pakje tissues over de bank zonder me aan te kijken.
Na afloop sprak ik de predikant. Ze heette Judith en droeg sneakers onder haar zwarte broek.
‘Ik weet niet of ik hier kom omdat ik geloof,’ zei ik, ‘of omdat ik ergens wil horen.’
‘Dat hoeft vandaag niet uit elkaar.’
‘En als ik over een jaar niet meer geloof?’
‘Dan hoop ik dat je dat ook durft te zeggen.’
Ik vertrouwde haar niet meteen. Ik had geleerd dat vriendelijke gesprekken later voorwaarden konden krijgen. Ze leek het niet vervelend te vinden dat ik voorzichtig bleef.
Met de praktijkondersteuner oefende ik intussen zinnen. Geen toespraken. Zinnen die ik kon gebruiken voordat ik dichtklapte.
‘Daar wil ik nu niet over praten.’
‘Je mag moeite hebben, maar je mag hem niet beledigen.’
‘Ik kom graag, met Samir.’
Ik vond het kinderachtig om ze hardop te zeggen. Toch werkte het. Mijn mond had iets nodig wat hij al eens had gedaan.
Marieke reageerde op mijn bericht. Ze schreef dat ze blij was dat ik eerlijker leefde. En dat onze relatie haar lang onzeker had gemaakt.
Ik las haar woorden twee keer. Daarna bedankte ik haar. Ik vroeg niet of ze me vergaf. Dat was niet iets wat ik kon opeisen omdat ik eindelijk de waarheid vertelde.
Aan de kerkenraad schreef ik dat ik mijn lidmaatschap beëindigde. Ik noemde mijn teleurstelling over het jeugdwerk en over de brief. Ik schreef ook wat de gemeente voor me had betekend.
Samir zat naast me toen ik op verzenden drukte.
‘Wil je iets doen?’ vroeg hij.
‘Wandelen.’
We liepen door Ede. Bij de markt pakte ik zijn hand. Mijn schouders spanden zich meteen aan.
Hij keek opzij.
‘Gaat het?’
‘Nog niet helemaal.’
We liepen verder. Toen iemand ons tegemoetkwam, liet ik niet los.
Hoofdstuk 7
Blijven zitten
Bijna een jaar na de foto verhuisde ik naar Utrecht. Niet bij Samir in. We hadden daar lang over gepraat en waren allebei tot dezelfde conclusie gekomen. Ik moest eerst weten hoe mijn eigen leven eruitzag zonder dat ik elke keuze tegen mijn ouders afwoog.
Ik vond een klein appartement in Zuilen. De keuken had twee kookplaten. Vanuit het slaapkamerraam zag ik een fietsenstalling. Het was duurder dan mijn woning in Ede en een stuk kleiner. Toch sliep ik er beter.
Mijn werk hield ik. Drie dagen per week reed ik naar Veenendaal. De andere dagen werkte ik thuis. Anouk klaagde dat mijn nieuwe achtergrond bij videogesprekken te netjes was. Ik draaide de camera een keer naar de stapel dozen achter me.
‘Gelukkig,’ zei ze. ‘Je blijft gewoon jezelf.’
Dat wist ik toen nog niet zo zeker. Maar ik begon het minder erg te vinden dat er dingen veranderden.
Mijn ouders kwamen helpen met verhuizen. Mijn moeder maakte keukenkastjes schoon die al schoon waren. Mijn vader hing lampen op. Samir droeg dozen met mijn zwager naar boven.
Om twaalf uur stond iedereen in de woonkamer met een broodje. Mijn vader vroeg Samir de ladder vast te houden. Ze discussieerden vijf minuten over een schroef.
Ik keek er langer naar dan nodig was.
Mijn vader was niet van mening veranderd. Dat had hij een week eerder nog gezegd. Ik had geantwoord dat hij dat niet bij elk bezoek hoefde te herhalen. Sindsdien deed hij het minder.
Mijn moeder appte Samir soms rechtstreeks. Meestal een vraag over eten. Of hij koriander lustte. Of iets met gelatine geschikt was. Hij legde uit dat hij geen religieuze eetregels volgde en dat hij koriander naar zeep vond smaken.
‘Dat laatste begrijp ik dan weer niet,’ schreef ze terug.
Het waren kleine gesprekken. Ik maakte ze niet groter dan ze waren. Maar ik hoefde ze ook niet kleiner te maken.
Met Kerst gingen we niet naar mijn oude kerk. Samir ging met me mee naar Utrecht. Hij had vooraf gezegd dat hij waarschijnlijk niet zou zingen.
‘Dat hoeft niet.’
‘En ik ga niet ineens geloven omdat jouw moeder dat prettig zou vinden.’
‘Dat hoeft ook niet.’
Halverwege de dienst merkte ik dat hij zacht meelas. Meer niet. Ik liet het zo.
Ik geloofde nog. Niet elke dag met dezelfde zekerheid. Soms bad ik alleen: help me vandaag eerlijk te zijn. Soms was ik boos en sloeg ik wekenlang geen Bijbel open. Ik ging ongeveer twee keer per maand naar de kerk. Judith vroeg nooit waar ik de andere zondagen was geweest.
Bij de gespreksgroep kwam een nieuwe jongen, Daan. Hij was tweeëntwintig en hield zijn jas aan. Hij vertelde dat zijn ouders zijn telefoon controleerden wanneer hij thuis kwam.
Na afloop vroeg hij of het ooit ophield, dat schuldgevoel.
Ik wilde hem geruststellen. Ik wilde zeggen dat het vanzelf minder werd. Maar dat wist ik niet.
‘Bij mij komt het nog terug,’ zei ik. ‘Alleen geloof ik het niet meer altijd.’
Hij keek naar mijn hand. Samir had me een ring gegeven voor mijn verjaardag. Geen verlovingsring. Gewoon een smalle zilveren band, gekocht op een markt.
‘Heb jij iemand?’ vroeg Daan.
‘Ja.’
Hij glimlachte voor het eerst die avond.
In februari nodigde ik mijn ouders bij mij uit. Samir en ik zouden koken. Mijn moeder vroeg wat ze kon meenemen. Mijn vader vroeg waar hij kon parkeren.
Op de avond zelf mislukte de rijst. Samir had de verkeerde pan gekozen en ik had het vuur te hoog gezet. We stonden elkaar verwijten te maken toen de bel ging.
Mijn vader kwam de keuken in en tilde het deksel op.
‘Dat wordt bestellen,’ zei hij.
We aten afhaaleten aan mijn kleine tafel. Mijn moeder vertelde over een buurvrouw. Samir sprak over een nieuwe collega. Mijn vader luisterde en vroeg iets terug.
Toen ik opstond om borden te pakken, legde Samir even zijn hand op mijn rug. Mijn vader zag het. Ik zag dat hij het zag.
Niemand zei iets.
Ik bleef niet staan om zijn gezicht te controleren. Ik pakte de borden en ging weer zitten.
Later, toen mijn ouders naar huis waren, zetten Samir en ik de tafel terug tegen de muur. Hij vroeg of ik tevreden was over de avond.
‘Ja,’ zei ik. ‘En moe.’
We deden samen de afwas. Morgen moest ik vroeg naar mijn werk. Hij zou na zijn late dienst weer langskomen.
Ik hing de theedoek op en legde zijn sleutel op de plek naast de mijne.