Identiteit en zelfacceptatie
Mijn huidskleur in een wit dorp
Hoofdstuk 1
De foto
De fotograaf zette mij naast de deur. Niet naast Sanne, mijn beste vriendin. Niet tussen de anderen van het feestcomité. Naast de deur, half achter een bak met violen.
‘Jij bent lang,’ zei hij. ‘Daar past het beter.’
Koen was langer. Die stond midden in de groep, met zijn hand op de schouder van onze voorzitter.
Ik schoof een stukje naar links.
‘Nee, even blijven staan.’
Er reed een vrachtwagen over het plein. De fotograaf wachtte. Ik keek naar de lens en deed wat ik goed kon. Glimlachen zonder mijn tanden te laten zien.
Het was april. Ik was achtentwintig en sinds drie maanden terug in Weterbroek, een verzonnen dorp buiten Zutphen. Mijn naam is Naomi de Vries. Mijn moeder was hier geboren. Mijn vader kwam uit Paramaribo. Ik had zijn bruine huid en mijn moeders achternaam.
Na acht jaar Arnhem woonde ik weer in mijn oude slaapkamer. Mijn moeder had een nieuwe knie gekregen. Ik werkte vier dagen per week op de administratie van een installatiebedrijf. Tijdelijk, zei ik tegen iedereen. Ook als niemand ernaar vroeg.
Na de foto liepen we het dorpshuis in. Het rook naar filterkoffie en vochtige jassen. We moesten de zomeravondmarkt voorbereiden. Ik deed de vergunningen en hield de kosten bij.
‘Mooi divers clubje zo,’ zei Henk, de voorzitter.
Er zaten negen mensen aan tafel. Acht witte gezichten en dat van mij.
Niemand antwoordde. Sanne duwde de koektrommel mijn kant op. Dat deed ze altijd als ze wilde dat iets voorbijging.
Ik nam een koek.
Twee dagen later stond de foto online. Mijn linkerschouder was zichtbaar. Mijn gezicht niet. De bak met violen had het wel gehaald.
Ik zat op mijn bed toen ik hem zag. Mijn moeder riep beneden dat het eten klaar was. Ik vergrootte de foto met twee vingers. Alsof er buiten de rand nog iets terug te vinden viel.
Onder de foto stond: Samen maken we er een feest voor iedereen van.
Ik stuurde Sanne een bericht.
‘Ik sta er niet op.’
Ze antwoordde vrijwel meteen.
‘O, stom. Vast verkeerd bijgesneden.’
‘Kun je vragen om de hele foto?’
Drie stippen verschenen. Verdwenen. Verschenen opnieuw.
‘Zou ik niet te groot maken. Je weet hoe Henk is.’
Ik wist inderdaad hoe Henk was. Hij had mij op mijn twaalfde gevraagd of mijn vader wel mijn echte vader was. Toen ik ja zei, vroeg hij waarom ik dan De Vries heette. Ik had het uitgelegd. Rustig. Alsof ik aan een loket stond en een formulier ontbrak.
Beneden zette mijn moeder aardappels op tafel. Haar kruk viel tegen de kast.
‘Pak jij die even?’
Ik raapte hem op en liet haar de foto zien.
Ze zette haar leesbril op.
‘Wat onhandig.’
‘Ik stond al aan de rand.’
‘Misschien vanwege je lengte.’
Ik ging zitten.
‘Koen is langer.’
Mijn moeder legde de telefoon naast haar bord. ‘Wat wil je dat ik zeg, Naomi?’
Dat was een eerlijke vraag. Toch voelde hij als een deur die dichtging.
‘Dat je het ziet.’
Ze keek opnieuw. Dit keer langer.
Buiten trok buurman Gerrit zijn groene afvalbak naar de straat. Hij zwaaide door het raam. Mijn moeder zwaaide terug. Ik deed automatisch mee.
Later belde ik Henk. Ik had mijn eerste zin op een kassabon geschreven.
‘Ik wil graag dat jullie een foto plaatsen waar ik ook op sta.’
‘Dat regelt de websitejongen,’ zei hij.
‘Kun jij hem vragen?’
‘Natuurlijk. Maar je klinkt nogal boos.’
Ik keek naar de kassabon. Onder mijn eerste zin had ik niets geschreven.
‘Ik ben ook boos.’
Het bleef even stil.
‘Nou. Dat hoeft toch niet?’
Ik hoorde mezelf bijna zeggen dat het wel meeviel. Het lag klaar. Een antwoord waarmee hij gerustgesteld kon ophangen en ik nog een uur naar het plafond zou kijken.
‘Vraag het hem alsjeblieft,’ zei ik.
De volgende middag stond de volledige foto online. Zonder bericht. Zonder uitleg. Ik was zichtbaar, naast de deur.
Eronder verscheen een reactie van een account zonder foto.
Moeten we nu voor iedereen apart het dorpsblad aanpassen?
Ik las hem op mijn werk, met een factuur open op het andere scherm. Mijn collega vroeg of ik koffie wilde.
‘Ja,’ zei ik.
Mijn stem klonk normaal. Dat vond ik op dat moment misschien nog het vreemdste.
Hoofdstuk 2
De keurige dochter
Op mijn tiende leerde ik dat een vraag geen vraag hoefde te zijn.
We stonden bij de fietsenrekken van basisschool De Es. Bram van der Wal tikte met zijn sleutel tegen mijn voorband.
‘Waarom ben jij eigenlijk bruin?’
‘Mijn vader is bruin.’
‘Ja, maar waarom woon je dan hier?’
Ik had geen antwoord. We woonden hier omdat mijn ouders een huis hadden gekocht in de Wilgenstraat. Omdat mijn moeder bij de thuiszorg werkte. Omdat mijn vader elke ochtend naar zijn garage in Zutphen reed. Dat leek me te weinig voor wat Bram bedoelde.
Hij liet zijn sleutel over mijn spatbord schrapen.
‘Kun je niet gewoon antwoord geven?’
Die middag ging ik lopend naar huis. Mijn fiets liet ik staan. Tegen mijn moeder zei ik dat de band zacht was.
Mijn vader haalde hem op. Hij kwam terug met de fiets aan zijn hand en een gezicht dat ik niet kende.
‘Wie heeft die kras gemaakt?’
‘Weet ik niet.’
‘Naomi.’
Hij zei mijn naam niet hard. Daardoor keek ik op.
Toen vertelde ik het.
Mijn moeder belde de school. De volgende ochtend moesten Bram en ik bij meester Paul komen. Bram zei dat hij nieuwsgierig was geweest. Meester Paul vond dat een mooie aanleiding om elkaar beter te leren kennen.
Ik moest vertellen over Suriname.
Ik was er nog nooit geweest.
Mijn vader werd kwaad toen hij het hoorde. Mijn moeder zei dat de meester het goed bedoelde. Ze kregen ruzie in de keuken. Ik zat boven aan de trap en besloot dat ik voortaan beter moest opletten wat ik vertelde.
Daarna werd ik een gemakkelijke leerling. Ik maakte mijn werk af. Ik praatte netjes. Als iemand mijn haar aanraakte, stapte ik een beetje opzij. Niet te plotseling. Dan schrok die ander misschien.
Op de middelbare school in Zutphen kocht ik van mijn oppasgeld een stijltang. Elke zondagavond trok ik mijn krullen recht. Het apparaat siste als mijn haar nog vochtig was. Soms brandde ik mijn oor.
Sanne zat dan op mijn bed. We waren sinds de brugklas bevriend.
‘Zo staat het echt verzorgd,’ zei ze eens.
Ik bewaarde die zin. Jarenlang.
Nu stond dezelfde stijltang nog in de la van mijn oude bureau. Ik vond hem op een zaterdag, toen ik ruimte maakte voor mijn laptop. Het snoer zat er strak omheen gewikkeld.
Mijn moeder kwam binnen met gevouwen handdoeken.
‘Die gebruik je niet meer, toch?’
‘Nee.’
‘Je haar zit zo ook leuk.’
Ik draaide het apparaat om. Op de plaat zat een bruine rand van oud haarproduct.
‘Weet je nog wat meester Paul toen deed?’
Ze legde de handdoeken neer.
‘Met die jongen bij de fietsen?’
Ik knikte.
‘Ik dacht dat het opgelost was.’
‘Voor mij niet.’
Ze ging op de bedrand zitten. Dat deed pijn aan haar knie. Ik zag het aan haar mond, maar dit keer hielp ik haar niet meteen overeind.
‘Ik moest iets vertellen over een land dat ik niet kende. Bram hoefde alleen te luisteren.’
‘Dat wist ik niet.’
‘Ik heb het verteld.’
Mijn moeder keek naar haar handen.
Beneden sloeg de koelkastmotor aan. Verder was het stil.
‘Dan heb ik niet goed geluisterd,’ zei ze.
Ik had een verdediging verwacht. Iets over hoe druk ze het had gehad. Of dat mensen vroeger minder nadachten. Ik had mijn antwoorden al klaar.
Nu wist ik niet wat ik moest zeggen.
‘Ik wil niet dat je papa belt om dit te bespreken,’ zei ik uiteindelijk.
Mijn ouders waren zes jaar gescheiden. Ze konden redelijk met elkaar omgaan, zolang ze niet bespraken hoe ze mij hadden opgevoed.
‘Dat zal ik niet doen.’
Ik gooide de stijltang die middag niet weg. Hij ging in een doos voor het inzamelpunt. Dat was minder indrukwekkend, maar wel wat er gebeurde.
Later fietste ik naar de drogist. Voor het raam van de bakker zag ik mijn spiegelbeeld. Mijn krullen zaten boven op mijn hoofd, slordig vastgezet met een klem. Ik bleef even staan om een losse pluk achter mijn oor te duwen.
Een vrouw met een boodschappentas wilde langs me.
‘Mag ik er even bij?’
Ik stapte opzij en zei sorry.
Pas bij mijn fiets dacht ik: waarvoor eigenlijk?
Ik had niemand iets aangedaan. Ik had alleen voor een raam gestaan.
Hoofdstuk 3
Niet zo bedoeld
De reactie onder de foto verdween na drie dagen. Henk zei dat hij geen gedoe op de website wilde. Niet dat de opmerking ongepast was. Gedoe.
Een week later zaten we weer in het dorpshuis. Henk had een voorstel voor het programma van de zomeravondmarkt.
‘We willen dit jaar iets met eten uit verschillende culturen.’
Hij schoof een papier naar mij.
‘Kun jij met je familie iets Surinaams doen?’
‘Ik regel al de vergunningen.’
‘Ja, maar dit past toch bij jou?’
Op het papier stond mijn naam achter twee woorden: exotische hoek.
Ik las ze nog een keer.
‘Mijn vader is automonteur. Geen cateraar.’
Koen lachte. Henk ook, een tel later.
‘Een pan maken kan hij vast wel.’
‘Vraag je de familie van Koen ook om gratis eten?’
Koen zette zijn koffiekop neer.
‘Mijn vrouw bakt ieder jaar cake.’
‘Dat is aardig van haar. Heeft iemand haar daarvoor aangewezen op basis van haar huidskleur?’
Sanne keek naar haar notitieboek. Haar pen bewoog niet.
Henk schoof zijn stoel naar achteren.
‘Ik probeer jou juist erbij te betrekken.’
‘Ik zit hier al.’
Mijn stem was harder dan ik wilde. Vanuit de gang keek iemand door het raam in de deur.
‘We kunnen tegenwoordig ook niks meer zeggen,’ mompelde Koen.
Ik voelde de hitte in mijn nek. Ik wist wat er meestal volgde. Ik zou te lang uitleggen. Iemand zou zeggen dat we allemaal mensen waren. Daarna zou ik naar huis gaan met hoofdpijn.
Ik vouwde het papier dubbel.
‘Haal mijn naam hier weg. Ik maak de vergunningaanvraag af. Daarna stop ik met het comité.’
Sanne keek eindelijk op.
‘Naomi, wacht nou even.’
‘Nee.’
Ik pakte mijn jas. Mijn mouw bleef aan de deurklink hangen. Ik moest een stap terugzetten om hem los te krijgen. Het was geen mooi vertrek. Mijn tas botste tegen een stoel.
Buiten regende het. Mijn fietszadel was nat. Ik veegde het af met mijn hand en kreeg een vieze streep over mijn broek.
Sanne kwam achter me aan.
‘Ik snap dat die woorden stom zijn,’ zei ze. ‘Maar je overviel hem wel.’
‘Hij had mijn naam al ingevuld.’
‘Je weet toch dat Henk geen racist is?’
Ik zette mijn fiets recht.
‘Ik heb het over wat hij doet. Jij begint over wat hij is.’
‘Ik probeer alleen te helpen.’
‘Wie?’
Ze trok haar hoofd een beetje terug.
Het was een harde vraag. Ik zag dat hij aankwam. Toch nam ik hem niet terug.
We stonden onder de lamp bij de ingang. Haar haar werd donker van de regen. In de zaal lachte iemand.
‘Ik kan niet steeds kiezen tussen jou en het hele dorp,’ zei ze.
Daar was het.
Niet tussen mij en Henk. Niet tussen mij en die ene opmerking. Het hele dorp.
‘Dat vraag ik ook niet,’ zei ik. ‘Maar ik wil niet steeds alleen zitten als iemand zoiets zegt.’
Ze keek naar de grond.
Ik fietste weg voordat ze antwoord gaf.
Thuis legde ik mijn natte jas op de keukenvloer. Mijn moeder keek ernaar en zei niets. Ze zette water op.
Ik vertelde het in stukken. Eerst over het eten. Toen over Koen. Pas later over Sanne.
‘Wil je dat ik luister of meedenk?’ vroeg mijn moeder.
Ik moest bijna lachen. Ze had die vraag duidelijk ergens gelezen.
‘Luisteren.’
Ze knikte en bleef zitten.
Die avond belde mijn vader. Hij hoorde het aan mijn eerste hallo.
‘Wie moet ik slaan?’ vroeg hij.
Dat was zijn oude grap. Vroeger vond ik hem prettig. Nu niet.
‘Niemand. Ik wil dat je serieus doet.’
‘Goed,’ zei hij meteen. ‘Vertel.’
Toen ik klaar was, bleef hij even stil.
‘Ik dacht vroeger dat jij het makkelijker zou hebben,’ zei hij. ‘Met je achternaam. Met een moeder van daar.’
‘Dat had ik soms ook.’
‘Ja.’
‘En soms niet.’
Hij ademde langzaam uit.
Na het gesprek maakte ik de vergunningaanvraag af. Ik controleerde de nooduitgangen, de eindtijd en het aantal kramen. Toen stuurde ik de bestanden naar Henk.
Mijn handen trilden toen ik op verzenden drukte.
Ik was opgelucht. Ik was ook bang dat niemand me zou missen.
Die twee dingen pasten blijkbaar tegelijk in mijn hoofd.
Hoofdstuk 4
Het winkelraam
Op vrijdagmiddag ging ik naar een woonwinkel in Zutphen. Mijn moeder wilde een bureaulamp. Haar oude lamp knipperde en ze weigerde hem weg te doen voordat er een nieuwe stond.
Ik had twee modellen gefotografeerd en wachtte op haar antwoord. Bij de uitgang stonden goedkope vaasjes. Ik pakte een blauw exemplaar op en zette het terug.
‘Mag ik even in uw tas kijken?’
De man droeg een zwarte polo met de winkelnaam erop. Hij stond zo dichtbij dat ik een stap achteruit deed.
‘Waarom?’
‘Controle.’
Achter hem liep een wit stel naar buiten. De vrouw had een grote linnen tas over haar schouder.
‘Controleert u hen ook?’
Hij keek niet om.
‘Als u niets te verbergen hebt, zijn we zo klaar.’
Mijn hart sloeg hard. Ik voelde mijn telefoon in mijn hand. Mijn moeders bericht verscheen op het scherm: die groene graag.
‘Wat denkt u dat ik heb meegenomen?’
‘Ik vraag gewoon of ik in uw tas mag kijken.’
Een kassamedewerker stopte met het afrollen van cadeaupapier. Twee klanten draaiden zich om.
Ik ritste mijn tas open.
Portemonnee. Sleutels. Een doosje tampons. Een appel met een beurs plekje.
De man keek erin.
‘Prima. Bedankt voor uw medewerking.’
Hij liep weg.
Ik bleef staan met mijn tas open. Niemand zei iets. De kassamedewerker trok het papier weer strak.
De groene lamp kocht ik niet.
Buiten ging ik op een lage vensterbank zitten. Ik belde mijn moeder, maar toen ze opnam kon ik alleen zeggen dat de lamp er nog was.
‘Wat is er?’
‘Ik bel straks terug.’
Ik schaamde me. Niet omdat ik iets had gestolen. Omdat ik mijn tas had geopend. Omdat ik geen krachtige zin had gevonden. Omdat ik daar nu zat alsof ik niet wist hoe je weer opstond.
Die avond schreef ik een klacht. Eerst vier pagina’s. Toen één. Ik noteerde de tijd, de woorden van de medewerker en wat ik had gezien. Ik schreef ook dat ik niet kon weten waarom hij juist mij had gekozen, maar dat ik uitleg wilde over zijn selectie.
Mijn vader las de brief.
‘Goed,’ zei hij. ‘Zakelijk.’
‘Ik ben niet zakelijk boos.’
‘Dat hoeft de brief ook niet allemaal te dragen.’
De winkelmanager belde maandag. Ze sprak vriendelijk en snel. Er waren de laatste weken diefstallen geweest. De medewerker was extra alert. Ze vonden het vervelend dat ik het zo had ervaren.
‘Welke gedraging maakte mij verdacht?’ vroeg ik.
Ze wist het niet.
‘Wilt u dat uitzoeken?’
Ze beloofde terug te bellen.
Na het gesprek zat ik twintig minuten aan mijn bureau zonder iets te doen. Toen zocht ik online naar hulp bij discriminatie. Via Discriminatie.nl kwam ik bij een medewerker van de regionale voorziening terecht. Ze heette Farida.
Ik begon met: ‘Misschien stel ik me aan.’
Ze liet me uitpraten.
Daarna vroeg ze wat er precies was gebeurd. Niet hoe ik eruit had gezien. Niet of ik beleefd was geweest. Eerst gewoon wat er was gebeurd.
We maakten een afspraak in Deventer.
Farida legde uit wat een melding kon opleveren. Soms erkenning. Soms een gesprek. Soms weinig. Ze beloofde geen uitspraak die ze niet kon garanderen.
‘Dat u uw tas opende, betekent niet dat u het eens was met de controle,’ zei ze.
Ik keek naar mijn handen.
Dat was de zin waarvoor ik blijkbaar naar Deventer had moeten reizen.
Via haar hoorde ik over een kleine gespreksgroep. Geen therapie. Mensen die ervaringen met uitsluiting bespraken. De eerste avond zat ik dicht bij de deur.
Naast mij zat Mireille, een verpleegkundige uit Lochem. Ze was zesenveertig en had een opvallend droge lach.
Toen ik over mijn keurige klachtenbrief vertelde, knikte ze.
‘Ik heb eens een klacht herschreven omdat ik bang was dat mijn boosheid hun gelijk zou worden.’
‘Ja,’ zei ik meteen.
Het woord kwam harder uit mijn mond dan bedoeld.
Niemand schrok.
Op de terugweg haalde ik op het station een broodje. Ik zag mijn gezicht in de donkere treinruit. Moe. Mijn ogen wat opgezet.
Voor het eerst die week dacht ik niet na over wat ik in de winkel anders had moeten doen.
Ik dacht aan wat die medewerker anders had kunnen doen.
Hoofdstuk 5
Aan de keukentafel
Sanne stuurde na twee weken een bericht.
‘Kunnen we praten? Niet via app.’
Ik las het tijdens mijn lunchpauze. Mijn brood zat nog in het zakje. Ik had haar gemist op de meest gewone momenten. Bij een slechte reclame. Bij het zien van een hond die op haar oude hond leek. Bij nieuws dat te klein was om iemand speciaal voor te bellen.
‘Zaterdag. Bij mij,’ schreef ik.
Mijn moeder ging die middag naar haar zus. Ze vroeg niet of dat nodig was. Ze trok haar jas aan en zei dat er koekjes in de kast lagen.
Sanne kwam zonder bloemen. Daar was ik blij om. Ze zette haar fiets tegen de schuur en bleef even naast de keukendeur staan.
‘Koffie?’ vroeg ik.
‘Graag.’
We gingen tegenover elkaar zitten. De stoel naast mij kraakte toen ze haar tas ertegen zette.
‘Ik heb erover nagedacht,’ zei ze.
Ik wachtte.
‘Ik zei dat je niet van mij kon vragen om tussen jou en het dorp te kiezen. Dat was oneerlijk.’
‘Ja.’
Ze wreef over een los draadje aan haar mouw.
‘Ik wilde dat het ongemak stopte. En jij was degene tegen wie ik dat durfde te zeggen.’
Ik keek naar haar. Dat klopte zo precies dat ik er boos van werd.
‘Omdat ik meestal meewerk.’
‘Ja.’
De koelkast sloeg aan. Ik stond op om de melk terug te zetten, hoewel die nog gewoon op tafel kon blijven.
‘Weet je nog dat je mijn rechte haar verzorgd noemde?’ vroeg ik.
Ze fronste.
‘Op je oude kamer?’
Ik knikte.
‘Dat was niet—’
Ze stopte.
Ik bleef bij het aanrecht staan.
‘Ik wilde bijna zeggen dat ik het niet zo bedoelde,’ zei ze.
‘Dat weet ik.’
‘Maar jij hebt het onthouden.’
‘Ik heb mijn haar nog jaren daarna gestijld.’
Sanne keek naar mijn krullen. Toen weer naar mijn gezicht.
‘Het spijt me.’
Er kwam geen maar achteraan.
Ik ging weer zitten.
We praatten bijna twee uur. Niet alleen over Henk. Ook over vakanties waarop mensen dachten dat wij niet bij elkaar hoorden. Over de keer dat een jongen op een terras mijn huid “lekker buitenlands” noemde en Sanne had gelachen omdat ze dacht dat ik hem leuk vond.
Sommige dingen wist ze nog. Andere niet. Ik merkte dat ik haar geheugen wilde controleren. Alsof vergeten bewijs was dat het haar nooit iets had kunnen schelen.
Dat was niet eerlijk. Het was wel hoe ik me voelde.
‘Ik kan niet alles opnieuw nalopen,’ zei ik uiteindelijk. ‘Maar ik wil dat het vanaf nu anders gaat.’
‘Wat helpt?’
‘Zeg iets als je iets hoort. Je hoeft niet eerst naar mijn gezicht te kijken.’
Ze knikte.
‘En vraag me niet meteen of ik zeker weet dat het zo bedoeld is.’
‘Goed.’
We omhelsden elkaar bij de deur. Het voelde onwennig. Niet kapot, maar ook niet gerepareerd.
Die zondag at ik bij mijn vader in Zutphen. Hij had rijst en kip gemaakt en te veel komkommer gesneden. Zijn radio stond aan op een zender waarop hij voortdurend commentaar had.
Ik vertelde over Sanne.
‘Je moeder had vroeger ook tijd nodig,’ zei hij.
‘Daar wil ik het nu niet over hebben.’
Hij legde zijn vork neer.
‘Terecht.’
Even later vroeg ik waarom hij mij nooit beter had voorbereid.
Hij keek op.
‘Waarop?’
‘Op steeds uitleggen. Op aardig moeten blijven.’
‘Ik heb je juist geleerd dat je niet alles moest pikken.’
‘En dat ik twee keer zo goed moest zijn.’
Hij schoof zijn bord van zich af.
‘Dat dacht ik dat je zou beschermen.’
‘Ik werd er vooral bang van om fouten te maken.’
Hij antwoordde niet meteen. In de tuin stuiterde een bal tegen de schutting.
‘Ik weet niet hoe je een kind hiervoor waarschuwt zonder haar bang te maken,’ zei hij.
Het was geen excuus dat alles oploste. Wel een antwoord dat ik kon geloven.
Na het eten liet hij oude foto’s zien. Mijn oma in een keuken. Hijzelf met een snor. Ik als peuter, slapend op zijn buik.
Op die laatste foto had ik mijn mond open. Een hand vol van zijn shirt.
Ik hoefde nergens uit te leggen waarom we bij elkaar hoorden.
‘Stuur je die naar me?’ vroeg ik.
Hij pakte meteen zijn telefoon.
Hoofdstuk 6
Op het plein
De zomeravondmarkt begon op een zaterdag met dreigende regen. Ik was niet van plan te gaan. Dat vertelde ik minstens vier keer aan mijn moeder.
‘Je hoeft niet,’ zei ze de vierde keer.
Dat irriteerde me. Ik wilde blijkbaar ook niet dat thuisblijven zo eenvoudig werd.
Rond vijf uur stuurde Sanne een foto van een scheve kraam. Ze stond ernaast met een rol plakband.
‘Jouw vergunningwerk staat nog overeind. De rest twijfelachtig.’
Ik lachte.
Een uur later liep ik naar het plein.
Ik droeg een groene jurk en lage schoenen. Mijn haar zat los. Niet als verklaring. Het was nog niet droog toen ik van huis ging en vastbinden voelde vervelend.
Bij de fietsenrekken kreeg ik buikpijn. Ik zag Henk al staan, met een portofoon aan zijn broek. Ik kon nog terug. Via de bakker, langs de kerk, niemand zou het merken.
Toen zag ik Aïsha bij de limonadekraam.
Ze was vijftien en woonde twee straten bij ons vandaan. Haar vader kwam uit Marokko, haar moeder uit Apeldoorn. Ik kende haar vooral als het meisje dat altijd met een koptelefoon fietste.
Koen stond voor haar kraam.
‘Jij brengt tenminste nog wat kleur op het plein,’ hoorde ik hem zeggen.
Zijn vrienden lachten.
Aïsha trok een mondhoek op. Het was een glimlach die ik kende.
Ik liep naar de kraam.
‘Doe mij een citroenlimonade,’ zei ik.
Koen draaide zich om.
‘Kijk. Nog meer kleur.’
Ik voelde mijn schouders omhooggaan.
‘Kun je ons gewoon bij onze naam noemen?’
Hij blies lucht door zijn neus.
‘Het is een compliment.’
‘Ik vind het niet prettig.’
‘Daar gaan we weer.’
Achter hem verscheen Sanne. Ze droeg nog steeds de rol plakband.
‘Ze vraagt iets eenvoudigs, Koen,’ zei ze. ‘Doe dat gewoon.’
Hij keek van haar naar mij.
‘Gezellige boel.’
Hij liep weg. Zijn vrienden volgden. Niet demonstratief. Gewoon, omdat hun gesprek ergens anders verderging.
Mijn hand trilde toen ik mijn beker aannam.
‘Laat maar zitten,’ zei Aïsha. ‘Ik hoor dat wel vaker.’
‘Dat maakt het niet leuker.’
Ze keek kort naar me.
‘Nee.’
Ik wilde iets verstandigs zeggen. Iets wat haar op haar vijftiende meer zou geven dan ik toen had gekregen. Maar achter mij stonden klanten en zij moest muntjes tellen.
‘Als je ooit wilt praten, ik woon nog in de Wilgenstraat,’ zei ik.
‘Weet ik. Nummer achttien.’
Ze glimlachte nu anders.
Sanne en ik liepen naar een lege statafel. Ik zette mijn beker neer om niet te morsen.
‘Gaat het?’ vroeg ze.
‘Straks waarschijnlijk.’
‘Oké.’
Ze begon niet te vertellen hoe trots ze op me was. Ze kocht friet. We aten uit hetzelfde bakje, zoals vroeger.
Even later kwam Henk naar ons toe.
‘Goed dat je er bent.’
‘Dank je.’
Hij hield zijn portofoon vast hoewel er niets uit kwam.
‘Dat met die exotische hoek. Dat was een ongelukkige formulering.’
Ik keek hem aan.
‘Het ging niet alleen om die woorden. Je had besloten wat ik moest bijdragen zonder het te vragen.’
‘Ja,’ zei hij. ‘Dat begrijp ik nu beter.’
Ik wist niet of dat waar was.
‘We zoeken nog iemand voor volgend jaar.’
‘Ik niet.’
Hij knikte, zichtbaar teleurgesteld.
‘Jammer. Je had de papieren altijd goed op orde.’
Voor het eerst die avond ontspande er iets in mijn buik. Niet omdat hij sorry had gezegd. Dat had hij niet echt gedaan. Maar hij noemde eindelijk iets wat ik daadwerkelijk had gedaan.
‘Dat klopt,’ zei ik.
Hij keek even verbaasd. Toen moest hij lachen.
Later brak de regen los. Mensen trokken tafels onder de luifel. Ik hielp een krat glazen tillen. Niemand wees me een taak toe. Ik zag iets wat nodig was en deed het.
Onder het afdak stond ik naast Aïsha. Er liep water over haar schoenen.
‘Ik wil na school naar Utrecht,’ zei ze.
‘Voor een studie?’
‘Ook.’
Ik knikte. Dat ene woord was duidelijk genoeg.
‘Moet ik dan hier blijven om iets te bewijzen?’ vroeg ze.
‘Nee.’
Ze keek opgelucht.
‘Jij ook niet,’ zei ze toen.
Ik had meteen willen antwoorden dat ik dat wist.
Maar dat wist ik nog niet helemaal.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen adres
In september kreeg ik de sleutel van een bovenwoning in Zutphen. Twee kamers, een smalle keuken en uitzicht op een dak vol duiven. De huur was hoog voor wat het was. De badkamerdeur kon alleen dicht als je de wasmand verschoof.
Ik tekende toch.
Mijn moeder kon weer zonder kruk lopen. Ze werkte halve dagen en fietste kleine stukken. Ze had mij niet meer nodig voor boodschappen of de trap. Dat was fijn. Het maakte vertrekken ook moeilijker, omdat ik geen praktische reden meer kon gebruiken.
‘Ik wil een eigen plek,’ zei ik.
‘Dat snap ik.’
‘En ik wil niet in Weterbroek wonen.’
Ze keek uit het keukenraam.
‘Dat vind ik jammer.’
Ik wachtte op de rest.
‘Maar je hoeft het niet voor mij te doen,’ zei ze.
Ik knikte. Meer lukte even niet.
De winkel had inmiddels schriftelijk gereageerd op mijn klacht. Na tussenkomst van Farida waren er gesprekken gevoerd met het personeel. De manager schreef dat de controle niet op een concrete waarneming was gebaseerd en dat dit anders had gemoeten. Ze bood excuses aan.
Er stond niet dat mijn huidskleur een rol had gespeeld. De medewerker ontkende dat. Ik kon het niet bewijzen.
Een tijdlang bleef ik de brief lezen, op zoek naar de zin die ontbrak.
Toen borg ik hem op. Niet omdat alles goed was. Omdat ik niet elke avond met die man in de winkel wilde doorbrengen.
Farida vroeg of ik nog een vervolggesprek wilde. Ik zei nee. Ze zei dat ik later opnieuw contact kon opnemen.
Dat hielp. Er hoefde niet meteen een definitief oordeel over mijn herstel te komen.
Op de verhuisdag droeg mijn vader de bank met Koens neef, die voor een verhuisbedrijf werkte. Het dorp bleek ook in mijn vertrek gewoon vol losse verbindingen te zitten.
Sanne maakte mijn keukenkastjes schoon. Mijn moeder plakte viltjes onder de stoelen. Iedereen had een mening over waar mijn tafel moest staan.
‘Hier,’ zei ik, en ik wees naar het raam.
Mijn vader vond dat onpraktisch vanwege de radiator.
‘Toch hier.’
Hij zette hem neer.
Toen iedereen weg was, at ik een boterham boven de gootsteen. Ik had nog geen lamp in de woonkamer. Op de vloer stond de groene bureaulamp die mijn moeder uiteindelijk ergens anders had gekocht. Ze had hem aan mij gegeven.
Mijn telefoon trilde. Aïsha vroeg of ze mij mocht interviewen voor een schoolopdracht over opgroeien in een dorp.
‘Ja,’ schreef ik. ‘Maar ik weet niet alles.’
‘Dat hoeft ook niet,’ antwoordde ze.
We spraken een week later af in de bibliotheek. Ze had acht vragen in een schrift. Bij de derde keek ze nauwelijks nog op het papier.
‘Wanneer accepteerde je jezelf?’
Ik dacht na.
Naast ons schoof een man een stoel onder een tafel. Een printer begon te ratelen.
‘Ik denk niet dat daar één datum bij hoort,’ zei ik.
Ze wachtte.
‘Gisteren zag ik een foto waarop mijn huid veel donkerder leek dan ik had verwacht. Mijn eerste gedachte was dat er een filter overheen moest.’
‘Heb je dat gedaan?’
‘Nee. Maar de gedachte was er wel.’
Ze knikte langzaam.
Ik vertelde haar ook over fijne dingen. Over mijn vaders zussen, die allemaal tegelijk konden praten. Over zwemmen in de IJssel bij een veilige strandplek, met Sanne naast me op een handdoek. Over werk dat goed ging. Ik wilde niet dat haar opname alleen bestond uit wat anderen mij hadden aangedaan.
In oktober ging ik terug naar Weterbroek voor mijn moeders verjaardag. Henk zwaaide vanaf zijn oprit. Ik zwaaide terug. Koen zag ik bij de supermarkt. We knikten kort. Meer was niet nodig.
Na de koffie wilde mijn moeder een foto in de tuin. Mijn vader was er ook. Dat bleef soms ongemakkelijk, maar die middag ging het redelijk.
Sanne zette haar telefoon tegen een bloempot en stelde de timer in.
Ik ging aan de rand staan. Uit gewoonte.
Toen keek ik naar de ruimte naast mijn moeder.
‘Schuif eens op,’ zei ik.
Ze deed een stap naar links. Ik ging tussen haar en mijn vader staan.
De eerste foto mislukte. Mijn vader had zijn ogen dicht. Op de tweede lachte ik met mijn mond open.
Die hielden we.
Thuis in Zutphen zette ik hem op de vensterbank. Naast de groene lamp. Daarna deed ik de gordijnen dicht en kookte ik pasta.
Morgen moest ik vroeg werken. Mijn eigen sleutel lag op tafel.