Naar de inhoud
Terug naar het boek

Identiteit en zelfacceptatie

Mijn lichaam is geen project

Hoofdstuk 1

De foto

Op de foto stond ik met mijn mond open. Mijn linkerarm hing om mijn broer Daan. In mijn rechterhand hield ik een kroket. We stonden voor het stadhuis in Utrecht, waar hij een uur eerder met Joris was getrouwd.

Ik had die middag nauwelijks aan mijn lichaam gedacht.

Tot mijn moeder de foto stuurde.

‘Deze is gezellig. Jammer van die hoek. Zal ik vragen of de fotograaf je een beetje kan bijwerken?’

Ik zat nog in mijn groene jurk op de rand van mijn bed. Eén schoen lag bij de deur. De andere zat aan mijn voet. Achter mijn knie liep een streep waar mijn panty had gekneld.

Ik vergrootte de foto. Mijn buik drukte tegen de stof. Onder mijn kin zat een plooi. Mijn bovenarm was groter dan die van Daan.

Dat laatste wist ik al. Toch voelde het als nieuws.

Mijn naam is Noor van Leeuwen. Ik was zesendertig, woonde in Zuilen en werkte als activiteitenbegeleider bij buurtcentrum De Spoel. Ik kon een vastgelopen subsidieaanvraag lostrekken. Ik wist welke bezoeker geen geld had voor koffie. Ik onthield verjaardagen en leerde nieuwe vrijwilligers omgaan met het alarmsysteem.

Maar geef me een foto van mezelf en ik veranderde in iemand die toestemming vroeg om zichtbaar te zijn.

Ik typte: ‘Ja, misschien mijn buik iets minder.’

Daarna verwijderde ik de zin.

Mijn telefoon ging. Daan.

‘Heb je de foto’s gezien?’

‘Een paar.’

‘Die met de kroket is mijn favoriet.’

Ik zweeg.

‘Noor?’

‘Mama wil me laten bijwerken.’

Aan zijn kant klonk een stoel over tegels.

‘Waarom?’

‘Je weet waarom.’

‘Nee. Ik weet dat jij daarop staat. Op mijn bruiloft.’

Ik trok mijn andere schoen uit. Er zat een blaar op mijn hiel. Tijdens het feest had ik drie uur gedanst. Nu leek alleen mijn buik nog te hebben meegedaan.

‘Laat maar,’ zei ik.

‘Ik laat het niet aan de fotograaf vragen.’

‘Het is mijn lichaam.’

‘Precies.’

Dat irriteerde me. Niet omdat hij ongelijk had. Omdat hij het zei alsof die twee woorden voldoende waren.

Na het gesprek hing ik de jurk over de kastdeur. Het was de eerste jurk in jaren die ik niet had gekocht met een vest erbij. In de winkel had mijn vriendin Salma gezegd: ‘Je trekt dat vest toch alleen aan omdat je bang bent voor je armen?’

Ik had het vest teruggehangen. Bij de kassa zweette ik alsof ik iets stal.

Nu pakte ik mijn laptop. Mijn vingers kenden de route. Nieuwe methode. Blijvend resultaat. Geen dieet, maar een andere leefstijl. Ik bekeek foto’s van vrouwen die eerst ongelukkig in grijs ondergoed stonden en daarna lachend hun broek ophielden.

Van mijn negentiende tot mijn vijfendertigste had ik elf keer besloten dat mijn echte leven over drie maanden zou beginnen.

Ik had shakes gedronken in de personeelskeuken. Punten geteld tijdens een begrafenis. Een verjaardag afgezegd omdat er pizza zou zijn. Een keer had ik na het zwemmen in de kleedkamer gehuild van de honger. Daarna was ik trots geweest dat ik thuis alleen yoghurt nam.

Dat had ik nooit hardop verteld.

Op het scherm verscheen een aanbieding. Nog vier minuten korting.

Ik klikte het venster weg.

Niet uit overtuiging. Ik was moe. Mijn voeten deden pijn. Ik wilde niet opnieuw betalen om elke ochtend te horen dat ik nog niet af was.

Er kwam een bericht van mijn leidinggevende, Marieke.

‘Maandag even eerder komen? Mooi nieuw project. Jij zou het gezicht kunnen worden.’

Daaronder stond een bestand: Lekker in je lijf — wijkprogramma.

Ik opende het.

Op de eerste pagina stonden lachende mensen in sportkleding. Op de tweede stonden de woorden nulmeting, middelomtrek en persoonlijke doelen. Een plaatselijke sportschool zou de begeleiding doen. Ons buurtcentrum zou deelnemers werven.

Ik scrolde naar de begroting. Twaalfduizend euro. Genoeg om de woensdaglunch een jaar open te houden.

Toen las ik mijn naam.

‘Ervaringsdeskundige en ambassadeur: Noor van Leeuwen, onder voorbehoud.’

Mijn kamer werd stil. Buiten trok iemand een kliko over de stoep.

Ik legde de telefoon neer. Pakte hem weer op.

Aan mijn moeder schreef ik: ‘Niet laten veranderen.’

Ik drukte op verzenden voordat ik een verzachtende zin kon toevoegen.

Daarna zette ik mijn wekker vroeger. Maandag zou iemand me moeten uitleggen waar ik precies ervaring mee had.

Hoofdstuk 2

Het aanbod

Marieke had koffie gehaald bij de bakker. Dat deed ze alleen bij sollicitaties en slecht nieuws.

Naast haar zat een man in een donkerblauw sportshirt. Hij stond op toen ik binnenkwam.

‘Bram. Van Sterk Vooruit.’

Zijn hand was warm en droog. Op tafel lag het projectplan, nu afgedrukt en voorzien van gekleurde tabbladen.

‘Ga zitten,’ zei Marieke. ‘We hebben iets moois bedacht.’

Door de glazen wand zag ik Ria de stoelen voor de taalles klaarzetten. Eén stoel wiebelde. Ze schoof hem zonder aarzelen naar de hoek. Ik wilde naar haar toe. Een probleem dat je kon aanwijzen en oplossen.

Bram draaide zijn laptop naar me toe.

‘We zoeken geen perfect sportmodel. Juist een echt mens.’

Op het scherm stond een foto van mij. Ik deelde soep uit op onze wintermarkt. Iemand had een rode cirkel om mijn hoofd gezet.

‘Waar komt die vandaan?’

‘Jullie website,’ zei hij. ‘Heel toegankelijk beeld.’

Marieke knikte. ‘Mensen vertrouwen je, Noor.’

Bram legde het programma uit. Twaalf weken bewegen, gesprekken over voeding, een beginmeting en een eindmeting. Deelnemers betaalden niets. Hij sprak snel. Bij het woord gedragsverandering tikte hij op tafel.

‘En wat doe ik?’ vroeg ik.

‘Je doet mee. We volgen je verhaal. Korte filmpjes. Eerlijk over de worsteling.’

‘Welke worsteling?’

Hij keek naar Marieke.

‘Nou. Iedereen heeft dingen waar hij aan wil werken.’

‘Hebben jullie het aan de anderen gevraagd?’

‘Jij staat dicht bij de doelgroep,’ zei Marieke.

Ik keek naar mijn koffie. Op het deksel zat een druppel die langzaam naar het drinkgat gleed.

‘Omdat ik dik ben.’

‘Dat woord gebruik ik niet,’ zei Bram meteen.

‘Ik wel.’

Er viel een stilte waarin de printer in de gang begon te ratelen.

Marieke schoof haar stoel dichterbij.

‘Het gaat om gezondheid. En om kansen voor de wijk.’

‘Dat snap ik. Maar niemand heeft gevraagd of ik wil afvallen.’

‘Het hoeft niet alleen over gewicht te gaan,’ zei Bram. ‘Meer energie is ook een doel. Minder snaaien. Lekkerder in je vel.’

‘Jullie hebben mijn middelomtrek wel alvast in het plan gezet.’

Hij klapte zijn laptop half dicht.

‘Een meting is informatie. Geen oordeel.’

Voor hem misschien. Voor mij was het een koude band rond mijn buik, gevolgd door een getal dat de rest van de dag zou overnemen. Ik wist hoe ik daarna in de supermarkt stond. Hoe ik elk product omdraaide. Hoe ik eten uitstelde tot ik trilde en vervolgens boven de gootsteen alles opat wat zonder bord kon.

Ik vertelde het niet. Ik wilde niet eerst mijn pijnlijkste herinneringen tonen voordat mijn nee telde.

‘Ik ben niet jullie ambassadeur,’ zei ik.

Marieke ademde uit.

‘Denk er even over na.’

‘Dat heb ik gedaan.’

Bram stond op. Hij had een volgende afspraak. Bij de deur zei hij: ‘Verandering is soms spannend.’

Ik voelde hoe mijn gezicht heet werd.

‘Daar gaat dit niet over.’

Maar hij liep al weg.

Toen we alleen waren, trok Marieke het plan naar zich toe.

‘De woensdaglunch draait verlies,’ zei ze.

‘Dat weet ik.’

‘Met deze bijdrage kunnen we verder.’

‘Dan doen we een programma zonder mijn lichaam als reclame.’

Ze keek moe. Ik kende haar cijfers. Ik kende ook het telefoontje dat ik vorige maand had gevoerd met een vrouw die vroeg of ze de overgebleven soep mocht meenemen voor haar kinderen.

Mijn nee voelde ineens duur.

‘Ik zal met Bram overleggen,’ zei Marieke.

De rest van de ochtend verving ik wc-papier, hielp ik een bezoeker met DigiD en zocht ik een kwijtgeraakte sleutel. Gewoon werk. Toch stond mijn lichaam overal tussen.

Tijdens de lunch zat ik met een boterham in mijn hand. Ria keek op van haar kruiswoordpuzzel.

‘Ga je hem nog opeten?’

‘Ja.’

‘Je zit ernaar te kijken alsof hij je geld schuldig is.’

Ik lachte. Toen begon ik onverwacht te huilen.

Ria schoof de doos tissues naar me toe. Ze vroeg niets tot ik weer kon praten.

‘Ze willen dat ik meedoe aan dat sportproject.’

‘Wil je dat?’

‘Nee.’

‘Dan niet.’

‘Er hangt geld aan.’

Ze zette haar bril af.

‘Aan mijn pensioen ook. Toch mogen ze niet zomaar aan mijn kont zitten.’

Ik lachte opnieuw, nu met snot op mijn bovenlip.

Die avond belde ik Salma. Ze luisterde zonder me te vertellen dat ik mooi was. Dat hielp.

‘Kom zaterdag zwemmen,’ zei ze.

‘Hoe is dat een oplossing?’

‘Niet. Ik wil zwemmen. Ik wil dat jij meegaat.’

Hoofdstuk 3

Diep water

Vrijdagavond haalde ik mijn badpak uit een krat onder het bed. Het elastiek kraakte. In de voering zat nog een zandkorrel van een vakantie op Texel, vier jaar eerder.

Ik trok het aan. De bandjes sneden in mijn schouders.

Mijn eerste gedachte was dat ik kleiner moest worden.

Pas daarna dacht ik dat ik een ander badpak kon kopen.

In een sportwinkel bij Hoog Catharijne vond ik er één dat paste. Zwart, zonder rokje, zonder belofte op het kaartje dat mijn buik erin zou verdwijnen. Ik liep drie keer naar de spiegel. De verkoopster vroeg of ik een andere maat wilde.

‘Nee,’ zei ik. ‘Deze zit goed.’

Ik wachtte op haar oordeel. Ze bracht alleen de hanger naar de kassa.

Zaterdagochtend stond Salma voor zwembad De Kwakel met twee muntjes voor de kluisjes.

‘Geen koffie vooraf?’ vroeg ik.

‘Na afloop.’

‘We kunnen ook alleen koffie doen.’

Ze keek me aan. ‘Wil je naar huis?’

Ik wilde dat ze nee zei. Dat ze me vastpakte en naar binnen trok. Dan hoefde ik zelf niet te kiezen.

‘Nog niet.’

In het kleedhokje hoorde ik kinderen over de natte vloer rennen. Een moeder riep dat iemand zijn sokken moest uittrekken. Ik hing mijn jas op, vouwde mijn broek en controleerde mijn telefoon.

‘Noor?’ klonk Salma naast me.

‘Ja.’

‘Ik ben klaar.’

‘Ik bijna.’

Ik stond nog volledig aangekleed.

Uiteindelijk kleedde ik me uit. Mijn handen trilden bij de knoop van mijn broek. Dat maakte me kwaad. Ik was een volwassen vrouw. Ik kwam hier niet voor een gevaarlijke operatie. Ik kwam in water liggen.

Bij de douches keek ik naar de tegels. Er liep een litteken over mijn buik, van een operatie aan een cyste toen ik negenentwintig was. Thuis was het gewoon huid. Hier voelde het alsof iedereen kon zien wat ik allemaal niet onder controle had.

Een jongen wees mijn kant op.

‘Mam, kijk.’

Ik verstijfde.

‘Ja, de glijbaan gaat straks open,’ zei zijn moeder.

Salma deed alsof ze niets merkte. Daar was ik haar dankbaar voor.

Bij het bad gleed mijn voet weg. Ik greep de leuning. Mijn hart sloeg hard tegen mijn ribben.

‘Rustig,’ zei een badmeester. ‘Dat stuk is glad.’

Ik knikte, boos van schaamte.

Toen stapte ik het water in.

Het was kouder dan ik had verwacht. Ik zoog lucht naar binnen. Salma dook onder en kwam proestend boven.

‘Vreselijk plan,’ zei ik.

‘Dat hoor ik vaker.’

De eerste baan zwom ik met mijn hoofd hoog. Mijn nek protesteerde. Halverwege moest ik stoppen. Ik hield de rand vast en zag andere zwemmers passeren.

‘Ik heb geen conditie.’

‘Je hebt vier jaar niet gezwommen,’ zei Salma.

‘Je hoeft het niet goed te praten.’

‘Dat doe ik niet. Het is een feit.’

Ik wilde iets scherps zeggen. In plaats daarvan bleef ik staan tot mijn adem rustiger werd.

Daarna zwom ik terug.

Bij de derde baan vergat ik mijn buik. Niet voor altijd. Niet eens lang. Maar ik voelde mijn handen door het water gaan. Ik hoorde alleen mijn adem en het plonsen naast me. Bij de kant lachte ik omdat Salma haar zwembril vol water had.

Na twintig minuten gingen we eruit. Mijn knie deed pijn. Die zeurde al weken, vooral op de trap.

‘Misschien moet ik eerst afvallen voordat ik dit doe,’ zei ik bij de douches.

Salma draaide de kraan dicht.

‘Misschien moet iemand naar je knie kijken.’

In het café bestelde ik koffie en een broodje kaas. Ik had honger. Terwijl ik het broodje opensneed, keek ik automatisch naar Salma’s bord.

Zij zag het.

‘Je hoeft niet te wachten tot ik eet.’

‘Doe ik dat?’

‘Soms.’

Ik legde mijn mes neer.

‘Ik weet vaak niet of ik honger heb of dat ik vind dat het mag.’

Ze keek niet geschrokken. Ze vroeg ook niet hoeveel ik precies at.

‘Lijkt me vermoeiend.’

‘Dat is het.’

We zaten even stil. Achter haar sloeg een kind met een plastic lepel op tafel.

Op de fiets naar huis begon mijn knie harder te steken. Voor het stoplicht moest ik afstappen. Ik voelde de bekende conclusie al opkomen. Zie je wel. Alles komt hierdoor.

Maandag belde ik de huisarts. Bij de vraag waarvoor ik kwam, zei ik alleen: ‘Mijn rechterknie doet pijn.’

Niet: ‘Ik weet dat ik te zwaar ben, maar.’

Ik schreef de afspraak in mijn agenda. Daarna zette ik eronder: zaterdag zwemmen, rustig aan.

Hoofdstuk 4

Niet opnieuw

De huisarts vroeg wanneer de pijn begonnen was. Ik vertelde over de trap op mijn werk en het zwemmen. Hij bewoog mijn been, drukte langs mijn knieschijf en vroeg of ik gevallen was.

‘Niet echt. Wel uitgegleden.’

Hij ging achter zijn bureau zitten.

‘Gewicht kan natuurlijk extra belasting geven.’

Daar was het.

Ik pakte mijn tas. Niet om te vertrekken. Mijn handen zochten iets om vast te houden.

‘Wat zou u onderzoeken als ik dun was?’ vroeg ik.

Het kwam harder uit mijn mond dan ik wilde.

De huisarts keek op.

‘Hetzelfde als nu.’

‘Dan wil ik graag horen wat u gevonden heeft.’

Hij schoof zijn stoel terug naar de onderzoeksbank. Hij legde uit dat hij geen duidelijke aanwijzing zag voor ernstig letsel. Mogelijk was de knie geïrriteerd door belasting. Fysiotherapie kon helpen. We bespraken ook wanneer ik opnieuw moest bellen.

Ik ontspande niet meteen. Ik bleef wachten op een folder over afvallen.

‘U reageerde vrij sterk,’ zei hij uiteindelijk. ‘Heeft u slechte ervaringen?’

Ik keek naar een poster over tekenbeten.

‘Ik heb lang gedacht dat ik pas zorg mocht vragen als ik eerst kleiner was geworden.’

Hij zweeg even.

‘Dat hoeft niet.’

Ik knikte, maar geloof en begrip zijn niet hetzelfde. Toch vertelde ik over de diëten. Over maaltijden overslaan. Over hoe één opmerking dagen in mijn hoofd kon blijven zitten.

‘Wilt u daar hulp bij?’ vroeg hij.

Ik wilde nee zeggen. Het was niet ernstig genoeg. Anderen hadden echte problemen. Ik werkte toch gewoon? Ik betaalde mijn huur.

‘Ja,’ zei ik.

Hij noteerde een vervolgafspraak om samen te bekijken welke hulp passend was. Geen snelle oplossing. Alleen een nieuwe datum.

Buiten belde mijn moeder.

‘Ben je donderdag thuis? Ik heb nog een bak nasi.’

‘Kom maar.’

Pas toen ik ophing, zag ik hoe strak ik mijn tas had vastgehouden. De rand stond in mijn handpalm.

Donderdag zette mijn moeder de nasi op het aanrecht. Ze heette Els en was negenenzestig. Ze droeg goede schoenen en bewaarde kassabonnen in enveloppen. Als ze van iemand hield, bracht ze eten mee en begon ze daarna over hoeveel diegene ervan nam.

We aten aan mijn kleine tafel bij het raam.

‘Je broer was niet blij met me,’ zei ze.

‘Over de foto?’

‘Ik bedoelde het aardig.’

‘Dat weet ik.’

Ze glimlachte opgelucht.

‘Maar ik vond het niet aardig,’ zei ik.

Haar glimlach verdween.

‘Je vraagt zelf toch ook weleens welke foto het voordeligst is?’

‘Ja. En ik wil daarmee stoppen.’

Ze prikte in een stukje prei.

‘Je moet tegenwoordig zo oppassen met alles.’

Ik voelde de neiging om haar gerust te stellen. Om te zeggen dat ik overdreef. Dan konden we koffie drinken en bleef alles zoals het was.

‘Ik wil dat je geen opmerkingen meer maakt over mijn gewicht. Of over wat ik eet. Ook geen complimenten als ik dunner lijk.’

‘Mag ik dan niets meer zeggen?’

‘Over mijn werk. Mijn haar. Die lekkende kraan. Genoeg.’

Ze legde haar vork neer.

‘Ik ben bezorgd om je gezondheid.’

‘Ik ben naar de huisarts geweest voor mijn knie. Ik ga naar een fysiotherapeut. Dat regel ik.’

‘Je vader had ook altijd—’

‘Mam. Ik ben papa niet.’

Mijn vader was vijf jaar eerder overleden na een hartinfarct. Sindsdien kon elk gesprek over een tweede portie eindigen bij zijn ziekenhuisbed. Ik miste hem. Ik wilde hem niet steeds als waarschuwing aan tafel hebben.

Mijn moeder keek naar haar bord.

‘Ik wil jou niet ook verliezen.’

Nu werd mijn stem zachter.

‘Dat snap ik. Maar ik ben hier. En ik wil bij jou kunnen eten zonder bang te zijn voor wat je zegt.’

Ze huilde niet. Ik ook niet. We aten verder, onhandig en stil.

Bij het weggaan vroeg ze of ze de nasi moest laten staan.

‘Graag.’

Haar hand bleef even op de deksel liggen.

‘Ik zal erop letten.’

Het was geen excuus. Toch was het meer dan ik had verwacht.

Later kwam er een bericht van Ria. Een foto van een stapel folders op de balie.

Mijn gezicht stond voorop. De foto van de wintermarkt.

Daaronder: ‘Noor gaat de uitdaging aan. Doe jij mee?’

Ik belde Marieke. Geen gehoor.

Ik stuurde: ‘Deze folders mogen niet verspreid worden. Ik heb geen toestemming gegeven.’

Daarna bleef ik wakker tot het licht werd.

Hoofdstuk 5

Mijn naam

Om halfacht stond ik voor het buurtcentrum. Mijn sleutel schoot langs het slot. Ik moest hem met twee handen vasthouden.

Binnen lagen de folders precies waar Ria ze had gefotografeerd. Tweehonderd exemplaren. Ik telde ze niet, maar dat aantal stond op de doos.

‘In twaalf weken naar een nieuwe Noor.’

Die zin had ik nog niet gezien.

Ik pakte de doos en zette hem in het kantoor. Daarna controleerde ik de website. Daar stond ik ook. Naast een knop waarmee bezoekers zich konden aanmelden.

Marieke kwam om acht uur binnen, met haar fietstas nog over haar schouder.

‘Ik heb je berichten gezien.’

‘Waarom staat dit online?’

Ze liet haar tas zakken.

‘Bram heeft te vroeg doorgeschakeld met zijn vormgever. Ik dacht dat ik duidelijk had gezegd dat we nog overlegden.’

‘Wij overlegden niet. Ik had nee gezegd.’

‘Ja.’

Ze keek naar de doos.

‘Dit had niet mogen gebeuren.’

Ik had een verdediging verwacht. Nu wist ik even niet waar mijn woede heen moest.

‘Het moet weg.’

‘Ik bel hem.’

‘En de mensen die dit al gezien hebben?’

Marieke wreef over haar voorhoofd. ‘We zetten een correctie.’

Om tien uur kwam Bram. Hij had zijn laptop en dezelfde rustige glimlach mee.

‘Vervelend misverstand,’ begon hij.

We zaten met z’n drieën in het kantoor. Door de muur hoorde ik de taalgroep woorden herhalen.

‘Geen misverstand,’ zei ik. ‘Ik heb geweigerd.’

‘Bij mij kwam het over alsof je nog twijfelde.’

‘Dan heb je niet geluisterd.’

Hij keek naar Marieke, maar zij keek niet terug.

Bram opende zijn laptop. Hij zei dat de foto van onze website kwam. Dat hij dacht dat er afspraken waren over promotie. Dat de drukker al betaald was.

Ik voelde een bonzende plek boven mijn oog.

‘Dat zijn niet mijn problemen.’

Mijn stem trilde. Ik baalde daarvan. Ik wilde kalm zijn, precies, iemand die niet kon worden weggezet als gevoelig.

Onder tafel drukte ik mijn voeten tegen de vloer.

‘De foto gaat weg. Mijn naam gaat weg. En jullie schrijven dat ik niet deelneem.’

Bram zuchtte.

‘Als we nu publiekelijk afstand nemen, wordt het hele project beschadigd.’

‘Jullie hebben mij ervoor gezet zonder toestemming.’

Marieke trok haar laptop dichterbij.

‘Noor heeft gelijk. We halen de pagina nu offline.’

Ik keek naar haar handen terwijl ze klikte. Pas toen het scherm een foutmelding gaf, liet ik mijn schouders zakken.

Daarmee was het niet klaar. Bram zei dat zijn bedrijf de bijdrage moest heroverwegen als de promotieafspraken veranderden. Marieke vroeg hem dat schriftelijk te bevestigen. Haar stem klonk zakelijker dan ik haar die week had horen praten.

Na zijn vertrek bleef ik zitten.

‘Gaat de lunch nu dicht?’ vroeg ik.

‘Dat weet ik niet.’

Het eerlijke antwoord deed pijn.

Marieke schoof een lege mok opzij.

‘Maar ik had dat geld niet aan jouw deelname mogen verbinden. Ook niet tussen de regels door.’

Ik knikte. Ik kon haar niet meteen vergeven omdat ze nu de juiste woorden vond.

Die middag vroegen drie bezoekers wanneer ik op televisie kwam. Iemand maakte een grap over mijn toekomstige modellenwerk. Ria haalde de laatste folders uit het rek bij de ingang.

‘Zal ik iets zeggen?’ vroeg ze.

‘Nog niet.’

Thuis trok ik mijn gordijnen dicht. Ik wilde iets doen wat meteen effect had. Mijn hele voorraadkast leeggooien. Een afvalprogramma kopen. Bewijzen dat ik best kon veranderen, zolang ik zelf maar begon.

Ik stond al met een pak crackers in mijn hand toen Salma belde.

‘Hoe ging het?’

‘Alles is kut.’

‘Wil je gezelschap?’

Een halfuur later zat ze op mijn keukenvloer. Ik zat op een stoel. De crackers lagen op tafel.

‘Ik wil ineens weer heel graag afvallen,’ zei ik.

‘Omdat je dat wilt, of omdat je weg wilt uit vandaag?’

Ik werd kwaad. ‘Moet alles onderzocht worden?’

‘Nee. Sorry.’

Ze bleef zitten. Dat hielp meer dan haar vraag.

We bestelden eten. Ik at snel en daarna nog wat, terwijl ik eigenlijk al vol zat. Meteen begon het rekenen in mijn hoofd. Wat ik morgen moest overslaan. Hoe ver ik moest lopen.

Ik vertelde het aan Salma.

Ze schoof mijn glas water naar me toe.

‘Wat had je morgen gepland?’

‘Werken. Fysio.’

‘Doe dan dat.’

De volgende ochtend at ik ontbijt. Niet ontspannen. Wel zittend aan tafel.

Hoofdstuk 6

Zonder meting

De fysiotherapeut heette Eline. Haar praktijk zat boven een apotheek in Ondiep. In de wachtkamer stonden stoelen met smalle armleuningen. Ik koos de enige zonder en haatte dat ik dat meteen had gezien.

Eline vroeg wat ik weer wilde kunnen.

‘Traplopen zonder pijn. Zwemmen zonder dat mijn knie de volgende dag boos is.’

Ze schreef het op.

‘Goed. Daar beginnen we.’

Ik wachtte. Ze keek op.

‘Nog iets?’

‘Gaat u me wegen?’

‘Niet nodig voor wat we vandaag doen.’

Ik voelde me opgelucht en tegelijk belachelijk. Alsof ik een gevecht had voorbereid dat niet kwam.

We oefenden opstaan vanaf een bankje. Daarna een kleine kniebuiging bij de muur. Het zag er eenvoudig uit. Na acht herhalingen trilden mijn benen.

‘Dat is genoeg voor nu,’ zei ze.

‘Ik kan nog wel.’

‘Dat geloof ik. We kijken ook hoe je morgen reageert.’

Die zin bleef hangen. Mijn lichaam hoefde niet vandaag te bewijzen dat het een behandeling verdiende.

Twee weken later had ik mijn eerste gesprek met psycholoog Lotte. De huisarts had me geholpen zoeken naar iemand met ervaring in eetproblemen en lichaamsbeeld. Er was een intake geweest, een vragenlijst en gedoe met een verwijsbrief. Ik was bijna afgehaakt bij het derde telefoontje.

Lotte vroeg hoeveel tijd ik per dag kwijt was aan zorgen over eten en mijn uiterlijk.

‘Niet de hele dag,’ zei ik snel.

‘Hoeveel ongeveer?’

Ik dacht aan aankleden. Foto’s vermijden. Stoelen bekijken. Lunch vergelijken. Berichten van mijn moeder lezen op verborgen betekenissen.

‘Veel.’

We begonnen niet met een spiegel of een lijst positieve eigenschappen. We bekeken één recente ochtend. Waar ik aan dacht. Wat ik deed. Wat dat me kostte.

Ik ontdekte niets spectaculairs. Ik hoorde mezelf vooral vertellen hoeveel kleine beslissingen door angst werden genomen.

Op mijn werk was het sportproject intussen stopgezet. Bram trok zijn aanbod in. Marieke stuurde een correctie naar de nieuwsbrieflezers en sprak apart met het bestuur. Mijn foto verdween, ook van de sociale media van de sportschool.

De lunch bleef voorlopig open, maar met een kleiner budget. Ik hoorde twee vrijwilligers praten over ‘die toestand met Noor’.

Ik liep naar hen toe.

‘Ik heb nee gezegd tegen reclame met mijn lichaam. Niet tegen de lunch.’

Eén van hen werd rood. De ander zei dat ze het zo niet bedoelden.

Ik ging niet wachten tot ik hen ook nog gerust had gesteld.

In april organiseerden we een bewonersavond. Niet over mijn klacht. Over wat bezoekers werkelijk nodig hadden. Marieke vroeg of ik die wilde leiden.

‘Als medewerker,’ zei ik.

‘Als medewerker.’

Er kwamen negentien mensen. We zetten koffie en schoven de tafels tegen elkaar. Ik droeg mijn groene jurk met sportschoenen. De blaar van de bruiloft was verdwenen. De jurk paste nog hetzelfde.

Een man die Koos heette wilde stoelengym. Fatima wilde leren fietsen zonder dat haar kinderen haar uitlachten. Een jonge vrouw achterin vroeg of er iets kon voor mensen die bang waren in een sportschool.

‘Waar zit die angst?’ vroeg ik.

Ze trok aan haar mouw.

‘Dat iedereen weet dat je er niet hoort.’

Ik herkende de zin zo goed dat ik even mijn pen neerlegde.

‘Wat zou helpen?’

‘Geen foto’s. En niet meten.’

Ria schreef het op een groot vel papier.

Een andere bezoeker wilde juist afvallen. Hij keek naar mij alsof hij tegenspraak verwachtte.

‘Dat mag je willen,’ zei ik. ‘We zoeken wat we hier samen kunnen aanbieden. Zonder dat iedereen hetzelfde doel moet hebben.’

Aan het eind stonden er haalbare plannen op papier. Een rustige wandeling. Een beweeggroep zonder weegmoment. Kookmiddagen met betaalbare ingrediënten. Geen grote campagne. Marieke zou uitzoeken wat binnen het budget paste.

Toen iedereen weg was, vroeg Ria of ik tevreden was.

‘Ja. Ook bang dat het niets wordt.’

‘Dat kan allebei.’

Ik stapelde stoelen. Bij de zesde begon mijn knie te zeuren. Vroeger had ik doorgewerkt tot iemand het zag, of tot ik thuis op de bank instortte.

Nu riep ik Ria.

‘Wil jij de rest doen?’

‘Tuurlijk.’

Buiten regende het. Ik pakte mijn fiets en ontdekte dat mijn voorband leeg was.

Ik vloekte hard.

Niet één keer dacht ik dat die lekke band iets over mij als persoon zei. Bij mijn lichaam was ik nog niet zover. Maar die avond viel het verschil me op.

Hoofdstuk 7

Op de foto

In juni hing de trouwfoto van Daan en Joris aan mijn muur. Niet de geposeerde familiefoto op de trap. Die met de kroket.

Ik had hem eerst drie weken in de la gelegd. Toen in een lijst gezet, met de voorkant naar beneden. Op een zondag sloeg ik uiteindelijk een spijker in de muur.

Ik vond mezelf niet ineens prachtig.

Op sommige dagen zag ik vooral mijn buik. Op andere dagen zag ik hoe Daan naar me leunde. Soms liep ik voorbij zonder te kijken. Dat laatste vond ik prettig. Het was een foto in mijn huis geworden, geen dagelijkse toets.

Er veranderde meer, maar langzaam.

Ik had kleren weggedaan die alleen pasten als ik mijn adem inhield. Twee broeken hield ik toch achter. Achter in de kast. Ik schaamde me daarvoor toen ik het aan Lotte vertelde.

‘Je hoeft van opruimen geen nieuw examen te maken,’ zei ze.

Mijn moeder ging nog steeds soms de fout in. Toen ik in mei bij haar kwam, zei ze: ‘Dat staat je goed, je lijkt wel—’

Ze stopte.

‘Dat staat je goed,’ herhaalde ze.

Ik hing mijn jas op. We deden geen overwinningsdans. Ze vroeg of ik thee wilde.

Een andere keer begon ze over een buurvrouw die veel was afgevallen. Ik zei dat ik het gesprek niet wilde voeren. Ze zuchtte. Ik ging toch eerder naar huis. De volgende dag stuurde ze een foto van haar kapotte tuinhek met de vraag of Daan en ik konden helpen.

We bleven familie. Ook met grenzen en chagrijn.

Mijn knie ging beter. Niet altijd. Soms moest ik een oefening aanpassen of een wandeling inkorten. Eline keek dan met me naar de belasting. We hadden het over mijn werk, mijn slaap en mijn schoenen. Mijn gewicht verdween niet uit de wereld. Het was alleen niet langer het antwoord op elke vraag.

Salma en ik zwommen meestal op zaterdag. Soms sloegen we over. Eén keer omdat zij ongesteld was. Eén keer omdat ik geen mensen kon verdragen. Daar maakten we geen schuld van.

Bij De Spoel begon de beweeggroep met acht deelnemers en een ingehuurde begeleider voor zes bijeenkomsten. Ik deed niet mee. Dat vond ik eerst lastig uit te leggen, tot ik merkte dat bijna niemand uitleg vroeg.

Ik regelde de zaal. Dat was mijn werk.

De woensdaglunch kreeg een kleine wijkbijdrage en we verhoogden de prijs voor bezoekers die meer konden betalen. Niet iedereen vond dat prettig. Er waren formulieren, boze mails en een kapotte vriezer. Het buurtcentrum was niet gered door één goede avond. We werkten gewoon verder.

Eind juni gaf Daan een barbecue in zijn tuin in Amersfoort. Ik nam een salade mee en een vest omdat het ’s avonds koud zou worden. Dat verschil merkte ik op. Ik pakte het niet om mijn armen te verbergen.

Joris stond bij de barbecue met een tang in zijn hand. Mijn moeder besprak de schutting met een buurman. Daan duwde me een glas in mijn hand.

‘Hoe gaat het echt?’ vroeg hij.

‘Wisselend.’

‘Werk?’

‘Beter. Met mezelf ook. Soms.’

Hij knikte. Geen toespraak.

Later schoof ik een plastic tuinstoel naar achteren. Eén poot boog weg in het gras. Ik sprong overeind. Het gesprek naast me viel stil.

Mijn gezicht werd heet. Meteen was ik terug in de oude paniek. Iedereen had het gezien. Iedereen dacht hetzelfde.

Daan keek naar de stoel.

‘Die is stuk.’

‘Blijkbaar,’ zei ik scherp.

Hij haalde zonder commentaar een stevige stoel uit de keuken. Ik ging zitten. Mijn handen trilden nog.

Ik wilde vertrekken. In de auto kon ik huilen zonder publiek. Thuis kon ik de hele avond opnieuw afspelen.

Maar Joris vroeg of ik courgette wilde. Ik zei ja. Mijn moeder vertelde dat haar tuinhek eindelijk recht hing. Langzaam kwam ik weer aan tafel.

Het bleef een rottig moment. Het werd niet de hele avond.

Toen de zon achter de huizen zakte, pakte Daan zijn telefoon.

‘Foto?’

Ik keek naar mijn bord. Naar mijn blote armen. Mijn eerste neiging was om achter iemand te gaan staan.

‘Wacht,’ zei ik.

Ik legde mijn vork neer en schoof iets dichter bij mijn moeder.

‘Zo goed?’ vroeg Daan.

‘Ja.’

Hij maakte twee foto’s. Op de eerste knipperde ik. Op de tweede lachte ik scheef, met mijn hand nog half boven tafel.

‘Die tweede,’ zei ik.

De volgende ochtend stuurde hij hem door. Ik vergrootte het beeld één keer. Daarna weer terug.

Ik zag mensen in een tuin. Ik zat erbij.

Ik stuurde hem naar Salma en zette koffie. Mijn badpak hing nog over de douchedeur. Mijn knie voelde rustig. Ik had zin om te zwemmen.

En daarna had ik andere plannen.