Identiteit en zelfacceptatie
Mijn littekens zijn van mij
Hoofdstuk 1
Mijn littekens zijn van mij
Op maandag hing mijn gezicht twee meter hoog in de hal. Mijn littekens waren weggehaald.
Ik bleef staan tussen de draaideur en de koffieautomaat. Buiten reed een bus door de regen. Iemand achter me vroeg of ik door wilde lopen.
Op de poster stond ik met een kartonnen doos tegen mijn heup. Mijn linkerwang was glad. Mijn hals ook. Boven mijn hoofd stond: HIER MAG JE JEZELF ZIJN.
Ik heet Noor van Dalen. Ik ben tweeëndertig. Ik werk bij drukkerij Veldwerk in Utrecht. En kennelijk mocht ik daar mezelf zijn, zolang iemand eerst mijn gezicht bijwerkte.
‘Mooi geworden, hè?’ zei Bas.
Hij stond naast de receptie met zijn fietshelm nog op. Mijn leidinggevende. Een aardige man, meestal. Hij onthield verjaardagen en vergat lastige gesprekken.
‘Waar is mijn wang?’ vroeg ik.
Hij keek naar de poster. Toen naar mij.
‘Dat is gewoon nabewerking.’
‘Mijn wang, Bas.’
Hij zette zijn helm op de balie.
Drie weken eerder had ik ingestemd met personeelsfoto’s. Voor de website, had Bas gezegd. Gewone werkfoto’s. Ik achter de snijmachine. Hassan bij de pers. Petra met een stapel kleurproeven.
De fotograaf had me gevraagd mijn kin iets op te tillen. Ik had het gedaan. Daarna had hij gevraagd of mijn haar achter mijn oor kon.
Ook dat had ik gedaan.
Dat laatste had me moeite gekost. Mijn haar hing niet toevallig meestal links over mijn gezicht.
‘Ik bel het bureau,’ zei Bas. ‘Maar je moet dit niet meteen verkeerd opvatten.’
Die zin maakte iets los. Niet groot. Niet luid. Eerder een klik, zoals bij een slot.
‘Hoe moet ik het dan opvatten?’
Achter ons zoemde de draaideur. Hassan kwam binnen. Hij zag de poster, keek naar mij en stopte met het lostrekken van zijn sjaal.
‘Dat ben jij niet,’ zei hij.
Ik knikte.
Bas zuchtte. ‘Laten we even naar mijn kantoor gaan.’
‘Waarom?’
‘Omdat dit niet midden in de hal hoeft.’
‘Die poster mocht wel midden in de hal.’
Niemand zei iets. Bij de receptie ratelde een printer. Een vel schoof scheef naar buiten.
Ik liep langs Bas naar de productiehal. Mijn handen trilden. Dat was vervelend bij werk waarvoor je millimeters moest zien en messen moest instellen. Ik controleerde dezelfde maat drie keer. Daarna zette ik de machine uit.
Hassan kwam naast me staan.
‘Koffie?’
‘Als je niet vraagt of het gaat.’
‘Dan vraag ik of je die vieze automatenkoffie wilt.’
‘Graag.’
We zaten op twee pallets achter het magazijn. De roldeur stond een handbreedte open. Er kwam koude lucht langs onze schoenen.
‘Wil je dat ik hem eraf haal?’ vroeg hij.
‘Die poster?’
‘Nee, je hoofd. Natuurlijk die poster.’
Ik lachte. Kort, maar echt.
‘Nog niet. Bas mag eerst zelf bewegen.’
Mijn telefoon trilde. Een bericht van mijn moeder.
Wat een prachtige foto op Facebook! Je ziet er weer helemaal uit als vroeger. Kus.
Daaronder stond een hartje.
Ik legde mijn telefoon omgekeerd op mijn knie.
Vroeger betekende bij ons thuis: voor de brand. Voor mijn negentiende. Voor de huidtransplantaties. Voor mensen tijdens gesprekken naar mijn hals gingen kijken en daarna overdreven snel mijn ogen zochten.
Vroeger was een meisje met gladde wangen. Ze droeg goedkope zilveren oorbellen en dacht dat haar leven vanzelf groter zou worden.
Ik miste haar soms. Dat mocht van mezelf. Maar ik was niet van plan de rest van mijn leven haar slechte vervanger te blijven.
‘Hij staat ook online,’ zei ik.
Hassan vloekte zacht.
Ik opende Facebook. Er waren drieënveertig likes. Mijn moeder had gereageerd met drie hartjes. De tekst ging over kansen, talent en een werkplek waar iedereen welkom was.
Ik tikte een bericht aan Bas.
Haal de foto vandaag offline. En haal de poster weg. Ik heb geen toestemming gegeven om mijn littekens te verwijderen.
Mijn duim bleef boven verzenden hangen.
Ik kende de volgende stap al. Hij zou zeggen dat ik gelijk had. Daarna zou hij uitleggen waarom niemand iets verkeerd had bedoeld. Uiteindelijk zou ik hem geruststellen.
Dat deed ik vaak. Mensen geruststellen over wat hun blik met mij deed.
Ik drukte op verzenden.
Toen zette ik mijn koffie op de grond, tussen mijn werkschoenen, en wachtte tot mijn handen weer stil waren.
Hoofdstuk 2
De geur van vet
Die avond belde mijn moeder drie keer. Ik nam pas op toen ik thuis was, in mijn flat in Zuilen. Mijn jas lag nog op de keukentafel.
‘Heb ik iets verkeerd gezegd?’ vroeg ze.
Geen hallo. Dat deden we vaker als er iets scheef zat.
‘Je zei dat ik er weer uitzag als vroeger.’
‘Omdat het een mooie foto is.’
‘Ze hebben mijn littekens weggehaald.’
Aan de andere kant hoorde ik bestek. Ze was waarschijnlijk bezig de vaatwasser uit te ruimen. Mijn moeder stond zelden stil tijdens een moeilijk gesprek.
‘Dat had ik niet gezien.’
‘Je zag juist dat ze weg waren.’
Het bestek stopte.
Ik ging zitten. Mijn linkerhals trok. Na een werkdag deed die huid dat vaker, vooral als ik gespannen was. Ik pakte de tube ongeparfumeerde crème uit de keukenla.
‘Ik bedoelde het lief, Noor.’
‘Dat weet ik. Maar het was niet lief om te lezen.’
Ze zei niets. Ik hoorde mezelf ademen en vond mijn stem ineens te hard klinken.
Dat gebeurde ook vaak. Eerst zei ik wat me dwarszat. Daarna begon ik mijn eigen toon te controleren.
De brand was dertien jaar geleden geweest, boven het eetcafé van mijn ouders in Amersfoort. Het café heette De Overkant. Mijn vader had de naam bedacht omdat het tegenover een parkeerplaats lag. Hij vond zichzelf daar grappig om.
Die avond hielp ik afwassen. Ik was negentien en boos omdat mijn vriendinnen naar Tivoli gingen zonder mij. Mijn broertje Sam zat boven aan een schoolopdracht. Hij was veertien.
Ik herinner me geen keurige reeks gebeurtenissen.
Ik herinner me een metalen schaal die op de vloer viel. Mijn vader die riep dat ik naar buiten moest. Rook in het trappenhuis. De hitte tegen de linkerkant van mijn gezicht.
En vet. De geur bleef jarenlang aan alles kleven, ook wanneer er niets brandde.
Ik was de trap op gegaan omdat Sam boven zat. Verder kwam ik niet. Mijn vader trok me terug. Sam kwam via het platte dak bij de buren terecht. Een buurman hielp hem naar beneden.
Later schreven mensen dat ik mijn broertje had gered.
Ik had alleen zijn naam geroepen.
Mijn vader brak bij zijn val op de onderste traptreden zijn pols. Het café ging verloren. Mijn moeder hield een map bij met verzekeringsbrieven. Ik kreeg operaties, verbandwissels en oefeningen die pijn deden.
Het was makkelijker geworden om te zeggen dat we geluk hadden gehad. Niemand was dood. Dat klopte. Het betekende alleen niet dat alles goed was.
‘Noor?’ zei mijn moeder.
‘Ik ben er.’
‘Ik mis soms gewoon hoe het was.’
Ik keek naar mijn hand. Op de rug zat een grillig vlak huid dat van mijn bovenbeen kwam. Aan de rand groeiden een paar haartjes die ik geregeld wegknipte.
‘Ik ook,’ zei ik. ‘Maar ik zit hier nog.’
Ze haalde hoorbaar adem.
‘Dat weet ik toch.’
‘Soms voelt het alsof jullie steeds naar iemand zoeken die achter mijn gezicht verdwenen is.’
‘Dat doen we niet.’
Het antwoord kwam te snel.
Ik smeerde mijn hals in. Kleine bewegingen. Niet omdat dat een bijzonder ritueel was. Omdat de huid anders vervelend bleef trekken.
‘Ik wil je zaterdag zien,’ zei ze uiteindelijk. ‘Zonder foto’s. Gewoon eten.’
‘Geen fondue.’
Ze lachte onzeker. Ik meende het half.
Na het gesprek kreeg ik een mail van Bas. De foto was offline. De poster zou morgenochtend worden verwijderd. Het reclamebureau had volgens hem een standaardbewerking toegepast.
Onderaan stond: Kunnen we morgen even bespreken hoe we dit positief afronden?
Ik staarde naar dat woord. Positief.
Toen belde ik Inez.
Ik kende haar van een lotgenotenmiddag in het brandwondencentrum. Ze woonde in Nieuwegein, reed motor en had weinig geduld met zinnen die begonnen met gelukkig.
Ik vertelde over de poster.
‘Wil je advies of wil je schelden?’ vroeg ze.
‘Eerst schelden.’
Dat deden we.
Daarna zei ze: ‘Morgen hoef je niet aardig genoeg te zijn om hun fout minder ongemakkelijk te maken.’
Ik schreef die zin op de achterkant van een energierekening.
Voor ik ging slapen, legde ik hem naast mijn sleutels.
Niet omdat ik hem al geloofde.
Omdat ik hem anders weer zou vergeten.
Hoofdstuk 3
Aan tafel
Bas had water klaargezet. Twee glazen, een karaf en een doos tissues. Die tissues maakten me meteen kwaad.
Ik had Petra gevraagd mee te gaan. Ze werkte op de administratie en zat in de ondernemingsraad. Onderweg naar zijn kantoor had ze alleen gezegd: ‘Jij praat. Ik schrijf.’
De poster lag opgerold tegen een kast.
Bas volgde mijn blik.
‘Hij is weg.’
‘Dat zie ik.’
‘En ik wil beginnen met excuses. Dit had niet mogen gebeuren.’
Ik ontspande een beetje. Niet veel.
Toen draaide hij zijn laptop naar ons toe.
Op het scherm stond dezelfde foto, nu met mijn littekens. Daarnaast een nieuwe tekst: ECHTE MENSEN. ECHTE VERHALEN.
‘We hebben met het bureau gekeken hoe we dit beter kunnen doen,’ zei hij. ‘Misschien kun jij vertellen wat werken hier voor je betekent. Over doorzetten. Jouw kracht.’
Petra hield haar pen stil.
Ik keek naar mijn gezicht op het scherm. Gisteren was ik te beschadigd voor de campagne. Vandaag moest die beschadiging de campagne dragen.
‘Nee,’ zei ik.
Bas knipperde.
‘Nee tegen de tekst?’
‘Tegen dit hele voorstel.’
‘We willen je juist laten zien zoals je bent.’
‘Je wilt iets over mijn brand vertellen. Dat is niet hetzelfde.’
Hij schoof zijn stoel naar achteren.
‘Ik probeer het op te lossen, Noor.’
‘Dan moet je eerst vragen wat ik wil.’
Petra schreef iets op. Het krassen van haar pen gaf me tijd om mijn adem terug te vinden.
‘Wat wil je?’ vroeg Bas.
Ik pakte mijn eigen briefje. Er stond meer op dan de zin van Inez. Ik had tot na middernacht zitten schrijven.
‘Geen foto van mij in deze campagne. Geen verhaal over mijn medische geschiedenis. Het bureau moet de bewerkte versie verwijderen. En ik wil voortaan weten waar een personeelsfoto terechtkomt voordat hij wordt geplaatst.’
Bas knikte langzaam.
‘Dat laatste is misschien iets wat we voor iedereen moeten regelen,’ zei Petra.
‘Ja,’ zei ik. ‘Graag.’
Er viel een stilte die dit keer niet van mij was om op te vullen.
Bas sloot zijn laptop.
‘Ik dacht oprecht dat je blij zou zijn met meer zichtbaarheid.’
‘Ik wil best zichtbaar zijn. Ik wil niet steeds iets moeten bewijzen met mijn gezicht.’
Dat klonk duidelijker dan het in mijn hoofd was. Daar liep alles door elkaar. Schaamte. Woede. De angst dat ik mezelf lastig maakte. En ook een klein, vervelend verlangen om die gladde foto nog eens te bekijken.
Want ik had hem opgeslagen.
Dat vertelde ik niet.
Na het gesprek ging ik naar het toilet. Ik deed de deur op slot en opende de foto op mijn telefoon.
Daar was ze weer. Een mogelijke Noor. Iemand die niet werd aangekeken in de trein. Iemand aan wie een winkelmedewerker niet vroeg of ze een ongeluk had gehad terwijl ze alleen sokken wilde afrekenen.
Ik vergrootte mijn wang met twee vingers.
Toen werd er op de buitendeur geklopt.
‘Noor? Ik ben het.’
Petra.
‘Ik kom zo.’
‘Geen haast. Ik wilde alleen zeggen dat je duidelijk was.’
Ik vergrendelde mijn telefoon.
‘Dank je.’
Die middag moest ik trouwkaarten snijden. Crèmekleurig papier, donkergroene letters. Een bestelling van zeshonderd stuks. Ik vond een fout in de afloop en belde de klant voordat de hele stapel verkeerd uit de machine kwam.
Hij bedankte me. Alleen daarvoor. Niet voor mijn moed of openheid.
Het was het prettigste gesprek van de dag.
Om kwart over vier kwam Bas de hal in. Hij vroeg Hassan iets over een levering en liep daarna naar mij.
‘Het bureau bevestigt straks de verwijdering,’ zei hij. ‘En ik had je meteen moeten vragen wat je nodig had.’
‘Ja.’
Hij wachtte even. Ik gaf hem geen extra zin.
Daarna knikte hij en liep weg.
Onderweg naar huis kocht ik brood bij de bakker aan de Amsterdamsestraatweg. Het meisje achter de toonbank vroeg wat er met mijn gezicht was gebeurd.
Ik voelde de bekende vermoeidheid.
‘Dat vertel ik liever niet,’ zei ik.
Ze werd rood.
‘Sorry. Een heel volkoren?’
‘Ja. Gesneden.’
Meer hoefde er niet te gebeuren. Toch stond ik buiten een paar seconden stil, met het warme brood tegen mijn jas.
Hoofdstuk 4
De verkeerde held
Zaterdag rook het bij mijn ouders naar prei en aardappels. Mijn moeder had de tafel gedekt met het servies dat alleen op tafel kwam als ze hoopte dat iedereen zich zou gedragen.
Sam zat al in de keuken. Hij was achtentwintig, timmerman, en had een pleister om zijn duim die duidelijk zijn beste tijd had gehad.
‘Hé, beroemde zus,’ zei hij.
Ik bleef in de deuropening staan.
Hij keek op.
‘Mam vertelde van die poster.’
‘Dan weet je ook dat ik niet beroemd wil zijn.’
‘Het was een grap.’
‘Een slechte.’
‘Ook dat komt voor.’
Hij schoof een stoel naar achteren. Ik ging zitten. Mijn vader zette een glas water voor me neer. Zijn linkerpols stond nog steeds een beetje scheef.
We praatten eerst over veilige dingen. Sams bus moest naar de garage. De buurvrouw had een nieuwe hond. Mijn vader had ruzie met de televisie omdat er weer een afstandsbediening bij was gekomen.
Bij het eten begon mijn moeder over vroeger.
‘Er zat laatst iemand uit de oude straat in de supermarkt. Ze vroeg naar je. Ze weet nog dat jij voor Sam naar boven ging.’
Ik legde mijn vork neer.
‘Ik ben niet boven gekomen.’
‘Dat weet ik. Maar je probeerde het wel.’
‘Ja.’
‘Dat blijft toch bijzonder.’
Sam keek naar zijn bord.
Ik zag het. Misschien had hij altijd zo gekeken en had ik het niet willen zien.
‘Wat?’ vroeg ik.
‘Niks.’
‘Sam.’
Hij duwde met zijn vork een stuk prei opzij.
‘Kunnen we een keer eten zonder dat verhaal?’
Mijn moeder ging rechter zitten.
‘Ik bedoel er niets mee.’
‘Maar ik zit er wel iedere keer in,’ zei hij. ‘Als het kleine broertje dat gered moest worden.’
‘Je was veertien,’ zei mijn vader.
‘Dat weet ik. Ik ben nu achtentwintig.’
Ik voelde warmte onder mijn oren. Niet door mijn huid.
‘Denk je dat ik dat verhaal vertel?’ vroeg ik.
‘Jij spreekt het nooit tegen.’
‘Ik lag toen in het ziekenhuis.’
‘Ik heb het niet over toen.’
Niemand at nog.
Mijn eerste neiging was om mijn mouw op te schuiven. Om te laten zien wat die avond mij had gekost. Alsof we daarmee konden bepalen wie recht had op zijn versie.
Ik hield mijn handen onder tafel.
‘Wat wil je dat ik zeg?’ vroeg ik.
Sam keek me aan.
‘Dat ik bang was. Dat ik zelf dat raam opendeed. Dat buurman Arie een ladder haalde. Dat ik daarna twee uur niet wist waar jij was.’
Zijn stem werd dunner bij die laatste zin.
‘Jullie vertelden steeds dat alles goed kwam. Maar niemand vertelde mij wat er aan de hand was.’
Mijn vader wreef met zijn duim over de rand van zijn glas.
‘Dat hebben we verkeerd gedaan,’ zei hij.
Mijn moeder keek naar hem. Ze leek iets te willen zeggen, maar deed het niet.
Ik had Sam destijds nauwelijks vragen gesteld. Hij kwam op bezoek, maakte een grap en at de koekjes die voor mij waren meegenomen. Ik dacht dat dat betekende dat hij in orde was.
‘Ik wist niet dat je dat zo had meegemaakt,’ zei ik.
‘Je hebt het nooit gevraagd.’
Daar had hij gelijk in. Dat maakte hem nog niet aardig op dat moment. Wel eerlijk.
Na het eten liepen we naar het Eemplein. Mijn ouders bleven achter met de afwas en een stilte waar ik niet bij wilde zijn.
Bij het water schopte Sam tegen een steentje.
‘Ik ben niet boos dat je die trap op ging.’
‘Je klonk wel boos.’
‘Ik ben boos dat we sindsdien allemaal een vaste rol hebben.’
‘En die van mij is de held?’
‘Soms. Soms het zielige meisje. Hangt ervan af wie het vertelt.’
Ik trok mijn sjaal los. De lucht was koud tegen mijn hals.
‘Ik vind die rollen allebei waardeloos.’
‘Ik ook.’
We liepen een stuk zonder te praten.
Toen vertelde hij over de nacht na de brand. Over de logeerkamer bij onze tante. Over zijn schoenen die nog boven stonden. Over hoe hij dacht dat ik misschien doodging omdat volwassenen hun zinnen afbraken als hij binnenkwam.
Ik luisterde. Zonder mijn eigen herinneringen ertussen te zetten.
Bij de brug pakte hij mijn mouw vast.
‘Ik ben blij dat je er bent,’ zei hij.
‘Ik ook van jou.’
‘Dat slaat nergens op.’
‘Je begrijpt me best.’
Hij liet mijn mouw los. We liepen terug voor koffie.
Hoofdstuk 5
Zonder goed verhaal
Een week later ging ik met Inez zwemmen in Nieuwegein. Niet omdat ik een mijlpaal nodig had. Omdat mijn schouders vastzaten en zij vond dat ik te veel op de bank zat.
In het kleedhokje veranderde ik bijna van gedachten.
Mijn badpak lag op het bankje. Zwart, degelijk en duurder dan een stuk stof van dat formaat hoorde te zijn. In de spiegel zag ik mijn hals, mijn schouder en de littekens over mijn linkerarm. Op mijn bovenbeen zaten lichtere vlakken waar huid was weggehaald.
‘Leef je nog?’ riep Inez vanaf de andere kant.
‘Helaas.’
‘Dan opschieten. Ik heb betaald.’
Ik trok het badpak aan. Daarna mijn handdoek eromheen. In die volgorde kon ik het aan.
Bij het bad rook het scherp naar chloor. Kinderen renden langs de douches. Een badmeester floot. Alles klonk hard tegen de tegels.
Inez stond al bij het trapje. Haar rechterbeen was tot boven haar knie getekend door brandwonden. Ze droeg een blauw badpak met een los stiksel bij haar heup.
Ze had me ooit verteld dat ze op sommige dagen naar haar been kon kijken zonder iets te voelen. Op andere dagen wilde ze geen broek kopen omdat passen te veel was.
Dat was precies waarom ik haar vertrouwde.
Ik hing mijn handdoek op.
Een jongetje keek naar mijn arm. Hij trok aan de hand van zijn moeder.
‘Wat heeft die mevrouw?’
Zijn moeder trok hem verder. ‘Niet kijken.’
Ik haatte die woorden bijna meer dan de vraag.
‘Ik heb littekens,’ zei ik.
Het jongetje bleef staan.
‘Doen die pijn?’
‘Soms. Nu niet.’
Hij knikte en vroeg zijn moeder of ze naar het diepe mochten.
Ik stapte het water in.
De eerste banen waren zwaar. Ik was buiten adem en boos op mijn conditie. Inez zwom rustig naast me. Bij de rand zei ze dat ik geen wedstrijd hoefde te winnen.
‘Ik probeer vooral niet dood te gaan.’
‘Goed doel.’
Na een halfuur zaten we in het ondiepe bad. Het warme water drukte tegen mijn schouders.
Ik vertelde haar over de foto die nog op mijn telefoon stond.
Niet de echte. De gladde.
Ik keek naar het water terwijl ik het zei.
‘Ik vind haar mooi,’ zei ik. ‘En dan voel ik me een bedrieger omdat ik zo kwaad was.’
Inez trok haar zwembril van haar hoofd.
‘Je was kwaad omdat iemand anders besloot wat er van jou weg moest.’
‘Maar soms wil ik het zelf ook weg.’
‘Ja.’
Ze zei het zonder schrik. Dat hielp meer dan een uitleg.
‘Ik denk soms nog aan een operatie,’ zei ze. ‘En gisteren vond ik mijn been prima. Allebei waar.’
We zwegen. Aan de andere kant van het bad viel een kind met veel lawaai van een drijfmat.
‘Ik dacht dat zelfacceptatie betekende dat dit ophield,’ zei ik.
‘Dan zou ik mijn diploma allang kwijt zijn.’
Na het zwemmen dronken we koffie in het kleine zitgedeelte. Mijn natte haar plakte achter mijn oren. Ik liet het zitten.
Inez vroeg of ik nog met Mara had afgesproken.
Mara was een vriendin van een vriendin. Fotograaf. We hadden een paar keer koffie gedronken en één keer gezoend, voor mijn portiek, terwijl een buurman zijn oud papier langs ons heen droeg.
Daarna had ik het druk gekregen.
Niet echt. Ik had alleen gemerkt dat ik haar graag weer wilde zien. Dat maakte alles ingewikkelder.
‘Ze heeft gisteren geappt,’ zei ik.
‘En?’
‘Ik heb nog niet geantwoord.’
Inez keek naar me boven haar koffiebeker.
‘Je hoeft niet eerst klaar te zijn met jezelf om iemand binnen te laten.’
‘Dat klinkt verdacht veel als een spreuk.’
‘Zet het op een tegeltje en gooi het naar me.’
Ik pakte mijn telefoon en stuurde Mara een bericht.
Zin om donderdag bij mij te eten? Ik kook iets dat waarschijnlijk lukt.
Haar antwoord kwam terwijl we onze jassen aantrokken.
Ja. Ik neem brood mee voor als het niet lukt.
Ik glimlachte en stopte mijn telefoon weg.
Buiten regende het. Mijn haar werd opnieuw nat. Ik had geen zin om het over mijn wang te trekken en deed het daarom niet.
Hoofdstuk 6
Een stap terug
Donderdag brandde de knoflook aan.
Het was weinig. Een dun laagje olie, een te hete pan en mijn aandacht bij de deurbel. Toch was de geur genoeg.
Ik zette het vuur uit. Daarna bleef ik staan met de spatel in mijn hand.
De keuken werd klein.
Ik wist dat ik in Utrecht was. Ik zag mijn gele theedoek. Ik hoorde opnieuw de deurbel. Maar mijn hart sloeg alsof ik moest rennen en ik kreeg geen volledige ademhaling naar binnen.
Er werd geklopt.
‘Noor? Ik ben het.’
Ik liep naar de deur. Mijn benen voelden vreemd. Mara stond op de galerij met brood en een fles sap.
‘Er is niets,’ zei ik meteen.
Ze keek langs me naar de keuken.
‘Staat er iets op?’
‘Het vuur is uit.’
‘Oké.’
Ze zette haar tas neer.
Ik begon te huilen. Dat maakte me nog bozer dan de paniek.
‘Verdomme.’
‘Zal ik weggaan?’ vroeg ze.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Zal ik blijven zonder iets te doen?’
Ik knikte.
Ze ging op de grond zitten, naast het schoenenrek. Niet tegen me aan. Ik zakte op het onderste treetje van mijn kleine trapje naar de woonkamer.
Een paar minuten hoorden we alleen de afzuigkap.
Ik duwde mijn voeten in mijn schoenen en keek naar de veter die loshing. Naar de kras op de plint. Naar Mara’s groene sokken.
Langzaam werd de gang weer gewoon een gang.
‘Ik dacht dat dit minder werd,’ zei ik.
‘Gebeurt het vaak?’
‘Niet zo. Soms alleen die schrik. Of ik moet ergens weg.’
‘Dat lijkt me uitputtend.’
Ik knikte. Ze probeerde het niet kleiner te maken. Daar was ik dankbaar voor, al kon ik dat nog niet zeggen.
We bestelden pizza. Mara zette de koude pan in de gootsteen en vroeg voordat ze het raam opendeed of ik dat goed vond. Dat was bijna irritant zorgvuldig. Die avond had ik het nodig.
Tijdens het eten vertelde ik over de brand. Niet alles. Genoeg om niet steeds om woorden heen te hoeven lopen.
Ze vertelde over haar vader, die na een beroerte boos was geworden op iedereen die hem hielp.
‘Ik vergelijk het niet,’ zei ze snel.
‘Dat hoeft ook niet. Je mag gewoon iets vertellen.’
Later zaten we op de bank. Haar knie tegen de mijne. Ze streek met haar vingers langs mijn pols en stopte bij de rand van een litteken.
‘Mag dit?’
‘Ja. Alleen niet zo zacht. Dat kriebelt vervelend.’
Ze legde haar hand steviger neer.
Dat was alles. Geen toespraak over hoe mooi ik was. Geen bewijs dat ik ondanks alles aangeraakt kon worden. Gewoon een hand die prettiger lag nadat ik iets had gezegd.
De volgende ochtend belde ik mijn huisarts. Ik was jaren geleden gestopt met gesprekken omdat het beter ging. Nu wilde ik opnieuw hulp bij de schrikreacties en het vermijden.
De assistente had over negen dagen plek.
Negen dagen was niet meteen. Maar het was een afspraak.
Op het werk maakte ik die middag een fout. Ik sneed tachtig omslagen twee millimeter te kort. Bas kwam erbij staan terwijl ik naar de stapel keek.
‘Ik bestel nieuw papier,’ zei hij.
‘Ik heb de maat verkeerd ingevoerd.’
‘Dat zie ik.’
Hij keek naar mijn gezicht.
‘Heeft het met die hele situatie te maken?’
Ik was moe. Ik had slecht geslapen. Het had waarschijnlijk met van alles te maken.
‘Misschien. Maar ik kan ook gewoon een fout maken.’
Hij knikte.
‘Goed. Nieuwe controle voordat je opnieuw begint.’
Geen voorzichtige omweg. Geen uitzonderingspositie. Ik voelde opluchting en schaamte tegelijk.
Aan het eind van de dag lag er een nieuwe afspraak over personeelsfoto’s in mijn mailbox. Duidelijke toestemming. Vooraf inzage. Een manier om bezwaar te maken. Petra had eraan meegeschreven.
Bas vroeg of ik nog iets wilde aanpassen.
Ik las het zorgvuldig en veranderde twee zinnen.
Thuis verwijderde ik de gladde foto niet. Ik zette hem in een map die niet automatisch in mijn herinneringen verscheen.
Dat was wat ik die dag kon.
Daarna stuurde ik Mara een bericht om te vragen of ze zondag mee wilde wandelen. Zonder eten vooraf. Ze stuurde terug dat ze haar groene sokken zou aantrekken.
Hoofdstuk 7
Op mijn voorwaarden
Zes weken na de poster stond ik opnieuw in de hal van Veldwerk. Dit keer met een stapel bezoekerspassen.
We hadden een open middag voor klanten en mensen die misschien bij ons wilden werken. Bas had gevraagd of ik de snijmachine wilde demonstreren.
‘Geen persoonlijk verhaal,’ had hij erbij gezegd.
‘Dat hangt ervan af. Ik heb veel te vertellen over verkeerd aangeleverde bestanden.’
Hij had gelachen. Ik ook.
Er hing een nieuwe poster naast de receptie. Hassan bij de pers. Petra achter haar bureau. Ik met een meetlat boven een vel papier. Drie losse foto’s. Namen en functies eronder. Geen tekst over helden of kansen.
Mara had de foto’s gemaakt. Bas had haar ingehuurd nadat ik haar naam had genoemd, en zij had met iedereen apart besproken wat wel en niet goed voelde.
Toen ze mij fotografeerde, had ik mijn haar eerst los gedragen.
Daarna had ik het vastgedaan omdat het in mijn werk hing.
Ze had van beide foto’s een proef gestuurd. Ik koos de tweede. Niet omdat die moediger was. Mijn handen stonden er beter op.
Mijn moeder kwam met mijn vader en Sam. Ze waren te vroeg. Natuurlijk.
Mijn vader wilde meteen weten hoeveel de grootste pers kostte. Sam bekeek de constructie van een tafel. Mijn moeder bleef bij de poster staan.
Ik wachtte.
‘Je kijkt precies zoals wanneer je iets aan het controleren bent,’ zei ze.
‘Omdat ik iets aan het controleren was.’
Ze glimlachte.
‘Goede foto.’
‘Dank je.’
Meer zei ze niet. Ik hoefde haar niet te helpen.
Om twee uur leidde ik de eerste groep naar de snijmachine. Acht mensen. Een man met een leren map, twee jonge vrouwen, een oudere klant die ik alleen van zijn stem kende en nog een paar anderen.
Ik legde uit hoe het papier werd vastgeklemd. Waarom je vezelrichting moest controleren. Waarom een kleine afwijking in een grote oplage duur werd.
De man met de map keek steeds naar mijn hals.
Ik zag het. Natuurlijk zag ik het.
Vroeger had ik mijn verhaal alvast verteld. Dan hoefde hij niet meer te raden en kon ik hopen dat hij daarna luisterde.
Nu wees ik naar de lichtlijn op het papier.
‘Hier komt de snede.’
Hij stak zijn hand op.
‘Mag ik iets persoonlijks vragen?’
Mijn maag trok samen.
Achter de groep stond Sam. Hij zei niets.
‘Vandaag liever vragen over het werk,’ zei ik.
‘O. Natuurlijk.’
Een van de jonge vrouwen vroeg hoeveel opleiding je nodig had om de machine te bedienen. Ik vertelde hoe ik zelf was begonnen, met inpakken en eindeloos tellen. Hoe ik pas later merkte dat ik goed was in maten, volgorde en het vinden van fouten.
Dat was ook een verhaal over mij.
Na de rondleiding liep ik even naar buiten. Mijn huid voelde warm. Ik was moe van het praten en van het opletten. Zelf mijn grenzen aangeven kostte nog steeds energie.
Sam kwam naast me staan met twee bekertjes water.
‘Je praat anders hier,’ zei hij.
‘Baasachtig?’
‘Een beetje.’
‘Mooi.’
Hij gaf me een beker.
‘Je weet veel.’
‘Dat probeer ik al jaren duidelijk te maken.’
We dronken. Aan de overkant parkeerde iemand half op de stoep.
Ik was inmiddels bij de huisarts geweest. Er volgde een verwijzing en een wachttijd. In de tussentijd sprak ik met de praktijkondersteuner. Dat loste mijn schrik niet op. Het hielp wel om er niet pas over te praten als ik weer op de vloer van mijn gang zat.
Met mijn moeder ging het voorzichtig beter. Sam en ik hadden nog één stevige ruzie gehad. Daarna waren we gaan lunchen. Mara bleef soms slapen. Soms wilde ik liever alleen zijn en zei ik dat.
Er was niets afgerond.
Aan het eind van de middag fietste ik naar huis. Mijn sjaal zat in mijn tas. Bij een stoplicht zag ik mijn gezicht in het raam van een geparkeerde bestelbus.
De getrokken huid langs mijn kaak. Het lichte vlak onder mijn oor. Mijn vermoeide ogen.
Ik vond mezelf niet ineens prachtig.
Ik dacht ook niet aan de gladde foto.
Het licht werd groen. Ik reed door naar de bakker, kocht een brood en belde Mara om te vragen wat ze wilde eten.
Mijn littekens gingen mee. Ze hadden verzorging nodig. Soms aandacht. Soms uitleg, als ik die wilde geven.
Maar mijn naam was Noor. Ik had morgen een vroege dienst. En vanavond had ik honger.