Mantelzorg en ouder worden
Mijn man herkent me soms niet
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
De sleutel
Om kwart over drie ’s nachts stond mijn man met een schroevendraaier voor onze slaapkamerdeur.
‘Waar is de sleutel?’ vroeg hij.
Ik ging rechtop zitten. Het ganglicht viel over zijn blote benen. Hij droeg zijn winterjas over zijn pyjama.
‘Welke sleutel, Henk?’
‘Van mijn huis. En doe niet alsof je van niks weet.’
Ik heet Marja van Dijk. Ik was zeventig toen dit gebeurde. Henk was drieënzeventig. We woonden al negenentwintig jaar in hetzelfde rijtjeshuis in Amersfoort, vlak bij winkelcentrum Emiclaer. Hij had zelf de slaapkamerdeur afgehangen. Toch dacht hij die nacht dat hij opgesloten zat bij een vreemde vrouw.
‘Je bent thuis,’ zei ik.
Hij zette een stap naar voren.
‘Waar is mijn vrouw?’
Ik wees naar mezelf. Het was een dom gebaar. Alsof hij alleen even beter moest kijken.
‘Ik ben Marja.’
‘Nee. Jij bent ouder.’
Die woorden kwamen harder aan dan de schroevendraaier, die hij gelukkig slap langs zijn been hield. In zijn hoofd was ik kennelijk nog de vrouw met de korte zwarte krullen. Niet deze vrouw met grijs haar, een nachtbeugel en een afgedragen hemd.
Ik schoof uit bed. Langzaam. Mijn rechterknie deed pijn.
‘Je zoekt Marja. Dat begrijp ik. Zullen we beneden kijken?’
Dat werkte. Niet omdat hij me geloofde. Hij wilde zoeken.
In de keuken deed ik alleen het lampje boven het aanrecht aan. Ik pakte twee mokken. De zijne was blauw, met een afgebroken stukje bij het oor. Onze dochter had al drie keer aangeboden een nieuwe te kopen.
‘Wil je thee?’
‘Ik wil naar huis.’
‘Eerst even zitten. Je hebt geen schoenen aan.’
Hij keek naar zijn voeten, alsof iemand ze had verwisseld.
De schroevendraaier legde hij naast de broodtrommel. Ik schoof hem weg toen ik de waterkoker pakte. Mijn hand trilde zo dat het deksel rammelde.
Een jaar eerder waren we naar de geheugenpoli van Meander Medisch Centrum geweest. Na gesprekken, testen en onderzoek had de arts verteld dat Henk waarschijnlijk de ziekte van Alzheimer had. Ik had gevraagd hoelang hij nog thuis kon blijven. Henk had gevraagd of hij nog mocht rijden.
Over nachten met een schroevendraaier hadden we het niet gehad.
Er waren wel signalen geweest. Hij had de buren beschuldigd van het stelen van zijn tuinslang. Hij was verdwaald tussen de bakker en onze straat. Soms vroeg hij wanneer zijn moeder kwam eten. Zij was al achttien jaar dood.
Maar mij had hij altijd gekend.
Tot die nacht.
Aan de keukentafel keek hij naar de klok.
‘Ik moet om zes uur beginnen.’
Henk had veertig jaar als onderhoudsmonteur gewerkt. Hij was al elf jaar met pensioen.
‘Vandaag hoeft dat niet,’ zei ik.
‘Dat bepaal jij niet.’
Ik slikte mijn antwoord in. Vroeger zouden we hierover ruzie hebben gemaakt. Dan had hij gebromd en ik met een kastdeur geslagen. Nu moest ik bij elke zin bedenken wat die in zijn hoofd kon aanrichten.
Hij dronk een slok thee. Daarna nog één.
‘Jij lijkt op haar,’ zei hij.
Ik keek naar het tafelblad. Er zat een donkere brandplek in van een pan die hij daar ooit had neergezet. We hadden er toen hard om gelachen. Hij had een placemat over de schade geschoven en gezegd dat niemand iets zou merken.
‘Dat hoor ik vaker,’ antwoordde ik.
Om vijf uur sliep hij in zijn stoel. Ik bleef tegenover hem zitten, met mijn telefoon in mijn hand. Onze dochter Sanne woonde in Leusden. Vijftien minuten rijden. Toch belde ik niet. Ze had kinderen. Ze moest werken. Ik vond dat ik dit zelf moest kunnen.
Om halfacht werd Henk wakker.
‘Waarom zitten we hier, Mar?’
Hij zei mijn naam alsof er niets gebeurd was.
Ik begon te huilen. Niet netjes. Mijn neus liep en ik kreeg nauwelijks lucht.
Henk schoof de suikerpot naar me toe.
‘Je moet eens wat beter slapen,’ zei hij.
Die ochtend belde ik de huisarts. Toen de assistente vroeg waarvoor ik een afspraak wilde, zei ik eerst: ‘Voor mijn man.’
Daarna keek ik naar de schroevendraaier boven op de koelkast.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ook voor mij.’
Hoofdstuk 2
Een stoel erbij
Huisarts De Bruin kwam die middag langs. Henk deed zelf open.
‘Kom binnen. Met mij is niks aan de hand, hoor. Mijn vrouw maakt zich druk.’
Hij lachte erbij. Zijn gewone lach. Ik zag aan het gezicht van de huisarts hoe gemakkelijk je je kon vergissen als je Henk maar tien minuten sprak.
We gingen in de woonkamer zitten. Ik vertelde over de nacht. Henk keek eerst verveeld, daarna kwaad.
‘Een schroevendraaier? Wat moet ik daarmee in bed?’
‘Je stond in de gang.’
‘Dat verzin je.’
De huisarts stak zijn hand op.
‘Henk, ik hoor dat u het niet zo hebt meegemaakt. Ik wil ook horen wat het met Marja deed.’
Dat was de eerste keer dat iemand die twee dingen naast elkaar liet bestaan. Zijn overtuiging. Mijn angst.
De huisarts stelde vragen. Had Henk pijn? Koorts? Problemen met plassen? Was er iets veranderd aan zijn medicijnen? Hij onderzocht hem en wilde uitsluiten dat er iets lichamelijks meespeelde. Niet elke plotselinge verandering kwam automatisch door de dementie, zei hij.
Er werd geen duidelijke bijkomende oorzaak gevonden. Wel bleef de huisarts betrokken. Hij regelde contact met een casemanager dementie.
Een week later stond Fatima voor de deur. Ze had natte fietshandschoenen en een map die niet dicht wilde. Geen opgewekte stem. Geen overdreven medelijden.
‘Waar kan ik zitten?’ vroeg ze.
Ik pakte een stoel van de eettafel.
Henk bekeek haar wantrouwig.
‘Kom jij controleren of ik weg moet?’
‘Nee. Ik kom kijken wat jullie nodig hebben.’
‘Ik heb mijn vrouw.’
Fatima keek naar mij.
Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Dat gaat prima.’
Ze liet een stilte vallen. Ik trok een draadje uit mijn mouw.
‘Behalve ’s nachts,’ voegde ik eraan toe.
En toen kwam alles. Dat ik mijn douchebeurten uitstelde omdat hij anders naar buiten liep. Dat hij de gaspit had aangezet zonder pan. Dat ik zijn medicijnen klaarlegde en daarna controleerde of hij ze werkelijk innam. Dat ik steeds luisterde. Naar voetstappen. Naar de voordeur. Naar water dat te lang liep.
Henk stond op.
‘Ik ga hier niet zitten luisteren naar dat gezeur.’
Hij ging naar de tuin. Door het raam zag ik hem gevallen bladeren uit een lege plantenbak halen.
‘Ik praat over hem alsof hij er niet is,’ zei ik.
‘Daar kunnen we rekening mee houden,’ zei Fatima. ‘Maar jij moet wel kunnen vertellen wat er gebeurt.’
Ze vroeg hoeveel uur ik sliep.
‘Vijf, denk ik.’
‘Achter elkaar?’
Ik schudde mijn hoofd.
Samen maakten we een lijst. Geen lijst voor later. Voor die week. Sanne zou een middag komen. De huisarts zou mijn knie bekijken. Fatima ging uitzoeken welke dagopvang paste en hoe die geregeld kon worden. We bespraken een melding bij de voordeur, zodat ik hoorde wanneer Henk naar buiten ging. Geen extra slot waar hij bij brand niet uit kon.
‘En als hij mij niet herkent?’ vroeg ik.
‘Dan hoef je hem niet te overtuigen. Je kunt je naam rustig zeggen. Afstand houden als hij bang wordt. Kijken wat hij nodig heeft.’
‘Dus doen alsof het normaal is?’
‘Nee. Voorkomen dat jullie allebei nog banger worden.’
Die zaterdag kwam Sanne. Ze zette een tas boodschappen neer en keek naar de stapel ongeopende post.
‘Waarom heb je niks gezegd, mam?’
‘Ik heb toch verteld dat hij achteruitgaat?’
‘Dat is iets anders dan dat jij niet meer slaapt.’
Ik werd kwaad. Zij kwam binnen met haar schone jas en haar vrije handen. Ze wist niet hoe vaak ik hetzelfde antwoord gaf voordat het ontbijt voorbij was.
‘Je had ook kunnen vragen,’ zei ik.
Ze trok haar jas weer half aan. Even dacht ik dat ze wegging. Toen liet ze hem op de grond vallen.
‘Goed. Dan vraag ik het nu. Wat kan ik dinsdag doen?’
We keken elkaar aan.
‘Van twee tot vijf hier zijn,’ zei ik. ‘Niet bellen als hij naar me vraagt. Alleen als het echt nodig is.’
Dinsdag liep ik alleen naar het park Schothorst. Bij de eerste bank ging ik zitten. Ik had een boek meegenomen, maar kreeg geen bladzijde uit.
Na twintig minuten belde ik Sanne.
‘Alles goed?’
‘Ja. We schillen aardappels.’
Op de achtergrond hoorde ik Henk zeggen dat zij de verkeerde pan had.
Ik stopte mijn telefoon in mijn tas.
Daarna bleef ik nog tien minuten zitten.
Hoofdstuk 3
De lege gang
De voordeurmelder lag nog in de doos toen Henk verdween.
Dat detail heb ik maanden tegen mezelf gebruikt. Fatima had hem geregeld. Sanne had aangeboden te helpen. Ik had gezegd dat ik eerst de gebruiksaanwijzing wilde lezen.
Die donderdag stond ik onder de douche. Voor het eerst in dagen waste ik ook mijn haar. Henk zat beneden met een boterham en de krant. Ik had gezegd dat ik zo terug was.
Toen ik de kraan dichtdraaide, hoorde ik niets.
Geen radio. Geen geritsel.
Ik riep zijn naam.
In de keuken lag de boterham op de grond. De voordeur stond op een kier. Zijn grijze jas was weg. Zijn telefoon lag naast de fruitmand.
Het was kwart over negen. Buiten viel dunne regen.
Ik trok een broek aan over mijn nog natte benen. Mijn haar drupte in mijn kraag. Eerst liep ik naar de bakker. Daarna naar de supermarkt. Ik liet bij de kassa een foto zien.
‘Heeft u deze man gezien?’
De jongen achter de kassa schudde zijn hoofd. Ik liep verder voordat hij iets kon vragen.
Bij de bushalte keek ik in beide richtingen. Elke grijze jas leek op die van Henk. Mijn knie begon te steken.
Ik belde Sanne.
‘Pap is weg.’
‘Hoelang?’
‘Ik weet het niet. Twintig minuten. Misschien veertig.’
‘Bel de politie. Ik kom.’
Ik wilde zeggen dat het overdreven was. Dat hij vast ergens koffie dronk. Toen dacht ik aan het water achter het winkelcentrum en aan de drukke kruising bij de Rondweg.
Ik belde 112 en vertelde dat mijn man dementie had en vermist was. De medewerker stelde korte vragen. Wat droeg hij? Hoe liep hij? Waar ging hij vroeger graag naartoe?
Bij die laatste vraag wist ik ineens iets.
‘Hij denkt soms dat hij moet werken. Het bedrijf zat vroeger op De Hoef.’
Ik gaf het oude adres. Het pand was jaren geleden verbouwd. Henk wist dat niet meer.
Een agent kwam naar huis. Hij vroeg om een recente foto. Op mijn telefoon stonden vooral afbeeldingen van medicijndoosjes, afsprakenbrieven en het kapotte scharnier van een keukenkast.
De laatste duidelijke foto van Henk was van zijn verjaardag. Hij zat achter een slagroomtaart met een kartonnen kroon op. Onze kleinzoon had die gemaakt.
‘Deze is goed,’ zei de agent.
Ik schaamde me voor die kroon. Alsof de foto niet liet zien wie Henk was. Een man die complete machines uit elkaar kon halen en zonder aarzelen weer opbouwde.
Sanne kwam binnen en pakte mijn koude handen vast.
‘Trek droge sokken aan.’
‘Ik moet zoeken.’
‘De politie zoekt. Jij blijft bereikbaar.’
Ik haatte het dat ze gelijk had.
Om tien over elf ging mijn telefoon. Een buschauffeur had Henk aangesproken bij station Amersfoort Schothorst. Hij was verward en kon niet vertellen waar hij woonde. De politie was bij hem.
Toen ik hem zag, zat hij in een wachtruimte met een kartonnen beker water. Zijn broek was nat bij de knieën. Hij keek boos op.
‘Daar ben je eindelijk.’
Ik wilde hem omhelzen en door elkaar schudden.
‘Waar ging je heen?’ vroeg ik.
‘Ze hebben de hele dienstregeling veranderd.’
De agent vertelde dat Henk een paar keer dezelfde vraag had gesteld. Hij leek niet gewond. We moesten wel contact opnemen met de huisarts als we ons zorgen maakten over zijn toestand.
In de auto zei Henk: ‘Maak je vanavond macaroni?’
Sanne zat achter het stuur. Ik keek uit het raam.
‘Ja,’ zei ik.
Thuis hielp ik hem uit zijn natte jas. Pas toen zag ik dat hij zijn oude werkschoenen droeg. Hij had ze kennelijk onder uit de berging gehaald.
Die middag installeerde Sanne de melder. We maakten nieuwe foto’s. Fatima hielp ons afspraken vastleggen voor als hij opnieuw vermist raakte. We bespraken een kaartje met contactgegevens en een locatiehulpmiddel. Wat Henk daarvan begreep en wilde, namen we serieus. Het zou geen garantie zijn, zei ze.
Toen iedereen weg was, zat ik naast hem op de bank.
‘Je mag niet zomaar vertrekken,’ zei ik.
Hij keek verschrikt.
‘Ben je boos op me?’
‘Ik was bang.’
Hij legde zijn hand op mijn knie. Precies op de pijnlijke plek.
Ik liet hem liggen.
Hoofdstuk 4
Een vrije dinsdag
Bij de dagopvang bleef Henk in het busje zitten.
‘Ik ben geen kleuter,’ zei hij.
De chauffeur keek naar mij. Ik stond op de stoep met een tas waarin een schone broek, een overhemd en een lijst met telefoonnummers zaten. Op de tas had ik met zwarte stift Henks naam geschreven. Dat voelde verkeerd. Alsof ik hem afleverde op schoolreis.
Begeleider Jeroen kwam naar buiten. Hij hurkte niet. Hij praatte niet harder dan nodig.
‘Henk? Ik hoorde dat jij verstand hebt van gereedschap.’
‘Hangt ervan af.’
‘We hebben een werkbank. Misschien wil je even kijken.’
Henk keek naar mij.
‘Ga jij mee?’
‘Tot binnen.’
In de hal rook het naar koffie en natte jassen. Er zaten zes mensen aan een lange tafel. Een vrouw vouwde servetten. Twee mannen bespraken een voetbalwedstrijd die volgens hen gisteren was gespeeld.
Jeroen liet de werkbank zien. Er lagen houten onderdelen en grote schroeven. Geen draaiende machines. Henk pakte meteen een winkelhaak.
‘Dit ligt hier helemaal verkeerd,’ zei hij.
‘Laat maar zien,’ antwoordde Jeroen.
Ik bleef staan tot Henk opkeek.
‘Moest jij niet boodschappen doen?’
Buiten begon ik te huilen. In de auto. Met mijn jas nog dicht en mijn tas op schoot. Ik had drie uur voor mezelf en wist niet wat ik ermee moest.
Ik reed naar huis. Zette een was aan. Sorteerde de medicijnen. Belde de apotheek. Om kwart voor twaalf besefte ik dat mijn vrije ochtend bijna voorbij was.
De volgende dinsdag deed ik het anders. Ik sprak af met Els, een oud-collega. We hadden samen jarenlang in een schoolkantine gewerkt. Zij bestelde koffie en een tosti. Ik zei dat ik geen honger had.
‘Dan eet je de helft van mij,’ zei ze.
Ze vroeg naar Henk. Ik vertelde over de werkbank.
Daarna vroeg ze: ‘En hoe is het met jou?’
Ik wilde automatisch antwoorden. Het ging wel. Het moest wel. Maar Els wachtte.
‘Ik mis hem terwijl hij naast me zit,’ zei ik.
Ze schoof haar bord tussen ons in.
‘Wat mis je het meest?’
Daar moest ik over nadenken.
‘Dat iemand iets van me overneemt zonder dat ik het vraag.’
Henk had vroeger op vrijdag de bedden verschoond. Niet omdat hij het zo leuk vond. Omdat ik dan werkte. Hij wist wanneer de auto gekeurd moest worden. Hij maakte ruzie met energiebedrijven. Hij zag wanneer ik hoofdpijn had.
Nu vroeg hij twintig keer waar zijn bril lag, terwijl ik met een migraineaanval op de bank zat.
Ik hield van hem. Ik was ook vaak razend.
Die middag kwam hij opgewekt thuis. Hij had soep gemaakt, vertelde hij. Volgens het schriftje van de begeleiding had hij groenten gesneden en geholpen met de tafel.
‘Lekker gewerkt?’ vroeg ik.
‘Ja. Maar ze betalen slecht.’
We lachten allebei. Even hoefde ik niet te zoeken naar een veilig antwoord.
Twee dagen later plaste hij naast het toilet. Ik vond hem in de badkamer, bezig met een handdoek.
‘Laat maar,’ zei ik te scherp.
‘Ik ruim het toch op?’
Hij had zijn handen nat. Er lag urine op zijn sloffen. Ik was die ochtend al wakker sinds vier uur.
‘Ga nou gewoon opzij, Henk.’
Hij bleef staan.
Toen pakte ik zijn arm. Harder dan nodig. Ik trok hem bij de deur vandaan.
Hij zei niets. Hij keek alleen naar mijn hand.
Ik liet meteen los.
‘Sorry.’
Het woord was veel te klein voor hoe ik me voelde.
Ik gaf hem droge kleren en zette hem in de slaapkamer. Daarna belde ik Fatima vanaf de overloop.
‘Ik heb hem hard vastgepakt.’
Mijn stem klonk vlak. Ik was bang dat ze hem diezelfde dag zou laten ophalen.
Ze vroeg eerst of Henk pijn had of letsel. Daarna of de situatie nu veilig was. Ze bleef rustig, maar maakte het niet kleiner.
‘Dit is een grens, Marja. We moeten vandaag iets veranderen.’
Sanne kwam die avond. Fatima hielp extra ondersteuning en tijdelijke ontlasting regelen. Niet alles kon meteen. Er waren telefoontjes nodig, aanvragen en overleg.
Die nacht sliep Sanne in de logeerkamer. Ik sliep zes uur achter elkaar.
De volgende ochtend zag ik Henk een boterham smeren. Hij floot zacht.
Ik keek naar zijn arm. Geen blauwe plek.
Dat stelde me gerust. Het maakte niet ongedaan wat er was gebeurd.
Hoofdstuk 5
De duw
In november dacht Henk steeds vaker dat ik de huishoudelijke hulp was.
‘Mijn vrouw betaalt je toch?’ vroeg hij toen ik zijn schone ondergoed neerlegde.
‘Ik help je met aankleden,’ zei ik.
‘Dat vroeg ik niet.’
Soms kon ik erom lachen. Soms ging ik naar de berging en telde ik tot twintig. Niet omdat dat een wondermiddel was. Omdat de deur dicht kon en ik daar even geen gezicht hoefde te trekken.
Er kwam inmiddels thuiszorg voor de ochtendzorg. Henk liet verpleegkundige Anouk meestal wel toe. Ze vertelde wat ze ging doen en gaf hem tijd. Bij mij verzette hij zich vaker.
‘Jij bent mijn baas niet.’
Daar had hij gelijk in. Alleen moest iemand zorgen dat hij niet dagenlang in dezelfde kleren liep.
Op een vrijdag sloeg het weer om. Het regende hard. De tuin stond vol water. Henk wilde naar zijn moeder.
Ik had geleerd niet telkens te zeggen dat zij dood was. Soms hielp het om te vragen wat hij bij haar wilde doen.
‘Ze zit alleen,’ zei hij.
‘Je maakt je zorgen om haar.’
‘Natuurlijk. En jij houdt me tegen.’
Hij trok aan de voordeur. Ik stond in de hal, te dichtbij. Dat wist ik achteraf heel precies.
‘Henk, buiten is het donker. Doe eerst je jas aan.’
‘Ga weg.’
Ik pakte zijn mouw.
Hij duwde me.
Niet met een vuist. Niet met een aanloop. Eén harde beweging met beide handen. Mijn heup raakte het kastje naast de kapstok. De schaal met sleutels viel op de tegels.
We schrokken allebei.
Henk keek naar de scherven.
‘Wat heb jij nou gedaan?’
Ik ging achteruit. Mijn hart bonsde. De telefoon lag in mijn vestzak. Ik liep naar de keuken en liet ruimte tussen ons.
‘Ik bel iemand die ons helpt,’ zei ik.
Hij bleef bij de deur staan. Uiteindelijk ging hij op de onderste traptrede zitten.
Ik belde Sanne. Zij was dichtbij en kwam direct. Omdat Henk nu rustig zat en er geen direct gevaar meer was, belde ik daarna de huisartsenpost. Als hij opnieuw op me afkwam, zou ik niet blijven onderhandelen. Dat had Fatima eerder heel duidelijk met me besproken.
De arts die later kwam, onderzocht Henk en vroeg naar pijn, ontlasting, slapen en medicijnen. Ze sprak ook apart met mij.
‘Voelt u zich veilig vannacht?’
Ik keek naar de keukendeur.
Mijn eerste antwoord was ja. Het zat al klaar.
‘Nee,’ zei ik.
Sanne bleef. Zij zat beneden terwijl ik boven lag. Ik hoorde hen praten. Henk vroeg wie er in zijn bed sliep.
‘Mam,’ zei Sanne.
‘Mijn moeder?’
‘Marja. Je vrouw.’
‘Dat is mijn vrouw niet.’
Ik trok het dekbed tot mijn kin en voelde mijn heup kloppen.
Na het weekend zaten we met Fatima aan tafel. Zij noemde tijdelijk verblijf en de mogelijkheid van een woonplek met zorg. Er zouden beoordelingen en aanvragen nodig zijn. Een passende plek was niet op bestelling beschikbaar.
‘Ik heb hem beloofd dat hij nooit naar een verpleeghuis hoefde,’ zei ik.
Sanne sloeg haar armen over elkaar.
‘Wanneer?’
‘Toen zijn vader werd opgenomen.’
‘Mam. Toen was jij drieënveertig.’
‘Een belofte blijft een belofte.’
‘Ook als jij eraan onderdoor gaat?’
Ik stond op om koffie te zetten. Niemand wilde koffie. Ik zette toch het apparaat aan.
Fatima kwam naast me staan.
‘Wat wilde je hem toen eigenlijk beloven?’
Ik keek naar het waterreservoir.
‘Dat ik hem niet zou laten zitten.’
‘Dat kan ook betekenen dat je zorgt dat meer mensen hem helpen.’
Ik vond het een te gemakkelijk antwoord. Ik zei dat ook.
‘Dat snap ik,’ zei ze. ‘Het maakt de beslissing niet minder pijnlijk.’
Die middag ging ik alleen naar een woonzorglocatie in Amersfoort. Ik had niet tegen Henk gezegd waarheen. Dat voelde als bedrog.
Een verzorgende liet me een huiskamer zien. Er werd aardappelpuree opgeschept. Een man vroeg drie keer om zout. Een vrouw zat te slapen bij het raam. Op tafel lag een krant van die ochtend.
Geen ramp. Geen oplossing voor alles. Gewoon een plek waar andere mensen de middag ook droegen.
Bij de uitgang schreef ik mijn naam op een formulier.
Mijn hand trilde weer. Deze keer legde ik de pen niet neer.
Hoofdstuk 6
Zijn eigen stoel
Henk verhuisde op een woensdag in februari.
Er waren maanden van gesprekken aan voorafgegaan. Een beoordeling voor langdurige zorg. Formulieren die ik samen met Fatima invulde. Een periode van tijdelijk verblijf, zodat ik kon herstellen en er beter gekeken kon worden naar wat Henk nodig had. Daarna kwam er een passende plek vrij.
Ook zijn verzet en zijn vermogen om over de verhuizing te beslissen werden zorgvuldig besproken. Ik kon niet simpelweg een handtekening zetten en hem afleveren. Gelukkig maar. Toch voelde iedere stap voor mij alsof ik achter zijn rug om handelde.
Op de verhuisdag vroor het. Sanne krabde de autoruiten terwijl ik Henks groene vest zocht.
‘Waar gaan we heen?’ vroeg hij.
‘Naar de plek waar je gaat wonen. Waar ze je kunnen helpen, ook ’s nachts.’
Hij keek naar mijn koffer naast de voordeur.
‘Ga jij ook?’
Het was zijn koffer. Een oude blauwe, van onze vakanties naar Zeeland.
‘Ik breng je. En ik kom op bezoek.’
Hij zei niets meer.
Dat zwijgen was erger dan protest.
Zijn kamer keek uit op een binnentuin. Er stond een hoog-laagbed en een kast. Onze zoon Erik had de dag ervoor Henks eigen stoel gebracht. Erik woonde in Groningen en was minder vaak in beeld dan Sanne. Daar had ik hem verwijten over gemaakt. Hij had teruggezegd dat ik nooit concreet iets vroeg.
Nu had hij vrij genomen. Hij hing de foto van ons gezin op, recht tegenover de stoel.
‘Zo, pap. Kijk eens.’
Henk wees naar de jongste jongen op de foto.
‘Die ken ik.’
‘Dat is Daan,’ zei Erik. ‘Mijn zoon.’
‘Nee. Dat ben jij.’
Erik slikte. Ik zag het. Tot dan toe had hij vooral mijn verhalen gehoord.
Verzorgende Lotte kwam binnen. Ze vroeg Henk of hij koffie wilde. Ze wist al dat hij geen suiker gebruikte en zijn boterhammen graag schuin doorsneed. Ik had die dingen opgeschreven in een schrift.
Ook de lastige dingen stonden erin. Dat hij bang werd als iemand onverwacht achter hem stond. Dat hij bij onrust soms over zijn werk begon. Dat hij niet van harde muziek hield. Dat je hem beter één vraag tegelijk kon stellen.
Om twaalf uur gingen we naar de huiskamer. Er was erwtensoep.
‘Blijf je eten?’ vroeg Henk.
Ik keek naar Lotte. Zij keek terug, zonder voor mij te beslissen.
‘Vandaag wel,’ zei ik.
Na het eten moest ik weg. Sanne wachtte bij de lift. Erik had mijn jas vast.
‘Ik ga nu naar huis,’ zei ik.
Henk stond op.
‘Dan ga ik mee.’
Mijn mond werd droog.
‘Jij blijft hier slapen.’
‘Waarom?’
Ik had het al zo vaak uitgelegd. Dat hielp hem nu niet.
‘Omdat je hier hulp krijgt. Ik kan het thuis niet meer goed genoeg doen.’
‘Ik vraag toch niks?’
Dat was het. Voor hem vroeg hij niets. Hij leefde gewoon zijn dag. Ik was degene die er uren, nachten en afspraken omheen bouwde.
Lotte kwam naast hem staan.
‘Henk, wil je me laten zien welke stoel van jou is?’
Hij keek van haar naar mij.
Ik kuste zijn wang.
‘Tot morgen.’
Bij de lift hoorde ik hem mijn naam roepen.
Ik draaide me om. Sanne hield me niet tegen. Ze pakte alleen mijn hand.
Lotte was bij hem. Hij stond niet alleen in de gang.
Ik bleef nog even staan. Toen stapte ik in de lift.
Thuis deed ik de voordeur open en wachtte op de melder. Die hadden we uitgezet.
In de keuken stond één mok op het aanrecht. Mijn mok. Ik pakte de blauwe van Henk uit de kast en zette hem ernaast. Daarna werd ik boos op mezelf en zette hem terug.
Om halfacht belde ik de afdeling. Henk had weinig gegeten. Hij was onrustig geweest. Nu zat hij bij een medewerker televisie te kijken. Ze vertelden het eerlijk. Geen verhaal dat alles uitstekend ging.
Die nacht sliep ik nauwelijks. Niet omdat iemand me wakker maakte. Omdat niemand me wakker maakte.
De volgende ochtend ging ik om tien uur naar hem toe.
‘Daar ben je,’ zei hij.
Ik hing mijn jas op.
‘Ja. Daar ben ik.’
Hoofdstuk 7
Naast hem
De eerste weken bezocht ik Henk elke dag. Soms twee keer.
Ik controleerde zijn was. Ik keek of zijn nagels schoon waren. Ik voelde aan zijn voeten omdat hij vroeger nooit toegaf dat hij het koud had. Als ik een vlek op zijn trui zag, dacht ik meteen dat er niet goed voor hem werd gezorgd.
Een keer trof ik hem aan in een overhemd van een andere bewoner. Ik werd fel tegen Lotte.
‘Zijn naam staat overal in.’
‘Dit is niet goed gegaan,’ zei ze. ‘Ik zoek het uit.’
Ik had gerekend op een verdediging. Toen die uitbleef, voelde ik hoe moe ik nog was.
Later spraken we over de zorg. Over wat goed ging en wat niet. Henk at beter als iemand rustig bij hem bleef zitten. Douchen vond hij lastig. Wandelen hielp vaak tegen onrust, maar niet altijd. Er kwamen vaste afspraken. Ik leerde wie ik kon bellen en wanneer een gesprek handiger was dan vijf losse opmerkingen in de gang.
Ik bleef zijn vrouw. Alleen hoefde ik niet meer elk uur zijn zorg te regelen.
Dat verschil begreep ik langzaam.
In april ging ik weer op donderdag zwemmen. Het zwembad rook nog hetzelfde als vroeger. Chloor en koffie uit de automaat. Mijn badpak zat strak om mijn buik.
Bij het trapje vroeg Els: ‘Durf je?’
‘Het is water, Els. Geen ravijn.’
Ze lachte. Ik hoorde mezelf ook lachen.
Na tien minuten was ik buiten adem. Mijn knie voelde lichter in het water. Ik bleef nog vijf minuten.
Er kwamen meer kleine dingen terug. Ik ging naar de tandarts zonder eerst opvang te regelen. Ik kocht vis, terwijl Henk altijd liever gehakt at. Ik sliep soms tot zeven uur.
En er bleef verdriet. Op zondagavond vooral. Dan zat ik alleen aan tafel en hoorde ik de buren hun bezoek uitlaten. Ik miste het geluid van Henks sleutel. Zijn commentaar op de televisie. Zelfs zijn gewoonte om lege verpakkingen terug in de kast te zetten.
Op een middag herkende hij me helemaal niet.
Ik kwam zijn kamer binnen met schone zakdoeken. Hij zat bij het raam.
‘Goedemiddag,’ zei hij beleefd.
‘Dag Henk. Ik ben Marja.’
‘Komt u voor de kast?’
Ik keek naar de kastdeur. Die stond open.
‘Nee. Ik kom bij jou zitten.’
‘Mijn vrouw komt straks.’
Ik voelde het bekende scherpe punt onder mijn ribben.
‘Je wacht op haar.’
Hij knikte.
‘Ze is naar haar werk.’
Ik zette mijn tas neer. In zijn hoofd stond ik misschien achter de toonbank van de schoolkantine. Met sterke armen en zonder bril. Ik hoefde die jongere versie van mezelf niet weg te jagen.
‘Zullen we ondertussen een stukje lopen?’ vroeg ik.
Hij keek naar mijn schoenen.
‘Kunt u een beetje doorlopen?’
‘Als jij niet zo jaagt.’
We gingen naar de binnentuin. Er stond een bak met kruiden. Henk kneep een blaadje munt tussen zijn vingers en rook eraan.
‘Thee,’ zei hij.
‘Ja.’
Op het bankje pakte hij mijn hand. Ik wachtte op mijn naam. Die kwam niet.
Zijn hand bleef wel liggen.
Later die week hadden we een familiebespreking. De arts vertelde dat de ziekte verder zou gaan. Er zouden nieuwe keuzes komen. Over eten, lopen, medische behandelingen. We bespraken wat Henk vroeger belangrijk had gevonden en wat hem nu rust gaf.
Ik kwam niet opgewekt uit dat gesprek. Wel minder alleen. Er stonden namen en telefoonnummers op papier. Een volgende afspraak stond vast.
Sanne vroeg die avond of ik spijt had van de verhuizing.
‘Ik heb verdriet,’ zei ik. ‘Dat is niet hetzelfde.’
Afgelopen dinsdag nam ik twee krentenbollen mee. Henk zat in zijn eigen stoel. Zijn vest zat scheef dicht.
‘Hé, Mar,’ zei hij. ‘Hebben we wat te vieren?’
Ik bleef even in de deuropening staan.
‘Nee. Ik had trek.’
‘Dat is ook een reden.’
We aten boven een servet. Hij liet kruimels vallen. Ik veegde ze niet meteen op.
Na een tijdje zakte zijn hoofd opzij. Hij sliep. Ik dronk mijn koffie en keek naar de tuin.
Om vier uur ging ik naar huis. Ik vertelde Lotte dat hij nog sliep en hing zijn schone vest in de kast.
Thuis bakte ik een ei. Daarna belde ik Els om te vragen hoe laat we donderdag zouden zwemmen.
Morgen zou ik weer naar Henk gaan. Misschien kende hij me. Misschien niet.
Ik wist inmiddels dat ik mocht komen. En dat ik ook weer mocht vertrekken.