Naar de inhoud
Terug naar het boek

Mantelzorg en ouder worden

Mijn moeder belt tien keer per dag

Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.

Hoofdstuk 1

Mijn moeder belt tien keer per dag — De sleutel

Bij de achtste oproep drukte ik mijn moeder weg. Bij de negende zette ik mijn telefoon op stil. De tiende kwam terwijl ik bij de kassa van de Jumbo stond. Op het scherm verscheen een foto van haar met een zonnehoed. Die foto was zes jaar oud. Toen belde ze alleen als er iets te vertellen viel.

‘Ik kan de deur niet op slot krijgen,’ zei ze.

Ik schoof mijn boodschappen naar voren. Achter mij zuchtte een man.

‘Trek de deur naar je toe, mam.’

‘Dat doe ik.’

‘Dan de sleutel naar rechts.’

‘Ik weet hoe een sleutel werkt, Sanne.’

Ik heet Sanne de Wit. Ik was achtenveertig en werkte vier dagen per week bij een woningcorporatie in Amersfoort. Mijn moeder, Ria, was negenenzeventig. Ze woonde nog in het rijtjeshuis in Soest waar ik was opgegroeid. Mijn vader was drie jaar dood. Sindsdien werd haar wereld kleiner. Eerst stopte ze met autorijden. Daarna met de bridgeclub. Nu kwam ze soms een week niet verder dan de papiercontainer.

‘Waarom moet de deur op slot?’ vroeg ik.

‘Omdat er iemand binnen is geweest.’

Mijn hand bleef boven het pinapparaat hangen.

‘Wie?’

‘Dat weet ik toch niet. Mijn blauwe map ligt ergens anders.’

De caissière keek naar mijn telefoon. Ik betaalde, zette de tassen in de auto en belde mijn dochter Noor. Ze was zestien.

‘Ik ben later. Er ligt lasagne in de koelkast.’

‘Je zou helpen met geschiedenis.’

‘Ik weet het. Ik moet even naar oma.’

‘Even,’ herhaalde ze.

Ze verbrak de verbinding voordat ik iets kon zeggen.

Bij mijn moeder stond de voordeur op een kier. Ze droeg haar jas over haar nachtjapon. Het was kwart over zes. In de gang rook het naar aangebrande melk.

‘Er zit een andere sleutel in,’ zei ze.

Aan haar sleutelbos hing het kleine sleuteltje van haar fietsslot. Dat had ze in het voordeurslot geprobeerd te duwen. Ik pakte de goede sleutel. Hij draaide soepel.

‘Deze moet je hebben.’

‘Ja, nu doet hij het ineens.’

Ik liep door naar de keuken. Op het fornuis stond een zwart pannetje. Het gas was uit. Naast de kraan lag de blauwe map, onder een reclamefolder. Ik hield hem omhoog.

‘Hier is hij.’

Ze keek ernaar zonder iets te zeggen.

Ik had willen vragen waarom ze niet beter keek. De woorden lagen al klaar. Toen zag ik haar handen. Ze klemde ze om elkaar heen. Haar knokkels waren wit.

‘Heb je gegeten?’ vroeg ik.

‘Brood.’

In de broodtrommel lag een beschimmelde halve boterham. De koelkast bevatte yoghurt, mosterd en drie geopende pakken melk. Ik gooide de boterham weg. Mijn moeder trok meteen de vuilnisbak open.

‘Die is nog goed.’

‘Er zit schimmel op.’

‘Aan één kant.’

We stonden tegenover elkaar met die boterham tussen ons in. Ik was moe. Zij was bang. Geen van ons zei dat.

Ik bakte twee eieren. Terwijl ze at, belde ik mijn broer Erik in Zwolle. Ik ging in de gang staan, maar fluisterde niet zacht genoeg.

‘Dit gaat niet goed,’ zei ik.

‘Ze heeft gewoon veel alleen gezeten,’ antwoordde hij. ‘Je moet haar niet meteen patiënt maken.’

‘Kom dan kijken.’

‘Ik heb morgen een aanbesteding.’

‘Ik heb morgen ook werk.’

Hij zweeg even. Toen zei hij dat hij zondag zou bellen.

Mijn moeder stond achter me toen ik ophing.

‘Praten jullie over een tehuis?’

‘Nee.’

‘Ik ben niet gek.’

‘Dat zeg ik niet.’

‘Je denkt het wel.’

Ik bleef tot half negen. Ik maakte thee, verschoonde haar bed en zocht de afstandsbediening. Die lag tussen de handdoeken. Bij het afscheid hield ze mijn pols vast.

‘Je neemt toch wel op?’

Ik zei ja. Dat was makkelijker dan uitleggen wat ik niet meer volhield.

Thuis zat Noor aan de keukentafel. Haar geschiedenisboek lag dicht. Naast het boek stond een koud bord lasagne.

‘Heeft oma gegeten?’ vroeg ze.

‘Ja.’

‘Mooi.’

Ze schoof haar stoel naar achteren en ging naar boven.

Ik zette mijn boodschappen in de koelkast. Het ijs was gesmolten. Op mijn telefoon verschenen twee gemiste oproepen. Daarna kwam er een derde.

Ik nam op.

‘Sanne,’ zei mijn moeder. ‘Weet jij waar mijn blauwe map is?’

Hoofdstuk 2

Niet zomaar vergeten

De volgende ochtend zette ik tien streepjes op een vel papier. Voor elke oproep van mijn moeder één. Om elf uur had ik er zeven doorgestreept. Ze vroeg naar haar bankpas, de vuilniswagen en een brief van de tandarts. Twee keer wilde ze weten of het zondag was.

Tijdens een overleg trilde mijn telefoon over tafel. Mijn leidinggevende, Bas, schoof hem met één vinger terug.

‘Moet je opnemen?’

‘Nee.’

‘We kunnen vijf minuten wachten.’

‘Dat lost het niet op.’

Iedereen keek naar mij. Ik voelde mijn gezicht warm worden. Ik was normaal degene die lekkages, achterstanden en boze huurders uit elkaar trok. Nu wist ik niet eens hoe ik een vergadering moest afmaken.

In de lunchpauze belde ik de huisarts van mijn moeder. De assistente luisterde en vroeg of ik concrete voorbeelden kon noemen. Die vraag hielp. Ik vertelde over de sleutel, het pannetje en de melk. Ze plande een afspraak voor donderdag. Mijn moeder moest wel weten waarvoor we kwamen.

‘Zeg maar dat het voor mijn knie is,’ zei mijn moeder toen ik het uitlegde.

‘Het is ook voor je geheugen.’

‘Dan ga ik niet.’

We zaten aan haar keukentafel. Ik had soep meegenomen. Ze duwde haar kom weg.

‘Je vergeet dingen waardoor het onveilig wordt.’

‘Jij vergeet ook weleens wat.’

‘Ik steek geen fietssleutel in mijn voordeur.’

Haar gezicht veranderde. Meteen had ik spijt.

‘Dus dat ga je blijven vertellen.’

Ik pakte mijn lepel, legde hem weer neer.

‘Ik ben geschrokken, mam.’

Dat accepteerde ze eerder dan mijn argumenten. Uiteindelijk wilde ze mee. Als we maar niet met drie mensen tegelijk tegen haar zouden praten.

Dokter Van Leeuwen hield zich daaraan. Hij keek mijn moeder aan. Niet mij. Hij vroeg naar slapen, eten, pijn en haar medicijnen. Mijn moeder antwoordde vlot. Ze kookte dagelijks. Ze liep elke middag. Haar dochter kwam geregeld gezellig langs.

Mijn moeder had haar nette blauwe vest aangetrokken. Haar haar zat goed. Naast haar voelde ik me een aanklager in een gekreukte blouse.

‘Sanne ziet thuis een paar andere dingen,’ zei de huisarts.

Mijn moeder keek naar haar tas.

Ik vertelde rustig wat ik had gezien. Niet alles. Genoeg. De huisarts stelde onderzoek voor. Bloedprikken, haar medicatie nalopen en daarna uitgebreider onderzoek naar haar geheugen. Er konden verschillende oorzaken zijn. Hij wilde niet gokken.

Buiten zei mijn moeder niets. Pas bij de auto draaide ze zich om.

‘Je vader zou dit verschrikkelijk vinden.’

Ik deed haar portier open.

‘Ja,’ zei ik. ‘Dat denk ik ook.’

Ik had geen ruimte om uit te zoeken wat ze precies bedoelde.

Die avond maakte ik een lijst met wat ik voor haar deed. Boodschappen. Was. Bankzaken. Afspraken. Medicijnen ophalen. Post openen. De tuinman bellen. Aanhoren dat de tuinman te duur was. Ik had nooit besloten om mantelzorger te worden. Elke taak was begonnen met: wil jij even?

Ik stuurde de lijst naar Erik.

Hij belde tien minuten later.

‘Dat zijn ook gewone dingen die kinderen doen.’

‘Dan kun jij ze dus ook doen.’

‘Ik woon niet om de hoek.’

‘De bank zit ook op internet.’

Dat werd ons eerste echte gesprek. Geen vriendelijk bijpraten tussen twee diensten in. Ik zei dat hij de administratie moest overnemen. En om de week op zaterdag moest komen. Hij zei dat hij dat met zijn vrouw moest bespreken.

‘Bespreek het,’ zei ik. ‘En geef morgen antwoord.’

Na het ophangen trilden mijn benen. Ik was boos op hem. Ook omdat hij kon wachten met antwoorden, terwijl mijn moeder bij mij bleef bellen.

Noor zat op de trap. Ze had meer gehoord dan ik wilde.

‘Ben je boos op oma?’ vroeg ze.

‘Soms.’

Ze keek op.

‘Mag dat?’

‘Ik hoop het.’

Ze kwam naast me zitten. Haar schouder raakte de mijne.

‘Je bent hier ook steeds boos.’

Dat deed meer pijn dan alles wat Erik had gezegd. Ik wilde uitleggen hoe druk ik het had. In plaats daarvan vroeg ik wanneer ze dat merkte.

‘Als ik iets vraag. Zelfs waar mijn gymshirt is.’

Die avond hielp ik haar leren. Mijn telefoon lag in de keuken. We hoorden hem drie keer overgaan. Bij de vierde keer stond ik toch op. Noor liet haar pen vallen.

Mijn moeder had geen noodsituatie.

Ze wilde weten hoe laat de huisarts kwam.

Hoofdstuk 3

De lege stoel

Op een dinsdag in november nam mijn moeder niet op. Dat gebeurde bijna nooit. Eerst voelde ik opluchting. Ik kon een huurdersbrief afmaken zonder onderbreking. Daarna keek ik naar de klok. Half twaalf. Ik had haar sinds acht uur niets gehoord.

Ik belde opnieuw. Geen antwoord.

Buurvrouw Ans had een sleutel. Ze woonde twee deuren verder en wilde best af en toe kijken. Ik had haar nummer onder favorieten gezet.

‘Haar jas hangt er niet,’ zei Ans even later. ‘Haar tas wel.’

‘Is ze boven?’

‘Ik heb overal gekeken.’

Ik stond zo snel op dat mijn bureaustoel tegen de kast reed. Tegen Bas zei ik alleen dat mijn moeder weg was. Hij pakte mijn autosleutel van tafel en gaf hem aan mij.

Onderweg belde ik Erik via de speaker. Hij vroeg of ze misschien boodschappen deed.

‘Zonder tas?’

‘Misschien bij een vriendin.’

‘Wie dan?’

Hij had geen antwoord.

Het regende hard. Op de Birkstraat reed een vrachtwagen voor me. Ik bleef veel te dicht achter hem hangen en merkte het pas toen hij remde. Ik liet het gas los. Mijn handen deden pijn van het knijpen in het stuur.

Bij het huis stond Ans onder een paraplu. Mijn moeders gewone schoenen stonden nog in de gang. Haar pantoffels waren weg. Ik liep naar boven, hoewel Ans daar al had gekeken. Daarna opende ik de schuur.

Niets.

Ik belde de politie. Ik vertelde dat mijn moeder geheugenproblemen had, zonder telefoon weg was en vermoedelijk op pantoffels liep. De medewerker vroeg wanneer iemand haar voor het laatst had gezien en wat ze droeg. Haar jas wist ik. Donkergroen. Wat daaronder zat, wist ik niet.

Die onwetendheid maakte me misselijk.

Op verzoek stuurde ik een recente foto. Ik moest lang zoeken. Mijn telefoon stond vol foto’s van haar meterstanden, brieven en medicijndoosjes. Uiteindelijk vond ik een foto van haar verjaardag. Ze hield een gebaksvorkje vast en keek geïrriteerd naar de camera.

Ik ging lopend zoeken. Eerst de supermarkt. Toen de apotheek. Bij de bushalte vroeg ik een jongen met oortjes of hij een oudere vrouw had gezien. Hij schudde zijn hoofd zonder me echt aan te kijken.

Mijn moeder belde altijd te veel. Nu wilde ik dat mijn telefoon geluid maakte. Eén keer was genoeg.

Om tien over één belde een agent. Een buschauffeur had een verwarde vrouw gemeld bij station Soest Zuid. Ze zat in een bushokje. Haar naam klopte. Ik mocht komen.

Ze zat tussen twee agenten in. Haar broekspijpen waren nat. Naast haar lag een plastic tas met een pak beschuit. Ze keek boos toen ze mij zag.

‘Je vader komt niet,’ zei ze.

Ik hurkte voor haar neer.

‘Ik kom je halen.’

‘Hij zou me ophalen na zijn dienst.’

Mijn vader had vroeger in Utrecht gewerkt. Hij was al achttien jaar met pensioen geweest toen hij stierf. Ik voelde de neiging om het hele rijtje feiten op te noemen.

Een agent keek me aan en schudde bijna onzichtbaar zijn hoofd.

‘Je bent koud,’ zei ik. ‘We gaan naar huis.’

Mijn moeder begon te huilen toen ik haar overeind hielp. Niet hard. Haar gezicht liep gewoon vol tranen.

Thuis kreeg ik haar natte pantoffels moeilijk uit. Haar voeten waren ijskoud. Ik droogde ze af met de handdoek waarmee mijn vader vroeger zijn fiets had gepoetst. Dat zag ik aan de zwarte veeg in de hoek. Zelfs dat detail bleef hangen.

De huisarts kwam die middag. Hij onderzocht haar en besprak wat er nodig was om de komende tijd veilig door te komen. Het geheugenonderzoek moest sneller. Daarnaast moest er hulp thuis komen. Niet alleen mijn hulp.

Mijn moeder protesteerde nauwelijks. Ze zat onder een deken, met haar ogen dicht.

Erik kwam om zes uur. Hij had pizza meegenomen. Toen hij onze moeder zag, zette hij de dozen op de vloer.

‘Ik wist niet dat het zo erg was.’

Ik wilde schreeuwen dat ik het had verteld. In plaats daarvan pakte ik zijn jas aan.

Die nacht bleef ik slapen. Om kwart over drie hoorde ik haar bij de voordeur. Ze trok aan de grendel.

‘Ik moet naar huis,’ zei ze.

Ik stond op blote voeten in de gang.

‘Je bent thuis, mam.’

Ze keek langs me heen.

‘Niet hier.’

Hoofdstuk 4

Vreemde handen

De uitslag kwam drie weken later. De geriater sprak over dementie, waarschijnlijk door de ziekte van Alzheimer. Ze legde uit waarop die conclusie was gebaseerd. Mijn moeder hoorde vooral dat ze niet meer beter zou worden.

‘Dan hoeven we ook niet zo lang te blijven,’ zei ze.

Ze stond op voordat het gesprek klaar was.

Ik vroeg of we even pauze konden nemen. De geriater schoof een doos tissues naar voren. Mijn moeder pakte er één, snoot haar neus en stopte de rest van het gesprek haar handen onder haar bovenbenen.

Op de terugweg vroeg ze of we kibbeling konden halen. Ik parkeerde bij een viskraam in Soest. We aten in de auto. De saus lekte op haar jas.

‘Niet tegen iedereen zeggen,’ zei ze.

‘Tegen wie niet?’

‘Iedereen.’

Ik beloofde dat we zorgvuldig zouden zijn. Geen volledige geheimhouding. Dat kon niet meer. Daar werd ze boos om, maar ze bleef zitten.

Onze casemanager heette Fatima. Ze kwam op een donderdag met een gewone schoudertas. Geen witte jas. Mijn moeder liet haar eerst in de gang staan.

‘Wat komt u doen?’

‘Kijken wat u zelf wilt blijven doen. En waar hulp nodig is.’

‘Ik wil dat iedereen ophoudt met kijken.’

Fatima knikte.

‘Dan ga ik eerst zitten en luisteren. Als dat mag.’

Het mocht, met zichtbare tegenzin.

We maakten geen groot plan in één middag. Eerst kwam er wijkverpleging voor de medicijnen. Het gas werd afgesloten nadat mijn moeder opnieuw een pan had laten droogkoken. Ze kon de magnetron nog gebruiken, mits iemand het eten klaarzette. Ans wilde twee keer per week samen lunchen. Niet dagelijks. Fatima schreef dat laatste nadrukkelijk op.

‘Een buurvrouw is geen permanente achterwacht,’ zei ze tegen mij.

Ik knikte alsof ik dat altijd al had geweten.

De eerste ochtend bleef mijn moeder boven toen wijkverpleegkundige Jeroen aanbelde. Ik had vrij genomen om erbij te zijn.

‘Een man komt niet aan mijn pillen,’ riep ze.

Jeroen bleef beneden. Hij zette zijn tas neer en vroeg mij waar de waterkoker stond.

‘Wilt u ook thee, mevrouw De Wit?’ riep hij.

‘Nee.’

‘Dan maak ik alleen voor ons.’

Vijf minuten later kwam ze naar beneden.

‘Dat is mijn mok.’

‘Welke mag ik gebruiken?’ vroeg hij.

Ze wees naar een kastje. Daarna keek ze hoe hij haar medicijnen controleerde. Het duurde bijna drie kwartier. Ik zag op mijn telefoon de berichten van kantoor binnenkomen.

Later vroeg ik hem of het altijd zo langzaam ging.

‘In het begin soms,’ zei hij. ‘Als ik nu ga duwen, sta ik morgen voor een dichte deur.’

Ik had geen geduld meer over. Dat was precies waarom hij nodig was.

Erik nam de administratie over. We regelden banktoegang met toestemming van mijn moeder en vroegen advies over vertegenwoordiging voor later. Mijn broer ontdekte ongeopende rekeningen en twee abonnementen op dezelfde televisiegids. Hij belde niet om te zeggen dat ik beter had moeten opletten.

Hij zei: ‘Dit kost meer tijd dan ik dacht.’

‘Ja.’

‘Ik kom zaterdag weer.’

Het was geen excuus. Toch luchtte het op.

Met Fatima sprak ik apart, in mijn auto voor de deur. Daar kon mijn moeder ons niet horen. Ik vertelde over de telefoontjes. Over Noor. Over hoe ik soms hoopte dat mijn moeder een middag diep zou slapen, zodat niemand iets van me wilde.

‘Soms wil ik gewoon niet naar haar toe,’ zei ik.

Fatima vroeg hoeveel nachten ik de afgelopen week behoorlijk had geslapen.

Ik wist het niet.

We spraken vaste beltijden af. Om negen uur, één uur en zeven uur. Ik schreef ze groot op een kaart naast haar telefoon. Er kwam een personenalarm, al moest nog blijken of mijn moeder dat in paniek kon gebruiken. De zorg kreeg duidelijke afspraken over signalen en contactpersonen. Erik werd tweede contactpersoon.

De eerste avond belde ze buiten de afgesproken tijd zes keer. Ik nam eenmaal op en verwees naar de kaart.

‘Je hebt zeker belangrijkere dingen,’ zei ze.

‘Ik eet met Noor.’

‘Eet smakelijk dan.’

Ze hing op.

Ik staarde naar mijn bord. Noor schoof de schaal aardappels naar me toe.

‘Pak nou,’ zei ze. ‘Ze worden koud.’

Hoofdstuk 5

Tot hier

In januari zat ik om vier uur ’s nachts in de badkamer. De deur was op slot. Mijn moeder stond aan de andere kant en riep dat ik haar geld had gestolen.

Ik was bij haar blijven slapen omdat ze onrustig was. Dat was inmiddels de vierde nacht in twee weken. De vaste beltijden hadden wat rust gegeven, maar ’s avonds raakte ze steeds vaker de draad kwijt. Ze belde ook Erik, de buurvrouw en een oud nummer van mijn vader.

Nu was haar portemonnee verdwenen.

‘Doe open,’ zei ze.

‘Ik kom zo.’

‘Je bent een dief.’

Ik zat op het gesloten toilet en hield een nat washandje tegen mijn gezicht. Even daarvoor had ik haar bij haar bovenarm gepakt. Te hard. Ze wilde langs me naar buiten en ik had haar teruggetrokken. Haar schrik zat nog in mijn handen.

Ik had haar losgelaten. Meteen. Maar ik was niet meer rustig genoeg om naast haar te blijven staan.

Ik belde Erik.

‘Je moet komen.’

‘Nu?’

‘Ja. Nu.’

Misschien hoorde hij iets in mijn stem. Hij stelde geen tweede vraag.

Ik opende de badkamerdeur toen mijn moeder niet meer riep. Ze zat op bed. Haar portemonnee lag op haar schoot. Ze had hem kennelijk gevonden.

‘Waarom huil jij?’ vroeg ze.

‘Omdat ik moe ben.’

‘Ga dan slapen, kind.’

Ze sloeg de deken naast zich terug. Dat maakte het erger. Ik wilde weer gewoon haar dochter zijn. Ik wilde ook zo ver mogelijk weg.

Erik kwam na ruim een uur. Ik vertelde precies wat ik had gedaan. Ook van haar arm. Hij keek ernaar. Er was geen zichtbare plek. Dat stelde me niet gerust.

‘Ga naar huis,’ zei hij. ‘Ik blijf.’

Bij het wegrijden moest ik stoppen omdat mijn ruit besloeg. Pas toen merkte ik dat ik nog steeds huilde.

De volgende ochtend belde ik Fatima en mijn eigen huisarts. Ik meldde me ziek op mijn werk. Niet met griep. Ik zei tegen Bas dat ik door de zorg voor mijn moeder niet meer functioneerde.

‘Dan gaan we dat serieus nemen,’ zei hij.

Ik had verwacht dat ik me zou moeten verdedigen. Zijn rustige antwoord was bijna lastig te verdragen.

Fatima kwam die middag. Ze sprak eerst met mijn moeder en Erik. Daarna met ons samen. Er moest nu tijdelijke ontlasting komen, terwijl de zorgbehoefte opnieuw werd beoordeeld. Niet zodra ik weer wat was bijgeslapen. Nu.

Mijn moeder wilde nergens logeren.

‘Ik heb een bed.’

‘Sanne kan hier niet meer ’s nachts blijven,’ zei Fatima.

‘Dat hoeft ook niet.’

‘Maar u raakt ’s nachts bang en gaat soms naar buiten.’

‘Dan doe ik dat niet meer.’

Er viel een stilte. Mijn moeder keek ons één voor één aan. Ze begreep dat haar belofte niet voldoende was. Ik zag de vernedering op haar gezicht.

‘Jullie hebben het al besloten.’

‘We zoeken iets wat veilig is,’ zei Erik.

‘Voor wie?’

Niemand gaf meteen antwoord.

De dagen daarna regelde Fatima met de huisarts en zorgaanbieders tijdelijk verblijf. Het kostte telefoontjes, overleg en wachten. Erik en ik verdeelden de nachten totdat er een plek was. Ik deed er geen meer alleen. Overdag werd extra hulp ingezet waar dat kon.

Toen we mijn moeder naar een logeerafdeling in Baarn brachten, had ze haar mooiste blouse aan. Haar koffer stond recht tussen haar schoenen.

‘Hoeveel nachten?’ vroeg ze.

‘We hebben eerst twee weken afgesproken,’ zei ik. ‘Daarna kijken we verder.’

‘Dus je weet het niet.’

‘Nee.’

Het was de eerlijkste zin die ik haar in maanden had gegeven.

Bij het afscheid liep ze achter ons aan tot de lift. Een medewerker bleef bij haar. Mijn moeder keek alleen naar mij.

‘Sanne. Niet doen.’

Ik stapte toch in.

Beneden drukte ik mijn handen tegen mijn oren. Erik stond naast me en zei niets.

Thuis lag ik die middag op de bank. Ik sliep vier uur achter elkaar. Toen ik wakker werd, stond er thee op tafel. Noor had een briefje neergelegd.

‘Ik ben bij Lotte. Je hoeft niemand op te halen.’

Ik las het drie keer. Daarna belde ik de afdeling om te vragen hoe het met mijn moeder ging.

Hoofdstuk 6

Kamer twaalf

De eerste logeerweek zei mijn moeder elke dag dat ze naar huis ging. Soms stond haar koffer al ingepakt als ik kwam. Dan zaten er ook een handdoek van de afdeling en de pantoffels van een andere bewoner in.

‘De taxi komt zo,’ zei ze.

Ik ging niet meer eindeloos uitleggen dat er geen taxi was. Ik vroeg waar ze thuis zin in had. Meestal zei ze koffie in haar eigen stoel. Of kijken of de merels al in de tuin zaten.

We dronken dan koffie. Dat hielp soms. Soms helemaal niet.

De medewerkers zagen wat wij thuis hadden gezien. Mijn moeder kon op goede momenten scherp praten en grappige opmerkingen maken. Maar ze vergat te eten, raakte ’s nachts verdwaald op de gang en kon niet betrouwbaar hulp inschakelen. Ze had ook ’s nachts toezicht en hulp dichtbij nodig.

Tijdens het overleg zat er een lege stoel naast me. Erik was op weg, vastgelopen bij Hoevelaken. Ik keek steeds naar die stoel, alsof zijn afwezigheid betekende dat ik de beslissing alleen moest nemen.

Fatima legde uit welke indicatie werd aangevraagd en welke stappen nodig waren voor langdurige zorg. Ook mijn moeders wensen en verzet moesten zorgvuldig worden beoordeeld. Wij konden haar niet simpelweg ergens achterlaten omdat wij moe waren.

‘Kan ze nog naar huis?’ vroeg ik.

We bespraken wat daarvoor nodig zou zijn. Niet alleen extra bezoekjes. Ook veiligheid in de nacht. Iemand die kwam als zij zelf niet begreep dat er hulp nodig was. Wat er beschikbaar was, sloot daar niet voldoende op aan.

Ik wist het antwoord eigenlijk al. Toch had ik die uitleg nodig.

Erik kwam binnen toen we de mogelijkheden voor een woonplek bespraken. Hij ging zitten en legde zijn notitieboek open.

‘Sorry,’ zei hij. Daarna: ‘Sanne doet geen nachten meer. Dat moet niet alsnog onderdeel van het plan worden.’

Ik keek naar hem. Voor het eerst hoefde ik dat niet zelf te zeggen.

De logeerperiode werd verlengd. Een paar weken later kwam er plaats op een kleinschalige woonafdeling in Soest. Dicht bij haar oude buurt. We gingen samen kijken. Mijn moeder vond de woonkamer te druk en de tuin te kaal.

In kamer twaalf viel de middagzon op de vensterbank.

‘Hier kunnen planten staan,’ zei ze.

Ik durfde daar niet meteen instemming in te horen.

Een verzorgende, Marieke, vroeg welke planten ze had.

‘Geen orchideeën,’ zei mijn moeder. ‘Dat zijn stokken met praatjes.’

Marieke lachte. Mijn moeder ook. Het was een klein gesprek, maar ik onthield elk woord.

We richtten de kamer in met haar groene stoel, een lage kast en foto’s. Niet te veel spullen tegelijk. Haar klok hing tegenover het bed. Ik legde haar vest in de bovenste la en vertelde dat drie keer. Toen stopte ik met uitleggen.

Het leeghalen van haar huis begon pas later. Eerst stonden Erik en ik uren in de keuken zonder iets weg te doen. In een la vond ik elastiekjes, batterijen en een briefje met mijn oude studentennummer in Utrecht.

Boven hing mijn vaders jas nog.

‘Die kan niet naar de kringloop,’ zei ik.

‘Hoeft vandaag niet,’ antwoordde Erik.

We namen allebei een doos mee. De rest bleef staan.

Mijn moeder verhuisde op een maandag. De eerste avond belde ze veertien keer. Haar eigen telefoon was meegegaan. We hadden samen met de afdeling afgesproken wanneer ik belde en wat medewerkers konden doen als ze daarna onrustig werd.

Om kwart over negen nam ik toch op.

‘Je bent me vergeten,’ zei ze.

‘Nee, mam. Ik was vanmiddag bij je.’

‘Niet waar.’

Ik wilde bewijzen dat ik er was geweest. De rode tulpen. Het koekje. Haar gemorste koffie. Toen hoorde ik hoe snel ik praatte.

‘Je mist me,’ zei ik.

‘Ja.’

‘Ik kom morgen na de lunch.’

Op de achtergrond vroeg Marieke of mijn moeder mee thee kwam drinken. Mijn moeder antwoordde niet meteen.

‘Is er ook iets bij?’ vroeg ze toen.

Ik hoorde Marieke zeggen dat er cake was.

Mijn moeder hing op zonder afscheid.

Ik bleef nog even met mijn telefoon aan mijn oor zitten.

Hoofdstuk 7

Twee koppen koffie

In april ging ik weer drie dagen per week naar kantoor. De vierde dag bouwde ik later op. Met Bas maakte ik afspraken over onverwachte telefoontjes. Ik hoefde niet meer bij elk nummer uit Soest mijn jas te pakken. De afdeling belde bij veranderingen of zorgen. Gewone vragen konden wachten tot een afgesproken moment.

Dat moest ik leren. Soms keek ik tijdens een vergadering twintig keer op mijn scherm. Dan lag er geen bericht. Ik had alleen nog steeds het gevoel dat ik iets miste.

Mijn moeder belde minder. Niet omdat haar geheugen beter werd. Ze had mensen om zich heen die de koffie neerzetten, haar medicijnen gaven en merkten wanneer ze bang was. Soms kon ze haar telefoon niet goed bedienen. Dat verdriet hoorde ook bij de stilte.

Ik bleef betrokken. Ik kocht schoenen met sluitingen die ze zelf kon openen. Ik ging mee naar afspraken. Ik besprak haar onrust en vroeg waarom ze overdag slaperig was. Soms moest ik twee keer bellen voor een antwoord. Ook hier ging niet alles vanzelf.

Eén keer was haar bril drie dagen kwijt. Ik werd woedend op een medewerker die daar niets van wist. Later bood ik mijn excuses aan voor mijn toon. Niet voor mijn vraag. De bril lag achter een radiator in de huiskamer.

Ik kwam drie keer per week. Erik kwam op zaterdag en regelde nog steeds de administratie. We zetten onze bezoeken in een gedeelde agenda. Geen wedstrijd in wie het meeste deed. Al merkte ik soms dat ik toch telde.

Noor ging niet automatisch mee. Ik vroeg het, en een nee bleef een nee. De eerste keer dat ze zelf voorstelde om oma te bezoeken, kocht ze onderweg roze koeken.

‘Die vindt ze lekker,’ zei ze.

‘Klopt.’

‘Ik weet ook dingen over haar, mam.’

Ik keek naar haar. Ze was intussen zeventien geworden. Op haar verjaardag had ik mijn telefoon tijdens het eten in een la gelegd. De afdeling had Eriks nummer. Mijn moeder had die avond een stuk taart gekregen dat we ’s middags hadden gebracht.

Noor bleef die zondag bijna een uur bij haar oma. Ze lakte haar nagels donkerrood. Mijn moeder hield haar handen ver van zich af om ze te bekijken.

‘Dat ziet er brutaal uit.’

‘Dat is ook de bedoeling,’ zei Noor.

Ik zat erbij en hoefde niets te regelen.

Er waren ook andere bezoeken. Dagen waarop mijn moeder vroeg waar mijn vader bleef. Dagen waarop ze mij voor haar jongere zus aanzag. Soms wilde ze haar jas niet uitdoen, omdat ze dacht dat we samen vertrokken.

Dan ging ik niet opgewekt naar huis. Dan huilde ik op de parkeerplaats. Alleen reed ik daarna naar mijn eigen huis. Ik ging niet terug om nog één keer te proberen haar tevreden te maken.

Fatima vroeg tijdens ons laatste gesprek hoe het thuis ging.

‘Rustiger,’ zei ik.

‘En met jou?’

Ik dacht na. Ik sliep meestal. Ik kookte weer iets wat langer duurde dan tien minuten. Ik was met een vriendin naar de film geweest zonder halverwege de zaal uit te lopen.

‘Nog niet goed,’ zei ik. ‘Wel beter.’

Dat hoefde ze niet mooier te maken.

Op een donderdag nam ik twee bekers koffie mee naar mijn moeder. In haar kamer stonden drie geraniums op de vensterbank. Eén had te veel water gekregen. Ze wees er meteen naar.

‘Die mensen verzuipen alles.’

‘Ik zal het zeggen.’

‘Nee. Geef die schotel maar hier.’

Ik zette de plant op tafel. Mijn moeder voelde met haar wijsvinger aan de aarde. Haar handen waren dun geworden. De rode nagellak zat alleen nog in het midden van haar nagels.

‘Deze moet je even laten,’ zei ze.

Ik schreef niets op. Ik maakte geen foto als bewijs. Ik zette de plant terug en gaf haar koffie.

We keken naar een man die buiten het terras schoonspoot. Mijn moeder vond dat hij de stoelen verkeerd had neergezet. Ze wees aan hoe het moest. Ik luisterde.

Toen ik opstond, pakte ze mijn mouw.

‘Moet je alweer?’

‘Ja. Ik ga met Noor eten.’

Ze trok haar hand terug. Ik wachtte op het verwijt.

‘Wat eten jullie?’

‘Lasagne.’

‘Wel groente erbij doen.’

Ik kuste haar op haar wang. Bij de deur keek ik nog één keer om. Ze had haar koffie met twee handen vast.

Mijn telefoon bleef stil tot ik thuis was. Deze keer controleerde ik niet of hij het nog deed.