Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

Mijn moeder in een urn

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

Mijn moeder in een urn — De sleutel

Toen mijn moeder doodging, stond ik bij de zelfscan van de Albert Heijn in Amersfoort. Het apparaat bleef vragen of ik mijn paprika had gescand. Mijn telefoon trilde. Op het scherm stond de naam van haar buurvrouw.

‘Noor, heb jij een sleutel van je moeder?’

‘Ja. Hoezo?’

‘Ze doet niet open. Haar televisie staat aan.’

Ik keek naar de paprika in mijn hand.

‘Misschien is ze onder de douche.’

‘Al drie kwartier?’

Mijn moeder douchte nooit langer dan vijf minuten. Ze vond warm water duur, maar stookte haar woonkamer zo warm dat ik er altijd mijn sokken uittrok.

‘Ik kom.’

Ik liet mijn boodschappen staan. Buiten wist ik niet meer waar mijn auto stond. Ik liep de verkeerde rij in en drukte steeds op mijn sleutel. Ergens knipperden lampen.

Mijn moeder woonde in Utrecht, in Zuilen. Een benedenwoning met een scheve brievenbus. Els van Dijk. Negenenzestig. Ze was niet iemand bij wie je meteen aan de dood dacht. Wel aan een versleten knie. Aan te harde muziek. Aan ruzie met een pakketbezorger die dozen over haar schutting gooide.

Onderweg belde ik haar vier keer.

De vierde keer werd ik kwaad.

‘Neem nou gewoon op, mam.’

Bij haar straat stond een ambulance. Geen zwaailicht. Dat vond ik geruststellend, tot ik buurvrouw Ria zag. Ze stond zonder jas op de stoep. Haar armen hingen slap langs haar lichaam.

‘Ze zijn via achteren gegaan,’ zei ze.

Ik stapte langs haar heen.

Een ambulanceverpleegkundige hield me tegen bij de woonkamerdeur. Hij vroeg mijn naam.

‘Noor van Dijk. Ik ben haar dochter.’

Hij vertelde dat mijn moeder was overleden. Hij gebruikte nog meer woorden. Gevonden. Reanimatie. Geen resultaat.

Ik keek over zijn schouder. Haar pantoffel lag onder de salontafel.

‘Waar is de andere?’ vroeg ik.

Hij draaide zijn hoofd.

‘Haar andere pantoffel.’

Ik wist dat mijn vraag nergens op sloeg. Toch moest iemand antwoord geven.

Mijn moeder lag op de grond naast de bank. Er zat een roze afdruk op haar wang. Haar vest was open. Op tafel stond een halfvolle mok thee. De televisie liet een vrouw zien die een badkamer won.

‘Mag dat uit?’ vroeg ik.

De verpleegkundige pakte de afstandsbediening.

Ik knielde naast haar. Haar hand voelde niet zoals in films. Niet meteen ijskoud. Dat maakte het erger. Ik wachtte op een beweging van haar vingers.

‘Mam.’

Ria begon achter me te huilen.

Mijn broer Daan nam op terwijl hij aan het werk was. Ik hoorde een zaag stoppen.

‘Wat is er?’

‘Je moet naar mam komen.’

‘Waarom?’

Ik kon het niet zeggen. Ik had zojuist haar hand vastgehouden, maar kreeg die ene zin niet uit mijn mond.

‘Noor?’

‘Ze is dood.’

Hij zei niets. Daarna vroeg hij of ik zeker wist dat het onze moeder was.

Dat vond ik een domme vraag. Een uur later begreep ik hem.

Er kwam een huisarts. Er kwamen formulieren. Iemand vroeg naar een uitvaartverzekering. Ik zocht in de la waar mijn moeder batterijen, elastiekjes en oude pasfoto’s bewaarde. Daar lag inderdaad een polis. Alsof ze ook voor deze situatie had gedacht: Noor gaat natuurlijk eerst in de rommella kijken.

Daan arriveerde met zaagsel in zijn haar. Hij ging op de grond zitten en legde zijn hand op haar voorhoofd.

‘Dag Els,’ zei hij.

Hij noemde haar alleen Els als hij haar plaagde.

Pas toen de uitvaartmedewerkers kwamen, merkte ik dat ik mijn autosleutel nog vasthield. De kartels hadden een afdruk in mijn handpalm gemaakt.

Ze vroegen of we bij het overleggen aanwezig wilden zijn. Daan bleef. Ik vluchtte naar de keuken. Daar stond een bord met twee beschuiten. Eén met kaas. Eén zonder beleg.

Mijn telefoon meldde een nieuw bericht van mijn werk. Of ik morgen eerder kon beginnen.

Daarboven stond een gemiste oproep van mijn moeder. Van die ochtend, om tien over negen.

Ik had hem weggedrukt tijdens een vergadering. Daarna had ik het vergeten.

Er was een voicemail.

Ik drukte mijn telefoon tegen mijn borst. Vanuit de woonkamer hoorde ik zachte instructies en het schuiven van meubels. Ik durfde niet op afspelen te drukken.

Hoofdstuk 2

De verkeerde muziek

De uitvaartondernemer heette Pieter. Hij droeg blauwe schoenen en zette zijn tas op de stoel waar mijn moeder altijd haar was op vouwde.

‘Neem alle tijd,’ zei hij.

Daarna vertelde hij welke beslissingen we die middag moesten nemen.

Daan zat tegenover me aan de keukentafel. Hij had drie nachten bij mijn moeder geslapen. Ik reed elke avond terug naar Amersfoort, naar mijn eigen huis, waar mijn partner Joris eten maakte dat ik niet opat.

‘Begraven of cremeren?’ vroeg Pieter.

‘Cremeren,’ zeiden we tegelijk.

Dat had mijn moeder duidelijk gemaakt. Geen graf. Geen gedoe met plantjes. Ze had het gezegd terwijl we bij het graf van haar zus stonden. Ik had haar toen gevraagd of ze even normaal kon doen.

Nu was ik dankbaar voor haar slechte timing.

Over de rest waren Daan en ik het nergens over eens.

Hij wilde een witte kist. Ik vond wit niets voor haar. Hij wilde bloemen in rood en geel. Ik zei dat het op een tankstationboeket zou lijken.

‘Dan regel jij het toch allemaal?’

‘Dat probeer ik ook.’

Pieter keek naar zijn notitieblok.

We kozen een eenvoudige houten kist. Niet omdat we het eens werden, maar omdat niemand nog energie had.

Mijn moeder had weinig geld. De verzekering dekte een deel. Voor de rest haalden we allebei spaargeld van onze rekening. Ik schrapte broodjes na afloop en voelde me daar onmiddellijk schuldig over.

‘Koffie en cake is genoeg,’ zei Daan.

‘Ze hield niet eens van cake.’

‘Ze hoeft het niet op te eten.’

Ik begon te lachen. Hard, met een lelijk geluid. Daan keek geschrokken en lachte toen mee. Pieter wachtte rustig tot we klaar waren.

Bij het uitzoeken van foto’s vonden we vooral slechte beelden. Mijn moeder met gesloten ogen. Mijn moeder half buiten beeld. Mijn moeder die haar hand voor de lens hield.

Op de mooiste foto zat ze aan mijn tuintafel met een oliebol. Midden in juli. De buurman had een frituurpan getest. Haar mond zat onder de poedersuiker.

‘Die,’ zei ik.

Daan knikte.

De avond voor de crematie luisterde ik eindelijk naar haar voicemail. Joris zat naast me op de bank, zonder me aan te raken.

‘Noor, met mij. Die blauwe schaal staat nog hier. Neem je die zondag mee? Anders blijf ik ertegenaan kijken. Bel maar even. Doei.’

Dat was alles.

Geen noodkreet. Geen afscheid. Een schaal.

Ik speelde het bericht nog een keer af.

‘Wil je dat ik het opsla?’ vroeg Joris.

Ik gaf hem mijn telefoon. Mijn handen trilden te erg.

De crematie was in Utrecht, bij Daelwijck. Ik droeg een zwarte broek die te strak zat. Toen ik ging zitten, sprong de knoop los. Ik ving hem op voordat hij op de grond viel.

Daan zag het.

‘Mam zou vragen of je weer alleen maar brood eet.’

‘Hou op.’

Hij legde zijn hand op mijn knie.

Er kwamen drieënveertig mensen. Ik telde ze omdat ik niet naar de kist wilde kijken. Ria zat vooraan. Twee oud-collega’s van de wasserij zaten achterin. Een vrouw met paarse schoenen stelde zich voor als iemand van de aquagym. Ik wist niet dat mijn moeder aan aquagym deed.

Tijdens de eerste muziek ging het mis. Er klonk een liveversie, met applaus en iemand die door de intro schreeuwde.

Ik draaide me om naar de medewerker achter het glas.

‘Dit is de verkeerde.’

Mijn stem klonk harder dan bedoeld.

De muziek stopte. Er viel een stilte waarin ik iemand hoorde hoesten. Toen begon het goede nummer.

Later schaamde ik me voor die uitval. Op dat moment was het de enige fout die ik nog kon laten herstellen.

Ik las mijn tekst voor. Over haar werkhanden. Over haar gewoonte om eten mee te geven in ijsbakken. Ik vertelde niet dat we vaak botsten. Dat ik soms niet opnam omdat een gesprek met haar een uur kon duren. Dat haar bezorgdheid ook controle kon zijn.

Na afloop drukten mensen hun wang tegen de mijne. Ze zeiden dat ik sterk was. Ik wilde vragen waarop ze dat baseerden.

Toen iedereen weg was, vroeg Pieter wat we met de as wilden doen.

‘Dat weet ik nog niet,’ zei ik.

‘Er is eerst een wettelijke bewaartermijn van een maand. Daarna kunt u kiezen.’

Een maand. Ik knikte alsof dat een bruikbare hoeveelheid tijd was.

Hoofdstuk 3

Op de kast

Ik haalde mijn moeder op tijdens mijn lunchpauze.

Zo had ik het in mijn agenda gezet: mam ophalen. Daaronder stond een overleg over een facturatiesysteem. Ik werkte bij een installatiebedrijf. Vier weken na haar dood dacht iedereen voorzichtig weer normaal tegen me te kunnen doen.

Bij het crematorium vroeg een medewerker om mijn legitimatie. Hij controleerde een formulier en schoof een doos naar me toe.

In de doos zat de urn die Daan en ik hadden uitgezocht. Donkerblauw keramiek. Geen vogels. Geen gouden tekst. Mijn moeder had een hekel aan spullen met woorden erop, behalve aan haar mok met ‘Niet zeuren, koffie’.

‘Wilt u hem hier bekijken?’

Ik knikte.

De urn was kleiner dan ik had verwacht en zwaarder dan ik wilde. Ik hield hem met twee handen vast.

‘Zit alles hierin?’ vroeg ik.

‘De as die na de crematie is verzameld, ja.’

Ik wilde nog iets vragen, maar wist niet wat. Of haar handen er ook in zaten. Haar stem. De knie waar ze altijd over klaagde. Vragen die niemand kon beantwoorden zonder dat ik me nog beroerder zou voelen.

In de auto zette ik de doos op de passagiersstoel. Bij de eerste bocht schoof hij tegen het portier.

Ik parkeerde op een busstrook en deed de gordel eromheen.

Een buschauffeur toeterde. Ik stak mijn hand op zonder hem aan te kijken.

Thuis zette ik de urn op de eettafel. Daar kon hij niet blijven. We aten daar. Op de vensterbank stond hij te veel in de zon, al wist ik niet waarom dat erg zou zijn. In de boekenkast paste hij alleen als ik een plank verplaatste.

Uiteindelijk zette ik hem op het dressoir, naast een lamp.

Joris kwam om zes uur thuis.

‘Ze is er,’ zei ik.

Hij keek naar de kast.

‘Wil je dat ik iets zeg?’

‘Nee.’

Hij hing zijn jas op. Daarna vroeg hij wat ik wilde eten. Ik werd kwaad omdat hij over eten begon. Als hij niets had gezegd, was ik waarschijnlijk ook kwaad geworden.

Die nacht stond ik drie keer op om te kijken. Niet omdat ik dacht dat de urn zou verdwijnen. Ik moest controleren of het werkelijk zo was.

Mijn moeder stond in mijn woonkamer. Ik kon haar optillen. Ik kon haar afstoffen. Ik kon haar niet meer bellen.

Op mijn werk zei mijn collega Selma dat ik er moe uitzag.

‘Ik slaap slecht.’

‘Misschien moet je iets rustigs doen voor het slapengaan.’

Ik knikte. Zij bedoelde het goed. Toch moest ik naar het toilet om te huilen.

Een week later stuurde ik een offerte naar de verkeerde klant. Mijn leidinggevende vroeg of ik mijn uren tijdelijk wilde verminderen.

‘Nee, het gaat wel.’

Hij schoof de uitgeprinte offerte naar me toe. Er stond vertrouwelijke informatie op.

‘Noor. Het gaat nu niet helemaal.’

Dat was vervelender om te horen dan medelijden. Het was ook waar.

Ik ging vier ochtenden werken. Mijn huisarts vroeg naar eten, slapen en alcohol. Ik voelde me betrapt toen ik vertelde dat ik elke avond wijn dronk om moe te worden.

‘Helpt het?’ vroeg ze.

‘Tot drie uur ’s nachts.’

We maakten een afspraak voor twee weken later. Geen grote oplossing. Wel iemand die wilde weten hoe de volgende week verliep.

Daan kwam op zaterdag. Hij bleef in de deuropening staan toen hij de urn zag.

‘Zo. Naast de afstandsbediening.’

‘Waar moet ze anders?’

‘We zouden toch nog bespreken wat ermee gebeurt?’

‘We hebben niets afgesproken.’

Hij ging zitten, maar hield zijn jas aan.

‘Ze wilde naar het water, Noor.’

Mijn moeder had vaak verteld over Wijk bij Duurstede. Over wandelen langs de Lek. Ze had ook gezegd dat we haar desnoods in de kliko mochten gooien. Ik wist niet welke losse opmerking ineens een opdracht was geworden.

‘Ik ben er niet klaar voor.’

‘Wanneer dan wel?’

‘Geen idee.’

Hij keek naar de urn.

‘Ik ben haar ook kwijt.’

‘Dat weet ik.’

‘Soms lijkt het niet zo.’

Na zijn vertrek draaide ik de urn een stukje. Het stickertje van de leverancier zat nog aan de onderkant. Ik peuterde het los en begon opnieuw te huilen.

Hoofdstuk 4

De bovenste la

De woningcorporatie gaf ons zes weken om het huis leeg te maken. Er kon nog een maand bij, maar die huur moesten we zelf betalen.

Ik zei dat zes weken genoeg was.

Vervolgens deed ik twee zaterdagen bijna niets.

Ik vouwde haar theedoeken op. Ik sorteerde pennen op kleur. Ik hield een fles shampoo tegen mijn neus en schroefde hem snel weer dicht omdat ik bang was dat de geur zou verdwijnen.

Daan huurde een bus voor het laatste weekend.

‘Vandaag moeten er echt dingen weg,’ zei hij.

Hij had gelijk. Dat maakte hem irritanter.

We begonnen in de slaapkamer. Haar kleding ging naar de kringloop. Behalve het groene vest. En de spijkerblouse. En de jas met een treinkaartje in de zak. Mijn stapel uitzonderingen werd groter dan de vuilniszak.

‘Je hebt thuis geen ruimte voor alles,’ zei Daan.

‘Dat weet ik zelf ook.’

Hij liep naar de keuken. Ik hoorde een kastdeur hard dichtgaan.

In de bovenste la van haar nachtkastje vond ik een envelop van het ziekenhuis. Daaronder lagen medicijndoosjes en een schrift met bloeddrukmetingen.

Mijn moeder had hartproblemen. Dat wist ik. Ze slikte pillen en ging op controle. Als ik vroeg hoe het ging, zei ze meestal: ‘Dat hart doet het nog.’

De brief was twee maanden oud. Ik las woorden die ik kende, maar niet bij haar had geplaatst. Ernstig hartfalen. Toegenomen klachten. Besproken behandelopties.

Er stond ook dat zij na overleg had afgezien van verder onderzoek naar een mogelijke ingreep.

‘Daan.’

Hij kwam terug met een rol vuilniszakken.

‘Wist jij dit?’

Ik hield de brief omhoog.

Hij keek te lang voordat hij antwoord gaf.

‘Een deel.’

‘Wat is een deel?’

Hij ging op de rand van het bed zitten.

‘Dat het slechter ging. Dat ze niet overal meer voor wilde gaan.’

Ik voelde mijn gezicht heet worden.

‘En niemand dacht dat ik dat moest weten?’

‘Ze zou het zelf vertellen.’

‘Wanneer? Na de crematie?’

Hij kneep de rol vuilniszakken samen.

‘Doe even normaal.’

‘Jullie hebben het voor me verzwegen.’

‘Ja,’ zei hij. ‘Dat heb ik gedaan. Omdat zij het vroeg. Ik weet ook niet of dat goed was.’

Ik wilde dat hij een smoes gebruikte. Dan kon ik hem daarop aanvallen. Nu zat hij daar met een eerlijk antwoord waar ik niets mee kon.

‘Ik had met haar meegekund.’

‘Ze wilde niet dat je ieder gesprek zou overnemen.’

Dat kwam hard aan. Vooral omdat ik meteen wist welke gesprekken hij bedoelde. Bij de orthopeed had ik haar onderbroken. Bij de apotheek had ik namens haar geantwoord terwijl ze naast me stond.

‘Dus dit is mijn schuld?’

‘Dat zeg ik niet.’

‘Het klinkt wel zo.’

Daan stond op.

‘Ik ga even naar buiten.’

Ik bleef op haar bed zitten. De matras zakte in op de plek waar zij altijd had gelegen. Ik las de brief opnieuw. Er stond niet dat ze op die dinsdag zou sterven. Er stond ook niet dat ik haar had kunnen redden.

Toch rekende ik. Als ik vaker was gekomen. Als ik die ochtend had opgenomen. Als ik minder snel genoegen had genomen met haar antwoord.

Ria klopte op het raam. Ze bracht koffie in een thermoskan.

Ik liet haar de brief zien.

‘Ze werd steeds benauwder,’ zei ze.

‘Waarom zei ze niets?’

Ria trok een stoel bij.

‘Dat moet je mij niet vragen. Tegen mij zei ze ook maar de helft.’

‘Iedereen lijkt meer te weten dan ik.’

‘Ik woonde naast haar. Ik zag haar met de vuilniszak stoppen om adem te halen. Dat is niet hetzelfde als alles weten.’

Ze schonk koffie in. Haar hand beefde een beetje.

Toen Daan terugkwam, zei ik geen sorry. Hij ook niet. We haalden samen het bed uit elkaar.

Aan het einde van de middag stond de blauwe schaal op het aanrecht. De schaal uit haar voicemail. Ik wikkelde hem in een handdoek en nam hem mee.

De sleutel leverden we maandag in. Ik controleerde drie keer of alle ramen dicht waren. Daarna trok ik de voordeur achter me dicht.

Hoofdstuk 5

De lege plek

Op woensdagavond was de urn weg.

Ik kwam thuis met een tas boodschappen. Joris stond te koken. Op het dressoir lag alleen een lichte kring in het stof.

‘Waar is mam?’

Hij draaide zich om met een houten lepel in zijn hand.

‘Daan heeft haar opgehaald.’

Ik zette de tas te hard neer. Een pot pastasaus tikte tegen de tegels.

‘Wat?’

‘Hij zei dat jullie dat hadden afgesproken.’

‘Dat hebben we niet.’

Joris legde de lepel neer.

‘Hij had een sporttas bij zich. Ik dacht—’

Ik belde Daan. Hij nam niet op. Ik belde opnieuw. Daarna stuurde ik een bericht met alleen: Waar ben je?

Mijn hart sloeg zo hard dat ik misselijk werd.

Daan had zondag gezegd dat hij nog een week vrij had. Dat hij naar Wijk bij Duurstede wilde. Ik had hem afgekapt voordat hij zijn zin afmaakte.

Nu zag ik hem ergens aan het water staan. Een geopende urn. Wind.

Ik greep mijn autosleutel.

Joris ging voor de deur staan.

‘Niet rijden zoals je nu bent. Ik breng je.’

‘Ga dan.’

In de auto bleef ik bellen. Bij de vierde poging nam Daan op.

‘Wat is er?’

‘Waar ben je met haar?’

Hij zweeg.

‘Daan. Waar?’

‘In Wijk. Bij de parkeerplaats onder de molen.’

‘Blijf daar.’

‘Noor, ik ben niet—’

‘Je blijft daar.’

Joris zei niets. Hij reed en liet me trillen.

Daan stond naast zijn bus. De achterdeuren waren open. In de laadruimte stond de sporttas tussen een krat gereedschap en een opgevouwen deken.

Ik trok de rits open. De urn zat in een handdoek gewikkeld. Het deksel was dicht.

Ik tilde hem eruit.

‘Heb je iets gedaan?’

‘Nee.’

‘Zweer het.’

‘Ik heb niets gedaan.’

Ik klemde de urn tegen mijn buik.

‘Je hebt gelogen tegen Joris.’

‘Ja.’

‘Je bent mijn huis binnengekomen en hebt haar meegenomen.’

‘Ze is niet alleen van jou.’

Een fietser keek om. Ik wachtte tot hij voorbij was, alsof we daarna fatsoenlijk verder konden ruziën.

‘Je gaat niet zonder mij haar as uitstrooien.’

‘Dat was ik niet van plan.’

‘Waarom ben je dan hier?’

Daan wees naar de laadruimte.

‘Ik wilde met haar hier zijn. Even zonder jou. Zonder dat ik eerst toestemming moet vragen om naar die kast te kijken.’

Ik wilde hem niet geloven. Toch stond er geen lege asbus. Er lag geen geopend deksel. Hij had alleen een fles water en een boterham bij zich.

‘Je had het kunnen vragen.’

‘Dat heb ik geprobeerd.’

‘Niet zo.’

‘Nee. Niet zo.’

Hij leunde tegen de bus. Onder zijn ogen zaten donkere vlekken.

‘Ik sliep de laatste nachten op haar bank,’ zei hij. ‘Na haar dood. Weet je waarom?’

‘Omdat je het huis niet alleen wilde laten.’

‘Omdat ik thuis gek werd. Daar stond niets van haar. Jij had spullen. Jij had die voicemail. Jij hebt nu de urn. Ik had een tas met administratie.’

Ik zette de urn voorzichtig terug in de tas. Mijn armen deden pijn van het vasthouden.

‘Waarom heb je dat niet gezegd?’

Hij keek me aan.

Ik hoorde mijn eigen vraag. Ik had haar ook aan mijn moeder willen stellen. Er was blijkbaar veel waarvoor ik geen ruimte had gelaten.

Dat maakte zijn leugen niet goed. Ik zei het hardop.

‘Dit mag je nooit meer doen.’

‘Weet ik.’

‘Nee. Ik moet erop kunnen vertrouwen dat iets blijft staan als ik wegga.’

Hij knikte.

Joris stond een eindje verderop. Hij keek naar het water en gaf ons de tijd.

We spraken af dat de urn die avond met mij meeging. Dat we zaterdag bij Daan zouden praten. Niet tussen verhuisdozen. Niet aan de telefoon.

‘En niet meteen beslissen,’ zei ik.

‘Maar ook niet eindeloos uitstellen.’

‘Goed.’

Voor we weggingen, liep ik met Daan een stukje langs het water. De urn bleef in de afgesloten auto. Ik was nog woedend. Hij schopte tegen een steentje.

‘Ik mis dat ze altijd opnam,’ zei hij.

Ik keek naar zijn schoenen.

‘Ja,’ zei ik. ‘Dat mis ik ook.’

Hoofdstuk 6

Twee kleine potjes

Bij Daan thuis stond de koffie al klaar. Hij had gevulde koeken gekocht die mijn moeder lekker vond en wij allebei te zoet vonden.

‘Traditie,’ zei hij toen ik naar de verpakking keek.

‘Een slechte.’

Hij schoof het pak toch naar me toe.

We maakten die middag geen plan voor de rest van ons leven. Alleen voor de as.

Ik vertelde dat ik bang was dat er na het uitstrooien niets meer overbleef wat ik voor haar kon doen. Daan vertelde dat hij het benauwd kreeg van het idee dat zij voor altijd op mijn dressoir zou staan.

‘Alsof ze nog steeds thuis moet blijven omdat haar knie pijn doet,’ zei hij.

‘Het is as, Daan.’

‘Dat weet ik ook.’

We zwegen. We konden allebei uitleggen waarom de urn gewoon een voorwerp was. Geen van beiden behandelde hem zo.

Uiteindelijk belden we Pieter. Hij stelde voor dat we ieder een klein deel zouden bewaren. De rest konden we later uitstrooien op een plek waar dat was toegestaan.

Ik had er eerder van gehoord, maar het had gevoeld alsof we mijn moeder moesten verdelen. Nu vroeg ik hoe het praktisch ging.

Pieter legde het uit zonder plechtige stem. Dat hielp.

We kozen twee kleine keramieken potjes. Daan nam een grijs exemplaar. Ik een groen. De grote blauwe urn brachten we samen terug voor het verdelen van de as. Ik hoefde er niet bij te zijn. Eerst vond ik dat laf. Daarna besloot ik dat ik niet alles hoefde te bekijken om haar dochter te blijven.

In diezelfde maand ging ik naar een rouwgroep in Amersfoort. Mijn huisarts had het adres gegeven. Ik liet de folder twee weken onder de fruitschaal liggen.

Bij de eerste bijeenkomst bleef ik buiten staan tot een vrouw van ongeveer mijn leeftijd vroeg of ik ook niet naar binnen durfde.

‘Ik zoek het lokaal,’ loog ik.

‘Ik stel het uit,’ zei ze. ‘Kom.’

Ze heette Fatima. Haar man was overleden. Naast haar zat Henk, die zijn volwassen dochter miste. Ik dacht meteen dat ik minder reden had om daar te zitten. Mijn moeder was negenenzestig geworden. Ik was achtendertig. Dat was toch een logische volgorde.

De begeleider vroeg hoe mijn week was geweest.

Ik begon over werk. Over een wachtwoord dat ik drie keer verkeerd had ingetypt. Toen vertelde ik over de verdwenen urn.

Niemand zei dat ik overdreef.

Henk vroeg alleen: ‘Kon je broer hem heel terugbrengen?’

‘Ja.’

‘Dan kunnen jullie nog praten.’

Ik wist niet of ik zijn opmerking prettig vond. Ik dacht er de hele terugweg aan.

Voor het uitstrooien kwamen we uit bij een natuurterrein in de omgeving van Wijk bij Duurstede. Pieter hielp ons een plek te vinden en de toestemming te regelen. Niet precies het pad waar mijn moeder graag liep, maar dichtbij genoeg om daarna langs het water te gaan.

Op de ochtend zelf regende het. Daan belde om te vragen of we wilden uitstellen.

‘Nee,’ zei ik. ‘Anders wordt mooi weer ook nog een voorwaarde.’

We waren met vier mensen. Daan, Ria, Joris en ik. Geen muziek. Geen voorgedrukte tekst.

Ik had iets opgeschreven op de achterkant van een envelop. Toen ik aan de beurt was, zat het papier vast aan de binnenkant van mijn natte jas.

‘Laat maar,’ zei ik.

Ik vertelde dat ik kwaad op haar was. Omdat ze mij niet had verteld hoe ziek ze was. Dat ik ook begreep dat ze haar eigen besluiten mocht nemen. Dat begrijpen en kwaad zijn blijkbaar tegelijk konden.

Daan wreef over zijn gezicht.

Daarna strooiden we samen de as uit. Langzaam, zoals ons was uitgelegd. Het zag er anders uit dan ik had verwacht. Grover. Gewoner. Er gebeurde niets bijzonders in de lucht. Ik hoorde verkeer in de verte en Ria die haar neus snoot.

Toen het klaar was, bleef ik staan.

‘Moeten we nog iets?’ vroeg Daan.

‘Nee. Volgens mij niet.’

We liepen terug naar de auto. Onderweg hield Joris mijn hand vast.

Later aten we ergens soep. Daan knoeide op zijn trui. Ria vertelde hoe mijn moeder ooit een collectant had gevraagd haar vuilniszak buiten te zetten.

Ik lachte. Daarna huilde ik weer. Niemand schoof haastig een nieuw onderwerp naar voren.

Hoofdstuk 7

Een vrije zondag

Een jaar na haar dood viel mijn moeders verjaardag op een zondag. Ik werd vroeg wakker, nog voordat Joris zich omdraaide.

Op mijn telefoon stond de herinnering die ik nooit had verwijderd: Mam jarig, bellen.

Ik bleef naar het scherm kijken. Daarna veranderde ik de tekst in: Els, 70.

Dat vond ik beter. Een uur later vond ik het vreselijk. Ik liet het toch staan.

Het groene potje stond inmiddels in mijn boekenkast. Niet verstopt. Ook niet meer op de plek waar iedereen automatisch naar keek bij binnenkomst. De grote blauwe urn hadden we weggedaan. Ik had er eerst een vaas van willen maken, maar elke poging voelde als een opdracht om bijzonder goed met verlies om te gaan.

Ik wilde gewoon een vaas kunnen kopen zonder ingewikkeld gesprek met mezelf.

Mijn moeder was op meer plekken aanwezig dan in dat potje. Haar schaar lag in mijn keukenla. Haar groene vest hing aan de kapstok. De blauwe schaal gebruikte ik voor aardappelsalade, al had ik daar de eerste keer bijna de hele maaltijd om gehuild.

Sommige spullen waren inmiddels stuk. Een mok was uit mijn handen gevallen. Ik had de scherven een week bewaard en daarna weggegooid. Niemand hoefde daarvan op de hoogte te worden gebracht. Toch had ik Daan gebeld.

‘Die met die koffie?’ vroeg hij.

‘Ja.’

‘Lelijke mok.’

‘Ontzettend.’

We hadden samen gelachen. Pas daarna kon de vuilniszak dicht.

Het ging beter met me. Niet elke dag. Wel vaak genoeg om verschil te merken.

Ik werkte weer mijn gewone uren. Ik controleerde belangrijke mails nog steeds extra, maar niet omdat mijn hoofd voortdurend ergens anders was. Ik sliep meestal door. De wijn was geen slaapmiddel meer. Soms dronk ik een glas bij het eten. Soms niets.

De huisarts vroeg bij onze laatste afspraak of ik haar nog nodig had.

‘Nu niet,’ zei ik.

Ze zei dat ik opnieuw kon bellen als dat veranderde. Dat was voldoende.

Met Daan bleef het soms schuren. De avond waarop hij de urn had meegenomen, was niet uitgewist. Als hij zei dat we iets hadden afgesproken, vroeg ik weleens te scherp wanneer precies.

Dan keek hij me aan en zei: ‘Ik weet het, Noor.’

We hoefden niet iedere keer opnieuw de hele ruzie te voeren. Dat leerden we langzaam.

Op haar verjaardag kwam hij om elf uur. Hij had bloemen bij zich. Geen rood en geel, maar paarse tulpen.

‘Voor jou,’ zei hij.

‘Je kunt ze gewoon voor mam hebben gekocht.’

‘Goed. Dan zijn ze voor mam. Mag jij het water verversen.’

We reden naar Wijk bij Duurstede. Ria ging niet mee. Ze had last van haar heup en wilde ’s middags visite ontvangen. Joris bleef thuis. Hij vroeg niet of ik dat zeker wist.

Daan en ik liepen langs het water. We bespraken zijn werk, mijn lekkende dakgoot en de prijs van koffie op een terras. Daarna vertelde hij dat hij onze moeder soms nog belde in zijn hoofd.

‘Ik ook,’ zei ik.

‘Neemt ze bij jou op?’

‘Ze vraagt waarom ik zo laat bel.’

Hij lachte en keek weg.

Op een bankje luisterden we naar de voicemail. Ik had hem in het afgelopen jaar steeds minder vaak afgespeeld. Een tijdlang was ik bang geweest dat ik haar stem zou vergeten als ik niet oefende. Nu kon ik het bericht horen zonder er een test van te maken.

‘Die blauwe schaal staat nog hier,’ zei mijn moeder.

Naast ons trok een hond aan zijn riem. Er reed een brommer voorbij. Haar stem eindigde met hetzelfde korte ‘Doei’.

Ik stopte mijn telefoon in mijn jaszak.

‘Zullen we wat eten?’ vroeg ik.

Daan knikte.

Die avond maakte ik thuis plannen voor een paar dagen naar zee met Joris. We waren sinds haar dood nergens samen heen geweest. Eerst had ik het niet gekund. Daarna had ik steeds een reden gevonden om het niet te doen.

Ik boekte een kleine kamer in Egmond. Twee nachten. Geen groot besluit.

Voor het slapengaan zette ik de tulpen op de eettafel. Ik dacht aan mijn moeder en voelde het bekende gemis. Ik miste haar handen, haar commentaar, haar lange telefoongesprekken. Ook de gesprekken waar ik vroeger geen zin in had.

Toen controleerde ik niet de urn, maar of de achterdeur op slot zat. Ik deed het licht uit en ging naar boven. Joris schoof op toen ik naast hem kwam liggen.

‘Geboekt?’ vroeg hij.

‘Ja.’

‘Fijn.’

Ik bleef nog even wakker. Deze keer hoefde ik niet op te staan.