Werk en maatschappij
Mijn sollicitatie nummer honderd
Hoofdstuk 1
Mijn sollicitatie nummer honderd
De beveiliger hield mijn tas vast terwijl mijn telefoon voor de derde keer trilde.
‘Uw naam staat niet op de lijst.’
‘Samira El Amrani. Half tien. Bij Iris de Groot.’
Hij draaide zijn scherm een stukje, alsof ik zelf moest vaststellen dat ik niet bestond. Achter hem gingen poortjes open voor mensen met pasjes. Natte jassen. Kartonnen koffiebekers. Iemand vloekte omdat de lift weer op de zevende stond.
Het was dinsdag. Utrecht, Papendorp. Ik had twee bussen genomen en het laatste stuk door de regen gelopen. In mijn tas zat een map met mijn cv, diploma’s en drie referenties. Sollicitatie nummer honderd. Ik had het getal die ochtend in mijn schrift gezet. Niet om iets te vieren. Om niet opnieuw te tellen.
‘Wilt u haar bellen?’ vroeg ik.
‘Ik krijg geen gehoor.’
Mijn telefoon trilde weer. De school van mijn dochter.
Ik nam op.
‘Met Samira.’
‘Nora heeft haar gymtas niet bij zich. Ze zegt dat u hem misschien kunt brengen.’
Ik keek naar mijn schoenen. Langs de naden trok regen naar binnen.
‘Vandaag niet.’
De vrouw zweeg even.
‘Dan zoeken we iets uit.’
Dat klonk vriendelijk. Toch voelde ik me meteen een slechte moeder. Een die voor een gesprek zonder garantie haar kind op geleende gymschoenen liet lopen.
‘Mevrouw El Amrani?’
Een vrouw in een groene trui kwam door de poortjes. Ze glimlachte naar de beveiliger.
‘Mijn fout, Henk. Ik had haar aangemeld voor morgen.’
Geen excuses. Wel een hand.
Boven stond een glas water klaar. Naast Iris zat een man met een dunne laptop. Hij heette Wouter en leidde de klantenadministratie. Hij keek eerst naar mijn map en toen naar mijn gezicht.
‘U hebt lang bij Van Kessel gewerkt.’
‘Dertien jaar. Orderadministratie. De laatste vier jaar ook retouren en voorraadverschillen.’
‘En daarna?’
‘Het bedrijf ging failliet.’
‘Dat zie ik. Ik bedoel de periode daarna.’
Achttien maanden, bedoelde hij. Het gat. Alsof er een deel van mij ontbrak.
‘Ik heb gesolliciteerd. Een cursus Excel gevolgd. Tijdelijk mijn vader geholpen na een operatie. En ik doe de administratie van de voetbalvereniging.’
Hij tikte iets.
‘Onbetaald?’
‘Ja.’
‘We zoeken vooral iemand met recente ervaring.’
Ik schoof mijn map naar voren.
‘Bij die vereniging heb ik dubbele incasso’s gevonden. Drieëntwintig leden kregen geld terug. Ik kan u laten zien hoe.’
‘Misschien straks,’ zei Iris.
Straks kwam niet.
Wouter vroeg of ik stressbestendig was. Of ik flexibel kon werken. Of mijn dochter vaak ziek was. Bij die laatste vraag hield Iris haar pen stil.
‘Dat is niet relevant,’ zei ze.
‘Ik bedoel beschikbaarheid.’
‘Ik ben beschikbaar voor tweeëndertig uur,’ zei ik. ‘Zoals in de vacature staat.’
Hij vouwde zijn handen.
‘We beginnen hier vaak om half acht.’
‘Met een vast rooster kan ik opvang regelen.’
‘We zijn juist een dynamische organisatie.’
Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen zonder boos te klinken. Een rooster kon veranderen. Een kind van negen kon niet veranderen in iemand die zichzelf iedere ochtend naar school bracht.
Na drieëntwintig minuten stonden we weer op.
‘U hoort van ons.’
Beneden liet Henk mijn tas ongemoeid. Hij knikte alleen. Buiten ging ik onder een afdak staan en at mijn boterham. Kaas. Het brood was tegen de appel in mijn tas gedrukt.
Ik huilde niet. Dat deed ik bij nummer zevenendertig, in de trein uit Amersfoort. Bij nummer tweeënzestig had ik een complete middag op bed gelegen. Nu controleerde ik de vertrektijd van de bus.
Er kwam een bericht binnen van mijn klantmanager bij de gemeente. Of ik donderdag kon langskomen voor een verplicht voortgangsgesprek. Ik moest mijn sollicitatieoverzicht meenemen.
Daaronder verscheen een mail van Iris.
Ik opende hem met mijn boterham nog in mijn hand.
Ze bedankte me voor het prettige gesprek. Ze hadden besloten verder te gaan met kandidaten die beter aansloten bij het profiel.
Ik keek naar de glazen gevel. Boven zat ik waarschijnlijk nog in de lift in hun agenda.
Thuis schreef ik achter nummer honderd: afgewezen.
Nora stond naast me in haar sokken.
‘Was het niks?’
‘Nee.’
‘Zij of jij?’
Ik legde mijn pen neer.
‘Vandaag denk ik zij.’
Hoofdstuk 2
De map
Donderdag schoof mijn klantmanager twee vellen papier naar me toe. Ze heette Linda. Op haar bureau stond een foto van een hond in een fietskar.
‘Een werkervaringsplek,’ zei ze. ‘Bij Herpak in Overvecht. Dat kan helpen om weer ritme op te bouwen.’
‘Ik heb ritme.’
Mijn stem klonk harder dan ik wilde. Ik stond iedere ochtend om kwart over zes op. Brood maken. Vacatures zoeken. Nora wekken. Naar school fietsen. Brieven schrijven. Boodschappen afwegen tegen het bedrag op mijn rekening.
Linda keek naar mijn schrift.
‘Honderd sollicitaties is veel.’
‘Zevenentwintig gesprekken. Inclusief videobellen.’
‘Dan moeten we misschien iets anders proberen.’
‘Betaald werk bijvoorbeeld.’
Ze trok de vellen niet terug. Ik zag dat haar nagelriem bloedde. Ze had eraan zitten peuteren.
‘Ik probeer met u mee te denken, Samira.’
Ik haalde adem. Linda had mijn baan niet laten verdwijnen. Ze had de huren niet verhoogd. Maar zij zat tegenover me en ik moest ergens met mijn woede heen.
Herpak verwerkte retourzendingen voor webwinkels. Apparaten controleren. Dozen sorteren. Serienummers invoeren. De gemeente had er plekken ingekocht voor mensen die langer zonder werk zaten.
‘Hoeveel uur?’
‘Vierentwintig. Zes weken. Daarna evalueren we.’
‘En loon?’
‘U houdt uw uitkering.’
‘Dat is geen loon.’
‘Nee.’
Dat ene woord maakte het gesprek even draaglijker. Ze probeerde het tenminste niet mooier te maken.
Ik las het formulier. Er stond dat het doel arbeidsontwikkeling was. Er stond ook dat ik instructies van de begeleider moest opvolgen. Over kinderopvang stond niets. Over reiskosten evenmin.
‘Wie betaalt de bus?’
Linda opende een ander scherm.
‘Dat kunnen we vergoeden.’
‘En de opvang?’
‘Dat moet ik navragen.’
‘Dan teken ik nog niet.’
Ze keek op. Ik verwachtte het woord verplicht. Misschien een waarschuwing. In plaats daarvan zette ze met haar pen een streep bij de startdatum.
‘Ik mail u eerst de afspraken.’
Buiten belde ik mijn zus Dounia. Ze nam op tussen twee klanten in haar kapsalon in Kanaleneiland.
‘Zeg het snel. Ik heb verf in een haarlijn.’
‘Ze willen dat ik gratis retouren ga sorteren.’
‘Niet gratis. Voor je uitkering.’
Ik bleef staan naast het fietsenrek.
‘Dat maakt het toch niet ineens betaald werk?’
Ze zuchtte.
‘Nee. Sorry. Ik hoor mezelf.’
Dat was het goede aan mijn zus. Ze kon iets lelijks zeggen en het daarna terugnemen zonder er een heel verhaal van te maken.
‘Kom vanavond eten,’ zei ze. ‘Neem die papieren mee.’
Bij Dounia thuis zat mijn zwager Murat al aan tafel. Hij reed busdiensten en droeg zijn uniform nog. Nora en haar neefje bouwden een hut tussen de bank en de boekenkast.
Ik legde het formulier naast de pan rijst.
Murat las langzaam. Daarna tikte hij op het woord begeleiding.
‘Wie doet dat?’
‘Staat er niet.’
‘Dan moet je dat weten.’
Dounia pakte een blocnote. Ze schreef vragen op. Wat leer ik? Wie begeleidt me? Welke baan kan eruit volgen? Hoe wordt beoordeeld of het lukt?
Ik ergerde me eerst. Het voelde alsof twee mensen met werk mij gingen uitleggen hoe ik werk moest zoeken. Toen zag ik hoe serieus ze keken.
‘Ik ben moe,’ zei ik.
Dounia legde haar pen neer.
‘We weten het.’
‘Nee. Ik bedoel niet slaperig.’
Uit de woonkamer klonk gelach. Nora riep dat de hut instortte. Niemand aan tafel stond meteen op.
Ik vertelde over Wouter. Over de vraag of Nora vaak ziek was. Over de mail die al kwam voordat ik de bushalte had bereikt.
Murat schoof mijn bord dichterbij.
‘Eerst eten. Daarna die vragen.’
De volgende middag mailde Linda. Vaste dagen. Schooltijden waren mogelijk. Reiskosten werden vergoed. Mijn contactpersoon bij Herpak heette Bas. Er waren geen vacatures toegezegd.
Ik waardeerde dat laatste meer dan ik wilde.
Ik antwoordde dat ik maandag zou komen. Wel wilde ik na twee weken een tussengesprek.
Daarna pakte ik mijn map. Ik haalde de oude motivatiebrieven eruit en stopte de afspraken van Linda vooraan.
Nora keek vanaf de bank.
‘Heb je nu werk?’
‘Nog niet.’
‘Wat dan?’
‘Maandag ga ik ergens kijken of ze me echt iets kunnen leren.’
Dat kon ik uitleggen zonder te liegen.
Hoofdstuk 3
De rode bak
Bas gaf me een geel hesje en wees naar een rij tafels.
‘Retouren links. Gecontroleerd rechts. Twijfelgevallen in de rode bak.’
‘Goedemorgen,’ zei ik.
Hij keek naar me alsof hij een stap had overgeslagen.
‘Ja. Goedemorgen. Koffie achterin.’
De hal van Herpak lag aan de rand van Overvecht. Buiten stonden bestelwagens dicht op elkaar. Binnen rook het naar karton, stof en warme plastic verpakkingen. Een radio hing boven een deur. Niemand luisterde. Hij stond te zacht om de heftruck te overstemmen.
Mijn tafelgenoot heette Joost. Hij was zevenenvijftig, zei hij voordat ik ernaar vroeg.
‘Dan hoef je niet te schatten.’
Hij had vroeger drukpersen bediend. Zijn linkerhand trilde wanneer hij kleine stickers lospeuterde. Grote dozen tilde hij zonder moeite.
Aan de volgende tafel werkte Amina. Ze had in Syrië een boekhandel gehad. Hier controleerde ze broodroosters. Ze liet zien hoe ik het serienummer moest scannen.
‘Niet de code op de doos. Eerst op het apparaat.’
‘Waarom?’
Ze hield twee etiketten naast elkaar. Verschillende nummers.
‘Mensen sturen van alles terug.’
Om tien uur kreeg ik een stapel waterkokers. Ik moest controleren of ze compleet waren. Deksel. Voet. Snoer. Geen zichtbare schade. Daarna een vakje aanklikken.
‘Doen we ook een elektrische test?’ vroeg ik.
‘Niet aan deze tafel,’ zei Joost. ‘Dat doet technisch.’
Hij wees naar een afgeschermde hoek. Er stond niemand.
Tegen twaalf uur had ik zeventien dozen verwerkt. Bas kwam kijken.
‘Dat moeten er uiteindelijk wel veertig worden.’
‘Per dag?’
‘Per uur.’
Ik keek naar de waterkoker in mijn handen. Rond de aansluiting zat een bruine rand.
‘Deze gaat in rood.’
Bas boog zich erover.
‘Kan vuil zijn.’
‘Kan ook hitte zijn.’
Hij trok de rode bak dichterbij.
‘Dan rood.’
Ik had verwacht dat hij moeilijk zou doen. Daardoor werd ik voorzichtig met mijn oordeel over hem. Niet vriendelijk. Wel praktisch, dacht ik.
In de kantine opende Joost een broodtrommel met vier identieke boterhammen.
‘Hoe lang zit jij hier?’ vroeg ik.
‘Vier maanden.’
‘Ik dacht zes weken.’
‘Dat dacht ik ook.’
Amina schonk thee in een glazen pot waar ooit pastasaus in had gezeten.
‘Bij mij drie maanden. Mijn taal moet beter.’
Ze sprak duidelijk. Alleen bij lange woorden stopte ze soms.
‘Krijg je hier les?’
‘Ik krijg broodroosters.’
Joost lachte kort. Daarna keek hij naar de klok.
Die middag mocht ik serienummers verwerken op de computer. Daar was ik sneller. Het systeem leek op dat van Van Kessel. Andere kleuren, dezelfde onhandige zoekvelden.
Bij de zesde invoer verscheen een melding. Serienummer al bekend.
Ik opende de geschiedenis. Het apparaat was vorige week gecontroleerd. Status: afkeur. Twee dagen later was die status veranderd in verkoopbaar.
Ik riep Bas.
‘Is dit een gerepareerd apparaat?’
Hij keek over mijn schouder.
‘Waarschijnlijk.’
‘Waar staat de reparatie?’
‘In een ander systeem.’
‘Kan ik dat zien?’
‘Dat hoef jij niet te controleren.’
Hij zei het zonder te schreeuwen. Toch draaide Joost zijn hoofd.
Ik voerde het nummer niet opnieuw in. Ik zette de doos naast de rode bak. Aan het einde van mijn dienst stond hij er nog.
Thuis rook mijn trui naar karton. Nora zat aan de keukentafel met haar rekenschrift.
‘Was het leuk?’
‘Sommige mensen wel.’
‘En het werk?’
‘Ik moet nog zien wat ik ervan kan leren.’
Ze schoof haar schrift naar me toe. Breuken. Ik legde uit hoe je drie kwarten en één kwart optelt. Dat lukte. Er kwam een antwoord uit dat niemand achteraf kon veranderen.
De volgende ochtend stond de doos niet meer bij mijn tafel. Ik zocht het serienummer op. Verkoopbaar.
Bij de wijziging stond mijn gebruikersnaam.
Ik voelde mijn nek warm worden. Gisteren had Bas mijn scherm gebruikt. Daarna had ik dozen opgeruimd. Ik had niet uitgelogd.
‘Bas.’
Hij stak een hand op. Even wachten.
Ik bleef naast hem staan tot hij zijn gesprek beëindigde.
‘Er is onder mijn naam een afkeur gewijzigd.’
Hij keek eerst naar de andere tafels.
‘Kom maar even mee naar kantoor.’
Hoofdstuk 4
Onder mijn naam
Het kantoor had glas aan twee kanten. Ik kon Joost zien, maar niet horen. Bas sloot de deur.
‘Jij maakt het groter dan het is.’
Ik ging niet zitten.
‘Is die waterkoker getest?’
‘Dat wordt afgehandeld.’
‘Dat vroeg ik niet.’
Hij trok een stoel naar achteren en ging zelf zitten.
‘We werken hier met partijen. Soms worden statussen in een keer aangepast. Jij bent hier om ervaring op te doen, niet om het proces te controleren.’
‘Er staat mijn naam bij.’
‘Je naam staat bij een handeling. Niemand zegt dat jij verantwoordelijk bent voor het hele bedrijf.’
Ik wilde hem geloven. Dat was het vervelende. Als hij één testverslag had geopend, was ik teruggegaan naar mijn tafel.
‘Haal dan mijn naam van die handeling af.’
‘Zo werkt het systeem niet.’
Ik hoorde de heftruck achter het glas piepen. Bas keek op zijn horloge.
‘We bespreken je houding bij de evaluatie.’
Daar was het woord. Houding. Niet de doos. Niet het serienummer. Ik.
Ik liep terug naar de hal en logde uit. Daarna vroeg ik Amina waar reservehandschoenen lagen. Mijn handen trilden. Ik wilde iets doen wat gewoon klopte.
In de pauze ging ik buiten op een stapel lege pallets zitten. Joost kwam naast me staan.
‘Wat was er?’
Ik vertelde het.
Hij wreef met zijn duim over de rand van zijn broodtrommel.
‘Ik heb vorige maand ook zoiets gehad. Een snoer met bloot koper. Later lag dat ding tussen de goedgekeurde spullen.’
‘Heb je het gemeld?’
‘Bij Bas.’
‘En?’
‘Ik kreeg te horen dat ik verkeerd had gekeken.’
Amina kwam naar buiten met haar thee. Ze bleef bij de deur staan.
‘Geen foto’s maken,’ zei ze. ‘Dat mag niet. Iemand is daarom weggestuurd.’
Ik haalde mijn telefoon niet uit mijn zak.
‘Ik ga alleen opschrijven wat ik zelf heb gezien.’
‘Mijn naam niet,’ zei Joost meteen.
Dat deed pijn, al begreep ik hem. Hij zat er al vier maanden. Hij was bang dat een slecht verslag nog meer maanden zou betekenen.
Thuis schreef ik tijden en handelingen op. Geen klantgegevens. Geen foto’s. Alleen wat ik zeker wist. Nora zat tegenover me een spreekbeurt over zeehonden te oefenen.
‘Mama, luister je?’
‘Nog één minuut.’
‘Dat zei je net ook.’
Ik klapte het schrift dicht.
Ze begon opnieuw. Ik luisterde naar de Waddenzee en jonge dieren die alleen op het strand lagen. Daarna at ik met haar pasta. Pas toen ze sliep, mailde ik Linda.
Ik schreef dat ik wilde blijven werken, maar niet onder mijn naam oncontroleerbare wijzigingen wilde laten uitvoeren. Ik vroeg om andere werkzaamheden tot het was uitgezocht. Ik las de mail vier keer voordat ik hem verstuurde.
Om kwart over negen belde Dounia.
‘Je klinkt alsof je bij de tandarts zit.’
‘Misschien raak ik mijn uitkering kwijt.’
‘Heeft iemand dat gezegd?’
‘Nee.’
‘Dan weten we dat nog niet.’
Ze zocht het nummer van een onafhankelijk sociaal raadslid voor me op. De volgende ochtend belde ik vanuit het trappenhuis, zodat Nora niets hoorde voordat ze naar school ging.
De raadsvrouw heette Marieke. Ze liet me uitspreken.
‘Stop niet zomaar met verschijnen,’ zei ze. ‘Leg vast wat u meldt en vraag schriftelijk om instructies. U hoeft dit niet alleen uit te zoeken.’
Ze beloofde geen goede afloop. Dat hielp meer dan geruststelling zonder grond.
Bij Herpak gaf Bas me die dag alleen verpakkingswerk. Mijn toegang tot het systeem was geblokkeerd.
‘Op verzoek van de gemeente?’ vroeg ik.
‘Voorlopig,’ zei hij.
Om elf uur kwam er een mail van Linda. Ze had overleg met Herpak aangevraagd. Ik moest vrijdag naar het stadskantoor komen. Bas zou aansluiten.
Ik werkte verder. Karton platmaken. Tape verwijderen. Stapelen.
Amina schoof een zware doos naar zich toe voordat ik hem kon pakken.
‘Ik heb ook nummers opgeschreven,’ zei ze zacht.
Ik keek op.
‘Voor mezelf,’ voegde ze eraan toe.
‘Dat is goed.’
Meer zei ik niet. Ik wilde haar niet naar voren trekken omdat ik bang was om er alleen te staan.
Die avond zocht ik mijn sollicitatieoverzicht uit. Bovenaan legde ik de afwijzing van nummer honderd. Daaronder mijn afspraken met Linda. Ik wist niet welk bewijs vrijdag het zwaarst zou wegen.
Hoofdstuk 5
Aan tafel
Marieke zat al in de wachtruimte toen ik aankwam. Ze droeg een blauwe jas en had een dun notitieboek bij zich. Ik had verwacht dat iemand die me moest helpen een grotere tas zou hebben.
‘Hebt u ontbeten?’ vroeg ze.
‘Ja.’
Dat was niet waar. Ze keek naar de beker koffie in mijn hand, maar zei niets.
In de vergaderkamer zaten Linda, Bas en een vrouw die zich voorstelde als Ellen Vermeer, directeur van Herpak. Bas had voor het eerst geen hesje aan. Zonder dat geel leek hij jonger.
Linda opende het gesprek.
‘We bespreken vandaag twee zaken. De melding van Samira en de voortgang van haar traject.’
‘Dat zijn verschillende zaken,’ zei Marieke.
‘Ja,’ zei Linda. ‘Daarom beginnen we met de melding.’
Ik schoof mijn aantekeningen op tafel. Mijn vingers bleven aan het papier hangen. Ik vertelde over de bruine aansluiting. Over de rode bak. Over de wijziging onder mijn naam.
Ellen luisterde zonder me te onderbreken.
‘Dat apparaat is niet uitgeleverd,’ zei ze toen ik klaar was. ‘De partij staat geblokkeerd.’
Mijn schouders zakten een stukje.
‘Is het getest?’
‘Dat kunnen we nog niet vaststellen. De registratie is onvolledig.’
Bas bewoog in zijn stoel.
‘Het was een bulkcorrectie. We hadden verkeerde statussen gekregen vanuit een importbestand.’
‘Onder mijn account,’ zei ik.
‘Omdat dat scherm openstond.’
Het bleef stil.
Voor het eerst hoefde ik niets te bewijzen. Hij had het zelf gezegd.
Ellen draaide haar pen tussen haar vingers.
‘Dat had niet gemogen.’
Bas keek naar de tafel.
Ik had gedacht dat dit moment prettig zou zijn. Het voelde vooral vermoeiend. Ik wilde een glas water, maar de kan stond buiten mijn bereik.
Marieke schoof hem naar me toe.
Daarna ging het over werktempo. Bas had een verslag gemaakt. Ik stelde veel vragen. Ik haalde de norm niet. Ik zou moeite hebben met aansturing.
‘Welke leernorm was afgesproken?’ vroeg Marieke.
Linda bladerde door het trajectplan.
Er stond geen aantal in. Er stonden woorden als werknemersvaardigheden, belastbaarheid en doorstroom.
‘Wat heeft Samira in de eerste week geleerd?’ vroeg Marieke.
Bas noemde scannen en sorteren.
‘En wat sluit aan bij haar administratieve ervaring?’
Niemand antwoordde meteen.
Ik dronk eindelijk water.
‘Ik hoef niet te beginnen als leidinggevende,’ zei ik. ‘Ik wil best dozen uitpakken. Maar als ik iets opmerk wat niet klopt, wil ik niet dat dat mijn slechte houding wordt.’
Linda knikte en maakte een aantekening.
Ellen stelde voor dat ik op een andere afdeling verder zou gaan. Twee ochtenden bij de planning. Een middag magazijnwerk. Met een andere begeleider.
‘Is daar uitzicht op betaald werk?’ vroeg ik.
‘Op dit moment niet.’
Ik keek naar Linda.
‘Dan wil ik dat we opnieuw bekijken of dit traject zinvol is.’
Mijn hart sloeg zo hard dat ik mijn eigen stem vreemd hoorde. Ik vroeg niets groots. Toch voelde het alsof ik iets afpakte.
We kwamen niet met één besluit naar buiten. Linda zou het traject tijdelijk pauzeren terwijl ze een alternatief zocht. Ze bevestigde later die middag per mail dat mijn uitkering tijdens die pauze doorliep. Herpak zou mijn naam bij de bewuste handeling voorzien van een correctienotitie. Over hun veiligheidsprocedure kregen wij geen onderzoekrapport, alleen de toezegging dat die werd nagekeken.
Dat was minder dan volledige zekerheid. Wel meer dan ik maandag had gehad.
Buiten kocht ik een broodje bij een kiosk. Marieke moest naar haar volgende afspraak.
‘U bleef duidelijk,’ zei ze.
‘Ik was doodsbang.’
‘Dat sluit elkaar niet uit.’
Op weg naar huis belde Joost. Hij had mijn nummer van het briefje gekregen dat ik hem zelf had gegeven.
‘Ze hebben de rode bakken apart gezet,’ zei hij. ‘En iedereen krijgt een eigen inlog.’
‘Mooi.’
‘Mijn plek wordt niet verlengd. Eind volgende maand klaar.’
Ik zweeg.
‘Nee,’ zei hij snel. ‘Niet door jou. Was al besloten. Er is geen baan.’
We praatten nog even. Over zijn afspraak bij het UWV. Over zijn hand. Ik kon niets voor hem oplossen.
Thuis lag een nieuwe brief op de mat. Een herinnering aan een rekening van de tandarts.
Ik ging aan tafel zitten en maakte hem open. Daarna belde ik voor een betalingsregeling. Ook na een goed gesprek moest dat gewoon.
Hoofdstuk 6
De proef
Twee weken later belde Linda over een vacature bij een onderhoudsbedrijf in Nieuwegein. Het bedrijf heette Stadskern Service. Geen traject. Geen vrijwilligersplek. Een contract voor zeven maanden, vierentwintig uur per week.
‘Administratie en planning,’ zei ze. ‘Ze zoeken iemand die fouten ziet voordat de monteur bij het verkeerde adres staat.’
‘Dat laatste stond vast niet letterlijk in de vacature.’
‘Nee. Dat zei de teamleider.’
Ik vroeg naar de uren, het salaris en de werkdagen. Linda wist niet alles. Ze stuurde me de vacature en het telefoonnummer.
Die middag belde ik zelf.
De teamleider heette Eva Smit. Ze klonk buiten adem.
‘Ik sta bij een kapotte printer. Dat is geen goede plek voor een gesprek. Kan ik u over tien minuten bellen?’
Na negen minuten belde ze terug.
Dat was een klein ding. Ik schreef het toch op.
We spraken af voor vrijdag. Ik hoefde geen motivatiebrief te schrijven. Wel moest ik mijn cv meenemen en een voorbeeld kunnen geven van een probleem dat ik had opgelost.
Ik koos de dubbele incasso’s bij de voetbalvereniging. Niet Herpak. Ik wilde een gesprek over werk, niet opnieuw over een conflict.
Op donderdagavond haalde ik mijn blouse uit de kast. Bij de mouw zat een losse draad. Ik knipte hem af. Nora lag op mijn bed met een boek.
‘Welk nummer?’ vroeg ze.
‘Honderdeen.’
‘Je had toch ook op die andere gereageerd?’
Ze had gelijk. Tussendoor had ik nog vier brieven gestuurd. Zonder gesprekken. Ik had de telling in mijn hoofd stilgezet bij honderd.
‘Honderdvijf,’ zei ik.
‘Dan moet je het goed opschrijven.’
Ik pakte mijn schrift.
Stadskern zat in een laag pand naast een groothandel. In de gang stonden werkschoenen op een mat. Eva haalde zelf koffie. Haar collega Dennis zat al aan tafel. Hij was planner en had een pleister om zijn duim.
Eva vroeg naar Van Kessel. Niet alleen waarom ik weg was, maar wat ik op een gewone dinsdag deed.
Ik vertelde over ontbrekende leverbonnen. Over chauffeurs die belden terwijl een klant naast mijn bureau stond. Over de inkoper die alles dringend vond.
Dennis lachte.
‘Die hebben wij ook.’
Daarna schoof hij een oefenplanning naar me toe. Verzonnen namen, legde hij uit. Geen echt klantwerk.
‘Twee monteurs. Zes opdrachten. Eén spoedmelding. Wat wil je weten?’
Ik las de lijst. Een lekkage. Een klemmende deur. Een kapotte pomp. Bij één adres stond alleen een postcode.
‘Eerst of de lekkage is afgesloten. Dan welke monteur die pomp kan repareren. En dit adres is niet compleet.’
Dennis wees naar het tijdvak.
‘Je kunt hem alvast inplannen.’
‘Maar niet laten vertrekken zonder huisnummer.’
Hij knikte. Ik wist niet of dat goed of slecht betekende.
We werkten de oefening uit. Ik maakte één fout. Ik plande een rit te krap in omdat ik de afstand tussen twee wijken verkeerd inschatte.
‘Hier heb je twintig minuten nodig,’ zei Dennis.
‘Dan schuift deze afspraak. Of ik bel eerst of de klant later kan.’
Ik streepte mijn eerste tijd door. Niemand deed alsof een correctie een bekentenis was.
Aan het einde vroeg Eva naar mijn beschikbaarheid.
‘Drie vaste dagen. Ik kan vroeg beginnen als ik de opvang vooraf kan regelen.’
‘We zoeken iemand voor maandag, dinsdag en donderdag. Van half negen tot vijf. Past dat?’
Ik rekende. Dounia kon niet iedere week bijspringen. Opvang moest echt geregeld worden.
‘Waarschijnlijk. Ik wil het bevestigen voordat ik ja zeg.’
‘Prima.’
Op maandag belde Eva. Ze bood me de baan aan, met een proeftijd van een maand. Ik zat op dat moment bij de fietsenmaker, waar mijn achterrem werd afgesteld.
‘Wilt u de voorwaarden mailen?’ vroeg ik.
‘Natuurlijk.’
Pas buiten durfde ik Dounia te bellen.
Ze schreeuwde zo hard dat ik de telefoon van mijn oor haalde.
Daarna belde ik de opvang. Geen plek op dinsdag. Wel op maandag en donderdag.
Ik ging op een bankje zitten. Een baan was nog geen werkende week.
Die avond maakten mijn zus, Nora’s vader en ik een rooster. Haar vader nam dinsdagmiddag over en legde dat vast met zijn werkgever. Ik stuurde Eva de volgende ochtend mijn akkoord.
Daarna las ik het contract nog een keer. Mijn naam stond bovenaan. Dit keer naast een salaris.
Hoofdstuk 7
Een gewone dinsdag
Op mijn derde werkdag stuurde ik een monteur naar Houten terwijl hij in Nieuwegein moest zijn.
Ik had twee opdrachten met bijna dezelfde straatnaam verwisseld. Dennis zag het toen de monteur belde dat hij het huisnummer niet kon vinden.
‘Geef maar hier,’ zei ik.
Ik nam de telefoon over.
‘Er staat een fout adres in je opdracht. Dat heb ik gedaan. Ik stuur nu het goede.’
De monteur vloekte. Niet tegen mij, zei hij daarna, maar tegen de ochtend. Hij stond ook nog achter een vuilniswagen.
Ik belde de klant en gaf een nieuwe aankomsttijd. Daarna liep ik naar Eva.
Mijn maag deed pijn. Ik kende dat gevoel. Een fout kon in mijn hoofd razendsnel veranderen in een ontslagbrief.
Eva keek naar de herstelde planning.
‘Wat ga je anders doen?’
‘Voor verzending postcode en huisnummer samen controleren. Niet alleen de straatnaam.’
‘Goed. Zet dat ook in onze werkinstructie. Dit is eerder gebeurd.’
Ik bleef nog een tel staan.
‘Was dat alles?’ vroeg ze.
‘Ja.’
Bij mijn bureau moest ik even gaan zitten zonder iets te doen. Dennis schoof een stapel werkbonnen naar me toe.
‘Welkom bij de mensen die weleens het verkeerde vakje aanklikken.’
‘Bij mij voelt het meteen alsof ik alles kwijt ben.’
Hij keek op van zijn scherm.
‘Dan zeggen we het wat duidelijker. Je bent niet alles kwijt.’
Daarmee was de angst niet weg. De volgende ochtend controleerde ik mijn mail nog steeds voordat ik mijn jas uittrok. Ik schrok als Eva onverwacht achter me stond. Soms hoorde ik in een gewone vraag kritiek die er niet was.
Werk maakte me niet in vier dagen weer de vrouw van vóór het faillissement. Misschien was dat ook geen redelijke eis.
De eerste loonbetaling viel lager uit dan een hele maand, omdat ik halverwege was begonnen. De verwerking van mijn aanvullende uitkering liep vertraging op. Drie telefoontjes, twee loonstroken en een nieuw overzicht waren nodig voordat het klopte.
Ik betaalde de tandartsregeling. Ik kocht Nora gymschoenen. Voor mezelf kocht ik nog niets. Eerst wilde ik een klein bedrag op mijn rekening laten staan dat niet al ergens voor bestemd was.
Na vier weken riep Eva me apart.
‘Je proeftijd is voorbij. We gaan verder.’
Ik wist dat die datum eraan kwam. Toch had ik die ochtend mijn persoonlijke spullen in één lade gelegd, zodat ik ze snel kon meenemen.
Thuis haalde ik mijn map uit de kast. Niet om hem weg te gooien. Ik stopte mijn contract en loonstrook in een nieuw vak. De sollicitatiebrieven bleven zitten.
Joost belde die avond. Hij werkte twee ochtenden bij een kleine drukkerij in Maarssen. Betaald, voorlopig voor drie maanden.
‘Niet veel,’ zei hij.
‘Wel van jou.’
‘Ja. En ze hebben een snijmachine waar ik met mijn hand goed mee overweg kan.’
Amina appte soms. Ze volgde nu een taalcursus met een administratieve module. Ze zocht nog werk. Ik stuurde alleen vacatures waarvan ik de uren en eisen had gelezen. Geen stapels links om mezelf behulpzaam te voelen.
Bij Stadskern vroeg ik in mijn tweede maand of de vroege telefoondienst anders verdeeld kon worden. Die kwam vaak bij Dennis terecht omdat hij geen kinderen had.
‘Dat is niet automatisch zijn vrije tijd,’ zei ik.
We maakten een rooster. Eén vroege dienst per week nam ik thuis aan, vanaf het moment dat Nora naar school vertrok. Het was niet ideaal. Het was wel besproken.
Op een dinsdag in november fietste ik met Nora naar school. Het regende niet. Dat viel me op, omdat ik maandenlang vooral had onthouden wanneer het wél regende.
Bij het hek vroeg ze of ik die middag naar haar presentatie kwam.
‘Donderdag,’ zei ik. ‘Die is donderdag. Ik heb een uur vrij gevraagd.’
‘En mocht dat?’
‘Ja.’
Ze rende naar een vriendin. Ik bleef nog even staan en controleerde toen de tijd. Ik moest door. Er lagen facturen die niet aansloten op de werkbonnen. Om elf uur kwam een nieuwe monteur kennismaken.
Mijn contract liep tot het voorjaar. Over verlenging was nog niets besloten. De huur bleef hoog. Mijn buffer was klein.
Ik deed mijn telefoon in mijn tas en stapte op de fiets.
Bij aankomst hield ik mijn pas voor de lezer. Het poortje ging open. Dennis riep dat de koffie op was.
‘Ik zet wel nieuwe,’ zei ik. ‘Daarna wil ik met je naar die dubbele opdracht kijken.’