Verlies en rouw
Mijn vader ging te vroeg
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
Mijn vader ging te vroeg
Toen mijn moeder belde, drukte ik haar weg. Ik stond bij de zelfscankassa van de Albert Heijn in Amersfoort. Mijn dochter Mila probeerde een zak mandarijnen op de weegschaal te leggen. Het apparaat bleef zeggen dat er een medewerker onderweg was.
Mijn telefoon ging opnieuw.
‘Neem nou op,’ zei Mila.
Ik nam op met een zucht. Die zucht hoor ik nog steeds.
‘Daan. Je moet naar het ziekenhuis komen.’
‘Wat is er?’
‘Je vader. Zijn hart.’
Achter haar stem hoorde ik een deur dichtvallen. Daarna niets.
‘Mam?’
‘Meander. Kom gewoon.’
Ik liet de boodschappen staan. Buiten trok Mila aan mijn jas.
‘Moet opa een prik?’
‘Dat weet ik niet.’
Ik kreeg de gordel niet vast. Het metalen lipje bleef tegen de rand van de sluiting tikken. Mila pakte het uit mijn hand en klikte het zelf vast. Ze was zeven.
Bij mijn ex, Eva, liet ik de motor draaien. Ze deed open op sokken. Toen ze mijn gezicht zag, stelde ze geen vragen. Ze trok Mila naar binnen en zei dat ik moest bellen zodra ik iets wist.
Onderweg hield ik me precies aan de snelheid. Dat verbaast me achteraf. Ik reed niet door rood. Ik sneed niemand af. Bij ieder stoplicht keek ik naar de bestuurder naast me. Een vrouw at een krentenbol. Een man peuterde aan zijn oor. Ik wilde op hun ramen slaan. Mijn vader lag ergens achter een deur en zij stonden daar maar.
Mijn naam is Daan Vermeer. Ik was vierendertig. Mijn vader, Henk, was eenenzestig. Hij werkte nog vier dagen per week in een garage in Soest. De avond ervoor had hij me een foto gestuurd van een kromme uitlaat, met de tekst: ‘Kijk, jouw rijstijl.’
Ik had niet gereageerd.
Bij de balie zei ik zijn naam te hard. De vrouw vroeg naar zijn geboortedatum. Die wist ik ineens niet meer. Alleen negen maart. Het jaartal was weg.
‘Mijn moeder is hier al.’
Een verpleegkundige kwam me halen. Ze liep niet snel. Ik vond dat een goed teken. Daarna vond ik het juist een slecht teken.
Mijn moeder zat in een kleine kamer met mijn zus Noor. Er stond een doos tissues op tafel. Geen tijdschriften. Geen raam dat open kon. Noor had haar werkjas nog aan. Op haar borst zat een speldje van de thuiszorg.
‘Waar is hij?’ vroeg ik.
Mijn moeder stond op. Haar hand bleef op de stoel liggen, alsof ze die nodig had om recht te blijven.
‘Ze hebben alles geprobeerd.’
Ik keek naar Noor.
‘Wat betekent dat?’
Ze begon te huilen. Ik werd kwaad op haar omdat ze geen antwoord gaf.
Een arts kwam binnen. Hij ging zitten, terwijl ik bleef staan. Hij vertelde dat mijn vader thuis was ingestort. Mijn moeder had direct 112 gebeld. De meldkamer had haar geholpen met reanimeren. De ambulanceploeg had het overgenomen. In het ziekenhuis waren ze doorgegaan.
‘Het is ons niet gelukt zijn hart weer op gang te krijgen.’
‘Hoe lang dan?’ vroeg ik.
Hij noemde tijden. Ik probeerde ze te onthouden, alsof er ergens een fout in de optelsom kon zitten.
‘Maar gisteren werkte hij nog.’
‘Dat begrijp ik.’
‘Nee. Hij stond gisteren gewoon onder een auto.’
De arts zweeg. Dat maakte me nog bozer. Ik wilde iemand die terugpraatte. Iemand die ik kon dwingen opnieuw naar hem te gaan.
Toen mochten we naar mijn vader.
Hij lag onder een wit laken. Zijn mond stond een beetje open. Een pluk haar lag recht omhoog. Ik streek die plat, maar hij veerde terug. Op zijn onderarm zag ik het litteken van een slijptol. Daar herkende ik hem aan. Niet aan zijn gezicht. Dat was te stil.
‘Pap,’ zei ik.
Meer niet.
Mijn moeder trok het laken bij zijn schouder recht. Ze deed dat met dezelfde beweging waarmee ze thuis een scheef tafelkleed corrigeerde.
‘Hij vroeg nog of ik koffie wilde,’ zei ze. ‘Ik zei dat ik eerst de was ophing.’
Ik pakte zijn hand. Die voelde nog niet zoals ik had verwacht. Niet ijskoud. Niet vreemd genoeg.
In mijn jaszak trilde mijn telefoon. Een bericht van Eva: ‘Mila vraagt of opa straks belt.’
Ik draaide het scherm naar mijn been.
Pas toen besefte ik dat ik haar iets moest vertellen wat ik zelf niet kon begrijpen.
Hoofdstuk 2
De dagen regelen
De volgende ochtend stond ik om zeven uur voor het huis van mijn ouders in Leusden. Ik had mijn eigen sleutel, maar belde aan. Mijn moeder deed open in de kleren van gisteren.
‘Koffie?’ vroeg ze.
Op het aanrecht stonden twee mokken klaar.
We keken er allebei naar. Ze zette er één terug in de kast. Daarna haalde ze hem er weer uit, omdat ik er was.
De uitvaartverzorger kwam om negen uur. Ze heette Saskia en zette haar tas naast de stoel waarop mijn vader altijd zat. Ik wilde haar vragen ergens anders te zitten. Mijn moeder was me voor.
‘Die stoel niet.’
Saskia schoof zonder uitleg een stoel van de eettafel aan.
Daarna moesten we beslissen. Begraven of cremeren. Welke dag. Hoeveel mensen. Welke kaart. Of mijn vader thuis zou worden opgebaard.
‘Hij wilde begraven worden,’ zei mijn moeder.
‘Dat heeft hij nooit tegen mij gezegd,’ zei Noor.
‘Tegen mij wel.’
Ik hoorde de scherpte in haar stem. Noor ook. Ze sloeg haar notitieboek dicht en meteen weer open.
Ik koos taken. Dat ging me beter af dan zitten. Ik belde de garage, zijn broer in Zwolle, de biljartclub. Bij het derde telefoontje zei ik de zin al zonder te haperen.
‘Mijn vader is gisteren overleden.’
Daarna wachtte ik tot de ander klaar was met schrikken.
Zijn baas, Kees, vroeg of hij langs mocht komen.
‘Later,’ zei ik.
‘Natuurlijk. Hebben jullie iets nodig?’
Ik keek naar de printer, die halverwege een lijst adressen was gestopt.
‘Inkt. Zwart. Voor een Epson.’
Een uur later stond Kees met twee cartridges voor de deur. Hij hield ze vast alsof hij niet wist of hij ze mocht afgeven. Zijn ogen waren rood.
‘Hij heeft vrijdag nog mijn bandenspanning gecontroleerd,’ zei hij.
Ik knikte. Ik had geen ruimte voor nog een laatste keer.
Die middag kwam Mila. Eva bleef erbij toen ik haar vertelde dat opa dood was. We zaten op de onderste trede van de trap, omdat Mila daar ging zitten zodra ze binnenkwam.
‘Zijn hart is gestopt,’ zei ik. ‘De dokters konden het niet meer laten werken.’
‘Maar hij kan toch een nieuw hart?’
‘Niet meer.’
‘Waarom niet?’
Ik begon over zuurstof. Over hersenen. Eva legde een hand op mijn knie.
‘Opa kan niet meer beter worden,’ zei ik. ‘We kunnen hem niet meer wakker maken.’
Mila trok een draadje uit haar sok.
‘Had ik hem harder moeten knuffelen zondag?’
‘Nee.’ Ik zei het zo hard dat ze opkeek. ‘Jij hebt niets verkeerd gedaan. Niemand heeft dit veroorzaakt door iets niet te doen.’
Die laatste zin geloofde ik voor haar. Voor mijn moeder. Nog niet voor mezelf.
Op vrijdag lag mijn vader thuis in een kist. Hij droeg zijn blauwe overhemd. Mijn moeder had zijn stropdas geweigerd.
‘Hij deed dat ding alleen om als het moest.’
Noor wilde een foto van ons drieën op de kaart. Ik koos een foto waarop hij alleen stond, bij de veerboot op Texel. Daar kregen we ruzie over.
‘Het gaat niet alleen om jou,’ zei ze.
‘Dat zeg ik toch niet?’
‘Je beslist alles.’
‘Omdat iemand het moet doen.’
Ze liep naar buiten. Door het raam zag ik haar tegen haar auto leunen. Ik bleef zitten. Op mijn scherm stond mijn vader met zijn ogen half dicht tegen de zon.
We gebruikten uiteindelijk die foto. Ik voelde me geen winnaar.
Tijdens de uitvaart las Noor een brief voor. Mijn moeder hield mijn hand vast. Ik had ook iets geschreven, maar het papier bleef opgevouwen in mijn binnenzak. Mijn naam werd genoemd. Ik schudde mijn hoofd.
Bij het graf hoorde ik een vogel en ergens verderop een bladblazer. Een medewerker vroeg of we nog een laatste groet wilden brengen.
Ik legde mijn hand op het hout.
De laatste keer dat mijn vader en ik echt hadden gepraat, hadden we ruzie gehad over geld. Hij had mijn zus geholpen en mij gevraagd wanneer ik mijn lening ging terugbetalen. Ik had gezegd dat hij altijd partij koos.
‘Doe niet zo kinderachtig,’ had hij geantwoord.
Ik was vertrokken zonder hem aan te kijken.
Dat stond niet op mijn gevouwen papier. Daarop stonden veilige herinneringen. Fietsen leren. Zaterdagen in de garage. Dingen waar mensen om konden glimlachen.
Toen de kist zakte, drukte ik mijn nagels in mijn handpalm.
Ik had nog steeds geen woord tegen hem gezegd over die ruzie.
Hoofdstuk 3
Zijn werkbank
Twee weken na de begrafenis belde Kees. De gereedschapskar van mijn vader stond nog in de garage. Ze hadden de plek nodig voor een nieuwe monteur.
‘Geen haast,’ zei hij daarna.
‘Zaterdag kom ik.’
Ik vond het laf dat hij eerst eerlijk was en dat toen weer terugnam. Tegelijk wist ik niet of ik de eerlijkheid aankon.
De garage lag op een bedrijventerrein in Soest. Ik kwam er als kind vaak. Mijn vader zette me dan op een hoge kruk en gaf me bouten om te sorteren. Nu stond er een elektrische auto op zijn brug. Een jonge monteur keek even op en dook meteen weer onder de motorkap.
Kees wachtte bij het koffieapparaat.
‘Hij had zijn eigen beker,’ zei hij.
‘Dat weet ik.’
Het klonk harder dan ik bedoelde.
Hij gaf me een kartonnen doos. Daarin zaten de beker, een leesbril, een fles handreiniger en drie pennen zonder dop. Bovenop lag een boterhamzakje met pepermuntjes.
‘Zijn overall hangt nog achterin.’
Ik liep naar de kleedruimte. Op zijn haak hing een blauwe overall met een losse naad bij de knie. Ik drukte de stof tegen mijn neus. Wasmiddel. Olie. Zweet misschien. Ik probeerde het te bewaren door dieper in te ademen.
Een deur klapte dicht.
‘Sorry,’ zei de jonge monteur.
Ik deed alsof ik naar het naamkaartje keek.
De gereedschapskar paste niet in mijn auto. Kees bood aan hem later met de bedrijfsbus te brengen. Ik nam alleen de doos en een oude doppenset mee. In de onderste la vond ik een gevouwen vel papier. Er stonden bedragen op. Mijn naam. Die van Noor.
Bij mijn naam stond achtduizend euro. Daarachter vier betalingen van tweehonderd. De rest had ik maanden laten liggen.
Ik had het geld geleend toen Eva en ik uit elkaar gingen. Borg, vloer, een tweedehands auto. Mijn vader had gezegd dat ik eerst rustig moest landen. Later was hij gaan vragen wanneer er weer iets kwam.
Ik had nieuwe schoenen gekocht. Een weekend Antwerpen geboekt met vrienden. Iedere keer dat hij over de lening begon, voelde ik me weer zestien. Dat gevoel gebruikte ik als excuus om boos te worden.
Buiten belde ik Noor.
‘Hoeveel heeft hij jou gegeven?’ vroeg ik.
‘Wat?’
‘Geld. Voor je huis.’
Er viel een stilte.
‘Ga je dit nu doen?’
‘Ik vind hier een lijst.’
‘Drie maanden huur, toen Joris vertrok. Je weet waarom.’
Dat wist ik. Haar ex had de gezamenlijke rekening leeggehaald. Toch bleef ik doorgaan.
‘Bij jou heette het helpen. Bij mij een lening.’
‘Ik heb het terugbetaald, Daan.’
Ik keek opnieuw naar het papier. Achter haar naam stonden kleine vinkjes.
‘Alles?’
‘Ja.’
Een vrachtwagen reed het terrein op. Ik moest opzijstappen.
‘Ik moet ophangen,’ zei Noor. ‘Ik kan dit er niet bij hebben.’
Thuis zette ik de doos op de keukentafel. Ik pakte de mok eruit, maar zette hem direct terug. Er zat een opgedroogd koffierandje in. Afwassen voelde verkeerd. Hem zo laten staan ook.
Die nacht opende ik ons gesprek op mijn telefoon. De foto van de uitlaat stond onder mijn laatste bericht: ‘Laat maar. Ik regel mijn eigen zaken wel.’
Ik zocht naar oudere berichten. Daar stonden gewone dingen. Of ik een ladder nodig had. Dat er file stond op de A28. Een foto van Mila met een veel te grote veiligheidsbril.
Ik probeerde met die berichten te bewijzen dat hij niet boos was gebleven.
Het werkte een paar minuten. Daarna las ik mijn eigen zin opnieuw.
De volgende ochtend reed ik naar mijn moeder. Het papier lag op de passagiersstoel. Ik wilde haar vragen of hij nog over onze ruzie had gesproken.
Ze zat in de tuin met zijn werkschoenen naast zich.
‘Die stonden nog bij de achterdeur,’ zei ze. ‘Ik blijf erover struikelen.’
Ik ging naast haar zitten.
‘Was hij boos op mij?’
Ze keek naar het papier in mijn hand.
‘Soms. Jij was ook boos op hem.’
‘Maar die laatste week?’
‘Daan, ik ga niet namens hem praten.’
Ik had gewild dat ze iets anders zei. Dat alles goed was. Dat hij het vergeten was.
Ze schoof één schoen met haar voet dichter bij de andere.
‘Je mag hem missen zonder dat alles tussen jullie netjes was.’
Ik bleef nog een uur. Het papier hield ik opgevouwen in mijn hand.
Hoofdstuk 4
Gewoon weer werken
Na drie weken ging ik weer naar mijn werk. Ik was planner bij een installatiebedrijf in Nijkerk. Er moesten monteurs naar lekkende leidingen en kapotte cv-ketels. Dat leek me overzichtelijk. Adressen. Tijden. Problemen waarvoor onderdelen bestonden.
Mijn leidinggevende, Bas, had gezegd dat ik halve dagen mocht beginnen.
‘Ik ben er toch,’ zei ik. ‘Dan kan ik net zo goed blijven.’
Op mijn bureau stond een kaart met achttien namen. Iemand had een plant neergezet. De aarde was kurkdroog.
De eerste ochtend lukte het. Ik beantwoordde mails. Ik verschoof een afspraak. Ik lachte zelfs toen een monteur belde dat een klant zijn gereedschapskoffer had aangezien voor een ontstopper.
Om half twaalf hoorde ik in de werkplaats een ratelsleutel.
Ik stond op zonder te weten waarom. Bij de deur bleef ik staan. Mijn hart ging hard. Ik wist waar ik was, maar mijn lichaam leek te wachten tot mijn vader onder een bus vandaan zou komen.
‘Zoek je iemand?’ vroeg een collega.
‘Nee. Koffie.’
Ik liep naar het toilet en deed de deur op slot.
Daarna maakte ik fouten. Ik stuurde twee monteurs naar hetzelfde adres. Een spoedklus bleef in mijn concepten staan. Toen Bas me erop aansprak, zei ik dat het systeem vastliep.
‘Het systeem werkt,’ zei hij rustig.
‘Dan zal ik wel niet werken.’
Hij schoof de deur dicht.
‘Dat zeg ik niet.’
Ik wilde weg. Niet naar huis. Gewoon uit zijn kamer.
Thuis was het stil op een manier die ik niet kende. Ik had al anderhalf jaar een eigen appartement, maar vroeger kon ik mijn vader bellen. Ik deed dat lang niet elke avond. Toch maakte de mogelijkheid verschil.
Nu zette ik de televisie aan zodra ik binnenkwam. Ook als ik ging douchen. Ik at staand aan het aanrecht. Een boterham, soms chips. Op de avonden zonder Mila dronk ik twee of drie biertjes. Ik sliep er niet beter door, maar het eerste halfuur werd vlakker.
Op een donderdag vergat ik haar op te halen bij de buitenschoolse opvang.
Mijn telefoon lag naast me. Ik had naar een oude video zitten kijken. Mijn vader leerde Mila een band oppompen. Ze hield het ventiel vast en hij zei: ‘Recht erop, meisje. Niet wrikken.’
Toen Eva belde, was het kwart over zes.
‘Waar ben je?’
Ik keek naar de klok.
‘Kut.’
‘Ik ben onderweg. Blijf maar thuis.’
Een halfuur later stond ze met Mila voor mijn deur. Mila liep direct naar haar tekenspullen. Eva bleef in de gang.
‘Ik snap dat het moeilijk is,’ zei ze. ‘Maar ik moet weten of ik op je kan rekenen.’
‘Eén keer. Ik ben het één keer vergeten.’
‘Ja. En daar schrok ze van.’
Ik keek langs haar heen. Mila tekende aan tafel, met haar jas nog aan.
‘Ik ben niet ongeschikt omdat mijn vader dood is.’
‘Dat zeg ik niet. Ik zeg dat je hulp nodig hebt.’
Ik sloeg de gangkast te hard dicht. Mila liet haar potlood vallen.
Dat geluid maakte een einde aan de ruzie.
Ik ging naast haar zitten.
‘Ik had je moeten ophalen. Dat is mijn fout. Niet die van jou.’
‘Was je mij vergeten of alleen de tijd?’
Ik moest slikken.
‘De tijd. Maar jij stond daar wel te wachten. Dat had niet mogen gebeuren.’
Ze knikte en trok haar jas uit.
De volgende ochtend belde ik de huisarts. Toen de assistente vroeg waarvoor ik wilde komen, zei ik eerst dat ik slecht sliep.
‘Hoe lang al?’
‘Sinds mijn vader dood is.’
Ik kon de rest niet meer uitspreken.
De huisarts vroeg hoe mijn dagen eruitzagen. Hoeveel ik dronk. Of ik at. Of ik momenten had waarop ik niet meer wilde leven. Die vraag schrok me op. Ik zei dat ik wel wilde leven, maar niet wist hoe ik deze dagen moest blijven doen.
Hij liet me uitpraten.
We maakten afspraken. Minder werken. Contact met de praktijkondersteuner. Terugkomen als het slechter ging. Geen groot plan. Een paar dingen voor de komende week.
Buiten belde ik Bas.
‘Die halve dagen,’ zei ik. ‘Kan dat nog?’
‘Ja.’
Daarna belde ik Eva. Ik vertelde haar over de huisarts. Ze zei niet dat ze het al had gezegd.
Die avond zette ik een alarm voor iedere ophaaldag. Daarna at ik met Mila pasta aan tafel. De televisie bleef uit.
Hoofdstuk 5
De jas aan de kapstok
In juni wilde mijn moeder de kledingkast leegmaken. Mijn vader was toen bijna vier maanden dood. Ze had ons voor tien uur gevraagd en zelf al vuilniszakken klaargelegd.
Noor kwam met broodjes. Ik kwam met tegenzin.
‘Waarom moet dit nu?’ vroeg ik.
Mijn moeder stond in de slaapkamer met een trui tegen haar buik.
‘Omdat ik hier elke ochtend tegenaan kijk.’
‘Je kunt de deur dichtdoen.’
Noor zette de broodjes op de overloop.
‘Niet doen, Daan.’
‘Ik vraag alleen waarom het zo snel moet.’
Mijn moeder legde de trui neer.
‘Jij gaat straks naar huis. Ik slaap hier.’
Daar kon ik niets tegenin brengen. Ik pakte een zak en hield hem open.
We maakten stapels. Weggeven. Bewaren. Twijfel. De twijfelstapel werd het grootst. Een overhemd met een vlek. Zijn goede broek. Een T-shirt van een camping waar niemand zich nog iets van herinnerde.
Noor trok een oude zwembroek uit een la.
‘Deze kan echt weg.’
‘Die vond hij nog prima,’ zei mijn moeder.
‘Dat was het probleem.’
Ze lachten. Ik niet. Het voelde alsof ze te makkelijk gingen. Een minuut later werd ik kwaad op mezelf omdat ik hun dat misgunde.
In de binnenzak van zijn winterjas vond ik een kassabon en een parkeerticket. Ik controleerde de andere zakken. Geen brief. Geen boodschap. Alleen een gebruikt papieren zakdoekje.
Blijkbaar had ik toch iets verwacht.
Tijdens de lunch vertelde mijn moeder dat ze de auto wilde verkopen.
Ik legde mijn broodje neer.
‘Die hebben jullie net twee jaar.’
‘Ik rijd er niet graag in. Hij is te groot.’
‘Ik kan hem af en toe gebruiken.’
‘Daarom hoef ik hem niet te houden.’
Noor keek nadrukkelijk naar haar bord.
‘Jij vindt zeker ook dat alles weg kan,’ zei ik.
Ze schoof haar stoel achteruit.
‘Ik heb zijn stem niet eens meer op mijn telefoon. Jij hebt filmpjes met Mila. Jij hebt die gereedschappen. En toch doe je alsof jij de enige bent die iets kwijtraakt.’
Mijn moeder zei onze namen. We luisterden niet.
‘Je had iets moeten zeggen over die gereedschappen,’ zei ik.
‘Ik wil die gereedschappen niet. Ik wil dat je ophoudt met controleren hoe wij dit doen.’
Ze vertrok voordat de koffie klaar was.
Ik bleef helpen, maar mijn moeder praatte weinig. Toen ik naar huis ging, gaf ze me de winterjas.
‘Je mag hem hebben. Je hoeft hem niet te houden.’
Bij mijn volgende afspraak met de praktijkondersteuner vertelde ik vooral wat Noor had gezegd. De praktijkondersteuner heette Farida. Ze liet me uitpraten en vroeg toen wat ik zelf had gezegd.
Ik gaf een kortere versie.
‘En daarvoor?’ vroeg ze.
Ik keek naar het raam. Op het parkeerterrein probeerde iemand een fiets op een drager te zetten.
‘Dat de kast dicht kon.’
‘Wat gebeurde er toen?’
Ik vertelde de rest.
Ze noemde me niet egoïstisch. Dat had ik bijna liever gehad. In plaats daarvan vroeg ze wat ik dacht dat er zou gebeuren als mijn moeder de auto verkocht.
‘Dan is die ook weg.’
‘Ja.’
‘En straks herken ik hun huis niet meer.’
Daar zat het. Ik wilde er nog naar binnen kunnen lopen alsof hij alleen even boodschappen deed. Mijn moeder moest daarvoor tussen zijn spullen blijven wonen.
Die avond belde ik Noor. Ze nam niet op. Ik stuurde geen lange uitleg. Alleen: ‘Ik deed rot. Vooral tegen mam. Tegen jou ook. Mag ik morgen langskomen?’
We spraken af in het Park Randenbroek. Haar zoontje Sem rende vooruit naar de speeltuin.
Ik bood mijn excuses aan. Zonder daarna uit te leggen waarom ik het moeilijk had.
Noor schopte een steentje van het pad.
‘Ik mis hem ook als ik niet huil,’ zei ze.
‘Dat weet ik.’
‘Nee. Volgens mij wist je dat niet.’
Ik knikte.
Op een bankje liet ik haar de filmpjes zien. Ik stuurde ze allemaal door. Ook het slechte filmpje waarop alleen de vloer te zien was en mijn vader buiten beeld vroeg wie zijn rolmaat had gepakt.
Dat speelde ze drie keer af.
We spraken ook over de lening. Niet lang. Ik zei dat ik met mijn moeder een haalbaar plan zou maken. Het geld terugbetalen kon onze ruzie niet veranderen. Maar het bleef wel een afspraak die ik had laten liggen.
Toen Sem terugkwam, vroeg hij waarom wij zo stil waren.
‘We luisteren even naar opa,’ zei Noor.
Hij kroop tussen ons in en luisterde mee.
Hoofdstuk 6
Een stoel minder
De eerste verjaardag van Mila zonder mijn vader viel in november. Ze werd acht. Twee weken van tevoren vroeg ze of opa wel op de uitnodiging mocht.
‘Hoe bedoel je?’
‘Niet dat hij komt. Gewoon zijn naam.’
Ze had iedereen onder elkaar geschreven. Oma Els. Tante Noor. Sem. Opa Henk stond ertussen, met een klein kruisje dat ze van een grafsteen had nagetekend.
‘Dat mag,’ zei ik.
Ik wist niet of dat het juiste antwoord was. Ik merkte dat ik minder vaak zeker wist wat het juiste antwoord was.
In de weken ervoor ging het iets beter. Ik werkte weer vijf uur per dag. Soms fietste ik naar kantoor. Ik maakte eten dat meer dan één pan nodig had. Daarna kon een reclame voor gereedschap me onverwacht onderuit halen.
Farida vroeg niet meer iedere afspraak hoe het slapen ging. Ze vroeg ook naar Mila. Naar mijn vrienden. Naar dingen die ik uitstelde. Daardoor hoefde mijn vader niet steeds het eerste onderwerp te zijn. Eerst vond ik dat verraad. Later was ik er dankbaar voor.
Op Mila’s verjaardag stond ik vroeg in de keuken van Eva. We hadden besloten het feest daar te vieren. Haar woonkamer was groter. Ik sneed komkommer terwijl zij slingers ophing.
‘Niet zo dun,’ zei ze. ‘Dan hangen ze slap aan die prikkers.’
‘Je klinkt als mijn vader.’
We keken elkaar aan.
‘Hij had gelijk gehad,’ zei ik.
Het was de eerste keer dat ik over hem begon zonder dat de sfeer meteen veranderde.
Mijn moeder kwam met een poppenhuis dat ze tweedehands had gekocht. Noor droeg een taartdoos. Kees kwam later even langs. Mijn vader had hem jaren geleden zo vaak over Mila verteld dat hij bij haar verjaardagen was gaan horen.
Bij de cadeaus begon Mila plotseling te huilen.
Ik dacht dat er iets stuk was. Ze schudde haar hoofd en duwde het papier weg.
‘Opa maakte altijd de moeilijke knopen los.’
Het lint om een doos zat te strak.
Ik pakte een schaar.
‘Nee,’ zei ze. ‘Niet knippen.’
Dus ging ik naast haar op de grond zitten. Ik peuterde aan het lint tot mijn nagels pijn deden. Niemand praatte. Dat maakte het erger.
‘Jullie mogen wel gewoon taart pakken,’ zei ik.
Eva stond op. Er kwamen weer geluiden in de kamer. Kopjes. Stoelen. Noor die Sem waarschuwde voor zijn mouw.
Uiteindelijk kreeg ik de knoop los.
Mila veegde haar gezicht af en trok het deksel van de doos.
Vijf minuten later lachte ze om een spel met een piepende kip. Ik voelde nog tranen achter mijn ogen. Zij niet meer, op dat moment. Ik probeerde haar niet terug te trekken naar waar ik zat.
Na het feest nam ik de overgebleven taart mee naar huis. Mijn moeder reed een stukje achter me. Bij de rotonde sloeg zij af. Vroeger had mijn vader daar vaak nog even met zijn lichten geknipperd. Ik keek automatisch in mijn spiegel.
Thuis viel de stilte hard.
Ik at taart uit de doos en opende een bierflesje. Na twee slokken zette ik het weg. Niet omdat ik ineens sterk was. Ik wist inmiddels hoe die avonden eindigden: slecht slapen, vroeg wakker, alles zwaarder.
Ik belde mijn vriend Jelle.
‘Ben je bezig?’
‘Ik sta lasagne te verpesten.’
‘Kan ik komen helpen?’
‘Aan verpesten ben ik al klaar. Eten mag wel.’
We aten verbrande randen en een koud midden. Hij vroeg naar de verjaardag. Ik vertelde over het lint.
‘Dat is klote,’ zei hij.
Daarna vroeg hij of ik volgende week meeging wandelen bij Lage Vuursche. Geen toespraak. Geen opdracht om verder te gaan.
Op de terugweg stopte ik bij een tankstation. Bij de kassa stond een man met hetzelfde achterhoofd als mijn vader. Dezelfde brede nek. Ik zette een stap naar hem toe voordat hij zich omdraaide.
Een vreemde man keek me vragend aan.
‘Sorry,’ zei ik. ‘Ik dacht dat u iemand anders was.’
In de auto bleef ik een paar minuten zitten. Ik huilde. Daarna stuurde ik Jelle dat ik meeging wandelen.
De volgende ochtend bracht ik mijn moeder een stuk taart. Ze vertelde dat ze zich had aangemeld voor een schildercursus in het buurthuis.
Ik vroeg niet wie er meegingen. Of ze dat vroeger ook al had gewild. Of het niet vreemd was zonder hem.
‘Wanneer begin je?’ vroeg ik.
‘Dinsdag.’
Ze pakte twee vorkjes. We aten de taart rechtstreeks van het bord.
Hoofdstuk 7
De fiets van Mila
Een jaar na zijn dood wilde mijn moeder niet naar het graf. Ze zei het tijdens een telefoongesprek, voorzichtig, alsof ze toestemming vroeg.
‘Ik ben er zondag geweest. Morgen wil ik gewoon naar mijn cursus.’
‘Dan moet je dat doen.’
‘Vind je dat niet raar?’
‘Nee.’
Ik meende het. Dat was nieuw.
Noor ging vroeg, voor haar dienst. Ik ging aan het einde van de middag. We hoefden er niet tegelijk te staan om dezelfde man te missen.
Op het werk had ik die dag vrij genomen. Eerst had ik gedacht dat ik ieder uur zou moeten vullen. Ontbijt met mijn moeder. Begraafplaats. Foto’s kijken. Iets maken van de datum.
Maar om negen uur zat ik thuis aan tafel met koffie. De doos uit de garage stond niet meer midden in de woonkamer. De mok had ik afgewassen. Ik gebruikte hem soms. De winterjas had ik in januari naar de kledinginzameling gebracht, nadat ik hem maanden ongebruikt had laten hangen.
Ik had van het wegbrengen geen ceremonie gemaakt. Toch had ik daarna tien minuten naast de container gestaan.
De gereedschapskar stond nu in mijn berging. Noor had de oude radio gekregen die erop stond. Mijn moeder reed in een kleine rode auto. Als ze ermee achteruit inparkeerde, stak ze haar tong tussen haar lippen. Dat had ze altijd al gedaan. Ik zag nu weer dingen die niet alleen over mijn vader gingen.
Aan het begin van de middag haalde ik Mila van school. Haar fietsketting liep er steeds af. Ze wilde ermee naar de fietsenmaker.
‘We kunnen eerst zelf kijken,’ zei ik.
‘Kun jij dat?’
‘Dat gaan we merken.’
In de berging zette ik haar fiets ondersteboven op een oude handdoek. Ze ging op een kruk zitten. Ik trok de onderste la van de gereedschapskar open en vond de juiste sleutel niet.
‘Opa wist altijd waar alles lag,’ zei ze.
‘Opa werd heel boos als iemand iets had verplaatst.’
‘Ook op jou?’
‘Juist op mij.’
Ze glimlachte.
De sleutel lag in de bovenste la. Ik maakte de achteras los, trok het wiel een stukje naar achteren en draaide de moeren weer vast. De ketting stond te strak. Het wiel liep zwaar.
‘Dat is niet goed,’ zei Mila.
‘Nee. Nog een keer.’
Mijn vader had me dit ooit uitgelegd. Ik herinnerde me zijn handen beter dan zijn woorden. De vuile randjes langs zijn nagels. Hoe hij altijd eerst zelf trok aan iets wat ik had vastgezet.
Ik voelde het gemis opkomen. Ik stopte even met draaien.
‘Moet je huilen?’ vroeg Mila.
‘Misschien.’
Ze wachtte.
‘Je mag ook doorgaan,’ zei ik. ‘Je hoeft niet op mij te letten.’
Ze pakte de fietspomp en controleerde de banden. Ik stelde het wiel opnieuw af. Dit keer draaiden de trappers soepel.
Buiten fietste ze drie rondjes over het plein.
‘Hij doet het!’ riep ze.
Ik stak mijn duim op. De neiging om mijn vader te bellen was er nog. Kort en fel. Ik liet mijn telefoon in mijn zak.
Later bracht ik Mila naar Eva en reed naar de begraafplaats. Bij het graf stond een klein potje blauwe druifjes. Van Noor, vermoedde ik. Er lag zand op de rand van de steen. Ik veegde het weg met mijn mouw.
Ik had geen brief bij me.
‘Ik heb de fiets gemaakt,’ zei ik hardop.
Het klonk ongemakkelijk. Er liep iemand verderop over het pad. Ik wachtte tot die voorbij was.
‘En ik betaal mam iedere maand terug. Niet veel. Wel elke maand.’
Ik hurkte neer, maar mijn knie deed pijn. Dus ging ik weer staan.
Ik vertelde niet alles. Niet dat ik nog soms zijn berichten las. Niet dat ik vorige week kwaad was geworden omdat ik zijn lach minder goed kon oproepen. Niet dat ik dagen had waarop ik pas ’s avonds aan hem dacht en daar dan van schrok.
Dat hoorde inmiddels ook bij mijn leven. Ik vond het nog steeds moeilijk. Ik hoefde het niet iedere keer op te lossen.
Voor ik wegging, legde ik mijn hand op de steen.
‘Je had langer moeten blijven,’ zei ik.
Daar geloofde ik nog precies hetzelfde over als een jaar eerder.
Thuis waste ik het zwarte vet van mijn handen. Onder mijn nagels bleef wat zitten. Mijn telefoon ging. Mila had via Eva een foto gestuurd van haar fiets tegen het hek.
‘Nog steeds goed,’ stond erbij.
Ik stuurde terug: ‘Morgen testen we hem tot aan de ijssalon.’
Daarna zette ik aardappels op. Ik dekte de tafel voor mezelf. Ik had honger.